Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2577

2026-06-30 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/2024
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/2024
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1969; Viditax (FutD) 2026092503; FutD 2026-1688; V-N Vandaag 2026/1987; Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/1036

Inhoudsindicatie

Tweede navorderingsaanslag IB/PVV 2015 in verband met correctie inkomen uit aanmerkelijk belang. Bouwkosten van een loods/schuur op het privé perceel van belanghebbende zijn ten laste gebracht van de B.V. Tijdigheid aanslag.

Citeert (16)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (66.500 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM


kenmerk 25/2024



30 juni 2026




uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: C. Overduin)



tegen de uitspraak van 8 augustus 2025 in de zaak met kenmerk HAA 23/3020 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen



belanghebbende



en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 23 januari 2021 een tweede navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2015 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.247, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 90.538 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 38.647. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 4.482.



1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.636, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 58.454 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 38.647 en de daarbij behorende beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende en de inspecteur hebben nadere stukken ingediend.



1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026, gelijktijdig met dat in het hoger beroep met kenmerk 25/2022. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.






2Feiten


2.1.
Belanghebbende is indirect, enig aandeelhouder van [bedrijf 1] (voorheen [bedrijf 2] , hierna: de BV). Belanghebbende is tevens eigenaar van een perceel grond op het adres [straat 1] 46 te [Z] . De BV exploiteerde tot in 2014 onder meer een benzinestation en wasstraat op dit perceel van belanghebbende. Van de terbeschikkingstelling van het perceel door belanghebbende aan de BV bestaat geen schriftelijke overeenkomst. Het perceel grond is in het jaar 2014 gesaneerd, de kosten van de sanering zijn verwerkt in de boekhouding van de BV.



2.2.
Belanghebbende woont in een woonboerderij op het adres [straat 2] 24 te [Z] . Op het boerderijperceel is in het jaar 2015 een loods/schuur neergezet. Deze loods/schuur is gebouwd met materialen van de BV, althans de kosten van de materialen zijn verwerkt in de boekhouding van de BV.



2.3.
Het Hof gaat verder uit van de feiten, zoals door de rechtbank vastgesteld en hieronder geciteerd (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’, respectievelijk ‘verweerder’).


“1. Binnen de BV werd tot 2014 een benzinestation en een autowasstraat geëxploiteerd op een perceel grond dat door eiser aan de BV ter beschikking werd gesteld (de oorspronkelijke locatie).



2. Eiser heeft in 2015 een schuur gebouwd naast zijn woning. Eiser had voor de bouw van de schuur geen vergunning van de Gemeente Zaanstad.



3. De bouwkosten voor de schuur zijn verwerkt in de boekhouding van de BV en geactiveerd op grootboekrekeningen “101 Grond en terreinen” en “102 Verbouwing”. In 2015 is een bedrag van € 52.964 (exclusief btw) op deze grootboekrekeningen geboekt.



4. Op 24 december 2014 is een bedrag van € 240.000 van een privébankrekening van eiser overgemaakt naar een bankrekening van de BV. Op 5 januari 2015 is een bedrag van € 240.000 van de bankrekening van de BV overgemaakt naar de privébankrekening van eiser.



5. Met dagtekening 28 februari 2016 heeft verweerder eiser een uitnodiging tothet doen van aangifte IB/PVV 2015 uitgereikt.



6. Op een door verweerder overgelegde schermprint staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:




“BSN/sofinummer [sofinummer eiser] [naam eiser] (…)





Fiscale afspraak

Middel IBPV

Belastingjaar 2015

(…)

Soort afspraak uitnodiging tot het doen van definitieve aangifte

(…)

Initieel te reageren voor 01-05-2016

Uiterlijk te reageren voor 18-11-2016

Dagtekening 28-02-2016

Datum klantreactie 09-12-2016

Datum voldaan 09-12-2016

Soort ingekomen bericht aangifte binnenland





(…)

Uitstel

Soort bericht Datum ontvangst Beconregeling Becon Uitstel verleend tot (..)

verzoek uitstel individueel 25-03-2016 NEE [#] 01-09-2016

verzoek uitstel becon 25-03-2016 JA [#]





Soort bericht verzoek uitstel individueel

Datum ontvangst 25-03-2016

Beconregeling NEE

Beconnummer [#]

Dagtekening uitstelbericht 12-04-2016

Uitstel verleend tot 01-09-2016

(…)

Herinnering

Dagtekening Uiterste reactiedatum (…)

27-09-2016 11-10-2016





Aanmaning

Dagtekening Uiterste reactiedatum (…)

04-11-2016 18-11-2016”




7. Op 9 december 2016 heeft eiser de aangifte IB/PVV 2015 ingediend. Hierin staat in de rubriek ‘Gegevens contactpersoon consulent/adviseur’ vermeld ‘ [naam 1] ’ met daarbij een doorkiesnummer. Het aangegeven inkomen uit werk en woning (box 1) bedraagt negatief € 23.753 en is als volgt opgebouwd:
Inkomen uit eigen woning
- huurwaarde € 3.127
- aftrekbare rente € 26.880 -/-
Totaal € -23.753



Het aangegeven inkomen uit sparen en beleggen (box 3) bedraagt € 29.047.



Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 5.294.



8. Op 2 mei 2017 heeft eiser een herziene aangifte IB/PVV 2015 ingediend, waarin het aangegeven inkomen uit sparen en beleggen (box 3) is verlaagd naar € 17.172. Het verzamelinkomen bedraagt volgens de herziene aangifte negatief € 6.581.



9. Tijdens de aanslagregeling is gecorrespondeerd over verschillende onderwerpen.



10. Met dagtekening 1 februari 2019 heeft verweerder de primitieve aanslag IB/PVV 2015 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 35.294. Dit is als volgt opgebouwd:
Loon (gebruikelijk loon) € 30.000
Inkomen uit eigen woning € -23.753 +
Inkomen uit werk en woning (box 1) € 6.247
Inkomen uit sparen en beleggen (box 3) € 29.047 +
Verzamelinkomen € 35.294



Gelijktijdig met de vaststelling van deze aanslag is een verliesverrekeningsbeschikking afgegeven. Met het inkomen uit werk en woning is een verlies uit werk en woning uit voorgaande jaren verrekend van € 1.611. Deze verliesverrekening resulteerde in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.636.



11. Verweerder heeft op 4 juni 2019 een bedrijfsbezoek aangekondigd bij de BV. Dat bezoek heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Tijdens het bezoek heeft een gesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van verweerder en eiser. In het verslag van dit bedrijfsgesprek staat onder meer het volgende:




“Daarna heeft [eiser] aangegeven wat de bedoeling was met het bedrijf op deze locatie en kwam daarbij met een tekening van een Carwash, overdekt tankstation en een verdieping boven de carwash en het tankstation waar stofzuigers zouden komen te staan.

Hierover was [eiser] reeds vele jaren in overleg met de Gemeente, maar tot op heden was er nog steeds geen toestemming voor de bouw hiervan.

