Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:8400
2026-06-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
HAA - 25 _ 3621
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting. Omkering en verzwaring bewijslast. Afwaardering vorderingen ten laste van resultaat. Beroep ongegrond.
Citeert (8)
- ECLI:NL:HR:2015:1083 Hoge Raad 24-04-2015
- ECLI:NL:HR:2009:BH1083 Hoge Raad 30-10-2009
- ECLI:NL:HR:1990:ZC4441 Hoge Raad 14-11-1990
- ECLI:NL:HR:2022:767 Hoge Raad 27-05-2022
- ECLI:NL:PHR:2025:200 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2025
- ECLI:NL:HR:2006:AV0401 Hoge Raad 27-01-2006
- ECLI:NL:HR:2021:1086 Hoge Raad 09-07-2021
- ECLI:NL:HR:2003:AF6486 Hoge Raad 28-03-2003
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.983 tekens)
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3621
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: E. Bos),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft met dagtekening 16 juli 2024 aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd (hierna: de aanslag), berekend naar een belastbare winst van € 4.465.750. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 38.129 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 juli 2025 het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026 te Haarlem. Namens belanghebbende is verschenen [naam 1] , haar gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] , mr. [naam 4] , [naam 5] en mr. [naam 6] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde belanghebbende de gelegenheid te geven te reageren op de door verweerder ter zitting overgelegde stukken. Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 16 april 2026. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 23 april 2026 hierop gereageerd.
Partijen hebben desgevraagd laten weten dat zij geen gebruik willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarom besloten dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het onderzoek is vervolgens op 20 mei 2026 gesloten.
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende is opgericht op [datum] . De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is enig aandeelhouder en directeur van belanghebbende.
Lening 1
2. Op 20 februari 2008 heeft [naam 1] (in privé), als schuldeiser, een overeenkomst van geldlening/schuldbekentenis gesloten met [naam 7] (hierna: [naam 7] ), als schuldenaar (hierna: lening 1). Partijen zijn onder meer het volgende overeengekomen:
“(…)
In aanmerking nemende dat:
- [ [naam 1] en [naam 7] ] overeenstemming hebben bereikt over het sluiten van een geldleningsovereenkomst van € 2.000.000 (…), waarbij dit bedrag aan [ [naam 8] ], (…), wordt geleend;
- [ [naam 7] ] genoemde geldleningovereenkomst met [naam 8] aangaat en [ [naam 1] ] voor 50% in deze geldleningovereenkomst participeert en hiertoe € 1.000.000 aan [naam 7] uitleent.
(…)
Artikel 2 – Rente –
[ [naam 7] ] is gehouden vanaf heden over de genoemde hoofdsom c.q. het niet afgeloste deel daarvan een rente te vergoeden aan [ [naam 1] ] van 1% per maand.
(…)
De rente zal maandelijks achteraf worden voldaan door overmaking op een door [ [naam 1] ] aan te wijzen rekeningnummer t.n.v. [ [naam 1] ]. Voor het eerst een maand na ontvangst van de geldlening door [ [naam 7] ], [naam 7] zal de rente verschuldigd zijn en betalen uitsluitend en alleen direct na ontvangst van de door [ [naam 8] ] verschuldigde rente.
(…)
Artikel 4 – Duur –
Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van circa drie jaar en derhalve eindigen op 31 januari 2011.
Artikel 5 – Aflossing –
De hoofdsom is gedurende de looptijd aflossingsvrij en zal op 31 januari 2011 in zijn geheel worden afgelost.
(…)”
3. Op 31 januari 2011 is lening 1 niet afgelost. Er is geen nieuwe leningsovereenkomst opgemaakt noch zijn nieuwe voorwaarden overeengekomen. In het jaar 2013 heeft de laatste rentebetaling op lening 1 plaatsgevonden. Over de periode 2014 tot en met 2018 is de te ontvangen rente bijgeschreven bij de hoofdsom. Met ingang van het jaar 2019 wordt de te ontvangen rente jaarlijks voorzien.
4. Op 29 december 2017 heeft [naam 1] de vordering op [naam 7] ingebracht in belanghebbende voor de nominale waarde van € 1.000.000 plus bijgeschreven rente voor een bedrag van € 477.965.
5. In de aangifte Vpb voor het jaar 2020 heeft belanghebbende op de nog uitstaande vordering van € 1.000.000 en de (aangegroeide) rente een voorziening van 20% opgenomen (zijnde een bedrag van € 320.000).
Lening 2
6. Op 31 oktober 2018 heeft belanghebbende, als schuldeiser, een overeenkomst van geldlening/schuldbekentenis gesloten met [naam 8] , als schuldenaar (hierna: lening 2). Partijen zijn onder meer het volgende overeengekomen:
“(…)
Artikel 1 – Hoofdsom –
[Belanghebbende] heeft heden aan [ [naam 8] ] ter leen verstrekt een bedrag groot € 1.500.000,-- (…) welk bedrag [ [naam 8] ] erkent ter leen te hebben ontvangen en aan [belanghebbende] schuldig te zijn middels ondertekening van deze overeenkomst
Artikel 2 – Rente –
[ [naam 8] ] is gehouden vanaf heden over de genoemde hoofdsom c.q. het niet afgeloste deel daarvan een preferente rente te vergoeden aan [belanghebbende] van 1% per maand.
(…)
Artikel 3 – Duur –
Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van twee jaar en eindigt op 31 oktober 2020.
Artikel 4 – Aflossing –
De hoofdsom is in maandelijkse aaneengesloten termijnen af te lossen met bedragen gelijk aan € 150.000,-- (…), voor het eerst op 7 december 2018.
(…)
[ [naam 8] ] verplicht zich ertoe de hoofdsom tussentijds af te lossen met een bedrag van € 500.000,-- (…) uit verkoop van gronden te [land] (…).
(…)
Artikel 6 – Zekerheid –
Partijen zijn overeengekomen dat ter zekerheid voor de nakoming van de verplichting van schuldenaar uit hoofde van deze geldleenovereenkomst, waaronder de (terug)betaling van de door [belanghebbende] aan [ [naam 8] ] verstrekte geldlening en de daarover verschuldigde rente [ [naam 8] ] bij het opeisbaar worden van de geldlening onherroepelijk volmacht geeft aan [belanghebbende] tot vestigen van een tweede hypotheekrecht op alle onroerende zaken in eigendom van [bedrijf 1] N.V. (…).
