Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6917
2026-09-11
Bestuursrecht; Belastingrecht
ARN 23/4675 en 25/3227
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Balanscontinuïteit. Vereiste aangifte. Belanghebbende drijft samen met zijn broer een vennootschap onder firma. Het eindvermogen en de voorraadwaardering per 31 december 2018 sluiten niet aan bij het beginvermogen en de voorraadwaardering per 1 januari 2019. Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV 2019 in de zin van de wet gedaan. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat en in hoeverre de door de inspecteur bij de bepaling van de fiscale winst 2019 in aanmerking genomen herwaardering van de voorraad onterecht is. Beroepen ongegrond.
Citeert (10)
- ECLI:NL:HR:2022:1150 Hoge Raad 09-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:9499 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-11-2022
- ECLI:NL:HR:1979:AX2688 Hoge Raad 28-03-1979
- ECLI:NL:HR:2017:675 Hoge Raad 14-04-2017
- ECLI:NL:HR:2016:1333 Hoge Raad 28-06-2016
- ECLI:NL:HR:1993:BH8552 Hoge Raad 29-09-1993
- ECLI:NL:HR:2003:AF6486 Hoge Raad 28-03-2003
- ECLI:NL:HR:2006:AV0401 Hoge Raad 27-01-2006
- ECLI:NL:HR:1995:AA3051 Hoge Raad 04-01-1995
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2297 Gerechtshof Amsterdam 17-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (37.553 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/4675 en 25/3227
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 september 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 31 mei 2023 en 20 juni 2025.
Zaaknummer ARN 23/4675
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 767 belastingrente in rekening gebracht en belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd.
Daarnaast heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanslag inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet (Zvw) 2019 opgelegd naar het maximale bijdrage-inkomen van € 55.927. Daarbij heeft de inspecteur € 44 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen, de belastingrentebeschikkingen en de verzuimboete ongegrond verklaard.
Zaaknummer ARN 25/3227
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 163.287 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.119.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 7.280 belastingrente in rekening gebracht en belanghebbende een vergrijpboete van € 12.685 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 121.187 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van
€ 1.119. De inspecteur heeft de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de vergrijpboete heeft hij vernietigd.
Beide zaken
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting.
Feiten
1. Belanghebbende drijft samen met [persoon 1] een onderneming onder de naam ‘ [V.O.F.] ’. De activiteiten bestaan uit de handel in auto-onderdelen en accessoires van auto’s uit de Verenigde Staten.
2. De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV 2019. De aanmaning is verzonden aan belanghebbende bij brief van 25 november 2020 en vermeldt als uiterste inleverdatum van de aangifte
9 december 2020.
3. Met dagtekening 21 juli 2021 heeft de inspecteur een ambtshalve aanslag IB/PVV 2019 op naam van belanghebbende vastgesteld, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000 en een aanslag inkomensafhankelijke premie Zvw naar een bijdrage-inkomen van € 55.927. Tevens heeft de inspecteur aan belanghebbende een aangifteverzuimboete van € 385 opgelegd. Bij brief ontvangen door de inspecteur op 31 augustus 2021 heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt.
4. Op 6 december 2021 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2019 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.550 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.119. Belanghebbende heeft in die aangifte onder meer het volgende aangegeven:
Ondernemingsvermogen begin boekjaar: € 691.607
Privé onttrekkingen boekjaar € 33.765 -
Privé stortingen € 0 +
Aandeel fiscale winst € 68.855 +
Ondernemingsvermogen einde boekjaar: € 726.697
Voorraden per 31december 2019
volgens de fiscale balans van [V.O.F.] € 405.307
5. Bij brief van 31 mei 2023 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard en aangekondigd dat hij voornemens is een navorderingsaanslag IB/PVV 2019 aan belanghebbende op te leggen. In die brief heeft de inspecteur, voor zover relevant voor de beoordeling van het voorliggende geschil, het volgende vermeld:
“(…)
Achtergrond van het bezwaar
Op 28 februari 2022 heb ik aan u een verzoek om informatie gestuurd. Op 8 maart 2022 gaf uw mede-firmant, de heer [persoon 1] , BSN [nummer] tijdens ons telefoongesprek aan dat hij u vertegenwoordigt bij de behandeling van zijn bezwaarschriften. Verder gaf de heer [persoon 1] u aan dat u de brief van 28 februari 2022 niet hebt ontvangen. Op 10 maart 2022 heb ik dit verzoek om informatie nogmaals gestuurd. Op 4 april 2022 ontving ik van de heer [persoon 1] een e-mailbericht met daarin zijn reactie op het verzoek om informatie. De heer [persoon 1] geeft onder andere aan dat er sprake is geweest van een computercrash. Daardoor zijn veel gegevens verloren gegaan. Hij heeft de administratie van 2019 en 2020 summier opgezet. Het door mij opgemerkte verschil in het ondernemingsvermogen einde boekjaar (2018) en ondernemersvermogen begin boekjaar (2019) in de aangifte van de heer [belanghebbende] komt volgens de heer [persoon 1] , doordat de waarde van de voorraad is vastgesteld met de laatst bekende prijzen. Als gevolg van forse prijsverhogingen wijken de prijzen van de voorraad nogal af van de historische kostprijzen. Het verschil van de voorraadpositie is echter alleen bij u gecorrigeerd.
