Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2002:AE9354
2002-10-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
36898
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (122)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2462 Gerechtshof Den Haag 05-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4490 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-07-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:1736 Rechtbank Noord-Holland 29-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7242 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7242 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-10-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam 11-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2895 Gerechtshof Amsterdam 19-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2546 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2545 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2546 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:410 Parket bij de Hoge Raad 04-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:548 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:338 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-02-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:10991 Rechtbank Noord-Holland 04-09-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5672 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-08-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5211 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:463 Parket bij de Hoge Raad 26-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:7271 Rechtbank Noord-Holland 26-03-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:795 Gerechtshof Amsterdam 07-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:434 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:435 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-01-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2023:13501 Rechtbank Noord-Holland 13-12-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:4817 Rechtbank Oost-Brabant 04-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1704 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:102 Gerechtshof Den Haag 19-01-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:103 Gerechtshof Den Haag 19-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:350 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-01-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2718 Gerechtshof Den Haag 13-12-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2367 Gerechtshof Den Haag 08-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1651 Gerechtshof Den Haag 21-07-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1649 Gerechtshof Den Haag 21-07-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1650 Gerechtshof Den Haag 21-07-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:2681 Rechtbank Noord-Nederland 30-06-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1439 Gerechtshof Amsterdam 10-05-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:4973 Rechtbank Noord-Holland 04-05-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:525 Gerechtshof Den Haag 24-03-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:526 Gerechtshof Den Haag 24-03-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:526 Gerechtshof Den Haag 24-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:2642 Rechtbank Den Haag 10-03-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:361 Gerechtshof Amsterdam 27-01-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2021:6586 Rechtbank Gelderland 10-12-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:6588 Rechtbank Gelderland 10-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1102 Parket bij de Hoge Raad 25-11-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2145 Gerechtshof Den Haag 19-10-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2311 Gerechtshof Den Haag 19-10-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2312 Gerechtshof Den Haag 19-10-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2310 Gerechtshof Den Haag 28-09-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2308 Gerechtshof Den Haag 23-09-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2309 Gerechtshof Den Haag 23-09-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2563 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-08-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:784 Gerechtshof Den Haag 30-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:732 Gerechtshof Den Haag 20-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:730 Gerechtshof Den Haag 20-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:787 Gerechtshof Den Haag 20-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:782 Gerechtshof Den Haag 23-03-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:781 Gerechtshof Den Haag 23-03-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:930 Gerechtshof Amsterdam 25-02-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:934 Gerechtshof Amsterdam 25-02-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:78 Gerechtshof Den Haag 19-01-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:165 Gerechtshof Den Haag 19-01-2021
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.992 tekens)
Nr. 36.898
25 oktober 2002
SE
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 16 januari 2001, nr. 98/04185, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 93.001, onder verrekening van ƒ 14.038 ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. De klacht over schending van artikel 6 EVRM kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2. Ten aanzien van de klachten, gericht tegen rechtsoverweging 5.3 van 's Hofs uitspraak, geldt het volgende.
3.2.1. De klacht dat het Hof in die rechtsoverweging de bewijslast zou hebben omgekeerd, mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft aldaar aan een aantal door hem opgesomde feiten en verklaringen het vermoeden ontleend dat de stellingen van de Inspecteur, die door deze moesten worden bewezen, juist waren. Het Hof heeft daaraan met juistheid toegevoegd dat het alsdan aan belanghebbende is dat vermoeden te ontzenuwen.
3.2.2. Vervolgens klaagt belanghebbende dat het Hof hem ter zitting rauwelijks ermee heeft geconfronteerd dat hij tegenbewijs moest leveren tegen evenbedoeld vermoeden, en dat het hem, ondanks een verzoek daartoe, niet in de gelegenheid heeft gesteld dat alsnog te doen. De klacht vindt feitelijke grondslag in de uitspraak, waar deze als ter zitting ingenomen standpunt van belanghebbende vermeldt: "Naar zijn inzicht dient de Inspecteur te bewijzen dat de correcties op zijn aangifte juist zijn. Hij had zich op andere wijze verweerd indien hij had geweten dat de bewijslast in dezen op hem rustte."
