Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2006:AZ4416
2006-12-15
Bestuursrecht; Belastingrecht
41882
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 9, lid 3, AWR. Niet tijdig doen van aangifte. Bewijslastverdeling ter zake van de ontvangst van de aanmaning.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (249)
- ECLI:NL:GHARL:2026:6020 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-09-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:6020 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-09-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4490 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3199 Rechtbank Gelderland 22-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:214 Rechtbank Midden-Nederland 22-01-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3764 Gerechtshof Amsterdam 23-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2638 Gerechtshof Den Haag 09-12-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:14335 Rechtbank Noord-Holland 08-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6474 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6473 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6472 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6475 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6387 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam 11-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2895 Gerechtshof Amsterdam 19-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1786 Gerechtshof Den Haag 31-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1368 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1371 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1375 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1367 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1377 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1373 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1370 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1376 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1374 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:697 Parket bij de Hoge Raad 20-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:697 Parket bij de Hoge Raad 20-06-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1420 Gerechtshof Amsterdam 15-05-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:748 Rechtbank Noord-Nederland 04-03-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:748 Rechtbank Noord-Nederland 04-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:385 Gerechtshof Den Haag 20-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:548 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:105 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7496 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-11-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:9504 Rechtbank Rotterdam 01-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19815 Rechtbank Den Haag 17-09-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2867 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-09-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6168 Rechtbank Gelderland 06-09-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1778 Gerechtshof Den Haag 24-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4237 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-06-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1917 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3535 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-05-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1712 Gerechtshof Amsterdam 14-05-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3926 Rechtbank Noord-Holland 22-04-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2024:3273 Rechtbank Limburg 12-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:7271 Rechtbank Noord-Holland 26-03-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3959 Rechtbank Noord-Holland 21-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1818 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:355 Parket bij de Hoge Raad 15-03-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:1090 Rechtbank Amsterdam 29-02-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:1096 Rechtbank Amsterdam 28-02-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:193 Gerechtshof Den Haag 17-01-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2773 Gerechtshof Den Haag 28-12-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2773 Gerechtshof Den Haag 28-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:9910 Rechtbank Rotterdam 13-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:9914 Rechtbank Rotterdam 13-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:9916 Rechtbank Rotterdam 13-10-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:4817 Rechtbank Oost-Brabant 04-10-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:11498 Rechtbank Noord-Holland 22-09-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:7184 Rechtbank Rotterdam 31-07-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (6.284 tekens)
Nr. 41.882
15 december 2006
Za
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 februari 2005, nr. BK-04/00699, betreffende na te melden boetebeschikking.
1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete van € 567 wegens niet-tijdige aangifte. De boete is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een bedrag van € 113.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbendes stelling dat zij de aanmaning niet heeft ontvangen, zelfs indien juist, niet eraan in de weg staat dat zij de in artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) geregelde verzuimboete heeft belopen.
3.2. Bij de beoordeling van de tegen dit oordeel gerichte klacht moet het volgende worden vooropgesteld.
3.2.1. Voor oplegging van de verzuimboete van artikel 67a AWR is geen plaats indien de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt. Dit is slechts anders indien zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden.
3.2.2. In beginsel is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de aanmaning op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, dan wel dat de aanmaning de belastingplichtige anderszins heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanmaning op dat adres. Dit brengt mee dat de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van de belastingplichtige voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aanmaning niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld (vgl. HR 25 oktober 2002, nr. 36898, BNB 2003/14, onderdeel 3.2.4). Het staat de feitenrechter vrij om zodanige twijfel gerechtvaardigd te achten op grond van naar zijn oordeel geloofwaardige ontkenning door de belastingplichtige dat de aanmaning op zijn adres is ontvangen of aangeboden. Slaagt de belastingplichtige erin eerdergenoemd vermoeden te ontzenuwen, dan zal de ontvangst of aanbieding van de aanmaning slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de inspecteur daarvan nader bewijs levert.
3.2.3. Indien niet aannemelijk wordt dat de aanmaning op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en evenmin dat de aanmaning hem anderszins heeft bereikt, dan ligt het op de weg van de inspecteur - in voorkomend geval - aannemelijk te maken dat zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden.