(…)
Correctie van het verschil tussen het eind- en beginvermogen
Uit de jaarstukken over de jaren 2018 en 2019 blijkt het volgende:
Voorraadpositie:
31-12-2018 € 177.968
31-12-2019 € 405.307
Voorraadtoename € 227.339
(…)
In de periode tussen de inkoop van deze (oude) voorraad en bij het bepalen van de voorraadwaarde per 31 december 2019 op basis van de actuele inkoopprijzen, hebben er volgens de heer [persoon 1] grote prijsstijgingen plaatsgevonden.
De voorraadtoename in 2019 van € 227.339 is met name het gevolg van de herwaardering van de voorraad, veroorzaakt door de prijsstijgingen. Met andere woorden: de "goedkoop" ingekochte voorraad is "meer waard" geworden door de prijsstijgingen. Om dit "op te lossen" heeft u naar mijn mening de volgende journaalpost toegepast:
Voorraadtoename € 227.339
aan Kapitaal [belanghebbende] € 227.339
Dit is niet juist. De voorraad moet (fiscaal gezien) worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs. Deze mag niet ineens worden gewaardeerd tegen de actuele waarde en het verschil wegboeken via de kapitaalrekening.
Door dit op deze wijze te doen wordt er vanaf 2020 en 2021 minder winst verantwoord dan in werkelijkheid wordt gerealiseerd. De berekende brutomarges in de boekhouding kloppen dan immers niet. Er wordt gerekend met een hogere inkoopprijs (actuele prijzen) in plaats van de historische inkoopprijs.
Om voorgaande onjuistheid te corrigeren moet in principe de gehele administratie vanaf 2018 opnieuw worden verwerkt in een boekhoudsoftwarepakket, met daarbij een juiste voorraadwaardering. Dit stadium zijn wij echter al gepasseerd. Daarom zie ik voor nu maar een mogelijkheid. Door eenmalig de winst van 2019 te verhogen met € 227.339 wordt deze onjuistheid in een keer gecorrigeerd waardoor ook de te laag verantwoorde brutomarges vanaf 2020 worden "gecompenseerd".
De hierbij behorende journaalpost ziet er als volgt uit:
Voorraadtoename € 227.339
aan Inkoopwaarde v/d omzet (w&v) € 227.399
Hierdoor neemt de winst over het jaar 2019 toe met € 227.339. Omdat u voor 50% gerechtigd bent tot de winst, bedraagt de correctie in verband met de voorraadtoename
€ 227.339 x 50% = € 113.669.
Correctie vrijval van de OB-schuld
In mijn brief van 18 februari 2022 gericht aan de heer [belanghebbende] heb ik het volgende meegedeeld.
Uit gegevens die mij ter beschikking staan, blijkt uit de jaarstukken 2014 een balansschuld omzetbelasting van € 27.384, Ik heb geconstateerd dat voor het jaar 2014 geen suppletieaangifte omzetbelasting is ingediend; daarmee is de verschuldigde omzetbelasting niet afgedragen. Nu de naheffingstermijn omzetbelasting is verstreken, dient deze omzetbelastingschuld verplicht vrij te vallen in de winst uit onderneming voor het jaar 2019. Ik zal dit daarom corrigeren.
Tijdens het gesprek op 10 november 2022 heeft de heer [persoon 1] mij een specificatie van de overige buitengewone baten overgelegd. Deze specificatie bestaat uit € 27.384 (omzetbelasting 2014) en € 2.994 (omzetbelasting 2015). In totaal € 30.378. In de alsnog ingediende jaarstukken 2019 staat als overige buitengewone baten een bedrag van € 31.208 aangegeven. De gegevens van deze specificatie komen niet overeen met het door u aangegeven bedrag in de jaarstukken. Ik kan dan ook niet beoordelen of het door u aangegeven bedrag in de jaarstukken ziet op de vrijval van de OB- schuld van € 27.384. Ik heb daarom besloten om op dit punt de alsnog ingediende aangifte niet te volgen. Omdat u voor 50% gerechtigd bent tot de winst, bedraagt de correctie in verband met de vrijval van de OB-schuld € 27.384 x 50% = € 13.692.
Correctie afschrijvingskosten gebouwen en terreinen
De heer [persoon 2] heeft in zijn e-mail bericht van 22 december 2022 informatie over de afschrijvingskosten opgevraagd. Op 2 februari 2023 heeft hij de heer [persoon 1] per e-mail bericht een rappel voor het sturen van de informatie gestuurd. Tot op heden hebben de heer [persoon 2] en ik geen reactie van u en de heer [persoon 1] ontvangen. Om deze reden heb ik besloten om bij het vaststellen van uw (fiscale) winst uit onderneming geen rekening te houden met de aftrek van afschrijvingskosten. Omdat u voor 50% gerechtigd bent tot de winst, bedraagt de correctie in verband met de afschrijvingskosten € 32.600 x 50% =
€ 16.300.