(…)”
7. [naam 8] heeft tot en met 31 augustus 2019 € 362.100 aan aflossing en € 101.400 aan rente betaald. Daarna hebben geen aflossingen of rentebetalingen meer plaatsgevonden. Het bedongen zekerheidsrecht (het vestigen van een tweede hypotheek) is niet uitgeoefend.
8. In de aangifte Vpb voor het jaar 2020 is op de nog uitstaande lening van € 1.137.900 een voorziening van 20% opgenomen (zijnde een bedrag van € 227.580) en is de te ontvangen rente over 2020 geheel afgeboekt (voor een bedrag van € 136.548).
Lening 3
9. Op 25 juni 2019 heeft belanghebbende (als leninggever) een overeenkomst van geldlening gesloten met [naam 9] (als leningnemer) en [naam 8] (als garantiegever) (hierna: lening 3). Partijen zijn onder meer het volgende overeengekomen:
“(…)
1. LENING
1.1. [Belanghebbende] verstrekt een bedrag groot EUR 500.000 (…) aan [ [naam 9] ], gelijk [ [naam 9] ] de Lening aanvaardt.
1.2. [ [naam 9] ] zal de Lening als volgt aanwenden:
De lening dient als bridge loan voor de overname door [ [naam 8] ] van de vennootschap [bedrijf 2] Ltd.
(…)
2RENTE
2.1.
Over de Lening, althans over het nog niet afgeloste deel daarvan, is [ [naam 9] ] over de Looptijd vanaf het moment dat [belanghebbende] de Lening aan [ [naam 9] ] ter beschikking heeft gesteld een vaste rente verschuldigd van 1% (…).
3AFLOSSING
3.1.
De Lening zal door [ [naam 9] ] in twee tussentijdse termijnen van ten minste EUR 250.000 (…) worden afgelost met het restant van het ten principale verschuldigde bedrag op de laatste dag van de Looptijd. De eerste aflossing zal plaatsvinden op 22 juli 2019. Op het moment van betaling van de laatste termijn, zal [ [naam 9] ] tevens alle dan resterende Rente en overige betalingsverplichtingen ontstaan uit hoofde van of in verband met de Leningsovereenkomst aan [belanghebbende] voldoen.
(…)
5GARANTIE EN ZEKERHEID
5.1. [
[naam 8] ] verstrekt een onherroepelijke garantie voor de nakoming van de Lening, de Rente en alle overige betalingsverplichtingen van [ [naam 9] ] onder de Leningsovereenkomst (de ‘Garantie’). Deze Garantie is op afroep beschikbaar.
5.2.
Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van [ [naam 9] ] uit hoofde van de Leningsovereenkomst en van [ [naam 8] ] uit hoofde van de Garantie zal [ [naam 8] ] aan [belanghebbende] zekerheid verstrekken in de vorm van een pandrecht te vestigen op de certificaten uitgegeven voor de aandelen in [bedrijf 1] N.V., (…), in de vorm van een pandakte (…).
5.3.
Partijen verklaren en komen hierbij overeen dat na de voorgenomen herstructurering van de groep van ondernemingen van [ [naam 8] ] het pandrecht op de certificaten van [bedrijf 1] zal komen te vervallen, en dat [ [naam 8] ] onmiddellijk zal vestigen een pandrecht op de certificaten uit te geven voor de aandelen in de nieuw op te richten vennootschap naar Nederland recht (…).
11EINDE VAN DE LENINGSOVEREENKOMST
De leningsovereenkomst wordt aangegaan voor een bepaalde tijd vanaf de datum van de Leningsovereenkomst tot en met 30 September 2019 (de ‘Looptijd’) en eindigt van rechtswege na terugbetaling door [ [naam 9] ] of, na het inroepen van de Garantie, door [ [naam 8] ] voor het volledige bedrag van de Lening, vermeerderd met de Rente en voldoening van eventuele overige betalingsverplichtingen ontstaan uit hoofde van of in verband met de Leningsovereenkomst.
(…)”
10. Op lening 3 is niet tussentijds afgelost en de rente is schuldig gebleven. Op 30 september 2019 is lening 3 niet afgelost. Het bedongen zekerheidsrecht (het vestigen van een tweede hypotheek) is niet uitgeoefend.
11. In de aangifte Vpb voor het jaar 2020 heeft belanghebbende op de nog uitstaande lening van € 500.000 een voorziening van 20% (zijnde € 100.000) opgenomen.
Overige feiten
12. In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016 van [naam 1] is als overige bezittingen opgenomen een vordering van € 1.000.000 op [naam 7] en een vordering van € 475.000 op [naam 9] . In de aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 van [naam 1] is voor hetzelfde bedrag de vordering op [naam 7] opgenomen en is de vordering op [naam 9] afgewaardeerd naar een bedrag van € 1.
13. Verweerder heeft in een brief van 29 augustus 2019 [naam 1] om informatie gevraagd naar aanleiding van de ingediende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016. In de reactie hierop (met datum 19 november 2019) heeft (de toenmalige adviseur van) [naam 1] onder meer het volgende geschreven:
“De lening aan [naam 7] was oorspronkelijk € 1.000.000, zie bijlage. Daarnaast is ook € 1.000.000 geleend aan de heer [naam 9] en de verstrekking liep destijds via de heer [naam 7] . In de aangifte is deze in verleden bij elkaar opgeteld en in 2016 gesplitst aangegeven. De vordering op de heer [naam 9] is afgewaardeerd met 50%. Dit komt omdat het project onroerende zaken in [land] met verlies is afgesloten en het geleende tot op heden niet is terugbetaald. (…). Wij beschikken niet over de leningsovereenkomst en de afgelopen jaren zijn geen rente of aflossingen betaald.”
De bijlage bijgevoegd bij de reactie is de overeenkomst van geldlening/schuldbekentenis van 20 februari 2008 (zie onder 2.)
