Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:6020

2026-09-15 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/1751
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1751
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026100204

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Verzuimboete wegens niet tijdig doen van aangifte.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (32.054 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1751
uitspraakdatum: 15 september 2026



Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[Belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 september 2024, nummer ARN 23/4538, in het geding tussen belanghebbende en



de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95. Bij beschikking is een verzuimboete opgelegd van € 385.



1.2.
De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.



1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2025, waarbij de zaak is behandeld door een enkelvoudige kamer van het Hof. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam2] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verstrekt.



1.6.
Het Hof heeft partijen bij brief van 10 maart 2026 laten weten dat de zaak zal worden overdragen aan een andere raadsheer dan de raadsheer die de zaak op de zitting van 25 november 2025 heeft behandeld. Daarbij is aangegeven dat zonder nadere zitting uitspraak kan worden gedaan, maar dat een nadere zitting zal worden gehouden als een van de partijen dat wenselijk acht. Belanghebbende heeft vervolgens te kennen gegeven dat hij op een nadere zitting wenst te worden gehoord.



1.7.
Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam2] , als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote, alsmede [naam1] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.






2Vaststaande feiten


2.1.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 27 februari 2021 uitgenodigd aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 te doen (hierna: de uitnodigingsbrief).



2.2.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 30 augustus 2021 aangemaand om aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 te doen (hierna: de aanmaning). De Inspecteur heeft belanghebbende tot 13 september 2021 de tijd gegeven om de aangifte in te dienen.



2.3.
Belanghebbende heeft op 8 april 2022 een aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.



2.4.
Met dagtekening 28 mei 2022 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld. Daarbij heeft de Inspecteur bij beschikking een verzuimboete van € 385 opgelegd, omdat belanghebbende niet binnen de door de Inspecteur bij de aanmaning gestelde termijn aangifte heeft gedaan.



2.5.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de verzuimboete. De Inspecteur heeft, na (telefonisch) contact over dit bezwaar, de gemachtigde van belanghebbende op 30 augustus 2022 gemaild en daarin verzocht documenten te verstrekken over het inkomen en vermogen van belanghebbende. De Inspecteur heeft vervolgens op 29 september 2022 een vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar (hierna: de vooraankondiging) aan belanghebbende verzonden. Daarin staat onder meer het volgende:


“Horen
Ik wil u nog wijzen op het recht om gehoord te worden over uw bezwaarschrift voordat ik definitief uitspraak doe. Daarnaast wil ik u nog wijzen op het recht om de stukken betreffende het bezwaarschrift in te zien. Ik verzoek u mij schriftelijk te laten weten of u gebruik wenst te maken van het hoorrecht en of het inzagerecht. Dit kan door uiterlijk 13 oktober 2022 naar mij een schriftelijke reactie te sturen. Dit kan per post of per e-mail. (…) Bij geen reactie over het horen ga ik er van uit dat u afziet van deze rechten.”




2.6.
De gemachtigde van belanghebbende heeft op 18 oktober 2022 een e-mail gestuurd aan de Inspecteur met het verzoek om te worden gehoord.



2.7.
De Inspecteur heeft bij brief van 8 november 2022 uitspraak op bezwaar gedaan zonder belanghebbende te horen.



2.8.
Tot het dossier behoort een document genaamd ‘Rapport datum Verzending’ van 28 juni 2024 opgemaakt door een medewerker van de Belastingdienst ten aanzien van de verzending van de uitnodigingsbrief. In dit rapport staat voor zover hier van belang het volgende vermeld:


“4. Betrokkene

Naam: [naam3]


Voorletters [naam3]


Adres: [adres1]


Woonplaats: [postcode] [plaats1] (…)








5Onderzoek


Ik heb op 28 juni 2024, in het kader van het hiervoor genoemde verzoek, de volgende systemen geraadpleegd:


- ABS (Aanslagen Belasting Systeem)


- FAA (Fiscale Afspraken Aanslagen)


- DOSHISTORIE (Excel Archief DOS)