Correctie kosten schulden andere rentelasten en soortgelijke kosten
De heer [persoon 2] heeft in zijn e-mail bericht van 22 december 2022 informatie over de rentekosten opgevraagd. Op 2 februari 2023 heeft hij de heer [persoon 1] per e-mail bericht een rappel voor het sturen van de informatie gestuurd. Tot op heden hebben de heer [persoon 2] en ik geen reactie van u en de heer [persoon 1] ontvangen. Om deze reden heb ik besloten om bij het vaststellen van uw (fiscale) winst uit onderneming geen rekening te houden met de aftrek van rentekosten. Omdat u voor 50% gerechtigd bent tot de winst, bedraagt de correctie in verband met de rentekosten € 17.045 x 50% = € 8.522.
(…)”
6. Bij brief van 12 oktober 2023 heeft de inspecteur een kennisgeving navordering met vergrijpboete aan belanghebbende gezonden. In die brief is het volgende vermeld:
“Geachte heer [belanghebbende] ,
Op 21 juli 2021 is aan u een ambtshalve aanslag inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2019 opgelegd. Op 6 december 2021 hebt u alsnog de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2019 ingediend. Hiermee heeft u mij verzocht om de aanslag aan te passen conform de gegevens van deze alsnog ingediende aangifte.
Tijdens de beoordeling van uw bezwaar tegen de ambtshalve aanslag heb ik zowel schriftelijk als mondeling nieuwe informatie ontvangen. Uit deze informatie blijkt dat de opgelegde aanslag van 21 juli 2021 te laag is. Ik heb besloten om een navorderingsaanslag op te leggen. De reden hiervoor leest u hierna.
Op 31 mei 2023 heb ik u mijn uitspraak op het bezwaar gestuurd. Hierin heb ik aangegeven dat ik van plan ben om een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2019 op te leggen. In mijn brief van 31 mei 2023 heb ik aangegeven dat ik de gegevens van de door u alsnog ingediende aangifte ga volgen waarbij ik wel rekening houd met de volgende correcties:
Correctie verschil tussen het eind- en beginvermogen € 113.669
Correctie vrijval van de OB-schuld € 13.692
Correctie afschrijvingskosten gebouwen en terreinen € 16.300
Correctie kosten schulden andere rentelasten en soortgelijke kosten € 8.522
(…)
Correctie vrijval van de OB-schuld
Ondanks dat u de gevraagde stukken niet hebt gestuurd, ben ik van plan om de correctie van € 27.384 te laten vervallen. Dit vanwege het feit dat wel aannemelijk is gemaakt dat de omzetbelastingschuld is vrijgevallen. Omdat u voor 50% gerechtigd bent tot de winst, bedroeg de correctie in verband met de vrijval van de OB-schuld € 27.384 x 50% =
€ 13.692. Ik ben van plan om de correctie van € 13.692 te laten vervallen.
Correctie kosten schulden andere rentelasten en soortgelijke kosten
De heer [persoon 1] heeft alsnog het bewijsstuk van de lening van € 515.000 bij de Rabobank gestuurd. De betaalde hypotheekrente van € 13.575 is aan te merken als kosten. Ondanks dat er geen bewijsstukken van de overige kosten zijn gestuurd, ben ik toch van plan om het gehele bedrag van € 17.045 te accepteren als kosten. Ik ben van plan om de correctie van
€ 17.045 te laten vervallen. Omdat u voor 50% gerechtigd bent tot de winst, bedroeg de correctie in verband met de rentekosten € 17.045 x 50% = € 8.522. Ik ben van plan om de correctie van € 8.522 te laten vervallen.
(…)
Door de bovenstaande correcties bedraagt de belastbare winst uit onderneming € 164.852. Dit bedrag is als volgt berekend:
Winst als ondernemer (zie alsnog ingediende aangifte) € 69.000
Correctie verschil tussen het eind- en beginvermogen € 113.669
Correctie afschrijvingskosten gebouwen en terreinen € 16.300 +
Winst voor ondernemersaftrek € 198.969
Zelfstandigenaftrek € 7.280 -
€ 191.689
MKB-winstvrijstelling, 14% x € 191.689 € 26.837 -
Belastbare winst € 164.852
Inkomsten uit eigen woning
In de alsnog ingediende aangifte (van 6 december 2021) geeft u een bedrag van
€ 4.529 aan als aftrekbare rente voor de eigen woning. U houdt echter geen rekening met het eigenwoningforfait van € 2.964 (€ 456.000 x 0,65%). Uw aandeel in de inkomsten uit eigen woning bedraagt hierdoor € -1.565 in plaats van het door u aangegeven bedrag van € -4.529. Door het bovenstaande bedraagt het belastbaar inkomen uit werk en woning € 163.287 (€ 164.852 - € 1.565). Bij het vaststellen van de ambtshalve aanslag is rekening gehouden met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000. De definitieve aanslag is te laag vastgesteld. Daarom ben ik van plan om een navorderingsaanslag op te leggen zoals hieronder staat vermeld.
Belastbaar inkomen uit werk en woning volgens de aanslag € 75.000
Correctie € 88.287
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 163.287
(…)”
7. Bij brief van 18 januari 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een mededeling navordering en vergrijpboete gezonden.