(…)

Daarop is de geschiedenis van het bedrijf besproken. Op het bedrijfsterrein was een Carwash en (…) tankstation aanwezig. Dit huurde [eiser] in eerste instantie. [Eiser] heeft dit in 1991 kunnen overnemen (…). De Carwash met tankstation zijn ingebracht in daartoe opgericht vennootschap(pen), de ondergrond is naar privé gegaan. (…)





In 2014 is de ondergrond uiteindelijk gesaneerd. (…). Na de sanering is er een contract gesloten met [een exploitant van tankstations] voor verhuur van de ondergrond waar het voormalige tankstation stond. (…)





De Carwash is ook al een geruime tijd gesloten. De bedoeling was zoals gezegd om een mooi nieuw pand op de locatie neer te zetten, maar zoals gezegd is dat nog niet gelukt.





Activiteiten

Binnen [de BV] probeert [eiser] nieuwe activiteiten te ontwikkelen, om toch weer inkomsten te genereren. De vennootschap beschikt over een drietal garages, waarin nog zaken opgeslagen staan van de wasstraat en waarin voorheen ook nog wel auto’s werden geconditioneerd. Dat is echter niet toegestaan en dat gebeurt nu af en toe in een schuur die [eiser] op het privéadres heeft geplaatst.
(…)Kosten B.V.(…)[Eiser] gaf aan (…)En het is niet uit te sluiten dat er ook kosten ten behoeve van de bouw van de schuur op [het privéadres van eiser] ten laste van de B.V. zijn geboekt.




De schuur wordt privé gebruikt, maar ook gebruikt voor werkzaamheden voor de B.V. De Gemeente is van mening dat de schuur daar niet gebouwd had mogen worden en dat deze afgebroken moet worden. De mogelijkheid bestaat dan dat de schuur richting [de oorspronkelijke locatie] gaat. Hij is zo wel gebouwd, dat dat mogelijk is.

[Eiser] is dan ook van mening dat de schuur gezien kan worden als bedrijfsvermogen van [de BV] en daar geactiveerd zou moeten worden. (…)”




Het bedrijfsbezoek heeft onder meer geleid tot een boekenonderzoek bij eiser, waarbij de jaren 2014 tot en met 2020 zijn onderzocht voor de IB/PVV en voor de omzetbelasting.



12. Op 16 april 2020 heeft verweerder een brief (abusievelijk gedagtekend 16 april 2019) gestuurd naar eiser inzake een op te leggen navorderingsaanslag. In deze brief staat onder meer het volgende:




“Met dagtekening 1 februari 2019 is aan u een definitieve aanslag IB 2015 afgegeven waarbij het verlies IB 2014 is verrekend voor een bedrag van € 1.611.

Op 14 december 2019 is aan u een navorderingsaanslag IB 2014 opgelegd met een positief inkomen, hierdoor vervalt verliesverrekening ( carry-forward ) met het jaar 2015.

Gevolg hiervan is dat aan u een navorderingsaanslag IB 2015 wordt opgelegd i.v.m. de ten onrechte verleende verliesverrekening ( carry-forward ).”




13. Naar aanleiding van de bevindingen van het lopende boekenonderzoek en vanwege dreigende verjaring heeft verweerder met dagtekening 13 november 2020 de tweede navorderingsaanslag aangekondigd. In deze brief staat onder meer het volgende:




“1.1 Correctie kosten

Bij de aanslag ter behoud van rechten over het jaar 2015 wordt evenals over het jaar 2014 gesteld dat bij de vennootschap de helft van de auto- en transportkosten, huisvestingskosten, verkoopkosten en andere kosten, in totaal € 26.516 excl. btw mogelijk zien op privé en worden daar dus gecorrigeerd. Tevens wordt hierover een bedrag van € 5.568 aan voorbelasting bij de vennootschap gecorrigeerd. Er wordt verder van uitgegaan dat deze kosten alleen ten laste van de vennootschap zijn gekomen doordat de aandeelhouder deze uitgaven als zakelijk heeft bestempeld in plaats van privé. Hiermee is de aandeelhouder als zodanig bevoordeeld en daar zijn zowel de aandeelhouder als de vennootschap zich bewust van geweest. Er is sprake van een dubbele bewustheid.





Het totale bedrag van deze uitgaven inclusief btw (€ 32.084) wordt derhalve aangemerkt als uitdeling van winst (dividend).





Correctie 1 meer Box 2 inkomen: dividend € 32.084

1.2 Correctie balansposten

Evenals in het jaar 2014 worden in het jaar 2015 in de vennootschap van [eiser] kosten die eerst geactiveerd waren op de grootboekrekeningen 101 grond en terreinen en 102 verbouwingen, aan het eind van het jaar middels een memoriaalpost gecrediteerd op deze rekeningen en gedebiteerd in het grootboek 1830 vooruit ontvangen bedragen. Hierdoor verdwijnt het grootboek 1830 van de balans omdat deze op “nul” komt te staan. De op deze facturen in rekening gebrachte omzetbelasting is door de vennootschap als voordruk in mindering op de ingediende aangiften omzetbelasting gebracht.





Deze kosten die door de vennootschap zijn betaald hebben mede betrekking op werkzaamheden, voor zover door ons na te gaan, verricht om en nabij het woonadres van [eiser] (…). Het betreffen werkzaamheden die geen betrekking hebben op de vennootschap, maar op het privé onroerend goed van [eiser]. Hierdoor is de grootaandeelhouder [eiser] door de vennootschap bevoordeeld. De vennootschap is zich evenals de grootaandeelhouder [eiser] bewust geweest van deze bevoordeling door de vennootschap. De verarming van de vennootschap wordt als een uitdeling van winst gekwalificeerd. Dit voordeel voor [eiser] dient als dividend in de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2015 te worden aangegeven. Dit is echter niet gebeurd en zal worden gecorrigeerd. De uitdeling bedraagt € 47.625 + € 10.829 omzetbelasting is € 58.454.





Correctie 2 meer Box 2 inkomen: dividend € 58.454







2Inkomstenbelasting Box 3 inkomenDoor [eiser] is op 24 december 2014 een bedrag van € 240.000 vanuit privé gestort op de bankrekening van de vennootschap. Op 5 januari 2015 wordt een bedrag groot € 240.000 weer door de vennootschap gestort op de privé bankrekening van [eiser]. Een dergelijke handeling staat ook wel bekend als “boxhoppen”. Deze overboeking wordt verricht om het privévermogen per ultimo van het jaar te verlagen zodat minder vermogen in box 3 wordt aangegeven. Feitelijk behoort het bedrag van de overboeking tot het privévermogen van [eiser] op 1 januari 2015. Dit wordt dan ook gecorrigeerd.



Correctie 3: meer vermogen per 1 januari 2015 € 240.000.

Het belastbaar inkomen box 3 neemt toe met 4% (fictief rendement) x € 240.000 = € 9.600.






3CorrectieoverzichtBovenstaande correcties hebben de volgende gevolgen.