- BBA (Belastingdienst brede Berichten Administratie)


- DAS (Digitaal Archief Systeem)


- ZP05 (SAP Dispositielijst)


- VA03 (SAP Verkooporderoverzicht)





Ik heb in ABS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aangiftebrief 2020 IB het volgende waargenomen:





Dat er op het [BSN] , [naam3] een fiscale afspraak (uitnodiging tot het doen van de definitieve aangifte, aangifte binnenland) met dagtekening 27-02-2021, tijdvak 01-01-2020 t/m 31-12-2020, initieel te reageren voor 01-05-2021 en uiterlijk te reageren voor 13-09-2021, is geregistreerd.





Ik heb in FAA ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aangiftebrief 2020 IB het volgende waargenomen:





Dat er op het [BSN] , [naam3] een uitnodiging tot het doen van definitieve aangifte IB/PV, aangifte binnenland, over het heffingsvlak 01-01-2020 t/m 31-12-2020, met dagtekening 27-02-2021, gewenste reactiedatum 01-05-2021 en uiterste reactiedatum 13-09-2022, is geregistreerd.





Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aangiftebrief 2020 IB het volgende waargenomen:





Dat deze op 25-01-2021, in een partij documenten systeem UDA, [systeem1] , met het [documentnummer1] en dagtekening 27-02-2021, in een aantal van 50000 stuks, is opgemaakt.





Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aangiftebrief 2020 IB het volgende waargenomen:





Dat op 15-02-2021, de partij documenten met het [documentnummer1] is samengevoegd in een samengestelde partij documenten, in een aantal van 200000 stuks, onder het [documentnummer2] .





Ik heb in BBA ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aangiftebrief 2020 IB het volgende waargenomen:





Dat er op 18-02-2021 van de applicatie MHS een bericht, [code1] , over de periode 01-01-2020 t/m 31-12-2020, betreffende een Papieren_Formulier met dagtekening 27-02-2021 en kenmerk [documentnummer3] , is geregistreerd.





Ik heb in een query vanuit TSOP/DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aangiftebrief 2020 IB het volgende waargenomen:





Dat deze op 18-02-2021 in een partij met het [documentnummer1] en [parameters1] [partitie1] , Archiefdatum 19-02-2021 en Volgn 21 ten behoeve van het [BSN] , is geregistreerd ten behoeve van de applicatie DAS.





Ik heb in DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aangiftebrief 2020 IB het volgende waargenomen:





Dat op 19-02-2021, onder zoeksleutel [documentnummer4] en berichtsjabloon [code1] , een Aangiftebrief 2020 IB/PV ZVW met dagtekening 27 februari 2021 en [kenmerk1] , [BSN] , t.n.v. [naam3] is gearchiveerd en deze is verzonden aan het adres [adres1] , [postcode] [plaats1] .





Ik heb in [code2] ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aangiftebrief 2020 IB geconstateerd:





Dat dit document is opgenomen in de samengestelde partij documenten, [genaamd1] met het [documentnummer2] en eindproductnummer [documentnummer5] , in een aantal van 4 x 50.000 stuks.





Ik heb in [code2] waargenomen dat de partij documenten met [documentnummer2] en eindproductnummer [documentnummer5] op 22-02-2021 is aangeboden aan PostNL (48 uurs), ter verzending.





Ik heb in [code3] ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aangiftebrief 2020 IB het volgende waargenomen:





Dat de partij documenten ( [genaamd1] ) met [documentnummer2] en eindproductnummer [documentnummer5] , onder het verkoopordernummer [documentnummer6] , in een aantal van 200.000 stuks, tijdig en zonder problemen is aangeboden ter verzending.





Met postbedrijf PostNL heeft de Belastingdienst voor het kalenderjaar 2021 een overeenkomst vastgelegd ten behoeve van de postbezorging. De overeenkomst tussen de Belastingdienst en PostNL ziet, op grond van artikel 16 en 17 van de Postwet, op de bezorging van binnenlandse (48 uurs) en buitenlandse post na aanbieding.”