8. Met dagtekening 10 februari 2024 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV 2019 op naam van belanghebbende vastgesteld berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 163.287 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.119. Tevens heeft de inspecteur belastingrente van € 7.280 aan belanghebbende in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 12.685 aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende heeft bij brief ontvangen door de inspecteur op 11 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag, de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking.
9. In zijn voornemen uitspraak op bezwaar van 1 mei 2025 heeft de inspecteur het volgende vermeld:
“Samenvatting van uw bezwaar
Voorraadtoename
De inspecteur heeft geconstateerd dat er in uw aangiften IB/PVV een verschil is opgetreden tussen het eindvermogen 2018 en beginvermogen 2019. De inspecteur is naar aanleiding van het gesprek op 10 november 2022 tot de conclusie gekomen dat de voorraadtoename het gevolg is van een herwaardering van de voorraad op 31 december 2019 tegen actuele inkoopprijzen op 1 januari 2021. Deze voorraadtoename heeft de inspecteur in de fiscale winst betrokken over het jaar 2019. U neemt in uw bezwaarschrift het standpunt in dat de voorraadtoename niet in de winst over het jaar 2019 kan worden betrokken, omdat bij het vaststellen van de winst over het jaar 2019 al rekening is gehouden met de (hogere) eindvoorraad. De voorraadtoename moest volgens u bij het beginvermogen worden geteld zodat de aangifte ingediend kon worden en de (fiscale) winst bleef kloppen.
(…)
Afschrijving gebouwen en terreinen
U bent het niet eens met de correctie inzake de afschrijving van € 32.600. U geeft aan dat er feitelijk een gebouw staat en dat de afschrijving al jaren is gevolgd door de inspecteur. In uw bezwaarschrift geeft u aan dat u de specificatie van de afschrijvingskosten van het gebouw, inclusief grond aan de [adres] te [plaats] voorhanden hebt en dat u bereid bent om deze te delen. In de e-mails van 12 september 2024 en 25 november 2024 heeft de heer [persoon 1] de specificatie gedeeld. Ook heeft hij desgevraagd de facturen van het gebouw gedeeld en op 26 november 2024 heeft hij per e-mail de WOZ-beschikking 2019 aan mij doen toekomen.
(…)
Beoordeling van het bezwaar
Voorraadtoename
Het voornoemde verschil tussen het eindvermogen 2018 (ad. € 472.223) en beginvermogen 2019 (ad. € 691.607) in [V.O.F.] bedraagt € 219.384. Niet ter discussie staat dat het verschil is ontstaan doordat de inkoopprijzen van de in 2019 aanwezige voorraad zijn gewijzigd naar de inkoopprijzen per 1 januari 2021. Wel neemt u het standpunt in dat er geen sprake is van een herwaardering, maar van een "telling" van de voorraad. Dit standpunt kan ik niet volgen, omdat de aanwezige voorraad (na uw herstelwerkzaamheden) voor een andere (c.q. hogere) waarde dan de (lagere) historische inkoopprijzen in de administratie is opgenomen. Er is dus wel degelijk sprake van een herwaardering. Overigens, in de e-mail van 21 november 2024 en tijdens het hoorgesprek heeft de heer [persoon 1] verklaard dat de op 1 januari 2019 aanwezige voorraad is geherwaardeerd, terwijl uit het dossier inzake de navordering blijkt dat dit 31 december 2019 moet zijn.
Voor de juiste waardering gelden [in, toevoeging rechtbank] ieder geval de (fiscale) regels van goed koopmansgebruik. Voorraad wordt in de regel gewaardeerd tegen de historische kostprijs. U hebt daarentegen de voorraad geherwaardeerd tegen de hogere inkoopprijzen op 1 januari 2021, terwijl u alle bescheiden tot uw beschikking had om de voorraad te waarderen tegen de historische kostprijs.
Boekhoudkundig gezien dient de herwaardering niet via de kapitaalrekening geboekt te worden, maar via de winst- en verliesrekening, hetgeen u in de eerste instantie niet leek te hebben gedaan. Dit werd destijds (bij de navordering) ook verklaard door het verschil tussen het eindvermogen (2018) en beginvermogen (2019) van € 219.384. Tijdens het hoorgesprek heb ik aangegeven dat er door de herwaardering vanaf 2020 minder winst wordt verantwoord dan in werkelijkheid wordt gerealiseerd, omdat de brutomarges niet kloppen. Immers, er wordt gerekend met hogere inkooprijzen in plaats van de lagere historische inkoopprijzen. U hebt tijdens het hoorgesprek (uiteindelijk) aangegeven deze gevolgen te begrijpen. Wel ben ik van mening dat er voor de navordering ten onrechte is uitgegaan van de voorraadtoename in 2019 van € 227.399 in plaats van het verschil tussen eindvermogen (2018) en beginvermogen (2019) van € 219.384. Immers, de voorraadtoename in 2019 hoeft niet direct het gevolg te zijn van de voornoemde herwaardering. Om te achterhalen hoe de herwaardering precies in de administratie is geboekt, is het van belang om de voorraadpositie per 31 december 2019 te bepalen.
