Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:2336

2026-03-25 Bestuursrecht; Belastingrecht AWB 24_6845
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-03-25
Publicatiedatum
2026-03-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB 24_6845
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | Viditax (FutD) 2026033106 | V-N Vandaag 2026/630 | FutD 2026-0587 | NDFR Nieuws 2026/537 | NTFR 2026/803 met annotatie van mr. R.J. de Jong | V-N 2026/26.15.7

Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Vereiste aangifte niet gedaan. Vastgestelde winst op basis van algemene cijfers en gegevens is niet zonder meer een redelijke schatting. Geen redelijke schatting van de winst.Beroep gegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.811 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummer: ARN 24/6845



uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 maart 2026


in de zaak tussen





[belanghebbende] B.V. in liquidatie, uit [plaats], belanghebbende,


en




de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.




Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 februari 2024.



De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 17.500. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 280 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en een verzuimboete van € 5.514 opgelegd.



De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende haar bestuurder [persoon A], en, namens de inspecteur, [persoon B] en [persoon C].





Feiten

1. Belanghebbende is opgericht op 30 oktober 2012. Haar enig bestuurder en aandeelhouder is [persoon A] ([persoon A]).

2. [persoon A] heeft in 2012 een door hem ontvangen ontslagvergoeding van € 123.245 ingebracht in belanghebbende tegen een recht op een periodieke stamrechtuitkering. Op 31 december 2013 heeft belanghebbende een vordering op [persoon A] van in totaal € 131.633.

3. Vanaf haar oprichting tot en met het belastingjaar 2019 heeft belanghebbende nooit (tijdig) aangifte Vpb gedaan. Elk jaar is tegelijk met de vaststelling ook een verzuimboete vanwege het niet (tijdig) doen van aangifte Vpb opgelegd.
4. Belanghebbende is uitgenodigd, herinner en aangemaand tot het doen van aangifte Vpb 2020 (de aangifte). Zij heeft deze aangifte niet ingediend.

5. De aanslag is met dagtekening 5 november 2022 ambtshalve vastgesteld naar een belastbare winst en belastbaar bedrag van € 17.500. Gelijktijdig is een verzuimboete van € 5.514 opgelegd.

6. De inspecteur heeft het tegen de aanslag ingediende bezwaar, wat op 20 december 2022 is ontvangen, niet-ontvankelijk verklaard.




Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt de aanslag en de daarbij opgelegde verzuimboete. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

8. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag te hoog is vastgesteld en dat de verzuimboete terecht is opgelegd, maar wel moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Vooraf


9. In beroep is niet meer in geschil dat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is reeds hierom gegrond.

10. Wanneer sprake is van het ten onrechte niet-ontvankelijk verklaren van een bezwaar, wordt de zaak in de regel teruggewezen, omdat nog geen inhoudelijke heroverweging heeft plaatsgevonden. Nu uit het verweerschrift en het verloop van de zitting volgt dat partijen geen terugwijzing wensen en aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, zal de rechtbank in afwijking van de hoofdregel zelf in de zaak voorzien.



Inhoudelijk


11. Vast staat dat belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte. Desondanks heeft zij de aangifte niet binnen de in de aanmaning gestelde uiterste termijn ingediend. Zij heeft dus de vereiste aangifte niet gedaan met als gevolg dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Dit betekent dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

12. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur niet van zijn verplichting om de aanslag niet naar willekeur vast te stellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting. Hiervoor geldt dat de inspecteur op basis van feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten dient te verschaffen waaruit is af te leiden dat de schatting van de aanslag redelijk is.

13. De inspecteur is bij zijn schatting uitgegaan van de gemiddelde winst en het gemiddelde loon behorende bij de sectorcode van belanghebbende, waarna hij de hieruit afgeleide winst heeft verlaagd op basis van de over eerdere jaren aan belanghebbende opgelegde aanslagen Vpb. De belastbare winsten van belanghebbende over eerdere jaren zijn steeds vastgesteld op basis van schattingen van de inspecteur. Een dergelijk vastgestelde winst, op basis van algemene cijfers en gegevens, is niet zonder meer aan te merken als een redelijke schatting. In dit concrete geval is geen sprake van een redelijke schatting omdat deze schatting niet (mede) is gebaseerd op concrete aanknopingspunten, zoals de door belanghebbende overgelegde bankafschriften en de leenverhouding tussen belanghebbende en [persoon A].