3.3. In het licht van het hiervoor in 3.2 overwogene geeft 's Hofs hiervoor in 3.1 weergegeven oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. De tegen dat oordeel gerichte klacht slaagt derhalve.
3.4. Ook gegrond is de klacht over de motivering van 's Hofs oordeel dat aannemelijk is dat aan belanghebbende een aanmaning is verzonden. Het Hof heeft dat oordeel namelijk onder meer doen steunen op de ter zitting door de Inspecteur afgelegde verklaring, inhoudende dat van verzonden aanmaningen een registratiebestand wordt bijgehouden en dat de verzending van de door hem gestelde aanmaning uit dit bestand blijkt. Belanghebbende voert echter terecht aan dat uit de kopie van het registratiebestand, die de Inspecteur op verzoek van het Hof na de zitting heeft ingezonden, niet blijkt naar welk adres de aanmaning is verzonden. Om die reden is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat het Hof zijn bewijsoordeel mede heeft doen steunen op de verklaring van de Inspecteur met betrekking tot het registratiebestand.
3.5. Gelet op het hiervoor in 3.3 en 3.4 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten voor het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103, en
veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, C.J.J. van Maanen en C. Schaap, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2006.
15 december 2006
Za
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 februari 2005, nr. BK-04/00699, betreffende na te melden boetebeschikking.
1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete van € 567 wegens niet-tijdige aangifte. De boete is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een bedrag van € 113.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbendes stelling dat zij de aanmaning niet heeft ontvangen, zelfs indien juist, niet eraan in de weg staat dat zij de in artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) geregelde verzuimboete heeft belopen.
3.2. Bij de beoordeling van de tegen dit oordeel gerichte klacht moet het volgende worden vooropgesteld.
3.2.1. Voor oplegging van de verzuimboete van artikel 67a AWR is geen plaats indien de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt. Dit is slechts anders indien zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden.
3.2.2. In beginsel is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de aanmaning op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, dan wel dat de aanmaning de belastingplichtige anderszins heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanmaning op dat adres. Dit brengt mee dat de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van de belastingplichtige voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aanmaning niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld (vgl. HR 25 oktober 2002, nr. 36898, BNB 2003/14, onderdeel 3.2.4). Het staat de feitenrechter vrij om zodanige twijfel gerechtvaardigd te achten op grond van naar zijn oordeel geloofwaardige ontkenning door de belastingplichtige dat de aanmaning op zijn adres is ontvangen of aangeboden. Slaagt de belastingplichtige erin eerdergenoemd vermoeden te ontzenuwen, dan zal de ontvangst of aanbieding van de aanmaning slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de inspecteur daarvan nader bewijs levert.
3.2.3. Indien niet aannemelijk wordt dat de aanmaning op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en evenmin dat de aanmaning hem anderszins heeft bereikt, dan ligt het op de weg van de inspecteur - in voorkomend geval - aannemelijk te maken dat zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden.
3.3. In het licht van het hiervoor in 3.2 overwogene geeft 's Hofs hiervoor in 3.1 weergegeven oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. De tegen dat oordeel gerichte klacht slaagt derhalve.
3.4. Ook gegrond is de klacht over de motivering van 's Hofs oordeel dat aannemelijk is dat aan belanghebbende een aanmaning is verzonden. Het Hof heeft dat oordeel namelijk onder meer doen steunen op de ter zitting door de Inspecteur afgelegde verklaring, inhoudende dat van verzonden aanmaningen een registratiebestand wordt bijgehouden en dat de verzending van de door hem gestelde aanmaning uit dit bestand blijkt. Belanghebbende voert echter terecht aan dat uit de kopie van het registratiebestand, die de Inspecteur op verzoek van het Hof na de zitting heeft ingezonden, niet blijkt naar welk adres de aanmaning is verzonden. Om die reden is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat het Hof zijn bewijsoordeel mede heeft doen steunen op de verklaring van de Inspecteur met betrekking tot het registratiebestand.
3.5. Gelet op het hiervoor in 3.3 en 3.4 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten voor het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103, en
veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, C.J.J. van Maanen en C. Schaap, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2006.