(…)
In het bestand "inkopen 2019" staat dat de stand van de voorraad per 1 januari 2019 in totaal € 340.000 bedraagt. Volgens de balans van [V.O.F.] die bij uw aangifte IB/PVV 2018 is gevoegd, bedraagt de voorraad per 31 december 2018, dus voorafgaand aan de computercrash, in totaal € 177.968. Er is hier derhalve een verschil te constateren van
€ 162.032. De heer [persoon 1] heeft tijdens het hoorgesprek verklaard dat dit verschil is ontstaan door de herwaardering. Echter, hiermee is de herwaardering (en de verwerking daarvan) niet helemaal verklaard. Tijdens het hoorgesprek heeft de heer [persoon 1] onder verwijzing naar het Excelbestand "inkopen 2020" aangegeven dat het restant van de herwaardering van € 57.352 in 2020 is verwerkt. Uit het desbetreffende Excelbestand kan ik opmaken dat € 57.338 in mindering is gebracht op de inkoopprijs van de voorraad. Op mijn vraag aan de heer [persoon 1] waarom hij in 2020 een deel van de herwaardering wel via de winst- en verliesrekening heeft geboekt en in 2019 niet, heeft hij geen (inhoudelijk) antwoord kunnen geven.
Gelet op het voorgaande kom ik tot de conclusie dat een deel van de herwaardering, dat niet reeds via de winst- en verliesrekening is geboekt, te weten € 162.032, ten onrechte via de kapitaalrekening is geboekt. Dat volgens u tevens een bedrag van circa € 6.500 in mindering is gebracht op de inkoopprijs van de voorraad in 2019 kan ik niet plaatsen aangezien het vermogensverschil slechts € 219.384 bedraagt en het restant reeds in 2020 via de winst- en verliesrekening is geboekt. Nu is vast komen te staan dat er door de herwaardering vanaf 2020 minder winst wordt verantwoord dan in werkelijkheid wordt gerealiseerd, betekent dat ik bij u, gezien uw gerechtigdheid in de winst, een bedrag van € 81.016 (50% van € 162.032) in aanmerking zal nemen voor de verhoging van de winst.
Afschrijving gebouwen en terreinen
Na de door de heer [persoon 1] aangeleverde informatie beoordeeld te hebben ga ik akkoord met de afschrijvingskosten van € 32.600 van het gebouw, inclusief grond aan de [adres] te [plaats] . Dat betekent dat ik bij u, gezien uw gerechtigdheid in de winst, een bedrag van € 16.300 aan afschrijvingskosten in aanmerking zal nemen.
(…)
Voorgenomen beslissing
Ik heb het voornemen uw bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 gedeeltelijk te verminderen. Ik ben voornemens u bezwaar tegen de vergrijpboete gegrond te verklaren.
Berekening (gedeeltelijke vermindering)
Ik ben voornemens om de belastbare winst uit onderneming vast te stellen op € 122.752.
Winst uit onderneming (zie alsnog ingediende aangifte) € 69.000
Correctie verschil tussen het eind- en beginvermogen € 81.016 +
Winst voor ondernemersaftrek € 150.016
Zelfstandigenaftrek € 7.280 -
€ 142.736
MKB-winstvrijstelling, 14% x € 142.736 € 19.984 -
Belastbare winst uit onderneming € 122.752
Nu de belastbare winst uit onderneming eerder is vastgesteld op € 164.852, wordt deze verminderd met een bedrag van € 42.100. Dit heeft gevolgen voor het belastbaar inkomen uit werk en woning.
Belastbaar inkomen uit wonen en werk volgens navorderingsaanslag € 163.287
Correcties
€ 42.100 -
Belastbaar inkomen uit werk en woning na correctie € 121.187
Ik ben voornemens het belastbaar inkomen uit werk en woning nader vast te stellen op
€ 122.784.
(…)”
10. De inspecteur heeft de volgende op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd:
a. Een aangifte IB/PVV 2018 van belanghebbende waarin onder meer het volgende is aangegeven:
Ondernemingsvermogen begin boekjaar: € 441.089
Privé onttrekkingen boekjaar € 34.681 -
Privé stortingen € 0 +
Aandeel fiscale winst € 65.815 +
Ondernemingsvermogen einde boekjaar: € 472.223
Voorraden per 31 december 2018
volgens de fiscale balans van [V.O.F.] € 177.968
Een aangifte IB/PVV 2018 van [persoon 1] waarin hij onder meer het volgende heeft aangegeven:
Ondernemingsvermogen begin boekjaar: € 476.487
Privé onttrekkingen boekjaar € 30.554 -
Privé stortingen € 250.000 +
Aandeel fiscale winst € 65.815 +
Ondernemingsvermogen einde boekjaar: € 761.748
Voorraden per 31 december 2018
volgens de fiscale balans van [V.O.F.] € 177.968
11. Belanghebbende heeft in beroep een document genaamd ‘tellijst’ en een document genaamd ‘inkopen 2019’ overgelegd. Uit beide documenten volgt een waarde van de voorraad per 1 januari 2019 van € 340.562,79 (afgerond op € 340.000).
Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2019, de verzuimboete, de aanslag inkomensafhankelijke premie Zvw 2019, de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste hoogten zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
13. Belanghebbende is van mening dat de oorzaak van het vermogensverschil van
€ 219.384 (het verschil tussen € 691.607 en € 472.223) in het verleden is gelegen. Er is een computercrash geweest en veel gegevens zijn verloren gegaan. Om de aangifte IB/PVV 2019 sluitend te krijgen heeft belanghebbende het verschil in het kapitaal geboekt. Als er al plaats is voor een winstcorrectie, moet die correctie in oude jaren (2018 en eerder) worden doorgevoerd. Primair concludeert belanghebbende tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2019. Subsidiair stelt belanghebbende dat de navorderingsaanslag moet worden verminderd. De voorraad 2019 is € 6.500 te hoog gewaardeerd. Meer subsidiair eist belanghebbende dat de herwaardering in de toekomst ongedaan wordt gemaakt.
14. De inspecteur is primair van mening dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat dit omkering en verzwaring van de bewijslast rechtvaardigt. De door de inspecteur gemaakte schatting is redelijk en belanghebbende heeft niet doen blijken dat, en in hoeverre, de uitspraak op bezwaar van de inspecteur onjuist is. Subsidiair is de inspecteur van mening dat belanghebbende het beginsel van balanscontinuïteit heeft geschonden en de herwaardering van de voorraad niet via de kapitaalrekening had mogen lopen, maar tot de fiscale winst in 2019 moet worden gerekend. De aanslagen IB/PVV en ZVW 2019 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2019, na te zijn verminderd bij uitspraak op bezwaar, houden in beide gevallen (primair en subsidiair) stand.
Omkering en verzwaring van de bewijslast
15. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) schrijft dwingend de omkering en verzwaring van de bewijslast voor, onder meer indien de vereiste aangifte niet is gedaan. Deze bewijsregel brengt mee dat de belastingrechter is gehouden om de bewijslast op grond van die bepaling om te keren en te verzwaren, ongeacht het standpunt van procespartijen daarover, indien de vaststaande feiten daartoe aanleiding geven.
16. Op grond van artikel 49, derde lid, van de Zorgverzekeringswet wordt de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels. Dit betekent dat de hiervoor genoemde bepaling uit de AWR over de omkering en verzwaring van de bewijslast van overeenkomstige toepassing is.
17. Niet in geschil is dat belanghebbende is uitgenodigd en aangemaand tot het doen van de aangifte IB/PVV 2019. Dit betekent dat de vraag naar de vereiste aangifte aan de orde kan komen.
18. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende geen aangifte IB/PVV 2019 heeft gedaan vóór de uiterste inleverdatum als vermeld in de aanmaningsbrief. Belanghebbende heeft pas in bezwaar tegen de ambtshalve vastgestelde aanslag IB/PVV 2019 aangifte gedaan.
19. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat dit hem kan worden aangerekend. Dat belanghebbende in bezwaar alsnog een aangifte heeft ingediend maakt dit niet anders, omdat dit geen aangifte in de zin van de AWR is, en bovendien op dat moment de aanslag IB/PVV 2019 al was vastgesteld. Dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 op naam van belanghebbende op het moment van indiening van die ‘aangifte’ nog niet was vastgesteld doet hier niet aan af.
20. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Dit betekent dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar van de inspecteur onjuist zijn.
Is de door de inspecteur gemaakte schatting redelijk?
21. Zoals hiervoor aangegeven rust de verzwaarde bewijslast op belanghebbende. Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur evenwel niet van zijn verplichting om de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De aanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.
22. Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van de inspecteur redelijk. De inspecteur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de herwaardering van de voorraad naar actuele inkoopprijzen op 1 januari 2021 tot de fiscale winst over 2019 moet worden gerekend. De inspecteur heeft uiteindelijk een deel, € 162.032 (€ 340.000 minus € 177.968), van de ‘vermogenssprong’ van € 219.384 (€ 691.607 minus € 472.223) in 2019 gecorrigeerd. Daarbij heeft de inspecteur acht geslagen op het bestand ‘Inkopen 2019’ van belanghebbende en het daarin vermelde bedrag aan voorraden per 1 januari 2019 ad
€ 340.000. Daarnaast heeft hij rekening gehouden met de winstgerechtigdheid van belanghebbende in de V.o.F.. Zodoende heeft de inspecteur uiteindelijk € 81.016 (50% van € 162.032) bij belanghebbende gecorrigeerd. Anders dan belanghebbende meent volgt hieruit dat de inspecteur in ieder geval in bezwaar wel degelijk ‘welwillend’ is geweest en hij niet enkel heeft volhard in zijn eigen visie, of ‘maximaal gecorrigeerd’ heeft.
Heeft belanghebbende doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar van de inspecteur onjuist is?
23. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende er niet in geslaagd te doen blijken dat de uitspraak op bezwaar van de inspecteur onjuist is. Belanghebbende heeft geen bewijsstukken aangedragen die zijn stelling dat de oorzaak van het vermogensverschil in oude jaren is gelegen, staven. De in beroep overgelegde ‘Tellijst’ en het document ‘Inkopen 2019’ volstaan daartoe niet. Veeleer onderschrijven die dat sprake is van een (al dan niet bewuste) herwaardering van de voorraad in 2019. En zelfs al zou de oorzaak van het verschil in oude jaren zijn gelegen, dan nog sluit dit correctie op grond van de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar (2019) niet uit. Ook heeft belanghebbende niet doen blijken dat de inkopen in 2019 hoger zijn dan in de aangifte, zodat de winst uit onderneming € 6.500 lager dient te zijn.