14. Belanghebbende had op 31 december 2013 een vordering van € 131.633 op [persoon A]. Verbonden partijen, zoals een vennootschap en haar aandeelhouder, moeten op een zakelijke wijze, als ware zij onafhankelijke derden, met elkaar omgaan. Dit betekent dat op de lening een zakelijke rente moet worden betaald. De ontvangen rente vormt voor belanghebbende omzet. Onder meer rekening houdend met risico – [persoon A] heeft ter zitting verklaard dat in 2012 een grote rechtszaak liep en hij dat jaar ook is gescheiden, waardoor hij financiële problemen had – en de (feitelijke) looptijd, acht de rechtbank een rente van 5% op de lening zakelijk. Nu niet is gebleken dat [persoon A] ook maar enige aflossing heeft gedaan op de schuld aan belanghebbende, dient deze schuld/vordering jaarlijks met de rente te worden opgerent. Dit leidt tot een vordering van € 176.401 op 31 december 2019. De hierover te ontvangen rente in het jaar 2020 bedraagt € 8.820. Daarnaast is niet gebleken dat belanghebbende in 2020 loonbetalingen en/of aangifte loonheffingen heeft gedaan, zodat hierbij de rechtbank geen rekening houdt met enig loon. Wel is maandelijks € 2,09 aan bankkosten betaald. De rechtbank zal op grond hiervan de belastbare winst schattenderwijs vaststellen op € 8.795.

15. Nu uit de in beroep door belanghebbende overgelegde bankafschriften niets blijkt over de omvang van enig loon of de rentebaten, heeft belanghebbende niet doen blijken dat een belastbare winst van € 8.795 te hoog is vastgesteld.



Belastingrente


16. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, dient de belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd.



Verzuimboete


17. Op grond van artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur een verzuimboete opleggen aan een belanghebbende als deze niet dan wel niet binnen de in de aanmaning vermelde termijn zijn aangifte heeft ingediend. De inspecteur mag echter geen verzuimboete opleggen indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Er is sprake van avas wanneer de belastingplichtige alle zorg in acht heeft genomen die in redelijkheid van hem verwacht kan worden om te bewerkstelligen dat het verzuim niet zou worden begaan.

18. Ondanks dat zij daartoe is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, heeft belanghebbende de aangifte niet ingediend. De inspecteur heeft daarom terecht de verzuimboete opgelegd. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van avas. De verklaring dat [persoon A] in privé tot 2020 in de financiële problemen zat, ziet niet op belanghebbende zelf, maar op haar directeur-grootaandeelhouder. Deze financiële situatie kan niet zomaar worden doorgetrokken naar belanghebbende. Verder is sprake van een achtste aangifteverzuim. Alles afwegend, acht de rechtbank de verzuimboete passend en geboden.

19. Ook al heeft belanghebbende hierover niets aangevoerd, de rechtbank beoordeelt ambtshalve of een boete moet worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De verzuimboete is gelijktijdig met de aanslag opgelegd. Deze boete is niet op een eerder moment aangekondigd, waardoor de redelijke termijn is gaan lopen op het moment waarop de boete is opgelegd. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn, naar boven afgerond, met anderhalf jaar overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boete met 15% geboden. Dat betekent dat de verzuimboete moet worden verminderd tot € 4.686 (85% van € 5.514).




Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is gegrond omdat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en de belastbare winst te hoog is vastgesteld. De belastbare winst wordt verminderd tot € 8.795 en de verschuldigde belastingrente wordt overeenkomstig verminderd. De boete wordt ambtshalve verlaagd tot € 4.686.

21. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur in beginsel het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. In eerste instantie is € 51 aan griffierecht geheven, omdat de rechtbank [persoon A] als partij heeft aangemerkt. Dit is tijdens de beroepsprocedure gewijzigd in belanghebbende. Het betaalde griffierecht is teruggestort en er is een rekening gestuurd voor € 371 aan griffierecht. Tot op heden is dit laatste bedrag niet voldaan. Om die reden hoeft in dit geval geen griffierecht te worden vergoed. Belanghebbende hoeft verder de rekening voor het griffierecht niet meer te betalen. Belanghebbende heeft daarnaast niet verzocht om een vergoeding van haar proceskosten.








Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag Vpb 2020 tot naar een belastbare winst van € 8.795;
- vermindert de belastingrentebeschikking overeenkomstig de aanslag Vpb 2020;
- vermindert de verzuimboete tot € 4.686;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de uitspraak op bezwaar.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.



Uitgesproken op 25 maart 2026.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.














griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Vgl. Hoge Raad 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7330, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8747 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8880.


Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.


Hoge Raad 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8552 en Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486.


Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311.


Vergelijk Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.