Het belastbaar inkomen box 1 was vastgesteld op € 6.247





Het belastbaar inkomen box 2 was € 0

Correctie dividenduitkering 1 € 32.084

Correctie dividenduitkering 2
€ 58.454

Gecorrigeerd belastbaar inkomen box 2 € 90.538



Het belastbaar inkomen box 3 was € 29.047

Correctie box 3 inkomen
€ 9.600

Gecorrigeerd box inkomen € 38.647





Verzamelinkomen € 135.432



Op basis van bovenstaande gegevens zal een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2015 worden opgelegd. (…)”



14. Van het boekenonderzoek is op 26 januari 2022 een conceptrapport aan eiser gezonden (het conceptrapport). Daarin is voor de onderbouwing van de tweede navorderingsaanslag aangesloten bij de hiervoor aangehaalde brief van 13 november 2020. In het conceptrapport staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:




“De aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2014 t/m 2020 zijn verzorgd door [bedrijf 3] . De aangiften zijn ingediend op de naam van de heer [naam 1] . (…)

(…)

Beconnummer : [#]

Telefoon : (…)”




15. Eiser heeft niet op het conceptrapport gereageerd. Verweerder heeft op 10 februari 2022 hetzelfde rapport aan eiser gezonden met de volgende aanvulling in de slotopmerkingen:




“Met dagtekening 26 januari 2022 is een conceptrapport verzonden naar de heren (…) en [eiser]. Dit is zowel per mail als per post gebeurd. Hierop is geen reactie gekomen.”




16. Bij brief van 3 maart 2022 heeft verweerder eiser onder meer verzocht de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting 2014 en de (navorderings)aanslagen IB/PVV die zijn opgelegd voor de jaren 2014 tot en met 2017, te motiveren. In reactie hierop heeft eiser op 31 maart 2022 vanwege gezondheidsklachten en privéomstandigheden verzocht om uitstel voor de motivering. Bij brief van 19 mei 2022 heeft verweerder verzocht op korte termijn tot motivering van de bezwaren over te gaan. Op 27 juni 2022 heeft eiser excel-bestanden aan verweerder gezonden voor de omzetbelasting van de BV. Op 6 juli 2022 heeft verweerder vervolgens een e-mailbericht aan eiser gezonden, waarin wordt gevraagd wanneer de motivering van de bezwaarschriften tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV verwacht kan worden. Bij brief van 23 augustus 2022 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij voornemens is de bezwaarschriften tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV af te wijzen. In deze brief wordt gelegenheid geboden voor het inplannen van een hoorgesprek.



17. Op 23 november 2022 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen verweerder, eiser en diens toenmalige adviseurs. Naar aanleiding van dat gesprek zou eiser de bezwaren uiterlijk op 19 december 2022 nader motiveren. Op 4 januari 2023 heeft verweerder eiser verzocht alsnog de bezwaren te motiveren, uiterlijk op 13 januari 2023. Daarop is geen reactie ontvangen.



18. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 16 februari 2023 heeft verweerder de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 afgewezen.



19. Bij uitspraak op bezwaar van 10 augustus 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 gegrond verklaard en de correctie van het resultaat uit overige werkzaamheden van € 528.000 teruggenomen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is overeenkomstig de aangifte vastgesteld op negatief € 24.255.”



2.4.
In het verslag van het op 18 juni 2019 gehouden bedrijfsgesprek (zie ro. 11 van de uitspraak van de rechtbank) staat ook:


“Verder gaf [belanghebbende] aan dat er bedrijfshallen zijn gekocht om het gebouw op de [straat 1] op te knappen/aan te passen, maar het materiaal ligt nu achter het gebouw opgeslagen. Zolang er geen goedkeuring is van de gemeente om iets te doen blijft dat daar ook liggen. Bij [bedrijf 5] ligt overigens ook nog materiaal opgeslagen. Dat zal daar ook weggehaald moeten worden (…).”




2.5.
Tot het dossier in hoger beroep behoort een e-mail van een fiscaal adviseur van de gemeente Zaanstad aan de inspecteur over een bedrag van € 150.000 dat in 2012 door de gemeente is betaald. Aanvankelijk heeft de inspecteur van dit e-mailbericht uitsluitend de inhoud overgelegd, later is het gehele bericht inclusief de verzenddatum 12 november 2019 ingebracht:


“U heeft met mijn collega [naam 2] gesproken over een uitkering in 2012 van de gemeente aan [bedrijf 2] ter hoogte van € 150.000. U heeft ons gevraagd meer informatie te geven over deze uitkering.



De gemeente heeft dit bedrag uitgekeerd op grond van een vaststellingovereenkomst uit 2005. [bedrijf 2] heeft in 2003 een aanvraag ingediend voor de bouw van een dubbele wasstraat. In de vaststellingovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de gemeente een bijdrage van € 150.000 doet aan de plaatsing van een geluidsscherm, waarmee de geluidsbelasting op de gevel van het naastgelegen nieuwgebouwde appartementencomplex kan worden geminimaliseerd. Op grond van de vaststellingsovereenkomst is de gemeente verplicht tot uitkering van het bedrag binnen een week na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning voor de wasstraat. [bedrijf 2] is op grond van de vaststellingsovereenkomst gehouden de bijdrage aan te wenden voor de verwezenlijking van het geluidsscherm. Zowel de wasstraat als het geluidsscherm zijn tot op heden niet gerealiseerd.



Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Als u nog meer vragen heeft, hoor ik het graag.”







3Geschil in hoger beroep


3.1.
In hoger beroep is in geschil of de tweede navorderingsaanslag, zoals deze na de vermindering is komen te luiden, terecht is opgelegd en zo ja, naar een te hoog bedrag is vastgesteld.



3.2.
Meer specifiek is in geschil de correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang van € 58.454 in verband met een uitdeling door de BV aan belanghebbende.






4Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank heeft over het geschil – voor zover van belang in hoger beroep – als volgt overwogen:



“Is de tweede navorderingsaanslag tijdig opgelegd?
25. Eiser stelt dat de tweede navorderingsaanslag niet tijdig is opgelegd, omdat de termijn waarbinnen deze kon worden opgelegd eindigde op 31 december 2020 en de aanslag is gedagtekend op 23 januari 2021. Eiser stelt dat hij de afgelopen jaren diverse adviseurs heeft gehad en dat hem niet duidelijk kenbaar is gemaakt dat er uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2015. Volgens eiser heeft verweerder niet bewezen dat uitstel is verleend omdat hij geen kopie heeft overgelegd van het verzoek om (becon-)uitstel noch van de toewijzing daarvan. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 augustus 2022 [voetnoot: ECLI:NL:RBZWB:2022:4622]. Een verlenging van de aanslagtermijn met de periode van verleend uitstel is daarom niet aan de orde. De navorderingsaanslag dient daarom te worden vernietigd, aldus eiser.



26. Verweerder stelt dat eiser om uitstel heeft verzocht voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2015 en dat dit uitstel is verleend tot 1 september 2016. De termijn voor het vaststellen van een navorderingsaanslag IB/PVV 2015 is dan ook met vier maanden verlengd, waardoor de tweede navorderingsaanslag volgens verweerder tijdig is opgelegd.



27. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de aanslagtermijn met de duur van dit uitstel verlengd [voetnoot: artikel 16, derde lid, van de Awr]. Partijen zijn verdeeld over de vraag of aan eiser op diens verzoek uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2015 en, als dit het geval is, of dit uitstel op een juiste wijze bekend is gemaakt aan eiser.



28. Artikel 9, tweede lid, van de Awr bepaalt dat de inspecteur de termijn voor het indienen van een aangifte met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven, kan verlengen. Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling volgt dat verlenging van die termijn uitsluitend wordt verleend op verzoek van de belastingplichtige [voetnoot: Kamerstukken II, 1955/56, 4080, nr. 5, blz. 7]. Indien de belanghebbende, zoals in het onderhavige geval, stelt dat een schriftelijk besluit van de inspecteur hem niet heeft bereikt, ligt in die stelling een betwisting van de verzending van dat besluit begrepen. In dat geval dient de inspecteur die verzending aannemelijk te maken [voetnoot: Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1175; Hoge Raad 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202; Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:674; Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875]. Dit betekent dat de bewijslast dat voor het indienen van eisers aangifte uitstel is gevraagd en verleend, op verweerder rust.



29. Niet in geschil is dat eiser is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2015 en dat de aangifte, behoudens uitstel, vóór 1 mei 2016 moest worden gedaan. In de aangifte IB/PVV 2015 is als belastingconsulent van eiser ‘ [naam 1] ’ vermeld. In het conceptrapport staat vermeld dat de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2014 tot en met 2020 zijn ingediend op naam van de heer [naam 1] onder beconnummer [#] . In de onder 6 vermelde schermprint staat hetzelfde beconnummer vermeld. Verder staat in het controlerapport bij deze gemachtigde hetzelfde doorkiesnummer vermeld als in de aangifte IB/PVV 2015. Verweerder heeft ter zitting toegelicht hoe de schermprint moet worden gelezen. Verweerder heeft - niet dan wel onvoldoende weersproken - gesteld dat in eerste instantie door de belastingconsulent van eiser op 25 maart 2016 langs elektronische weg is verzocht om becon-uitstel, maar dat dit verzoek is omgezet in een zogenoemd verzoek uitstel individueel, omdat de belastingconsulent niet had voldaan aan de verplichtingen om voor becon-uitstel in aanmerking te komen. Vervolgens is op 12 april 2016 door middel van digitale verzending aan de belastingconsulent van eiser, en daarmee aan eiser, kenbaar gemaakt dat uitstel voor het doen van aangifte is verleend tot 1 september 2016. Verweerder heeft verder - niet dan wel onvoldoende weersproken - gesteld dat het door hem gebruikte softwaresysteem en de commerciële softwaresystemen die door belastingconsulenten worden gebruikt, direct met elkaar communiceren. Er wordt automatisch uitstel verleend en er gaat automatisch een bericht van het softwaresysteem van verweerder naar het softwaresysteem van de belastingconsulent dat uitstel is verleend. Er worden geen brieven verstuurd dat uitstel is verleend. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd verklaard enkel bij eiser, en dus niet bij de toenmalige belastingconsulent van eiser, navraag te hebben gedaan of hij wist of er uitstel voor het doen van aangifte is verleend, maar dat eiser een leek is en niet wist of dit het geval was. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van verweerder. Gelet op de verklaringen van verweerder en de onder 6, 7 en 14 vermelde feiten, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de toenmalige belastingconsulent van eiser namens eiser een (becon-)verzoek om uitstel voor indiening van de aangifte IB/PVV voor 2015 heeft ingediend en dat het verleende uitstel tot 1 september 2016 aan de toenmalige belastingconsulent van eiser, en daarmee aan eiser, door middel van digitale verzending kenbaar is gemaakt. Dat betekent dat de termijn voor het vaststellen van een navorderingsaanslag IB/PVV 2015 is verlengd tot en met 30 april 2021. De tweede navorderingsaanslag is op 23 januari 2021 opgelegd, dus binnen de verlengde aanslagtermijn. De beroepsgrond van eiser slaagt dus niet.




Nieuw feit

30. Eiser stelt dat tijdens een overleg met de Belastingdienst op 23 mei 2018 over de kosten van de bouw van de schuur is gesproken en dat bij brief van 20 juli 2018 namens eiser vragen zijn beantwoord door de toenmalige accountant/adviseur van eiser. De correctie die verband houdt met de kosten voor het bouwen van de schuur dient daarom volgens eiser te vervallen vanwege het ontbreken van een nieuw feit. Verweerder betwist dat tijdens het gesprek op 23 mei 2018 de bouwkosten van de schuur aan de orde zijn geweest en stelt dat deze kosten pas voor het eerst aan de orde zijn gekomen tijdens het bedrijfsgesprek op 18 juni 2019.



31. De rechtbank stelt vast dat bijlage 13.7 bij het verweerschrift twee brieven betreft van verweerder gedateerd 23 mei 2018. De ene brief bevat een verslag van de bespreking die op die dag heeft plaatsgevonden. Daarin staat niet vermeld dat is gesproken over de bouwkosten van de schuur die is gebouwd bij de woning van eiser. De andere brief betreft een verzoek om informatie. Daarin wordt evenmin gesproken over de bouwkosten van de schuur. Ook in de antwoordbrief van de toenmalige accountant/adviseur van eiser van 20 juli 2018 staat niets vermeld over deze kosten. Gelet hierop heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de kosten van de bouw van de schuur in de periode mei-juli 2018 (de periode waarin is gecorrespondeerd over de aanslag 2015) niet aan de orde zijn geweest en dus sprake is van een nieuw feit. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.




Vereiste aangifte

32. Allereerst dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard en moet eiser doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.



33. Volgens vaste jurisprudentie heeft een belastingplichtige (onder meer) niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken [voetnoot: Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083].



34. In het kader van het niet doen van de vereiste aangifte stelt verweerder dat eiser ten onrechte de betaling van de bouwkosten van de schuur door de BV niet als inkomen uit aanmerkelijk belang heeft aangegeven en dat eiser ten onrechte € 240.000 aan box 3-vermogen niet in de aangifte IB/PVV 2015 heeft opgenomen. Eiser betwist dat hij een onjuiste aangifte heeft ingediend voor wat betreft het niet aangeven van de betaling van de bouwkosten van de schuur door de BV als inkomen uit aanmerkelijk belang.



35. De rechtbank stelt vast dat eiser niet bestrijdt dat ten onrechte een bedrag van € 240.000 niet als box 3-vermogen in de aangifte is betrokken. De rechtbank gaat daarom eerst in op de vraag of dit feit op zichzelf reeds de conclusie rechtvaardigt dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan.