24. De rechtbank merkt ten slotte op dat belanghebbende met zijn stellingen er telkens aan voorbijgaat dat de totaalwinst van de vennoten belast dient te worden, en dat dit uitsluit dat er van het ene (2018) op het andere jaar (2019) sprake is van een vermogenssprong die buiten de heffing blijft.
Belastingrente
25. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat de bedragen van de belastingrente de bedragen van de aanslagen volgen.
Verzuimboete
26. Tegelijk met het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd. De rechtbank acht de verzuimboete passend en geboden met het oog op de inscherping van de fiscale verplichtingen van belanghebbende.
27. De boetebeschikking heeft dagtekening 21 juli 2021. De redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het geschil in eerste aanleg is dus overschreden. Tot een vermindering van de boete leidt dit niet, omdat de boete minder dan € 1.000 bedraagt.
Conclusie en gevolgen
28. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2019, de aanslag inkomensafhankelijke premie Zvw 2019 en de verzuimboete stand houden. Dit geldt ook voor de navorderingsaanslag IB/PVV 2019, zoals die luidt na te zijn verminderd bij uitspraak op bezwaar, en voor de belastingrentebeschikkingen (zoals die luiden na te zijn verminderd bij uitspraak op bezwaar). Ook die houden stand. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 11 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Vergelijk Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1150.
Vergelijk gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9499, r.o. 4.2.
Vergelijk Hoge Raad 28 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2688, en Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675.
Vergelijk Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1333.
Vergelijk Hoge Raad 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8552 en Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486.
Vergelijk Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401, r.o. 3.7.
Vergelijk Hoge Raad 4 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3051, r.o. 3.2.7.
Vergelijk gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/4675 en 25/3227
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 september 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 31 mei 2023 en 20 juni 2025.
Zaaknummer ARN 23/4675
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 767 belastingrente in rekening gebracht en belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd.
Daarnaast heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanslag inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet (Zvw) 2019 opgelegd naar het maximale bijdrage-inkomen van € 55.927. Daarbij heeft de inspecteur € 44 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen, de belastingrentebeschikkingen en de verzuimboete ongegrond verklaard.
Zaaknummer ARN 25/3227
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 163.287 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.119.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 7.280 belastingrente in rekening gebracht en belanghebbende een vergrijpboete van € 12.685 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 121.187 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van
€ 1.119. De inspecteur heeft de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de vergrijpboete heeft hij vernietigd.
Beide zaken
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting.
Feiten
1. Belanghebbende drijft samen met [persoon 1] een onderneming onder de naam ‘ [V.O.F.] ’. De activiteiten bestaan uit de handel in auto-onderdelen en accessoires van auto’s uit de Verenigde Staten.
2. De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV 2019. De aanmaning is verzonden aan belanghebbende bij brief van 25 november 2020 en vermeldt als uiterste inleverdatum van de aangifte
9 december 2020.
3. Met dagtekening 21 juli 2021 heeft de inspecteur een ambtshalve aanslag IB/PVV 2019 op naam van belanghebbende vastgesteld, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000 en een aanslag inkomensafhankelijke premie Zvw naar een bijdrage-inkomen van € 55.927. Tevens heeft de inspecteur aan belanghebbende een aangifteverzuimboete van € 385 opgelegd. Bij brief ontvangen door de inspecteur op 31 augustus 2021 heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt.
4. Op 6 december 2021 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2019 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.550 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.119. Belanghebbende heeft in die aangifte onder meer het volgende aangegeven:
Ondernemingsvermogen begin boekjaar: € 691.607
Privé onttrekkingen boekjaar € 33.765 -
Privé stortingen € 0 +
Aandeel fiscale winst € 68.855 +
Ondernemingsvermogen einde boekjaar: € 726.697
Voorraden per 31december 2019
volgens de fiscale balans van [V.O.F.] € 405.307
5. Bij brief van 31 mei 2023 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard en aangekondigd dat hij voornemens is een navorderingsaanslag IB/PVV 2019 aan belanghebbende op te leggen. In die brief heeft de inspecteur, voor zover relevant voor de beoordeling van het voorliggende geschil, het volgende vermeld:
“(…)
Achtergrond van het bezwaar
Op 28 februari 2022 heb ik aan u een verzoek om informatie gestuurd. Op 8 maart 2022 gaf uw mede-firmant, de heer [persoon 1] , BSN [nummer] tijdens ons telefoongesprek aan dat hij u vertegenwoordigt bij de behandeling van zijn bezwaarschriften. Verder gaf de heer [persoon 1] u aan dat u de brief van 28 februari 2022 niet hebt ontvangen. Op 10 maart 2022 heb ik dit verzoek om informatie nogmaals gestuurd. Op 4 april 2022 ontving ik van de heer [persoon 1] een e-mailbericht met daarin zijn reactie op het verzoek om informatie. De heer [persoon 1] geeft onder andere aan dat er sprake is geweest van een computercrash. Daardoor zijn veel gegevens verloren gegaan. Hij heeft de administratie van 2019 en 2020 summier opgezet. Het door mij opgemerkte verschil in het ondernemingsvermogen einde boekjaar (2018) en ondernemersvermogen begin boekjaar (2019) in de aangifte van de heer [belanghebbende] komt volgens de heer [persoon 1] , doordat de waarde van de voorraad is vastgesteld met de laatst bekende prijzen. Als gevolg van forse prijsverhogingen wijken de prijzen van de voorraad nogal af van de historische kostprijzen. Het verschil van de voorraadpositie is echter alleen bij u gecorrigeerd.
