Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2003:AF6486
2003-03-28
Bestuursrecht; Belastingrecht
38039
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (129)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6917 Rechtbank Gelderland 11-09-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7670 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-08-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1723 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-07-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:8400 Rechtbank Noord-Holland 25-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1538 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1455 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3545 Rechtbank Gelderland 06-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3452 Rechtbank Gelderland 01-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2336 Rechtbank Gelderland 25-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:224 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:55 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-01-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3764 Gerechtshof Amsterdam 23-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3631 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23993 Rechtbank Den Haag 20-11-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2778 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2372 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-09-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5312 Rechtbank Gelderland 07-07-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5311 Rechtbank Gelderland 07-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1766 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-06-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:4749 Rechtbank Gelderland 19-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3831 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-06-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1145 Gerechtshof Amsterdam 18-03-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1146 Gerechtshof Amsterdam 18-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:417 Gerechtshof Den Haag 13-03-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:55 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 11-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:524 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:542 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:338 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:100 Gerechtshof Den Haag 05-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4085 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2342 Gerechtshof Den Haag 11-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2343 Gerechtshof Den Haag 11-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2341 Gerechtshof Den Haag 11-12-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:8580 Rechtbank Gelderland 04-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3853 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2332 Gerechtshof Den Haag 12-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3242 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2867 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-09-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2526 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-08-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5371 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-08-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5371 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-08-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1045 Gerechtshof Den Haag 05-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1046 Gerechtshof Den Haag 05-06-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3959 Rechtbank Noord-Holland 21-03-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:476 Gerechtshof Den Haag 21-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:435 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:434 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:177 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-01-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3700 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-11-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2192 Gerechtshof Amsterdam 22-08-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1860 Gerechtshof Den Haag 12-07-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5577 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-07-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1446 Gerechtshof Den Haag 27-06-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5429 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-06-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:2659 Rechtbank Midden-Nederland 08-06-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:639 Gerechtshof Den Haag 05-04-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:639 Gerechtshof Den Haag 05-04-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1862 Rechtbank Midden-Nederland 29-03-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:956 Rechtbank Noord-Nederland 09-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:737 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-02-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (4.200 tekens)
Nr. 38.039
28 maart 2003
WM
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhage van 17 januari 2002, nr. BK-00/00380, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 116.659, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 36.659. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, hetgeen ertoe leidt dat het beroep dient te worden afgewezen, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de uitspraak of de aanslag onjuist is.
3.2. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat deze zogenoemde omkering van de bewijslast de Inspecteur evenwel niet van zijn verplichting ontslaat de door hem aangebrachte correctie te onderbouwen en aannemelijk te maken. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur hierin niet geslaagd.
3.3. Voorzover het middel zich richt tegen de onder 3.2 vermelde oordelen van het Hof, faalt het. Met eerstgenoemd oordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, doch moet berusten op een redelijke schatting van de verzwegen inkomsten. Dat oordeel is juist (vgl. HR 29 september 1993, nr. 28400, BNB 1993/330). Voorts heeft het Hof met laatstgenoemd oordeel tot uitdrukking gebracht dat de schatting van de Inspecteur van de verzwegen inkomsten op ƒ 100.000 niet redelijk is in evenvermelde zin, zodat de aanslag naar willekeur is vastgesteld, welk oordeel, gelet op het hiervoor overwogene, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3.4. Het middel faalt ook voor het overige. Nu het Hof enerzijds had geoordeeld dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan, maar anderzijds dat de aanslag niet berustte op een redelijke schatting door de Inspecteur van de verzwegen inkomsten, diende het Hof zelf op grond van hetgeen in het geding was komen vast te staan, een redelijke schatting daarvan te maken. 's Hofs schatting van die inkomsten op ƒ 20.000 kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2003.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 348.
28 maart 2003
WM
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhage van 17 januari 2002, nr. BK-00/00380, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 116.659, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 36.659. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, hetgeen ertoe leidt dat het beroep dient te worden afgewezen, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de uitspraak of de aanslag onjuist is.
3.2. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat deze zogenoemde omkering van de bewijslast de Inspecteur evenwel niet van zijn verplichting ontslaat de door hem aangebrachte correctie te onderbouwen en aannemelijk te maken. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur hierin niet geslaagd.
3.3. Voorzover het middel zich richt tegen de onder 3.2 vermelde oordelen van het Hof, faalt het. Met eerstgenoemd oordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, doch moet berusten op een redelijke schatting van de verzwegen inkomsten. Dat oordeel is juist (vgl. HR 29 september 1993, nr. 28400, BNB 1993/330). Voorts heeft het Hof met laatstgenoemd oordeel tot uitdrukking gebracht dat de schatting van de Inspecteur van de verzwegen inkomsten op ƒ 100.000 niet redelijk is in evenvermelde zin, zodat de aanslag naar willekeur is vastgesteld, welk oordeel, gelet op het hiervoor overwogene, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3.4. Het middel faalt ook voor het overige. Nu het Hof enerzijds had geoordeeld dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan, maar anderzijds dat de aanslag niet berustte op een redelijke schatting door de Inspecteur van de verzwegen inkomsten, diende het Hof zelf op grond van hetgeen in het geding was komen vast te staan, een redelijke schatting daarvan te maken. 's Hofs schatting van die inkomsten op ƒ 20.000 kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2003.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 348.