Absoluut en relatief aanzienlijk lagere verschuldigde belasting

36. Eiser heeft voor het jaar 2015 een herziene aangifte IB/PVV gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van negatief € 23.753 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 17.172. Op grond van de door eiser ingediende aangifte zou de verschuldigde belasting met betrekking tot het inkomen uit box 3 € 2.948 hebben bedragen (verschuldigde belasting van € 5.151 (30% van € 17.172) verminderd met de algemene heffingskorting van € 2.203). Met inachtneming van de correctie van het inkomen uit sparen en beleggen van € 9.600 (4% van € 240.000) in verband met het ten onrechte niet aangegeven box 3-vermogen van € 240.000 zou de verschuldigde belasting met betrekking tot het box 3 inkomen € 5.828 hebben bedragen (€ 8.031 (30% van € 26.772) verminderd met de algemene heffingskorting van € 2.203). Het verschil tussen het verschuldigde bedrag volgens de aangifte en het daadwerkelijk aan belasting verschuldigde bedrag is aldus € 2.880 (€ 5.828 - € 2.948). Dit is naar het oordeel van de rechtbank een absoluut en relatief aanzienlijk verschil in verschuldigde belasting [voetnoot: Vgl. Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083, overweging 2.3.3.]. Aldus is sprake van het niet doen van de vereiste aangifte.




Was eiser zich ervan bewust dat niet de vereiste aangifte werd gedaan?

37. Het is algemeen bekend dat voor het bepalen van de hoogte van het box 3-vermogen wordt gekeken naar het saldo van de bank- en spaartegoeden op de waardepeildatum 1 januari van het desbetreffende jaar. Eiser heeft op 24 december 2014 een bedrag van € 240.000 vanaf een privébankrekening gestort op de bankrekening van de BV en heeft vervolgens op 5 januari 2015 hetzelfde bedrag weer teruggestort op zijn privébankrekening. Door deze overboeking is het privévermogen op de peildatum met € 240.000 verlaagd Eiser moet zich hiervan bewust zijn geweest. Ook moet eiser zich, gelet op de omvang van de correctie, ervan bewust zijn geweest dat hierdoor aanzienlijk te weinig belasting zou worden geheven. Van eiser mag worden verwacht dat hij zijn aangifte alvorens die in te dienen zorgvuldig op juistheid controleert. Dat hij dat niet heeft gedaan, maar is uitgegaan van het saldo van zijn privébankrekening op de waardepeildatum, waardoor een aanzienlijk bedrag aan privévermogen niet is meegenomen bij het vaststellen van het box 3-vermogen, dient voor zijn rekening te komen.



38. Nu eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan, dient eiser ingevolge artikel 27e van de Awr te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar inzake de tweede navorderingsaanslag onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat omdat er geen definitief controlerapport zou zijn opgesteld, de bewijslast niet kan worden omgekeerd of verzwaard. Of er een definitief rapport is verzonden, brengt immers geen verandering in de feiten die verweerder aan de omkering en verzwaring van de bewijslast ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat eiser ten onrechte € 240.000 aan box 3-vermogen niet in de aangifte IB/PVV 2015 heeft aangegeven. Verder volgt uit het onder 15 opgenomen citaat dat op 26 januari 2022 het conceptrapport aan eiser is gezonden. Eiser heeft dat ook niet weersproken. De rechtbank leidt daaruit af dat met het op 10 februari 2022 toegezonden rapport bedoeld is het definitieve rapport toe te sturen. Aangezien eiser niet op het op 26 januari 2022 toegezonden conceptrapport heeft gereageerd, is er immers geen reden te veronderstellen dat er een verschil zou zijn tussen het conceptrapport en het definitieve rapport.
De omkering en verzwaring van de bewijslast strekt zich uit over de gehele aanslag [voetnoot: Vgl. Hoge Raad 14 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC441 en Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.]. Het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 [voetnoot: ECLI:NL:HR:2022:767] heeft hier geen wijziging in gebracht. Zodoende geldt de omgekeerde en verzwaarde bewijslast ook voor de betaling van de bouwkosten van de schuur door de BV van € 58.454 die door verweerder als box 2-inkomen in aanmerking is genomen.



Heeft eiser overtuigend aangetoond dat de correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang van € 58.454 in verband met de betaling van de bouwkosten van de schuur door de BV onjuist is?



39. Verweerder stelt dat er sprake was van een uitdeling, omdat de BV kosten die zien op de bouw van een schuur/werkplaats op het privéterrein van eiser voor haar rekening heeft genomen. Volgens verweerder gaat het om privékosten die voor rekening van de BV zijn gebleven met de bedoeling eiser te bevoordelen. De (eerdere) stelling van eiser dat de schuur/werkplaats in privé wordt gebruikt, maar ook voor activiteiten van de BV, maakt niet dat de kosten door de BV gedragen moeten worden, nu eiser door natrekking eigenaar wordt van de schuur/werkplaats aldus verweerder.



40. Eiser heeft in het 10-dagenstuk nader het standpunt ingenomen dat de schuur enkel is gebouwd ten behoeve van de BV en dat de kosten voor de bouw van de schuur zakelijk zijn en niet privé. De BV wilde haar activiteiten (wasstraat en garagebedrijf) voortzetten op de oorspronkelijke locatie, maar door problemen met de gemeente zijn de activiteiten van de BV op die locatie in 2014 compleet lam gelegd. De BV was al bezig met een nieuwe, dubbele wasstraat, die door eiser zelf zou worden geconstrueerd en geïnstalleerd. De BV had daar al materialen voor besteld/gekocht en was van plan verder te gaan met de (op)bouw van die dubbele wasstraat en het garagebedrijf. Omdat dit op de oorspronkelijke locatie niet mogelijk was, heeft eiser besloten om als tijdelijke tussenoplossing op zijn eigen terrein bij zijn woonhuis in ieder geval de voorbereidingen voor de nieuwe wasstraat zoveel mogelijk voort te zetten. Om die reden is er op het privéterrein met de materialen van de BV een schuur gebouwd, die te zijner tijd eenvoudig is af te breken en op te bouwen op een andere locatie om daarin de nieuwe wasstraat te construeren. Omdat ook de garage en reconditioneringsactiviteiten voortgezet zouden worden, waren/zijn er ook gewone autobruggen nodig. Deze bruggen, die zijn geplaatst in de schuur, doen tevens dienst als werktafel voor zware werkzaamheden, zoals het bouwen van een lopende band c.q. kettingbaan ten behoeve van de autowasstraat. Verweerder veronderstelt ten onrechte dat eiser via natrekking eigenaar van de schuur is geworden, omdat de schuur/werkplaats niet onroerend is. Eiser stelt daartoe dat de schuur zeer eenvoudig op te bouwen en weer af te breken is en een volledig demontabel frame heeft, bestaande uit stalen spanten. De panelen van de wanden zitten via een kliksysteem zo in elkaar.



41. Met al hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij niet overtuigend aangetoond dat de correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang van € 58.454 in verband met de betaling van de bouwkosten van de schuur door de BV onterecht is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.



42. Tijdens het bedrijfsbezoek in 2019 heeft eiser verklaard dat de schuur ook privé wordt gebruikt. In het verslag van dit gesprek (zie hiervoor onder 11) is hierover het volgende opgenomen:



“De schuur wordt privé gebruikt, maar ook gebruikt voor werkzaamheden voor de B.V. De Gemeente is van mening dat de schuur daar niet gebouwd had mogen worden en dat deze afgebroken moet worden. De mogelijkheid bestaat dan dat de schuur richting de [oorspronkelijke locatie] gaat. Hij is zo wel gebouwd, dat dat mogelijk is.”



