Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4490

2026-07-07 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/254 en 24/255
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/254 en 24/255
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM. Diverse formeelrechtelijke grieven

Citeert (18)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.741 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/254 en 24/255
uitspraakdatum: 7 juli 2026




Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummers AWB 21/5218 en 21/5221, in het geding tussen belanghebbende en



de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur).







1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Belanghebbende heeft op aangiften bedragen aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) voldaan van respectievelijk € 1.532 en € 406.



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de voldoeningen bezwaarschriften ingediend. De Inspecteur heeft in zijn uitspraken deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging.



1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroepen ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 deze beroepen ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.



1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.6.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.



1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en [naam2] en [naam3] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/202, 24/226 tot en met 24/234, 24/254, 24/255 en 24/621 gezamenlijk behandeld. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.







2Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft op aangiften bedragen aan BPM voldaan van respectievelijk € 1.532 en € 406. De heer Verhoeven heeft op 23 juni 2021 daartegen bezwaarschriften ingediend.



2.2.
De Inspecteur heeft in een brief van 28 juni 2021 aan de heer Verhoeven verzocht om een recente machtiging van belanghebbende. In een rappelbrief van 26 juli 2021 – verzonden naar het in het bezwaarschrift vermelde adres van de heer Verhoeven – heeft de Inspecteur nogmaals verzocht binnen twee weken een recente machtiging toe te sturen. Daarbij is opgemerkt dat als niet binnen de gestelde termijn wordt gereageerd, het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Op deze brieven is niet gereageerd.



2.3.
In zijn uitspraken op bezwaar van 2 september 2021 heeft de Inspecteur de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging.






3Geschil


3.1.
In geschil is of de Inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.



3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep verder nog het volgende aangevoerd:
a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
c. De Rechtbank heeft ten onrechte gemachtigde Verhoeven geweigerd.
d. De Inspecteur heeft de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (zie 3.1).
e. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase de hoorplicht geschonden.
f. De Rechtbank heeft ten onrechte geen schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
g. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.



3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging daarvan.






4Beoordeling van het geschil



Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht



4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.



4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.



4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.



Ad b. Vooraf heffen griffierecht




4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt.



4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.



4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.



Ad c. Weigeren gemachtigde




4.7.
De heer Verhoeven heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Daarbij is een door (een bestuurder van) belanghebbende getekende volmacht overgelegd.



4.8.
De Rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 18 augustus 2023 vertegenwoordiging door de heer Verhoeven geweigerd wegens ernstige bezwaren. Hieraan is ten grondslag gelegd dat ondanks eerdere waarschuwingen Verhoeven is blijven volharden in het indienen van stukken die doorspekt zijn met grievende en beledigende uitlatingen waardoor een normale, zakelijke omgang in de gerechtelijke procedure op ontoelaatbare wijze wordt gehinderd. Gelet op de geschetste omstandigheden acht het Hof een weigering op de voet van artikel 8:25 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gerechtvaardigd. Dat belanghebbende een gemachtigde in de arm heeft genomen die zich bedient van taal als hiervoor bedoeld, komt voor haar rekening. Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt door weigering van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Belanghebbende kan zich namelijk voorzien van een andere rechtsbijstandverlener of gemachtigde. Van strijdigheid met enig ander verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel, zoals de vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest) of het beginsel van effectieve rechtsbescherming (artikel 47 Handvest), is om dezelfde reden evenmin sprake.



Ad d. Niet-ontvankelijkheid bezwaar




4.9.
De Inspecteur heeft in zijn uitspraken deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging. Het Hof acht deze beslissing juist.



4.10.
De heer Verhoeven heeft bij het indienen van de bezwaarschriften geen machtiging overgelegd. Daarom heeft de Inspecteur bij brief van 28 juni 2021 (zie 2.2) aan de heer Verhoeven verzocht om binnen vier weken een machtiging over te leggen. De Inspecteur heeft bij brief van 26 juli 2021 (zie 2.2) nogmaals verzocht om binnen twee weken een machting toe te sturen. Daarbij is erop gewezen dat het niet overleggen van een machtiging ertoe kan leiden dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Aangezien de heer Verhoeven niet heeft gereageerd op beide brieven, heeft de Inspecteur in zijn uitspraken op bezwaar van 2 september 2021 de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging.



4.11.
In zijn nader stuk van 5 april 2026 merkt belanghebbendes gemachtigde op dat hij de rappelbrief van 26 juli 2021 nimmer heeft ontvangen. In dat geval geldt als uitgangspunt dat nu de rappelbrief op de voorgeschreven wijze naar het juiste adres is verzonden, dit het vermoeden van ontvangst rechtvaardigt. Het ligt vervolgens op de weg van belanghebbende om dit (bewijs)vermoeden te ontzenuwen. Voor het ontzenuwen is niet vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat het stuk niet op dat adres is ontvangen, het is voldoende dat over de ontvangst redelijke twijfel bestaat. Slaagt de belanghebbende daarin, dan zal de Inspecteur de ontvangst aannemelijk moeten maken door nader bewijs te leveren.



