Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2006:AX7330
2006-06-09
Bestuursrecht; Belastingrecht
41130
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
hof vernietigt niet-ontvankelijk verklaring van bezwaar. In de regel terugwijzing naar inspecteur.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (73)
- ECLI:NL:RBROT:2026:7840 Rechtbank Rotterdam 29-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2336 Rechtbank Gelderland 25-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2025:14335 Rechtbank Noord-Holland 08-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:7375 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-11-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:7092 Rechtbank Gelderland 22-08-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5200 Rechtbank Gelderland 03-07-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:76 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 12-05-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:3521 Rechtbank Gelderland 08-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2315 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:164 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-01-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:13861 Rechtbank Noord-Holland 19-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1663 Gerechtshof Den Haag 07-08-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4981 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-07-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:4320 Rechtbank Amsterdam 17-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3193 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:180 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-01-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2023:7208 Rechtbank Gelderland 08-12-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2819 Gerechtshof Amsterdam 07-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6794 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:7740 Rechtbank Rotterdam 25-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4941 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-07-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1966 Gerechtshof Den Haag 05-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3535 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-06-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:5516 Rechtbank Noord-Holland 02-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2538 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-05-2022
- ECLI:NL:OGEAC:2022:53 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 04-04-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:887 Rechtbank Noord-Nederland 23-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5724 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3315 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-06-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3168 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-06-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3017 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-06-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3145 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-06-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1879 Rechtbank Noord-Holland 12-03-2021
- ECLI:NL:RBOBR:2021:381 Rechtbank Oost-Brabant 29-01-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2020:5900 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-11-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2893 Gerechtshof Amsterdam 27-10-2020
- ECLI:NL:OGEAC:2020:90 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 15-04-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1631 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-03-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1633 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-03-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:182 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-01-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:182 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-01-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:9675 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-11-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:14883 Rechtbank Den Haag 15-10-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3394 Rechtbank Gelderland 25-07-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1372 Parket bij de Hoge Raad 12-12-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:13837 Rechtbank Den Haag 22-11-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:442 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-01-2018
- ECLI:NL:GHARL:2017:8564 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-10-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:2220 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-05-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1343 Gerechtshof Den Haag 10-05-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1186 Gerechtshof Den Haag 25-04-2017
- ECLI:NL:RBGEL:2017:2342 Rechtbank Gelderland 24-04-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:293 Gerechtshof Den Haag 10-01-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2016:5280 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-11-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:8880 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-11-2016
- ECLI:NL:RBGEL:2016:5332 Rechtbank Gelderland 11-10-2016
- ECLI:NL:RBGEL:2016:5331 Rechtbank Gelderland 11-10-2016
- ECLI:NL:RBOBR:2016:4721 Rechtbank Oost-Brabant 26-08-2016
- ECLI:NL:RBNHO:2016:6307 Rechtbank Noord-Holland 03-08-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:6270 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-08-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.900 tekens)
Nr. 41.130
9 juni 2006
RS
gewezen op het beroep in cassatie van X C.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juli 2004, nr. 03/01870, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 58.059. De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, belanghebbende in haar bezwaar ontvankelijk verklaard, en de naheffingsaanslag gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. De Inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het niet voldoet aan de eis van artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat, terwijl van de geboden gelegenheid om het verzuim te herstellen geen gebruik is gemaakt. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - die beslissing van de Inspecteur onjuist geoordeeld. Het heeft vervolgens zelf de juistheid van de in geding zijnde naheffingsaanslag beoordeeld, en deze gehandhaafd.
3.2. Indien de inspecteur de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, dient de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, lid 4, Awb de inspecteur op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat de belanghebbende niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet.
3.3. Het Hof heeft de voormelde regel miskend, dan wel verzuimd te motiveren waarom het in dit geval van die regel is afgeweken. De daarop gerichte in het middel besloten liggende klacht slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
4. Na cassatie
Voor het Hof heeft belanghebbende bij repliek te kennen gegeven dat zij van het Hof uitsluitend een beslissing wenst over de juistheid van de uitspraak van de Inspecteur, en zich verzet tegen "de poging van de Inspecteur om de materiële zijde van het geschil erbij te trekken". Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft belanghebbende bij die opstelling volhard. Zij is in geen enkel stadium van het geding voor het Hof ingegaan op de merites van de naheffingsaanslag waartegen het bezwaarschrift zich keerde. Onder deze omstandigheden ziet de Hoge Raad geen goede grond om af te wijken van de regel dat de inspecteur, na de vernietiging van zijn niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, opnieuw op het bezwaar dient te beslissen.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 41131 en 41132 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voorzover daarbij de naheffingsaanslag is gehandhaafd,
draagt de Inspecteur op om opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 409, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op eenderde van € 1288, derhalve € 429,33, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2006.
9 juni 2006
RS
gewezen op het beroep in cassatie van X C.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juli 2004, nr. 03/01870, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 58.059. De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, belanghebbende in haar bezwaar ontvankelijk verklaard, en de naheffingsaanslag gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. De Inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het niet voldoet aan de eis van artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat, terwijl van de geboden gelegenheid om het verzuim te herstellen geen gebruik is gemaakt. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - die beslissing van de Inspecteur onjuist geoordeeld. Het heeft vervolgens zelf de juistheid van de in geding zijnde naheffingsaanslag beoordeeld, en deze gehandhaafd.
3.2. Indien de inspecteur de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, dient de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, lid 4, Awb de inspecteur op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat de belanghebbende niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet.
3.3. Het Hof heeft de voormelde regel miskend, dan wel verzuimd te motiveren waarom het in dit geval van die regel is afgeweken. De daarop gerichte in het middel besloten liggende klacht slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
4. Na cassatie
Voor het Hof heeft belanghebbende bij repliek te kennen gegeven dat zij van het Hof uitsluitend een beslissing wenst over de juistheid van de uitspraak van de Inspecteur, en zich verzet tegen "de poging van de Inspecteur om de materiële zijde van het geschil erbij te trekken". Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft belanghebbende bij die opstelling volhard. Zij is in geen enkel stadium van het geding voor het Hof ingegaan op de merites van de naheffingsaanslag waartegen het bezwaarschrift zich keerde. Onder deze omstandigheden ziet de Hoge Raad geen goede grond om af te wijken van de regel dat de inspecteur, na de vernietiging van zijn niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, opnieuw op het bezwaar dient te beslissen.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 41131 en 41132 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voorzover daarbij de naheffingsaanslag is gehandhaafd,
draagt de Inspecteur op om opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 409, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op eenderde van € 1288, derhalve € 429,33, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2006.