Door eiser is nimmer betwist dat dit tijdens dit gesprek door hem zou zijn gezegd. Eiser heeft met zijn betoog in beroep, niet overtuigend aangetoond dat, anders dan hij eerder heeft verklaard, de schuur/werkplaats enkel ten behoeve van de BV tijdelijk naast de woning van eiser is gebouwd om de voorbereidingen van de nieuwe wasstraat zoveel mogelijk voort te zetten en deze te verplaatsen naar de oorspronkelijke locatie zodra het weer mogelijk zou zijn om de bedrijfsactiviteiten van de BV daar weer uit te voeren.




Berust de tweede navorderingsaanslag op een redelijke schatting?

43. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder niet van zijn verplichting een redelijke schatting te maken van de inkomensbestanddelen. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld [voetnoot: Vgl. Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184].



44. Tegen de hoogte van de correctie van het inkomen uit sparen en beleggen van € 9.600 en de hoogte van de correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang van € 58.454 in verband met de betaling van de bouwkosten van de schuur door de BV heeft eiser geen gronden aangevoerd. Ook eerder heeft hij deze bedragen niet bestreden De rechtbank heeft ook anderszins geen aanwijzingen dat deze correcties naar willekeur zouden zijn vastgesteld.




Correctie inzake overige privékosten

45. Aangezien tussen partijen niet langer in geschil is dat de correctie in verband met de betaling door de BV van overige privékosten ad € 32.084 dient te vervallen, heeft deze correctie ten onrechte plaatsgevonden.




Conclusie

46. Gezien het voorgaande dient het beroep met zaaknummer HAA 23/3019 gegrond te worden verklaard en dient de eerste navorderingsaanslag te worden vernietigd. Het beroep met zaaknummer HAA 23/3020 dient gegrond te worden verklaard omdat de correctie van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in verband met de betaling door de BV van overige privékosten ad € 32.084 onjuist is. Daarnaast dient het belastbaar inkomen uit werk en woning te worden verlaagd met € 1.611 vanwege de te hanteren verliesverrekening. De tweede navorderingsaanslag dient daarom te worden verminderd naar een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.636 (€ 6.247 - € 1.611), een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 58.454 (€ 90.538 - € 32.084) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 38.647.






Belastingrente

47. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de berekening van de belastingrente die gelijktijdig met de tweede navorderingsaanslag IB/PVV 2015 in rekening is gebracht en ook overigens is niet gebleken dat deze is berekend in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van de Awr. Wel dient de belastingrente die in rekening is gebracht te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de tweede navorderingsaanslag.




Proceskosten

48. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten en merkt de onderhavige zaken aan als samenhangend met de zaken met de nummers HAA 23/3018 en HAA 23/3022 tot en met HAA 23/3026. De kostenvergoeding is toegekend in de uitspraak in de zaak met het zaaknummer HAA 23/3018.”






5Beoordeling van het geschil



Op de zaak betrekking hebbende stukken



5.1.

In artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter zendt.
Het gaat hierbij om stukken die de inspecteur bij de besluitvorming ter beschikking (hebben ge-)staan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de nog bestaande geschilpunten. Indien iemand voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een dergelijk stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, moet het stuk door de inspecteur overgelegd worden (HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, ro. 3.4.2 en HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, ro. 3.5.2).




5.2.
Belanghebbende heeft het vermoeden dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Het gaat belanghebbende om overleg binnen de belastingdienst en om contact dat er is geweest tussen de toenmalige inspecteur en gemeente Zaandam. Belanghebbende heeft de indruk dat de belastingcontrole die bij hem werd opgestart met dat contact te maken heeft. De inspecteur heeft in reactie op deze vermoedens bevestigd dat één keer overleg is geweest met de gemeente en heeft daarvan het onder 2.4 opgenomen e-mailbericht ingebracht. Verder is er geen contact met de gemeente geweest en zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken ingebracht, aldus de inspecteur.



5.3.
Het Hof stelt vast dat in het e-mailbericht van 12 november 2019 gereageerd wordt op een vraag van de inspecteur naar de betaling door de gemeente van een groot geldbedrag aan belanghebbende in 2012, als vergoeding voor een door belanghebbende aan te brengen geluidsscherm. Het Hof ziet in de inhoud van het bericht geen aanwijzing dat er anders dan over deze vraag contact was tussen de gemeente en de Belastingdienst, het bericht is formeel van toon en betreft uitsluitend de gestelde vraag. Ook geeft het geen vermoeden van enig oorzakelijk verband tussen contact met de gemeente en de belastingcontrole. De mail met het antwoord van de gemeente dateert van ruim na het bedrijfsgesprek van 18 juni 2019 en ook van na de aankondiging van het boekenonderzoek bij belanghebbende op 4 november 2019. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het anders is gelopen dan door de inspecteur uiteengezet, namelijk dat er bij de BV een discussie was over privégebruik van auto’s, dat daarom op 18 juni 2019 een gesprek met belanghebbende is gevoerd en dat bij dat gesprek de informatie naar boven kwam die aanleiding vormde het boekenonderzoek in te stellen.



5.4.
Bij deze stand van zaken ziet het Hof geen aanleiding – daartoe is onvoldoende gesteld – aan te nemen dat er stukken zijn of correspondentie is (geweest) van de inspecteur met de gemeente (of met anderen), die niet aan de rechter is/zijn overgelegd en die wel van belang kan/kunnen zijn voor het nog resterende geschil in de zin van artikel 8:42 van de Awb. Het is een veel voorkomende misvatting dat elk geschreven woord van een inspecteur zonder meer een op de zaak betrekking hebbend stuk oplevert.



Te laat indienen van stukken door de inspecteur




5.5.

In artikel 8:42, lid 1, Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken verzendt binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift en – indien de bestuursrechter daarom heeft verzocht – een verweerschrift indient.
Belanghebbende klaagt erover de inspecteur hiermee steeds te laat was en verzoekt het Hof daarom het verweerschrift in hoger beroep tardief te verklaren en buiten beschouwing te laten.




5.6.
Belanghebbende heeft gelijk dat de inspecteur zich in de procedure bij de rechtbank niet aan de gestelde termijnen voor het indienen van stukken heeft gehouden. Ook in hoger beroep heeft de inspecteur het verweerschrift (inclusief vier nieuwe bijlagen) te laat ingediend, namelijk op 20 januari 2026 in plaats van op 2 januari 2026. Het Hof stelt voorop dat het naleven van door (de administratie van) een gerecht gestelde termijnen van belang is, omdat dit niet alleen de goede procesorde dient, maar ook bijdraagt aan efficiënte en tijdige rechtspraak. In deze zaak heeft belanghebbende het verweerschrift (en de bijlagen) in hoger beroep weliswaar 18 dagen te laat, maar ruim vóór de geplande zitting bij het Hof ontvangen. Belanghebbende is redelijkerwijs niet geschaad in zijn mogelijkheden om de zitting tijdig te kunnen voorbereiden en reeds daarom zal het Hof het verweerschrift niet als tardief buiten beschouwing laten.