4.12.
Het Hof acht de ontkenning van belanghebbendes gemachtigde om de hiernavolgende redenen ongeloofwaardig, zodat het vermoeden van ontvangst niet is ontzenuwd. In zijn uitspraken op bezwaar van 2 september 2021 heeft de Inspecteur de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging. Deze beslissing is gemotiveerd onder verwijzing naar de brieven van de Inspecteur van 28 juni 2021 en 26 juli 2021 (zie 4.10). In het daartegen gerichte beroepschrift heeft belanghebbendes gemachtigde de gronden van beroep naar voren gebracht zonder daarin op te merken dat hij de brief van 26 juli 2021 nimmer heeft ontvangen. Op de vraag van de Rechtbank aan belanghebbendes gemachtigde waarom niet tijdig een machtiging is overgelegd, zijn geen redenen gegeven. Vervolgens heeft belanghebbendes gemachtigde pas in een nader stuk van 5 april 2026 – elf dagen voor de zitting van het Hof – geschreven dat hij de rappelbrief van 26 juli 2021 nimmer heeft ontvangen. Nu pas ruim 4,5 jaar na de uitspraken op bezwaar, kort voor de zitting bij het Hof, ondanks eerdere vragen daarover van de Rechtbank, voor het eerst door belanghebbendes gemachtigde is gesteld dat de rappelbrief van 26 juli 2021 niet is ontvangen, acht het Hof de ontkenning van ontvangst niet geloofwaardig.



Ad e. Schending hoorplicht bezwaarfase




4.13.
Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij de belanghebbende op zijn verzoek te horen. Van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is (artikel 7:3 Awb). Deze uitzondering voorziet in de mogelijkheid om van het horen af te zien indien er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de conclusie dat de bezwaren niet-ontvankelijk zijn.



4.14.
Belanghebbende heeft bezwaarschriften ingediend zonder een gevraagde machtiging te overleggen. Gelet daarop was er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk over de niet-ontvankelijkheid van de gemaakte bezwaren. De Inpecteur mocht daarom afzien van het horen van belanghebbende. De Inspecteur heeft de hoorplicht niet geschonden. Van strijdigheid met enig verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel is geen sprake.



Ad f. Overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg




4.15.
De Rechtbank heeft het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. Redengevend daarvoor is dat vanwege het ontbreken van een machtiging niet is komen vast te staan dat belanghebbende is geraakt door de belastingheffing, zodat spanning en frustratie ontbreken.



4.16.
De Rechtbank heeft terecht geen schadevergoeding toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn, wat er ook zij van de door haar gebezigde motivering. Destijds werd geen immateriële schadevergoeding toegekend, wanneer het financiële belang bij een belastingprocedure minder was dan € 15. Het ligt het op de weg van belanghebbende om de omvang van het financiële belang aannemelijk te maken. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op haar eigen aangiften BPM, zonder dat is gebleken of duidelijk is gemaakt wat de omvang is van het financiële belang bij de aangevoerde gronden. Gelet daarop heeft de Rechtbank terrecht geen vergoeding van immateriële schade toegekend.



4.17.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.



Ad g. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep




4.18.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.



4.19.
Het Hof kent geen immateriële schadevergoeding toe indien (i) het financiële belang bij deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt en (ii) de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval zal het Hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Met deze constatering wordt een rechtsgevolg verbonden aan het oordeel dat een inbreuk is gemaakt op het recht van de belanghebbende op berechting binnen een redelijke termijn. Nu in deze gevallen de ernst van die inbreuk van betrekkelijk geringe aard is – gelet op de mate van overschrijding en het beperkte financiële belang – bestaat geen grond om aan dat oordeel nog enig ander rechtsgevolg te verbinden.



4.20.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Daarmee is voldaan aan de hiervoor onder (ii) genoemde voorwaarde.



4.21.
Het financiële belang bij deze procedure bestaat uit het financiële voordeel dat belanghebbende verkrijgt indien het door haar in hoger beroep ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover zij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen. Het ligt het op de weg van belanghebbende om de omvang van het financiële belang aannemelijk te maken. Belanghebbende is met wat zij heeft aangevoerd niet in haar bewijslast geslaagd dat het financiële belang bij deze procedure meer dan € 1.000 bedraagt. Belanghebbende heeft rechtsmiddelen aangewend tegen de voldoeningen op haar eigen aangiften BPM, zonder dat is gebleken of duidelijk is gemaakt wat de omvang is van het financiële belang bij de aangevoerde gronden. Gelet daarop is ook voldaan aan de hiervoor onder (i) genoemde voorwaarde, zodat het Hof volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.



Slotsom

De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.







5Griffierecht en proceskosten


Omdat het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.






6Beslissing


Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.



De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.




De griffier, De voorzitter,







(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)







Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.



Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687; HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.


HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.


HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.


HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.


HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4.


Vgl. HR 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556, r.o. 4.6.


Vgl. HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354.


HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, r.o. 3.2.2; HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, r.o. 2.4.4.


Zie de uitspraak van de Rechtbank, onderdeel 5.


HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.9.6.


Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4; HR 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 5.2.


Vgl. EHRM 29 maart 2006, nr. 36813/97 (Scordino/Italië), r.o. 204, en HR (straf) 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.3.


De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.


Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.