2.9.
Tot het dossier behoort een document genaamd ‘Rapport datum Verzending’ van 28 juni 2024 opgemaakt door een medewerker van de Belastingdienst ten aanzien van de verzending van de aanmaning. In dit rapport staat voor zover hier van belang het volgende vermeld:


“4. Betrokkene

Naam: [naam3]


Voorletters [naam3]


Adres: [adres1]


Woonplaats: [postcode] [plaats1] (…)







5Onderzoek


Ik heb op 28 juni 2024, in het kader van het hiervoor genoemde verzoek, de volgende systemen geraadpleegd:


- ABS (Aanslagen Belasting Systeem)


- FAA (Fiscale Afspraken Aanslagen)


- DOSHISTORIE (Excel Archief DOS)


- BBA (Belastingdienst brede Berichten Administratie)


- DAS (Digitaal Archief Systeem)


- ZP05 (SAP Dispositielijst)


- VA03 (SAP Verkooporderoverzicht)





Ik heb in ABS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2020 het volgende waargenomen:





Dat er op [BSN] , [naam3] , een fiscale afspraak (Aanmaning tot het doen van de definitieve aangifte) met dagtekening 30-08-2021 en een uiterste reactiedatum 13-09-2021, is geregistreerd.





Ik heb in FAA ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2020 het volgende waargenomen:





Dat er op 16-08-2021 t.b.v. het [BSN] , [naam3] , een Aanmaning is geselecteerd met dagtekening 30-08-2021 en een uiterste reactietermijn van 13-09-2021.





Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2020 het volgende waargenomen:





Dat deze op 16-08-2021, in een partij documenten dagtekening 30-08-2021, systeem FAA, [applid1] , met het [documentnummer7] en [documentnummer8] in een aantal van 40195 stuks, is opgemaakt.





Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2020 het volgende waargenomen:





Dat op 19-08-2021, de partij documenten met het [documentnummer7] is samengevoegd in een samengestelde partij documenten dagtekening 30-08-2021, in een aantal van 40419 stuks, onder het [documentnummer9] .





Ik heb in GID/Mijn Belastingdienst ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2020 het volgende waargenomen:





Dat er met betrekking tot het [BSN] , [naam3] , een Aanmaning aangifte inkomstenbelasting 2020 met dagtekening 30-08-2021, afzender Belastingdienst (per post), is geregistreerd.





Ik heb in BBA ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2020 het volgende waargenomen:





Dat er op 22-08-2021 een bericht van de applicatie MHS, [code4] , over de periode 01-01-2020 t/m 31-12-2020, betreffende een Papieren Formulier met dagtekening 30-08-2021 en kenmerk [documentnummer10] , is geregistreerd.





Ik heb in een query vanuit TSOP/DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2020 het volgende waargenomen: Dat deze op 22-08-2021 in een partij met het [documentnummer7] en [parameters1] [partitie2] , Archiefdatum 24-08-2021 en Volgn [documentnummer14] , ten behoeve van het [BSN] , is geregistreerd ten behoeve van de applicatie DAS.





Ik heb in DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2020 het volgende waargenomen:





Dat op 24-08-2021, onder zoeksleutel [documentnummer11] en bericht sjabloon [code4] , een Aanmaning aangifte 2020 met dagtekening 30 augustus 2021 en kenmerk [documentnummer10] , t.n.v. [naam3] , is gearchiveerd en deze is verzonden aan het adres [adres1] , [postcode] [plaats1] .





Ik heb in [code2] ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2020 geconstateerd:





Dat dit document is opgenomen in de samengestelde partij documenten, genaamd FAAB01 Med./Afw Uitstel – Herin., met het [documentnummer9] en eindproductnummer [documentnummer13] , in een aantal van 40.419 stuks.





Ik heb in [code2] waargenomen dat de partij documenten met het [documentnummer9] en eindproductnummer [documentnummer13] op 25-08-2021 is aangeboden aan PostNL (48 uurs), ter verzending.