Het “concept-rapport”




5.7.
Belanghebbende betoogt dat het rapport van het boekenonderzoek twee maal als “concept” is verzonden (zie ro. 14 en 15 van de rechtbankuitspraak), niet definitief is geworden en dat daarom niet mag worden uitgegaan van hetgeen in dat rapport staat. Het Hof heeft uit de stukken van belanghebbende opgemaakt dat het hem gaat om de gemiste mogelijkheid tot reageren op het concept-rapport en heeft belanghebbende ter zitting gevraagd met welke passages hij het niet eens is. Belanghebbende heeft hierop geen specifieke passage kunnen aanwijzen en heeft herhaald dat het hem om het gehele rapport gaat. Daarmee lijkt vooral sprake te zijn van een formele klacht zonder inhoud. Het Hof zal het rapport “definitief” in zijn beoordeling betrekken. Het Hof acht niet geloofwaardig dat belanghebbende in de veronderstelling was dat ook het tweede rapport nog steeds concept was, alleen al omdat in het tweede rapport staat dat belanghebbende niet op het conceptrapport had gereageerd. Het moet duidelijk geweest zijn dat klaarblijkelijk vergeten is het woord “concept” te verwijderen. Maar zelfs als het al zo zou zijn dat belanghebbende dacht dat nog steeds sprake was van een concept, dan had het op zijn weg gelegen om de gemiste kans om commentaar te leveren alsnog te benutten of op zijn minst aan te duiden wat er schortte aan het “concept”. Doordat belanghebbende dit onvoldoende specifiek heeft gedaan, ziet het Hof geen aanleiding bepaalde passages buiten beschouwing te laten.



De loods/schuur




5.8.
Belanghebbende heeft vanwege zijn 100% aandeelhouderschap in de BV, daarin een aanmerkelijk belang. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen (artikel 4.12, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001). Tot deze voordelen worden ook verkapte winstuitdelingen gerekend. Een verkapte winstuitdeling doet zich voor indien uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst van een vennootschap een vermogensverschuiving plaatsvindt van die vennootschap aan haar aandeelhouder, waarbij die vermogensverschuiving is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen en zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling (HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, ro. 3.4.4).


5.9.1.
Tijdens het bedrijfsbezoek in 2019 heeft belanghebbende verteld over de schuur (zie 2.3 onder ro. 11 en 2.4). Belanghebbendes verklaring tijdens het bedrijfsgesprek hield in dat de loods/schuur naar zijn eigen behoefte voor verschillende doeleinden gebruikt werd. Ook verklaarde belanghebbende dat omdat de loods/schuur weg moest van de gemeente de mogelijkheid zou bestaan dat deze naar de [straat 1] zou gaan en dat de bouwwijze dat toeliet. In datzelfde gesprek heeft belanghebbende verklaard dat hij al bedrijfshallen en ander materiaal had gekocht voor de [straat 1] , maar dat dit moest blijven liggen tot er goedkeuring was van de gemeente (zie 2.4). De verklaringen van belanghebbende leiden tot de conclusie dat de loods/schuur niet bedoeld was voor de [straat 1] , maar voor belanghebbende om deze te gebruiken naar eigen behoefte.



5.9.2.
De rechtbank constateerde dat die verklaring anders is dan de later door belanghebbende ingenomen stelling dat de schuur/loods tijdelijk naast de woning van belanghebbende is gebouwd enkel ten behoeve van de BV, namelijk om de voorbereidingen voor de nieuwe wasstraat zoveel mogelijk voort te zetten en deze te verplaatsen naar de [straat 1] zodra dat mogelijk was (ro. 42 van de rechtbankuitspraak). Het Hof sluit zich bij die constatering aan, de verklaring en de stelling zijn niet met elkaar te rijmen. Oorzaak en gevolg zijn diametraal anders dan bij de stelling dat vanwege een discussie met de gemeente over de grondlevering bij de [straat 1] een tijdelijke wasstraat elders gebouwd is. Het Hof hecht geloof aan de eerdere verklaringen van belanghebbende (zie 5.9.1) en verwerpt de latere stelling. Dat de BV desondanks de kosten van de loods/schuur voor haar rekening nam, leidt het Hof tot het constateren van een vermogensverschuiving van de BV naar haar aandeelhouder. Deze moet zijn gebeurd met de bedoeling om haar enige aandeelhouder als zodanig te bevoordelen. De feiten en omstandigheden van deze zaak geven geen blijk van een (ook maar enigszins aannemelijke) zakelijke grondslag. Integendeel lijkt eerder sprake van een patroon van gebruikmaken van de BV voor persoonlijke doeleinden van de aandeelhouder (zie ook zaaknummer 25/2022). De BV en belanghebbende moeten zich van de vermogensverschuiving en de bevoordelingsbedoeling bewust zijn geweest, belanghebbende heeft het voordeel in zijn hoedanigheid van aandeelhouder aanvaard en uit de jaarrekening van de BV voor het jaar 2015 blijkt dat de BV over voldoende reserves beschikte om de winstuitdeling uit te doen plaatsvinden. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de betaling door de BV van de materialen en bouwkosten van de loods/schuur een winstuitdeling aan belanghebbende is.



5.10.
De inspecteur heeft voor de hoogte van het nagevorderde bedrag van € 58.454 aangesloten bij het totaalbedrag van de facturen die in 2015 in de boekhouding van de BV zijn verwerkt en die zijn geactiveerd op grootboekrekeningen “101 Grond en terreinen” en “102 Verbouwing”. Belanghebbende verzet zich tegen de hoogte van dit bedrag en betoogt dat hij het inkomen niet in het onderhavige jaar 2015 heeft genoten, dan wel dat het is verrekend omdat kosten zijn geboekt tegenover het oplopen van de rekening-courant met de BV.


5.11.1.
Het Hof heeft hiervoor overwogen dat aannemelijk is dat de loods/schuur voor belanghebbende is gebouwd, hetgeen met zich brengt dat de kosten van de loods/schuur voor rekening en risico van belanghebbende zouden moeten zijn. Daarvan uitgaande zou belanghebbende in het jaar 2015 deze kosten zelf hebben gemaakt en de facturen inclusief daarop drukkende BTW hebben betaald aan de crediteuren. In zijn plaats heeft echter de BV deze kosten betaald. De bevoordeling voor belanghebbende (het genieten van inkomen) vindt dan plaats op het moment van betaling van die kosten door de BV en die bevoordeling is gelijk aan het bedrag dat belanghebbende aan kosten is bespaard (vgl. HR 7 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3982, ro. 4.3). De verarming van de BV is in dit geval aan dat bedrag gelijk. Uit het in 5.9.2 overwogene volgt dat enige op de facturen drukkende BTW niet aan de BV in rekening is gebracht voor prestaties die door haar zijn gebruikt voor met omzetbelasting belaste prestaties, zodat aftrek onterecht zou zijn en het gegeven voordeel dus het gehele bedrag beslaat. Reeds omdat de onderhavige kosten in de jaarrekening van de BV niet via de verlies- en winstrekening zijn gelopen, maar als balanspost zijn geactiveerd (en gecrediteerd), gaat het argument van belanghebbende over verrekening met de rekening-courant niet op.