14. Op 30 juni 2020 schrijft de toenmalige adviseur van [naam 1] voor zover hier van belang aan mevrouw [naam 10] van de Belastingdienst:
“Ik was vorige week bij client en die heeft mij medegedeeld in juni een bedrag van € 100.000 te hebben ontvangen van [naam 8] .”
15. Namens [naam 1] heeft zijn toenmalige adviseur op 16 oktober 2020 voor zover hier van belang het volgende geschreven aan mevrouw [naam 10] van de belastingdienst:
“Ik ben deze week langs geweest en de controller gesproken. Client was niet op kantoor.
De controller heeft mij aangegeven dat uit het project [land] niets meer zal komen, dit is een fiasco geworden. Alleen door een (eenmalige) speculatieve transactie hebben zij nog een bedrag van € 100.000 mogen ontvangen van [naam 8] .
Op het moment dat wij de aangifte IB deden was dit totaal niet te verwachten.
Het was ook geheel onverwachts en gezien het speculatieve karakter ook niet echt zomaar te verwachten dat [naam 8] meer zal gaan betalen.
En de ervaring leert dat dit soort schuldenaars vaak bij anderen ook schulden hebben.
De vordering zou dan voor een bedrag van € 100.000 kunnen worden opgenomen in de aangifte van 2016.”
16. Bij het opleggen van de aanslag is verweerder afgeweken van de ingediende aangifte en heeft hij de afwaarderingen van de vorderingen van respectievelijk € 320.000 (lening 1), € 227.580 (lening 2) en € 100.000 (lening 3) gecorrigeerd.
Geschil
17. In geschil is of de bewijslast dient te worden omgekeerd (en verzwaard) omdat niet de vereiste aangifte zou zijn gedaan en of belanghebbende de vorderingen ten laste van haar resultaat mag afwaarderen voor bedragen van respectievelijk € 320.000 (lening 1), € 227.580 (lening 2) en € 100.000 (lening 3).
18. Belanghebbende betoogt dat zij terecht de vorderingen in het jaar 2020 heeft afgewaardeerd. Volgens belanghebbende bestond op het moment van de inbreng van de vordering op [naam 7] (lening 1) de hoop en de verwachting dat de vordering en rente voldaan zouden worden, zodat deze vordering terecht voor de nominale waarde is ingebracht. Verder is ook geen sprake van onzakelijke leningen. De leningen zijn verstrekt aan personen waar een zakelijke relatie mee bestond en waar in het verleden vaker leningen aan zijn verstrekt die ook zijn terugbetaald. Ook waren de leningen niet extreem risicovol voor belanghebbende. Omdat de afspraken over de aflossing en rentebetalingen al langere tijd niet werden nagekomen heeft belanghebbende op basis van het voorzichtigheidsbeginsel de vorderingen gedeeltelijk afgewaardeerd. Met de schuldenaars is nog contact en zij beloven keer op keer de schulden volledig te zullen voldoen.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 3.829.666.
19. Verweerder betoogt dat de vordering op [naam 7] (lening 1) ten tijde van de inbreng (al) een waarde van nihil had, zodat in het jaar 2020 de vordering niet afgewaardeerd kon worden. Door die afwaardering wel in aanmerking te nemen is de vereiste aangifte niet gedaan. Belanghebbende wist of had moeten weten dat die vordering op het moment van de inbreng waardeloos was en door deze af te waarderen in het jaar 2020 heeft belanghebbende bewust een onjuiste aangifte gedaan. Immers, op de vordering is nooit afgelost, is sinds 2014 geen rente meer betaald, was de afgesproken aflossingsdatum van 31 januari 2011 al lang verstreken en waren geen zekerheden afgesproken die uitgewonnen konden worden. Verder wijst verweerder erop dat [naam 1] in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 een vordering op [naam 8] , aan wie [naam 7] lening 1 doorleende, gedeeltelijk had afgewaardeerd en in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 zelfs tot € 1. Nu belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan dient volgens verweerder de bewijslast omgekeerd en verzwaard te worden. Gelet daarop dient belanghebbende te doen blijken dat de andere twee leningen zakelijk waren en de afwaardering daarop terecht. Volgens verweerder heeft zij dat niet doen blijken, zodat geen afwaardering op deze leningen ten laste van het resultaat van belanghebbende kan worden gebracht.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Vereiste aangifte
20. De vereiste aangifte is niet gedaan indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belastingen verhoudingsgewijs aanzienlijk lager zijn dan de werkelijk verschuldigde belastingen. Tevens is vereist dat het bedrag van de belastingen die als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belastingen niet zou worden geheven (vgl. HR 24 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083). Dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (vgl. HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).
21. Gelet hierop zal de rechtbank eerst beoordelen of belanghebbende de vordering op [naam 7] (lening 1) ten laste van haar resultaat kon afwaarderen en zo nee, of dit leidt tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan.
Afwaardering vordering [naam 7] (lening 1)
22. Op 20 februari 2008 heeft [naam 1] lening 1 verstrekt aan [naam 7] en leende [naam 7] dit bedrag door aan [naam 8] . Lening 1 was op 31 januari 2011 niet afgelost en ook na die datum hebben geen aflossingen plaatsgevonden. Verder zijn rentebetalingen sinds het jaar 2014 uitgebleven en waren er geen zekerheden afgesproken die uitgewonnen konden worden. Daarnaast werd de kredietwaardigheid van [naam 8] , aan wie [naam 7] lening 1 doorleende en waarvan de rentebetalingen door [naam 7] afhankelijk waren, kennelijk laag ingeschat, gelet op de aangiften IB/PVV van [naam 1] voor de jaren 2016 en 2017 waarin een vordering van € 950.000 op – waarbij [naam 9] moet worden gelezen als [naam 8] - [naam 8] werd afgewaardeerd tot (uiteindelijk) € 1 in het jaar 2017 en de in het jaar 2020 gegeven verklaring van de toenmalige adviseur van [naam 1] (zie onder 13.). Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien dat de vordering ten tijde van de inbreng een zeer risicovolle was en gehele of zelfs maar gedeeltelijke aflossing daarvan redelijkerwijs niet (langer) te verwachten was. Gelet hierop had de vordering op het moment van de inbreng (al) een waarde van nihil. De overgenomen waardeloze vordering kon dus ook niet worden afgewaardeerd in het jaar 2020. Het bedrag van de belasting dat als gevolg van de afwaardering van € 320.000 niet zou worden geheven is zowel in relatieve als in absolute zin aanzienlijk, waarvan belanghebbende en haar aandeelhouder zich ten tijde van het doen van de aangifte bewust moeten zijn geweest, nu [naam 1] heeft bevestigd dat hij nauwe contacten onderhield met [naam 8] , hij van de slechte kredietwaardigheid van de betrokkene op de hoogte was, en [naam 1] zowel aandeelhouder als directeur van belanghebbende was.
23. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de slotsom dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit heeft tot gevolg dat zij moet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Daarbij is het sinds het arrest van de Hoge Raad van 14 november 1990 (ECLI:NL:HR:1990:ZC4441) vaste jurisprudentie dat de omkering en verzwaring van de bewijslast voor de gehele aanslag geldt. Wel is de vraag wat de reikwijdte is van het op 27 mei 2022 door de Hoge Raad gewezen trustvraagarrest (ECLI:NL:HR:2022:767). Dit arrest heeft betrekking op een casus waarin de aangifte formeel onjuist was (de vraag of de belastingplichtige, de partner of de kinderen van de belastingplichtige betrokken waren bij een trust of ander doelvermogen was op het aangiftebiljet niet aangekruist, hetgeen wel had gemoeten), maar niet kon worden vastgesteld (en naar het oordeel van de Hoge Raad ook niet hoefde te worden vastgesteld) dat de ingediende aangifte aanzienlijk te laag was. De Hoge Raad overwoog onder meer dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de omkering niet geldt voor die geschilpunten waarvan het antwoord op de gestelde vragen niet van belang kan zijn. Naar aanleiding van dit arrest heeft Advocaat-Generaal Koopman (hierna: de AG) in zijn gemeenschappelijke bijlage (ECLI:NL:PHR:2025:200) bij de conclusies van 31 januari 2025 inzake nummers 24/01480 en 24/02200 een aantal vragen aan de Hoge Raad gesteld over de omkering van de bewijslast en heeft hij aangegeven ook bij omkering wegens een absoluut en relatief aanzienlijk te lage aangifte voorstander te zijn van partiële omkering van de bewijslast. De Hoge Raad heeft in de laatstgenoemde zaken nog geen arrest gewezen.
24. Anders dan in het trustvraagarrest is in de onderhavige zaak geoordeeld dat belanghebbende bij het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust had moeten zijn dat door het nemen van een afwaardering op lening 1 een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De beide overige bestreden correcties van de aangifte zien eveneens op de afwaardering van leningen. Nu de Hoge Raad nog geen arrest heeft gewezen naar aanleiding van de genomen conclusie van de AG ziet de rechtbank geen aanleiding in het trustvraagarrest om in deze zaak af te wijken van de vaste jurisprudentie dat in dat geval de omkering van de bewijslast ziet op de gehele aanslag zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar. Dat betekent dat de omkering van de bewijslast dus de gehele aanslag raakt en zich daarom ook uitstrekt tot de in geschil zijnde gecorrigeerde afwaarderingen ter zake van de andere twee vorderingen (lening 2 en lening 3).
Redelijke schatting
25. Ook wanneer de bewijslast wordt omgekeerd (en verzwaard) geldt dat verweerder de aanslag niet naar willekeur mag vaststellen, maar deze dient te berusten op een redelijke schatting. In dat kader rust op verweerder de taak zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401). De beoordeling of een schatting van verweerder redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng (vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086). Hij moet in redelijkheid tot de correctie kunnen komen (vgl. HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486). Als de aanslag niet willekeurig is vastgesteld komt vervolgens de vraag aan de orde of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.
26. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de toegepaste correcties geen sprake van willekeur. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen was op het moment van de inbreng van lening 1 de waarde nihil, zodat geen ruimte bestond voor een afwaardering op lening 1 in het jaar 2020 en is deze terecht volledig door verweerder gecorrigeerd. Ter zake van lening 2 en lening 3 overweegt de rechtbank dat verweerder deze leningen in redelijkheid heeft kunnen kwalificeren als onzakelijke leningen. Gezien de feiten en omstandigheden tezamen bezien is het geen onredelijke aanname van verweerder dat de leningen door belanghebbende zijn verstrekt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door belanghebbende een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Verweerder heeft er in dit verband in redelijkheid van kunnen uitgaan dat aanleiding bestaat de band tussen [naam 1] en [naam 8] en [naam 9] als niet zakelijk aan te merken. Niet gesteld is, laat staan aannemelijk gemaakt, dat onderzoek is gedaan naar de kredietwaardigheid van [naam 8] , terwijl hier gegeven de gang van zaken bij lening 1 alle reden toe bestond, alsook dat de zekerheden die [naam 8] en belanghebbende voor beide leningen zijn overeengekomen telkens niet zijn uitgewonnen. Immers was bij [naam 1] ten tijde van het verstrekken van lening 2 en lening 3 al bekend dat [naam 8] zijn verplichtingen van lening 1 (aan [naam 7] ) niet nakwam en zoals reeds opgemerkt schatte [naam 1] zelf (in zijn aangiften IB/PVV) de kredietwaardigheid van [naam 8] laag in. Verweerder heeft daarom in redelijkheid ervan uit mogen gaan dat belanghebbende met het verstrekken van lening 2 en lening 3, haar aandeelhouder heeft willen bevoordelen en dat belanghebbende (in haar dubbelrol als enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende) het voordeel als aandeelhouder heeft willen aanvaarden. Naar het oordeel van de rechtbank is ook ter zake van de volledig gecorrigeerde afwaarderingen op lening 2 en lening 3 sprake van een redelijke schatting.
Verzwaarde bewijslast belanghebbende
27. Met hetgeen belanghebbende hiertegen heeft aangevoerd, heeft zij niet doen blijken dat de correcties onjuist zijn. Ondanks dat lening 2 en 3 aan derden zijn verstrekt en het niet onmogelijk is dat dit zakelijke leningen betroffen, is door belanghebbende te weinig aangedragen waarmee zij dat ook overtuigend heeft aangetoond.