Ik heb in [code3] ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2020 het volgende waargenomen:





Dat de partij documenten (FAAB01 Med./Afw Uitstel – Herin./aanm.) met het [documentnummer9] en eindproductnummer [documentnummer13] , onder het verkoopordernummer [documentnummer12] , in een aantal van 40.419 stuks, tijdig en zonder problemen is aangeboden ter verzending.





Met postbedrijf PostNL heeft de Belastingdienst voor het kalenderjaar 2021 een overeenkomst vastgelegd ten behoeve van de postbezorging. De overeenkomst tussen de Belastingdienst en PostNL ziet, op grond van artikel 16 en 17 van de Postwet, op de bezorging van binnenlandse (48 uurs) en buitenlandse post na aanbieding.”



2.10.
De Inspecteur heeft belanghebbende voor de jaren voorafgaand aan het jaar 2020 nimmer uitgenodigd om aangifte IB/PVV te doen.








3Geschil


3.1.

In geschil is of:
- de Inspecteur heeft hoorrecht heeft geschonden door uitspraak op bezwaar te doen zonder belanghebbende te horen;
- de verzuimboete vernietigd dient te worden dan wel lager moet worden vastgesteld.




3.2.
Belanghebbende beantwoordt de hiervoor bij 3.1. genoemde vragen bevestigend. De Inspecteur beantwoordt deze ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.






4Beoordeling van het geschil



Schending van het hoorrrecht



4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur het hoorrecht heeft geschonden, omdat de Inspecteur hem niet heeft gehoord, voordat hij uitspraak op bezwaar deed. Belanghebbende voert daartoe aan dat hij reeds voor de vooraankondiging telefonisch contact heeft gehad met de Inspecteur over het bezwaar en dat hij in de e-mail van 18 oktober 2022 heeft verzocht om te worden gehoord. Hoewel die e-mail buiten de door de Inspecteur in de vooraankondiging gestelde termijn is verstuurd, had de Inspecteur dit verzoek alsnog moeten honoreren.



4.2.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij het hoorrecht niet heeft geschonden. De Inspecteur betwist in hoger beroep niet langer dat hij de e-mail van 18 oktober 2022 heeft ontvangen, maar meent dat hij voorbij mocht gaan aan het in die e-mail gedane verzoek van belanghebbende te worden gehoord, omdat de in de vooraankondiging genoemde reactietermijn toen reeds was verstreken.



4.3.
Op grond van onderdeel 9 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (hierna: het BFB), ligt in afwijking van artikel 25, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), het initiatief voor het horen van de belanghebbende bij de inspecteur. De inspecteur moet dus aan de belanghebbende vragen of hij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord. Onderdeel 9, onder 2, van het BFB brengt mee dat de inspecteur kan afzien van horen wanneer de belanghebbende niet binnen een door de inspecteur gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord.



4.4.
De Inspecteur heeft belanghebbende in de vooraankondiging gevraagd of belanghebbende wenste te worden gehoord (zie 2.5.). De gemachtigde heeft in reactie op de vooraankondiging vervolgens bij e-mail op 18 oktober 2022 de Inspecteur laten weten dat hij inderdaad wenste te worden gehoord (zie 2.6). Op dat moment had de Inspecteur nog niet definitief op het bezwaar beslist. Nu het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarprocedure, had het daarom op de weg van de Inspecteur gelegen om belanghebbende (alsnog) in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, ondanks dat de in de vooraankondiging gestelde reactietermijn reeds was verstreken. Dat de reactie van de gemachtigde niet direct diegene die uiteindelijk op het bezwaar heeft beslist heeft bereikt, maakt dit niet anders. Vaststaat immers dat belanghebbende zijn reactie naar het in de vooraankondiging vermelde emailadres heeft verstuurd, zodat de omstandigheid dat de reactie van de gemachtigde niet direct de juiste medewerker heeft bereikt, voor rekening van de Inspecteur moet komen. Bovendien heeft de gemachtigde reeds voorafgaand aan de vooraankondiging telefonisch contact gehad met de Inspecteur en de Inspecteur toen verzocht afschriften van de uitnodigingsbrief en de aanmaning te verstrekken. De Inspecteur had dit verzoek van de gemachtigde om inzage in de stukken ook reeds moeten opvatten als een verzoek om te worden gehoord.