5.11.2.

Belanghebbende heeft aan zijn eerder gehouden betoog in hoger beroep toegevoegd dat uitsluitend de facturen van [naam 3] € 17.000 en de factuur inzake beplating van [bedrijf 4] en [naam 4] van € 8.000, die zien op staalbouw en montage, bouwkosten (inclusief BTW) van de loods/schuur betreffen.
Het Hof stelt vast dat de in het grootboek opgenomen facturen voor materialen (beton, kozijnen, leveren en monteren platen) dateren uit dezelfde periode als de facturen van wekelijkse werkzaamheden van [bedrijf 5] , te weten augustus 2015 tot en met december 2015. Alle facturen zijn geboekt op de grootboekrekeningen “grond en terreinen” en “verbouwing”. De inspecteur heeft aan de hand van foto’s laten zien dat in die periode geen andere bouwwerkzaamheden zijn geweest dan de bouw van de loods/schuur. Belanghebbende heeft geen begin van een verklaring gegeven voor waar de andere facturen dan wel op zouden zien. Dit alles duidt op een meer dan aannemelijk verband van alle facturen met de bouw van de loods/schuur.





5.12.
De inspecteur heeft op grond van het in 5.8 tot en met 5.11.2 overwogene aannemelijk gemaakt dat belanghebbende het bedrag van € 58.454 als winstuitkering en dientengevolge als inkomen uit aanmerkelijk belang genoten heeft. Het Hof zou, nu een en ander reeds met toepassing van de normale bewijslast(verdeling) is komen vast te staan, met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast tot geen andere uitkomst komen.



De navorderingsaanslag




5.13.
Wat betreft de aanleiding voor de navordering heeft het Hof in 5.3 reeds overwogen dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat het anders is gelopen dan door de inspecteur uiteengezet, namelijk dat bij de BV een discussie was over privégebruik van auto’s, dat daarom op 18 juni 2019 een gesprek met belanghebbende is gevoerd en dat bij dat gesprek de informatie naar boven kwam die aanleiding vormde het boekenonderzoek in te stellen. Het is dus correct dat de toenmalige inspecteur in 2018, voorafgaand aan het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 op 1 februari 2019, reeds contact had met de BV. Echter dat over een of meerdere onderwerpen vragen worden gesteld, betekent niet dat de inspecteur met alle feiten van de BV bekend was, of had moeten zijn. De correspondentie uit de periode mei-juli wijst niet op bekendheid met of vragen over de kosten van de loods/schuur, maar zien op onderwerpen die daar niet mee te maken hebben. De rechtbank heeft in ro. 31 terecht geoordeeld dat er een navordering rechtvaardigend nieuw feit is. Het Hof neemt dat oordeel en de gronden waarop het berust over en maakt het tot het zijne.


5.14.1.
Ook wat betreft de vraag of de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd sluit het Hof zich aan bij het hierover gegeven rechtskader en oordeel van de rechtbank, neemt hij ro. 27 tot en met 29 van de uitspraak van de rechtbank over en maakt deze overwegingen tot de zijne. Hieraan voegt het Hof het volgende toe.



5.14.2.
Belanghebbende lijkt van de inspecteur onomstotelijk bewijsmateriaal van het uitstel te verlangen. Het gaat er echter om of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat om uitstel is verzocht en dat het kenbaar verleend is (normale bewijslast). Deze bewijslast om iets aannemelijk te maken houdt niet in dat er volledig bewijs moet zijn of dat iets met absolute zekerheid komt vast te staan. Er kan bij aannemelijk maken ruimte zijn voor twijfel. Bij de bewijslevering geldt de vrije bewijsleer, zodat bewijs met alle middelen geleverd kan worden. Het Hof beoordeelt het aangedragen bewijs en hetgeen daarover door beide partijen is aangevoerd (de weging van het bewijs).



5.15.3.
De inspecteur heeft schermafdrukken van het computersysteem van de belastingdienst overgelegd van het uitstel dat volgens hem voor de jaren 2015 (en 2016) is aangevraagd en verleend. De betekenis van de data op de schermafbeeldingen en de werkwijze over het kenbaar maken van uitstel heeft de inspecteur op de zitting bij de rechtbank toegelicht. Belanghebbende en zijn huidige gemachtigde betwisten dit “bij gebrek aan wetenschap”. Zij hebben geen navraag gedaan bij (het kantoor van) de toenmalige adviseur [naam 1] van [bedrijf 3] die de aangifte heeft ingediend. Zij weten niet of om uitstel is verzocht, noch of het is verleend. Het betreft een louter formele stelling. Daarentegen bestaan voldoende aanwijzingen voor het wel verzoeken om en kenbaar verleend zijn van uitstel. Er was destijds een vaste adviseur die de aangiften indiende, deze maakte gebruik van een beconnummer en heeft – volgens het computersysteem van de belastingdienst – voor meerdere jaren het BECON-uitstel geregeld. Voor het onderhavige jaar 2015 laat het computersysteem meerdere data zien waarop een actie is gedaan; op 25 maart 2016 een verzoek om uitstel en op 12 april 2016 een uitstel van vier maanden tot 1 september 2016. Er kan een invoer- of computerfout zijn gemaakt, maar de kans is klein dat alle data fout zouden zijn. De andere data in het systeem zijn in elk geval wel juist; reguliere aangiftetermijn 1 mei 2016 en de ingekomen aangifte op 9 december 2016. En daarbij komt dat de aangifte was gedaan ruim na de reguliere aangiftetermijn (echter ook pas na afloop van de uitgestelde aangiftetermijn). Het Hof acht de inspecteur op grond van het aangedragen bewijs, zijn toelichting en gezien de louter formele betwisting van belanghebbende geslaagd in zijn bewijslast om aannemelijk te maken dat door de toenmalige adviseur om uitstel is verzocht en dat vier maanden uitstel voor de aangifte is verleend. De navorderingsaanslag is binnen vijf jaar en vier maanden, en dus tijdig opgelegd.



Slotsom





5.16.
De tweede navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015, zoals deze na vermindering is komen te luiden, is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Het hoger beroep van belanghebbende is daarom ongegrond.



Vergoeding van immateriële schade




5.17.
Het Hof ziet aanleiding om aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen en merkt de onderhavige zaak aan als samenhangend met de zaak 25/2022. De vergoeding is toegekend in de uitspraak in de zaak met het zaaknummer 25/2022.






6Kosten


Het Hof ziet aanleiding om aan belanghebbende een vergoeding proceskosten van het hoger beroep toe te kennen en merkt de onderhavige zaak aan als samenhangend met de zaak 25/2022. De vergoeding is toegekend in de uitspraak in de zaak met het zaaknummer 25/2022.






7Beslissing


Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.




De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, J-P.R. van den Berg en M.C. Cornelisse, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.








Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.




Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.




Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.




Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.



Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op