Belastingrente
28. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu het beroep ongegrond verklaard wordt ziet de rechtbank geen aanleiding tot verlaging van de belastingrente.
Slotsom
29. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.
Proceskosten
30. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, voorzitter, en mr. G.H. de Soeten en mr. C. Huisman, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3621
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: E. Bos),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft met dagtekening 16 juli 2024 aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd (hierna: de aanslag), berekend naar een belastbare winst van € 4.465.750. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 38.129 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 juli 2025 het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026 te Haarlem. Namens belanghebbende is verschenen [naam 1] , haar gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] , mr. [naam 4] , [naam 5] en mr. [naam 6] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde belanghebbende de gelegenheid te geven te reageren op de door verweerder ter zitting overgelegde stukken. Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 16 april 2026. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 23 april 2026 hierop gereageerd.
Partijen hebben desgevraagd laten weten dat zij geen gebruik willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarom besloten dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het onderzoek is vervolgens op 20 mei 2026 gesloten.
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende is opgericht op [datum] . De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is enig aandeelhouder en directeur van belanghebbende.
Lening 1
2. Op 20 februari 2008 heeft [naam 1] (in privé), als schuldeiser, een overeenkomst van geldlening/schuldbekentenis gesloten met [naam 7] (hierna: [naam 7] ), als schuldenaar (hierna: lening 1). Partijen zijn onder meer het volgende overeengekomen:
“(…)
In aanmerking nemende dat:
- [ [naam 1] en [naam 7] ] overeenstemming hebben bereikt over het sluiten van een geldleningsovereenkomst van € 2.000.000 (…), waarbij dit bedrag aan [ [naam 8] ], (…), wordt geleend;
- [ [naam 7] ] genoemde geldleningovereenkomst met [naam 8] aangaat en [ [naam 1] ] voor 50% in deze geldleningovereenkomst participeert en hiertoe € 1.000.000 aan [naam 7] uitleent.
(…)
Artikel 2 – Rente –
[ [naam 7] ] is gehouden vanaf heden over de genoemde hoofdsom c.q. het niet afgeloste deel daarvan een rente te vergoeden aan [ [naam 1] ] van 1% per maand.
(…)
De rente zal maandelijks achteraf worden voldaan door overmaking op een door [ [naam 1] ] aan te wijzen rekeningnummer t.n.v. [ [naam 1] ]. Voor het eerst een maand na ontvangst van de geldlening door [ [naam 7] ], [naam 7] zal de rente verschuldigd zijn en betalen uitsluitend en alleen direct na ontvangst van de door [ [naam 8] ] verschuldigde rente.
(…)
Artikel 4 – Duur –
Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van circa drie jaar en derhalve eindigen op 31 januari 2011.
Artikel 5 – Aflossing –
De hoofdsom is gedurende de looptijd aflossingsvrij en zal op 31 januari 2011 in zijn geheel worden afgelost.
(…)”
3. Op 31 januari 2011 is lening 1 niet afgelost. Er is geen nieuwe leningsovereenkomst opgemaakt noch zijn nieuwe voorwaarden overeengekomen. In het jaar 2013 heeft de laatste rentebetaling op lening 1 plaatsgevonden. Over de periode 2014 tot en met 2018 is de te ontvangen rente bijgeschreven bij de hoofdsom. Met ingang van het jaar 2019 wordt de te ontvangen rente jaarlijks voorzien.
4. Op 29 december 2017 heeft [naam 1] de vordering op [naam 7] ingebracht in belanghebbende voor de nominale waarde van € 1.000.000 plus bijgeschreven rente voor een bedrag van € 477.965.
5. In de aangifte Vpb voor het jaar 2020 heeft belanghebbende op de nog uitstaande vordering van € 1.000.000 en de (aangegroeide) rente een voorziening van 20% opgenomen (zijnde een bedrag van € 320.000).
Lening 2
6. Op 31 oktober 2018 heeft belanghebbende, als schuldeiser, een overeenkomst van geldlening/schuldbekentenis gesloten met [naam 8] , als schuldenaar (hierna: lening 2). Partijen zijn onder meer het volgende overeengekomen:
“(…)
Artikel 1 – Hoofdsom –
[Belanghebbende] heeft heden aan [ [naam 8] ] ter leen verstrekt een bedrag groot € 1.500.000,-- (…) welk bedrag [ [naam 8] ] erkent ter leen te hebben ontvangen en aan [belanghebbende] schuldig te zijn middels ondertekening van deze overeenkomst
Artikel 2 – Rente –
[ [naam 8] ] is gehouden vanaf heden over de genoemde hoofdsom c.q. het niet afgeloste deel daarvan een preferente rente te vergoeden aan [belanghebbende] van 1% per maand.
(…)
Artikel 3 – Duur –
Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van twee jaar en eindigt op 31 oktober 2020.
Artikel 4 – Aflossing –
De hoofdsom is in maandelijkse aaneengesloten termijnen af te lossen met bedragen gelijk aan € 150.000,-- (…), voor het eerst op 7 december 2018.
(…)
[ [naam 8] ] verplicht zich ertoe de hoofdsom tussentijds af te lossen met een bedrag van € 500.000,-- (…) uit verkoop van gronden te [land] (…).
(…)
Artikel 6 – Zekerheid –
Partijen zijn overeengekomen dat ter zekerheid voor de nakoming van de verplichting van schuldenaar uit hoofde van deze geldleenovereenkomst, waaronder de (terug)betaling van de door [belanghebbende] aan [ [naam 8] ] verstrekte geldlening en de daarover verschuldigde rente [ [naam 8] ] bij het opeisbaar worden van de geldlening onherroepelijk volmacht geeft aan [belanghebbende] tot vestigen van een tweede hypotheekrecht op alle onroerende zaken in eigendom van [bedrijf 1] N.V. (…).
(…)”
7. [naam 8] heeft tot en met 31 augustus 2019 € 362.100 aan aflossing en € 101.400 aan rente betaald. Daarna hebben geen aflossingen of rentebetalingen meer plaatsgevonden. Het bedongen zekerheidsrecht (het vestigen van een tweede hypotheek) is niet uitgeoefend.