3.2.3. De klacht slaagt in zoverre dat uit de bestreden uitspraak niet blijkt dat het Hof, zoals het behoorde te doen, zich ervan heeft vergewist of 's Hofs onverwachte mededeling dat het aanleiding zag om te zijnen nadele een vermoeden aan te nemen, belanghebbende aanleiding gaf zich te beraden op zijn mogelijkheden tegenbewijs te leveren, in welk geval het Hof hem de gelegenheid daartoe had moeten bieden.
3.2.4. Opmerking verdient nog dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, voor ontzenuwing van het vermoeden niet is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat de ten name van C gerestitueerde bedragen hem niet ten goede zijn gekomen; voldoende is dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert, redelijkerwijs moet worden betwijfeld of hij die bedragen heeft ontvangen. Nu de bewijslast niet is omgekeerd, is immers het bewijsrisico blijven berusten bij de Inspecteur, hetgeen inhoudt dat twijfel blijft werken ten gunste van belanghebbende. Opmerking verdient voorts nog dat tegenbewijs niet noodzakelijkerwijs behoeft te bestaan in nieuwe gegevens; denkbaar is ook dat het wordt geput uit passages uit het proces-verbaal van de FIOD, die het Hof niet in zijn uitspraak heeft genoemd.
3.3. In zijn rechtsoverweging 5.4 heeft het Hof niet aannemelijk geoordeeld dat belanghebbende het in het onderhavige jaar ontvangen loon van A B.V. volledig in zijn aangifte heeft opgenomen. Voorzover belanghebbende dit oordeel bestrijdt, kan zijn klacht niet tot cassatie leiden, omdat dit oordeel van het Hof van feitelijke aard is en niet onbegrijpelijk.
3.4. In zijn rechtsoverweging 5.5 heeft het Hof uit zijn hierboven besproken overwegingen 5.3 en 5.4 laten volgen dat belanghebbende een substantieel deel van zijn inkomsten niet in zijn aangifte heeft verantwoord, en op grond daarvan geconcludeerd tot de zogenoemde omkering van de bewijslast, bedoeld in artikel 29, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst tot en met 31 augustus 1999). Aangezien overweging 5.4 die conclusie niet zelfstandig kan dragen, en overweging 5.3 blijkens het voorgaande geen stand houdt, deelt die conclusie dat lot. De tegen die conclusie gerichte klacht slaagt derhalve.
3.5.1. In zijn rechtsoverweging 5.6 heeft het Hof niet alleen geoordeeld dat tot het inkomen van belanghebbende mede gerekend moet worden diens van A B.V. genoten loon overeenkomstig de schatting van de Inspecteur (te weten ƒ 15.746), maar kennelijk (blijkens 's Hofs verwijzing naar bijlage 9 van het vertoogschrift, en mede gelet op het onder 3.2 van de uitspraak vastgestelde feit) ook dat daartoe gerekend moet worden de ten name van B Ltd. gerestitueerde omzetbelasting ad ƒ 4735.
3.5.2. Dit oordeel berust hierop dat niet gebleken is dat de aanslag ten aanzien van deze beide inkomensbestanddelen onjuist is. Het bouwt aldus voort op rechtsoverweging 5.5, en kan dus evenmin stand houden. In zoverre slagen de tegen dit oordeel gerichte klachten.
3.6. Op grond van het hiervoor in 3.2.3, 3.4 en 3.5.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te
's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160 (€ 72,60).
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2002.
25 oktober 2002
SE
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 16 januari 2001, nr. 98/04185, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 93.001, onder verrekening van ƒ 14.038 ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. De klacht over schending van artikel 6 EVRM kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2. Ten aanzien van de klachten, gericht tegen rechtsoverweging 5.3 van 's Hofs uitspraak, geldt het volgende.
3.2.1. De klacht dat het Hof in die rechtsoverweging de bewijslast zou hebben omgekeerd, mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft aldaar aan een aantal door hem opgesomde feiten en verklaringen het vermoeden ontleend dat de stellingen van de Inspecteur, die door deze moesten worden bewezen, juist waren. Het Hof heeft daaraan met juistheid toegevoegd dat het alsdan aan belanghebbende is dat vermoeden te ontzenuwen.
