Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1175
2019-07-12
Bestuursrecht; Belastingrecht
18/03304
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:1175 → ECLI:NL:PHR:2019:698
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:1175 → ECLI:NL:PHR:2019:702
Inhoudsindicatie
Bewijs van verzending van een brief van de heffingsambtenaar. Belang van verzendadministratie.
Citeert (4)
- ECLI:NL:PHR:2019:698 Parket bij de Hoge Raad 29-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:702 Parket bij de Hoge Raad 29-05-2019
- ECLI:NL:HR:2006:AZ4416 Hoge Raad 15-12-2006
- ECLI:NL:RVS:2010:BL3338 Raad van State 10-02-2010
Geciteerd door (51)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6553 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-07-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2577 Gerechtshof Amsterdam 30-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1450 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1318 Rechtbank Midden-Nederland 16-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:224 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8186 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-11-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:279 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-02-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:13861 Rechtbank Noord-Holland 19-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8420 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8405 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8408 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8409 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7865 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6825 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2938 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-09-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4818 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3751 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3749 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3750 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3748 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:1090 Rechtbank Amsterdam 29-02-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:1096 Rechtbank Amsterdam 28-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8983 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10899 Rechtbank Rotterdam 20-11-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:7799 Rechtbank Midden-Nederland 13-11-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:9916 Rechtbank Rotterdam 13-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:1705 Rechtbank Rotterdam 23-02-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3880 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2367 Gerechtshof Den Haag 08-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:67 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:67 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:67 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:492 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-01-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:8435 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6069 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-06-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3168 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:2963 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-03-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:3236 Rechtbank Noord-Holland 30-03-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:2198 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-03-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:128 Gerechtshof Den Haag 12-01-2021
- ECLI:NL:HR:2020:2038 Hoge Raad 18-12-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:5421 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-11-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:5422 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-11-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1768 Gerechtshof Den Haag 16-09-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:6194 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-08-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:3246 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-04-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:2776 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:641 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-02-2020
- ECLI:NL:RBOBR:2020:1038 Rechtbank Oost-Brabant 19-02-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:132 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-01-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2650 Gerechtshof Den Haag 18-09-2019
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.001 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 18/03304
Datum 12 juli 2019
ARREST
In de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 juni 2018, nr. BK-17/00778, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/1514) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Den Haag. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 29 mei 2019 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:698, met bijlage ECLI:NL:PHR:2019:702).
Zowel belanghebbende als het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 14 augustus 2016 via het webformulier “Vraag aan de gemeente” bij het Contact Centrum van de gemeente Den Haag bezwaar gemaakt tegen een op 3 augustus 2016 opgelegde naheffingsaanslag in deparkeerbelasting.
2.1.2
De heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag (hierna: de heffingsambtenaar) heeft vastgesteld dat het bezwaar niet van gronden was voorzien en heeft belanghebbende bij brief van 10 november 2016 gelegenheid gegeven tot herstel van dit verzuim.
2.1.3
Op 2 januari 2017 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
2.1.4
Belanghebbende heeft op 27 februari 2017 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat, gelet op de in 2.1.2 vermelde brief van 10 november 2016, de beslistermijn met vier weken is opgeschort tot 28 januari 2017 en daarom geen sprake is van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:12, lid 2, Awb.
2.1.5
Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. Het Hof heeft daartoe onder meer overwogen dat het de stelling van belanghebbende dat hij de brief van 10 november 2016 niet heeft ontvangen, niet geloofwaardig acht gelet op onder meer de uiteenzetting door de heffingsambtenaar over de verzending daarvan.
2.2.1
Belanghebbende bestrijdt dit oordeel met een aantal klachten, waarin onder meer wordt betoogd dat verzending van de brief van 10 november 2016 niet aannemelijk is geworden.
2.2.2
De heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat het verzoek tot het herstel van het verzuim is verzonden naar het juiste adres (vgl. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416). Indien het een stuk betreft dat niet aangetekend is verzonden, zoals in dit geval, kan de heffingsambtenaar dat bewijs leveren door een administratie over te leggen waaruit blijkt dat en op welke datum het stuk is verzonden (vgl. ABRvS 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3338).
2.2.3
Hetgeen de heffingsambtenaar omtrent de verzending van de brief van 10 november 2016 in het verweerschrift bij het Hof heeft uiteengezet, heeft betrekking op activiteiten tot het tijdstip van de gestelde verzending. Daaruit blijkt niet dat die verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het bestreden oordeel is daarom onvoldoende gemotiveerd. De uitspraak van het Hof moet worden vernietigd en verwijzing moet volgen.
2.2.4
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding moet worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 126, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.456 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.
BELASTINGKAMER
Nummer 18/03304
Datum 12 juli 2019
ARREST
In de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 juni 2018, nr. BK-17/00778, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/1514) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Den Haag. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 29 mei 2019 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:698, met bijlage ECLI:NL:PHR:2019:702).
Zowel belanghebbende als het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 14 augustus 2016 via het webformulier “Vraag aan de gemeente” bij het Contact Centrum van de gemeente Den Haag bezwaar gemaakt tegen een op 3 augustus 2016 opgelegde naheffingsaanslag in deparkeerbelasting.
2.1.2
De heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag (hierna: de heffingsambtenaar) heeft vastgesteld dat het bezwaar niet van gronden was voorzien en heeft belanghebbende bij brief van 10 november 2016 gelegenheid gegeven tot herstel van dit verzuim.
2.1.3
Op 2 januari 2017 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
2.1.4
Belanghebbende heeft op 27 februari 2017 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat, gelet op de in 2.1.2 vermelde brief van 10 november 2016, de beslistermijn met vier weken is opgeschort tot 28 januari 2017 en daarom geen sprake is van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:12, lid 2, Awb.
2.1.5
Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. Het Hof heeft daartoe onder meer overwogen dat het de stelling van belanghebbende dat hij de brief van 10 november 2016 niet heeft ontvangen, niet geloofwaardig acht gelet op onder meer de uiteenzetting door de heffingsambtenaar over de verzending daarvan.
2.2.1
Belanghebbende bestrijdt dit oordeel met een aantal klachten, waarin onder meer wordt betoogd dat verzending van de brief van 10 november 2016 niet aannemelijk is geworden.
2.2.2
De heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat het verzoek tot het herstel van het verzuim is verzonden naar het juiste adres (vgl. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416). Indien het een stuk betreft dat niet aangetekend is verzonden, zoals in dit geval, kan de heffingsambtenaar dat bewijs leveren door een administratie over te leggen waaruit blijkt dat en op welke datum het stuk is verzonden (vgl. ABRvS 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3338).
2.2.3
Hetgeen de heffingsambtenaar omtrent de verzending van de brief van 10 november 2016 in het verweerschrift bij het Hof heeft uiteengezet, heeft betrekking op activiteiten tot het tijdstip van de gestelde verzending. Daaruit blijkt niet dat die verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het bestreden oordeel is daarom onvoldoende gemotiveerd. De uitspraak van het Hof moet worden vernietigd en verwijzing moet volgen.
2.2.4
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding moet worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 126, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.456 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.