8. In de aangifte Vpb voor het jaar 2020 is op de nog uitstaande lening van € 1.137.900 een voorziening van 20% opgenomen (zijnde een bedrag van € 227.580) en is de te ontvangen rente over 2020 geheel afgeboekt (voor een bedrag van € 136.548).
Lening 3
9. Op 25 juni 2019 heeft belanghebbende (als leninggever) een overeenkomst van geldlening gesloten met [naam 9] (als leningnemer) en [naam 8] (als garantiegever) (hierna: lening 3). Partijen zijn onder meer het volgende overeengekomen:
“(…)
1. LENING
1.1. [Belanghebbende] verstrekt een bedrag groot EUR 500.000 (…) aan [ [naam 9] ], gelijk [ [naam 9] ] de Lening aanvaardt.
1.2. [ [naam 9] ] zal de Lening als volgt aanwenden:
De lening dient als bridge loan voor de overname door [ [naam 8] ] van de vennootschap [bedrijf 2] Ltd.
(…)
2RENTE
2.1.
Over de Lening, althans over het nog niet afgeloste deel daarvan, is [ [naam 9] ] over de Looptijd vanaf het moment dat [belanghebbende] de Lening aan [ [naam 9] ] ter beschikking heeft gesteld een vaste rente verschuldigd van 1% (…).
3AFLOSSING
3.1.
De Lening zal door [ [naam 9] ] in twee tussentijdse termijnen van ten minste EUR 250.000 (…) worden afgelost met het restant van het ten principale verschuldigde bedrag op de laatste dag van de Looptijd. De eerste aflossing zal plaatsvinden op 22 juli 2019. Op het moment van betaling van de laatste termijn, zal [ [naam 9] ] tevens alle dan resterende Rente en overige betalingsverplichtingen ontstaan uit hoofde van of in verband met de Leningsovereenkomst aan [belanghebbende] voldoen.
(…)
5GARANTIE EN ZEKERHEID
5.1. [
[naam 8] ] verstrekt een onherroepelijke garantie voor de nakoming van de Lening, de Rente en alle overige betalingsverplichtingen van [ [naam 9] ] onder de Leningsovereenkomst (de ‘Garantie’). Deze Garantie is op afroep beschikbaar.
5.2.
Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van [ [naam 9] ] uit hoofde van de Leningsovereenkomst en van [ [naam 8] ] uit hoofde van de Garantie zal [ [naam 8] ] aan [belanghebbende] zekerheid verstrekken in de vorm van een pandrecht te vestigen op de certificaten uitgegeven voor de aandelen in [bedrijf 1] N.V., (…), in de vorm van een pandakte (…).
5.3.
Partijen verklaren en komen hierbij overeen dat na de voorgenomen herstructurering van de groep van ondernemingen van [ [naam 8] ] het pandrecht op de certificaten van [bedrijf 1] zal komen te vervallen, en dat [ [naam 8] ] onmiddellijk zal vestigen een pandrecht op de certificaten uit te geven voor de aandelen in de nieuw op te richten vennootschap naar Nederland recht (…).
11EINDE VAN DE LENINGSOVEREENKOMST
De leningsovereenkomst wordt aangegaan voor een bepaalde tijd vanaf de datum van de Leningsovereenkomst tot en met 30 September 2019 (de ‘Looptijd’) en eindigt van rechtswege na terugbetaling door [ [naam 9] ] of, na het inroepen van de Garantie, door [ [naam 8] ] voor het volledige bedrag van de Lening, vermeerderd met de Rente en voldoening van eventuele overige betalingsverplichtingen ontstaan uit hoofde van of in verband met de Leningsovereenkomst.
(…)”
10. Op lening 3 is niet tussentijds afgelost en de rente is schuldig gebleven. Op 30 september 2019 is lening 3 niet afgelost. Het bedongen zekerheidsrecht (het vestigen van een tweede hypotheek) is niet uitgeoefend.
11. In de aangifte Vpb voor het jaar 2020 heeft belanghebbende op de nog uitstaande lening van € 500.000 een voorziening van 20% (zijnde € 100.000) opgenomen.
Overige feiten
12. In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016 van [naam 1] is als overige bezittingen opgenomen een vordering van € 1.000.000 op [naam 7] en een vordering van € 475.000 op [naam 9] . In de aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 van [naam 1] is voor hetzelfde bedrag de vordering op [naam 7] opgenomen en is de vordering op [naam 9] afgewaardeerd naar een bedrag van € 1.
13. Verweerder heeft in een brief van 29 augustus 2019 [naam 1] om informatie gevraagd naar aanleiding van de ingediende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016. In de reactie hierop (met datum 19 november 2019) heeft (de toenmalige adviseur van) [naam 1] onder meer het volgende geschreven:
“De lening aan [naam 7] was oorspronkelijk € 1.000.000, zie bijlage. Daarnaast is ook € 1.000.000 geleend aan de heer [naam 9] en de verstrekking liep destijds via de heer [naam 7] . In de aangifte is deze in verleden bij elkaar opgeteld en in 2016 gesplitst aangegeven. De vordering op de heer [naam 9] is afgewaardeerd met 50%. Dit komt omdat het project onroerende zaken in [land] met verlies is afgesloten en het geleende tot op heden niet is terugbetaald. (…). Wij beschikken niet over de leningsovereenkomst en de afgelopen jaren zijn geen rente of aflossingen betaald.”
De bijlage bijgevoegd bij de reactie is de overeenkomst van geldlening/schuldbekentenis van 20 februari 2008 (zie onder 2.)
14. Op 30 juni 2020 schrijft de toenmalige adviseur van [naam 1] voor zover hier van belang aan mevrouw [naam 10] van de Belastingdienst:
“Ik was vorige week bij client en die heeft mij medegedeeld in juni een bedrag van € 100.000 te hebben ontvangen van [naam 8] .”
15. Namens [naam 1] heeft zijn toenmalige adviseur op 16 oktober 2020 voor zover hier van belang het volgende geschreven aan mevrouw [naam 10] van de belastingdienst:
“Ik ben deze week langs geweest en de controller gesproken. Client was niet op kantoor.