4.5.
Uit hetgeen het Hof in 4.4. heeft overwogen, volgt dat de Inspecteur het hoorrecht heeft geschonden door uitspraak op bezwaar te doen zonder belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Nu omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan een verschil van mening bestaat tussen de Inspecteur en belanghebbende en het geschil omtrent de vraag of de verzuimboete terecht is opgelegd betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt, is belanghebbende benadeeld doordat hij niet is gehoord. Er bestaat dus geen aanleiding om de schending van het hoorrecht met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht te passeren. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd. Belanghebbende heeft het Hof verzocht zelf in de zaak te voorzien en niet terug te wijzen naar de Inspecteur. Het Hof zal daarom het geschil omtrent de verzuimboete inhoudelijk beoordelen.



Verzuimboete




4.6.
Bij het niet of niet tijdig doen van aangifte IB/PVV kan op grond van artikel 67a, lid 1, AWR in samenhang met artikel 9, lid 3, AWR slechts sprake zijn van een verzuim waarvoor een verzuimboete kan worden opgelegd, indien de aangifte niet binnen een door de inspecteur gestelde termijn is gedaan en geen gevolg is gegeven aan een aanmaning van de inspecteur. Indien sprake is van een eerste verzuim bedraagt de verzuimboete zeven procent van het wettelijk maximum (paragraaf 21, lid 2, Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst in samenhang met artikel 67a, lid 1, AWR).



4.7.
Voor oplegging van de verzuimboete van artikel 67a AWR is geen plaats indien de uitnodiging om aangifte te doen en/of de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en de uitnodiging om aangifte te doen en/of de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt. Dit is slechts anders indien zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden.



4.8.
Belanghebbende betwist in dit geval de uitnodigingsbrief en de aanmaning te hebben ontvangen. Het is daarom aan de Inspecteur om overtuigend aan te tonen dat de uitnodigingsbrief en de aanmaning op het adres van belanghebbende zijn ontvangen of aangeboden, dan wel dat de uitnodigingsbrief en de aanmaning belanghebbende anderszins hebben bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de uitnodigingsbrief en de aanmaning op dat adres. Het ligt daarom eerste instantie op de weg van de Inspecteur om overtuigend aan te tonen dat de uitnodigingsbrief en de aanmaning zijn verzonden naar het juiste adres. De Inspecteur moet daartoe overtuigend aantonen dat de uitnodigingsbrief en de aanmaning aan een postvervoersbedrijf zijn aangeboden en welk postvervoersbedrijf dat betreft. Het is vervolgens aan belanghebbende om het vermoeden van ontvangst van de uitnodigingsbrief en de aanmaning te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de belanghebbende aannemelijk maakt dat de uitnodigingsbrief en de aanmaning niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld.



4.9.
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aan de hand van de in 2.8. en 2.9. genoemde verzendrapporten en de door de Inspecteur in hoger beroep overgelegde schermprints van de in de rapporten genoemde systemen overtuigend heeft aangetoond dat de uitnodigingsbrief en de aanmaning met de juiste adressering zijn aangeboden aan PostNL. Het Hof overweegt hierbij dat uit de overgelegde schermprints duidelijk blijkt dat wat betreft het adres en de naam van belanghebbende de rapporten schrijffouten bevatten, maar dat op de uitnodigingsbrief en de aanmaning de juiste naam en het juiste adres zijn vermeld. Het Hof is verder van oordeel dat belanghebbende niet dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om het vermoeden van ontvangst van de uitnodigingsbrief en de aanmaning te ontzenuwen.