3.2.2. Vervolgens klaagt belanghebbende dat het Hof hem ter zitting rauwelijks ermee heeft geconfronteerd dat hij tegenbewijs moest leveren tegen evenbedoeld vermoeden, en dat het hem, ondanks een verzoek daartoe, niet in de gelegenheid heeft gesteld dat alsnog te doen. De klacht vindt feitelijke grondslag in de uitspraak, waar deze als ter zitting ingenomen standpunt van belanghebbende vermeldt: "Naar zijn inzicht dient de Inspecteur te bewijzen dat de correcties op zijn aangifte juist zijn. Hij had zich op andere wijze verweerd indien hij had geweten dat de bewijslast in dezen op hem rustte."
3.2.3. De klacht slaagt in zoverre dat uit de bestreden uitspraak niet blijkt dat het Hof, zoals het behoorde te doen, zich ervan heeft vergewist of 's Hofs onverwachte mededeling dat het aanleiding zag om te zijnen nadele een vermoeden aan te nemen, belanghebbende aanleiding gaf zich te beraden op zijn mogelijkheden tegenbewijs te leveren, in welk geval het Hof hem de gelegenheid daartoe had moeten bieden.
3.2.4. Opmerking verdient nog dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, voor ontzenuwing van het vermoeden niet is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat de ten name van C gerestitueerde bedragen hem niet ten goede zijn gekomen; voldoende is dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert, redelijkerwijs moet worden betwijfeld of hij die bedragen heeft ontvangen. Nu de bewijslast niet is omgekeerd, is immers het bewijsrisico blijven berusten bij de Inspecteur, hetgeen inhoudt dat twijfel blijft werken ten gunste van belanghebbende. Opmerking verdient voorts nog dat tegenbewijs niet noodzakelijkerwijs behoeft te bestaan in nieuwe gegevens; denkbaar is ook dat het wordt geput uit passages uit het proces-verbaal van de FIOD, die het Hof niet in zijn uitspraak heeft genoemd.
3.3. In zijn rechtsoverweging 5.4 heeft het Hof niet aannemelijk geoordeeld dat belanghebbende het in het onderhavige jaar ontvangen loon van A B.V. volledig in zijn aangifte heeft opgenomen. Voorzover belanghebbende dit oordeel bestrijdt, kan zijn klacht niet tot cassatie leiden, omdat dit oordeel van het Hof van feitelijke aard is en niet onbegrijpelijk.
3.4. In zijn rechtsoverweging 5.5 heeft het Hof uit zijn hierboven besproken overwegingen 5.3 en 5.4 laten volgen dat belanghebbende een substantieel deel van zijn inkomsten niet in zijn aangifte heeft verantwoord, en op grond daarvan geconcludeerd tot de zogenoemde omkering van de bewijslast, bedoeld in artikel 29, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst tot en met 31 augustus 1999). Aangezien overweging 5.4 die conclusie niet zelfstandig kan dragen, en overweging 5.3 blijkens het voorgaande geen stand houdt, deelt die conclusie dat lot. De tegen die conclusie gerichte klacht slaagt derhalve.
3.5.1. In zijn rechtsoverweging 5.6 heeft het Hof niet alleen geoordeeld dat tot het inkomen van belanghebbende mede gerekend moet worden diens van A B.V. genoten loon overeenkomstig de schatting van de Inspecteur (te weten ƒ 15.746), maar kennelijk (blijkens 's Hofs verwijzing naar bijlage 9 van het vertoogschrift, en mede gelet op het onder 3.2 van de uitspraak vastgestelde feit) ook dat daartoe gerekend moet worden de ten name van B Ltd. gerestitueerde omzetbelasting ad ƒ 4735.
3.5.2. Dit oordeel berust hierop dat niet gebleken is dat de aanslag ten aanzien van deze beide inkomensbestanddelen onjuist is. Het bouwt aldus voort op rechtsoverweging 5.5, en kan dus evenmin stand houden. In zoverre slagen de tegen dit oordeel gerichte klachten.
3.6. Op grond van het hiervoor in 3.2.3, 3.4 en 3.5.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te
's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160 (€ 72,60).
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2002.