De controller heeft mij aangegeven dat uit het project [land] niets meer zal komen, dit is een fiasco geworden. Alleen door een (eenmalige) speculatieve transactie hebben zij nog een bedrag van € 100.000 mogen ontvangen van [naam 8] .
Op het moment dat wij de aangifte IB deden was dit totaal niet te verwachten.
Het was ook geheel onverwachts en gezien het speculatieve karakter ook niet echt zomaar te verwachten dat [naam 8] meer zal gaan betalen.
En de ervaring leert dat dit soort schuldenaars vaak bij anderen ook schulden hebben.
De vordering zou dan voor een bedrag van € 100.000 kunnen worden opgenomen in de aangifte van 2016.”
16. Bij het opleggen van de aanslag is verweerder afgeweken van de ingediende aangifte en heeft hij de afwaarderingen van de vorderingen van respectievelijk € 320.000 (lening 1), € 227.580 (lening 2) en € 100.000 (lening 3) gecorrigeerd.
Geschil
17. In geschil is of de bewijslast dient te worden omgekeerd (en verzwaard) omdat niet de vereiste aangifte zou zijn gedaan en of belanghebbende de vorderingen ten laste van haar resultaat mag afwaarderen voor bedragen van respectievelijk € 320.000 (lening 1), € 227.580 (lening 2) en € 100.000 (lening 3).
18. Belanghebbende betoogt dat zij terecht de vorderingen in het jaar 2020 heeft afgewaardeerd. Volgens belanghebbende bestond op het moment van de inbreng van de vordering op [naam 7] (lening 1) de hoop en de verwachting dat de vordering en rente voldaan zouden worden, zodat deze vordering terecht voor de nominale waarde is ingebracht. Verder is ook geen sprake van onzakelijke leningen. De leningen zijn verstrekt aan personen waar een zakelijke relatie mee bestond en waar in het verleden vaker leningen aan zijn verstrekt die ook zijn terugbetaald. Ook waren de leningen niet extreem risicovol voor belanghebbende. Omdat de afspraken over de aflossing en rentebetalingen al langere tijd niet werden nagekomen heeft belanghebbende op basis van het voorzichtigheidsbeginsel de vorderingen gedeeltelijk afgewaardeerd. Met de schuldenaars is nog contact en zij beloven keer op keer de schulden volledig te zullen voldoen.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 3.829.666.
19. Verweerder betoogt dat de vordering op [naam 7] (lening 1) ten tijde van de inbreng (al) een waarde van nihil had, zodat in het jaar 2020 de vordering niet afgewaardeerd kon worden. Door die afwaardering wel in aanmerking te nemen is de vereiste aangifte niet gedaan. Belanghebbende wist of had moeten weten dat die vordering op het moment van de inbreng waardeloos was en door deze af te waarderen in het jaar 2020 heeft belanghebbende bewust een onjuiste aangifte gedaan. Immers, op de vordering is nooit afgelost, is sinds 2014 geen rente meer betaald, was de afgesproken aflossingsdatum van 31 januari 2011 al lang verstreken en waren geen zekerheden afgesproken die uitgewonnen konden worden. Verder wijst verweerder erop dat [naam 1] in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 een vordering op [naam 8] , aan wie [naam 7] lening 1 doorleende, gedeeltelijk had afgewaardeerd en in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 zelfs tot € 1. Nu belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan dient volgens verweerder de bewijslast omgekeerd en verzwaard te worden. Gelet daarop dient belanghebbende te doen blijken dat de andere twee leningen zakelijk waren en de afwaardering daarop terecht. Volgens verweerder heeft zij dat niet doen blijken, zodat geen afwaardering op deze leningen ten laste van het resultaat van belanghebbende kan worden gebracht.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Vereiste aangifte
20. De vereiste aangifte is niet gedaan indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belastingen verhoudingsgewijs aanzienlijk lager zijn dan de werkelijk verschuldigde belastingen. Tevens is vereist dat het bedrag van de belastingen die als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belastingen niet zou worden geheven (vgl. HR 24 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083). Dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (vgl. HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).
21. Gelet hierop zal de rechtbank eerst beoordelen of belanghebbende de vordering op [naam 7] (lening 1) ten laste van haar resultaat kon afwaarderen en zo nee, of dit leidt tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan.
Afwaardering vordering [naam 7] (lening 1)
22. Op 20 februari 2008 heeft [naam 1] lening 1 verstrekt aan [naam 7] en leende [naam 7] dit bedrag door aan [naam 8] . Lening 1 was op 31 januari 2011 niet afgelost en ook na die datum hebben geen aflossingen plaatsgevonden. Verder zijn rentebetalingen sinds het jaar 2014 uitgebleven en waren er geen zekerheden afgesproken die uitgewonnen konden worden. Daarnaast werd de kredietwaardigheid van [naam 8] , aan wie [naam 7] lening 1 doorleende en waarvan de rentebetalingen door [naam 7] afhankelijk waren, kennelijk laag ingeschat, gelet op de aangiften IB/PVV van [naam 1] voor de jaren 2016 en 2017 waarin een vordering van € 950.000 op – waarbij [naam 9] moet worden gelezen als [naam 8] - [naam 8] werd afgewaardeerd tot (uiteindelijk) € 1 in het jaar 2017 en de in het jaar 2020 gegeven verklaring van de toenmalige adviseur van [naam 1] (zie onder 13.). Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien dat de vordering ten tijde van de inbreng een zeer risicovolle was en gehele of zelfs maar gedeeltelijke aflossing daarvan redelijkerwijs niet (langer) te verwachten was. Gelet hierop had de vordering op het moment van de inbreng (al) een waarde van nihil. De overgenomen waardeloze vordering kon dus ook niet worden afgewaardeerd in het jaar 2020. Het bedrag van de belasting dat als gevolg van de afwaardering van € 320.000 niet zou worden geheven is zowel in relatieve als in absolute zin aanzienlijk, waarvan belanghebbende en haar aandeelhouder zich ten tijde van het doen van de aangifte bewust moeten zijn geweest, nu [naam 1] heeft bevestigd dat hij nauwe contacten onderhield met [naam 8] , hij van de slechte kredietwaardigheid van de betrokkene op de hoogte was, en [naam 1] zowel aandeelhouder als directeur van belanghebbende was.
23. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de slotsom dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit heeft tot gevolg dat zij moet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Daarbij is het sinds het arrest van de Hoge Raad van 14 november 1990 (ECLI:NL:HR:1990:ZC4441) vaste jurisprudentie dat de omkering en verzwaring van de bewijslast voor de gehele aanslag geldt. Wel is de vraag wat de reikwijdte is van het op 27 mei 2022 door de Hoge Raad gewezen trustvraagarrest (ECLI:NL:HR:2022:767). Dit arrest heeft betrekking op een casus waarin de aangifte formeel onjuist was (de vraag of de belastingplichtige, de partner of de kinderen van de belastingplichtige betrokken waren bij een trust of ander doelvermogen was op het aangiftebiljet niet aangekruist, hetgeen wel had gemoeten), maar niet kon worden vastgesteld (en naar het oordeel van de Hoge Raad ook niet hoefde te worden vastgesteld) dat de ingediende aangifte aanzienlijk te laag was. De Hoge Raad overwoog onder meer dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de omkering niet geldt voor die geschilpunten waarvan het antwoord op de gestelde vragen niet van belang kan zijn. Naar aanleiding van dit arrest heeft Advocaat-Generaal Koopman (hierna: de AG) in zijn gemeenschappelijke bijlage (ECLI:NL:PHR:2025:200) bij de conclusies van 31 januari 2025 inzake nummers 24/01480 en 24/02200 een aantal vragen aan de Hoge Raad gesteld over de omkering van de bewijslast en heeft hij aangegeven ook bij omkering wegens een absoluut en relatief aanzienlijk te lage aangifte voorstander te zijn van partiële omkering van de bewijslast. De Hoge Raad heeft in de laatstgenoemde zaken nog geen arrest gewezen.
24. Anders dan in het trustvraagarrest is in de onderhavige zaak geoordeeld dat belanghebbende bij het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust had moeten zijn dat door het nemen van een afwaardering op lening 1 een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De beide overige bestreden correcties van de aangifte zien eveneens op de afwaardering van leningen. Nu de Hoge Raad nog geen arrest heeft gewezen naar aanleiding van de genomen conclusie van de AG ziet de rechtbank geen aanleiding in het trustvraagarrest om in deze zaak af te wijken van de vaste jurisprudentie dat in dat geval de omkering van de bewijslast ziet op de gehele aanslag zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar. Dat betekent dat de omkering van de bewijslast dus de gehele aanslag raakt en zich daarom ook uitstrekt tot de in geschil zijnde gecorrigeerde afwaarderingen ter zake van de andere twee vorderingen (lening 2 en lening 3).
Redelijke schatting
25. Ook wanneer de bewijslast wordt omgekeerd (en verzwaard) geldt dat verweerder de aanslag niet naar willekeur mag vaststellen, maar deze dient te berusten op een redelijke schatting. In dat kader rust op verweerder de taak zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401). De beoordeling of een schatting van verweerder redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng (vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086). Hij moet in redelijkheid tot de correctie kunnen komen (vgl. HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486). Als de aanslag niet willekeurig is vastgesteld komt vervolgens de vraag aan de orde of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.
26. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de toegepaste correcties geen sprake van willekeur. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen was op het moment van de inbreng van lening 1 de waarde nihil, zodat geen ruimte bestond voor een afwaardering op lening 1 in het jaar 2020 en is deze terecht volledig door verweerder gecorrigeerd. Ter zake van lening 2 en lening 3 overweegt de rechtbank dat verweerder deze leningen in redelijkheid heeft kunnen kwalificeren als onzakelijke leningen. Gezien de feiten en omstandigheden tezamen bezien is het geen onredelijke aanname van verweerder dat de leningen door belanghebbende zijn verstrekt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door belanghebbende een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Verweerder heeft er in dit verband in redelijkheid van kunnen uitgaan dat aanleiding bestaat de band tussen [naam 1] en [naam 8] en [naam 9] als niet zakelijk aan te merken. Niet gesteld is, laat staan aannemelijk gemaakt, dat onderzoek is gedaan naar de kredietwaardigheid van [naam 8] , terwijl hier gegeven de gang van zaken bij lening 1 alle reden toe bestond, alsook dat de zekerheden die [naam 8] en belanghebbende voor beide leningen zijn overeengekomen telkens niet zijn uitgewonnen. Immers was bij [naam 1] ten tijde van het verstrekken van lening 2 en lening 3 al bekend dat [naam 8] zijn verplichtingen van lening 1 (aan [naam 7] ) niet nakwam en zoals reeds opgemerkt schatte [naam 1] zelf (in zijn aangiften IB/PVV) de kredietwaardigheid van [naam 8] laag in. Verweerder heeft daarom in redelijkheid ervan uit mogen gaan dat belanghebbende met het verstrekken van lening 2 en lening 3, haar aandeelhouder heeft willen bevoordelen en dat belanghebbende (in haar dubbelrol als enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende) het voordeel als aandeelhouder heeft willen aanvaarden. Naar het oordeel van de rechtbank is ook ter zake van de volledig gecorrigeerde afwaarderingen op lening 2 en lening 3 sprake van een redelijke schatting.
Verzwaarde bewijslast belanghebbende
27. Met hetgeen belanghebbende hiertegen heeft aangevoerd, heeft zij niet doen blijken dat de correcties onjuist zijn. Ondanks dat lening 2 en 3 aan derden zijn verstrekt en het niet onmogelijk is dat dit zakelijke leningen betroffen, is door belanghebbende te weinig aangedragen waarmee zij dat ook overtuigend heeft aangetoond.
Belastingrente
28. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu het beroep ongegrond verklaard wordt ziet de rechtbank geen aanleiding tot verlaging van de belastingrente.
Slotsom
29. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.
Proceskosten
30. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, voorzitter, en mr. G.H. de Soeten en mr. C. Huisman, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).