4.10.
Nu vaststaat dat belanghebbende niet binnen de daartoe in de aanmaning gestelde termijn aangifte heeft gedaan, was belanghebbende in verzuim ter zake van de indiening van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2020. Belanghebbende heeft over de afwezigheid van alle schuld niets gesteld en het is ook niet gebleken dat daarvan sprake is. Dit betekent dat de Inspecteur in beginsel terecht de verzuimboete aan belanghebbende heeft opgelegd. Het Hof merkt hierbij nog op dat voor het opleggen van de verzuimboete het enkel van belang is dat de aangifte te laat is gedaan en niet van belang is of belanghebbende daadwerkelijk belasting was verschuldigd.



4.11.
Het Hof moet vervolgens de vraag beantwoorden welke hoogte van de verzuimboete gelet op de ernst van het beboetbare feit en de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval passend en geboden is. Belanghebbende meent dat de verzuimboete te hoog is vastgesteld en heeft in dit verband onder meer gewezen op de omstandigheid dat achteraf is gebleken dat er geen gerechtvaardigde aanleiding was om belanghebbende uit te nodigen om aangifte te doen, omdat er geen aanwijzingen waren dat belanghebbende inkomen had genoten. Verder heeft belanghebbende erop gewezen dat sprake is van een eerste verzuim en van een geringe termijnoverschrijding, dat geen sprake was van latere verzuimen en dat hij een ‘kleine’ belastingplichtige is. Dit een en ander onder verwijzing naar intern beleid van de Belastingdienst bij verzuimboeten wegens te late indiening van een aangifte vennootschapsbelasting. De Inspecteur ziet geen aanleiding voor matiging van de verzuimboete.



4.12.
Het Hof ziet in de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, geen aanleiding om de boete te matigen. Het Hof overweegt daartoe dat de Inspecteur op grond van artikel 6, lid 1, AWR degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig is, kan uitnodigen om aangifte te doen. Vaststaat dat belanghebbende in 2020 belastbare inkomsten heeft genoten en daarmee belastingplichtig was. De Inspecteur heeft verklaard dat hij een renseignement heeft ontvangen ter zake van de door belanghebbende in 2020 genoten inkomsten. De Inspecteur mocht daarin aanleiding zien om belanghebbende uit te nodigen om aangifte te doen. Het Hof ziet verder geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij intern beleid van de Belastingdienst – zo dat er al is – dat zou gelden voor verzuimboetes voor het niet tijdig doen van aangifte vennootschapsbelasting. Ten slotte is het Hof van oordeel dat in dit geval niet kan worden gezegd dat sprake is van een geringe termijnoverschrijding, nu de aangifte meer dan zes maanden na de door de Inspecteur bij de aanmaning gestelde termijn is ingediend.



4.13.
Nu belanghebbende verder uitdrukkelijk heeft bevestigd geen beroep te doen op financiële omstandigheden, acht het Hof – alle omstandigheden in aanmerking nemende – de verzuimboete passend en geboden.



4.14.
Gelet op het voorgaande zal het Hof, wegens schending van het hoorrecht, de uitspraak op bezwaar vernietigen en de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand laten.



Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.







5Griffierecht en proceskosten



Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep te vergoeden.



Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.



Het Hof stelt de kosten in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht vast een bedrag aan reiskosten van € 51,45 voor de zittingen bij de Rechtbank en het Hof.







6Beslissing


Het Hof:



– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
– laat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak van de Inspecteur in stand;
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 51,45 en
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138,00 in verband met het hoger beroep bij het Hof.




Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, raadsheer, mr. J.H. Riethorst als griffier.



De beslissing is op 15 september 2026 in het openbaar uitgesproken.





De griffier, De raadsheer,







(J.H. Riethorst) (R.R. van der Heide)



Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.



Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).







Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.




Vergelijk Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1011.


Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, r.o. 3.2.1.


Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, r.o. 3.2.2. en Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.


Zie onder andere Hoge Raad 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:59.


Driemaal retour Barneveld – Arnhem openbaar vervoer tweede klasse (€ 17,15), in verband met de zitting bij de Rechtbank en de twee zittingen bij het Hof.