(…)
Correctie van het verschil tussen het eind- en beginvermogen
Uit de jaarstukken over de jaren 2018 en 2019 blijkt het volgende:
Voorraadpositie:
31-12-2018 € 177.968
31-12-2019 € 405.307
Voorraadtoename € 227.339
(…)
In de periode tussen de inkoop van deze (oude) voorraad en bij het bepalen van de voorraadwaarde per 31 december 2019 op basis van de actuele inkoopprijzen, hebben er volgens de heer [persoon 1] grote prijsstijgingen plaatsgevonden.
De voorraadtoename in 2019 van € 227.339 is met name het gevolg van de herwaardering van de voorraad, veroorzaakt door de prijsstijgingen. Met andere woorden: de "goedkoop" ingekochte voorraad is "meer waard" geworden door de prijsstijgingen. Om dit "op te lossen" heeft u naar mijn mening de volgende journaalpost toegepast:
Voorraadtoename € 227.339
aan Kapitaal [belanghebbende] € 227.339
Dit is niet juist. De voorraad moet (fiscaal gezien) worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs. Deze mag niet ineens worden gewaardeerd tegen de actuele waarde en het verschil wegboeken via de kapitaalrekening.
Door dit op deze wijze te doen wordt er vanaf 2020 en 2021 minder winst verantwoord dan in werkelijkheid wordt gerealiseerd. De berekende brutomarges in de boekhouding kloppen dan immers niet. Er wordt gerekend met een hogere inkoopprijs (actuele prijzen) in plaats van de historische inkoopprijs.
Om voorgaande onjuistheid te corrigeren moet in principe de gehele administratie vanaf 2018 opnieuw worden verwerkt in een boekhoudsoftwarepakket, met daarbij een juiste voorraadwaardering. Dit stadium zijn wij echter al gepasseerd. Daarom zie ik voor nu maar een mogelijkheid. Door eenmalig de winst van 2019 te verhogen met € 227.339 wordt deze onjuistheid in een keer gecorrigeerd waardoor ook de te laag verantwoorde brutomarges vanaf 2020 worden "gecompenseerd".
De hierbij behorende journaalpost ziet er als volgt uit:
Voorraadtoename € 227.339
aan Inkoopwaarde v/d omzet (w&v) € 227.399
Hierdoor neemt de winst over het jaar 2019 toe met € 227.339. Omdat u voor 50% gerechtigd bent tot de winst, bedraagt de correctie in verband met de voorraadtoename
€ 227.339 x 50% = € 113.669.
Correctie vrijval van de OB-schuld
In mijn brief van 18 februari 2022 gericht aan de heer [belanghebbende] heb ik het volgende meegedeeld.
Uit gegevens die mij ter beschikking staan, blijkt uit de jaarstukken 2014 een balansschuld omzetbelasting van € 27.384, Ik heb geconstateerd dat voor het jaar 2014 geen suppletieaangifte omzetbelasting is ingediend; daarmee is de verschuldigde omzetbelasting niet afgedragen. Nu de naheffingstermijn omzetbelasting is verstreken, dient deze omzetbelastingschuld verplicht vrij te vallen in de winst uit onderneming voor het jaar 2019. Ik zal dit daarom corrigeren.
Tijdens het gesprek op 10 november 2022 heeft de heer [persoon 1] mij een specificatie van de overige buitengewone baten overgelegd. Deze specificatie bestaat uit € 27.384 (omzetbelasting 2014) en € 2.994 (omzetbelasting 2015). In totaal € 30.378. In de alsnog ingediende jaarstukken 2019 staat als overige buitengewone baten een bedrag van € 31.208 aangegeven. De gegevens van deze specificatie komen niet overeen met het door u aangegeven bedrag in de jaarstukken. Ik kan dan ook niet beoordelen of het door u aangegeven bedrag in de jaarstukken ziet op de vrijval van de OB- schuld van € 27.384. Ik heb daarom besloten om op dit punt de alsnog ingediende aangifte niet te volgen. Omdat u voor 50% gerechtigd bent tot de winst, bedraagt de correctie in verband met de vrijval van de OB-schuld € 27.384 x 50% = € 13.692.
Correctie afschrijvingskosten gebouwen en terreinen
De heer [persoon 2] heeft in zijn e-mail bericht van 22 december 2022 informatie over de afschrijvingskosten opgevraagd. Op 2 februari 2023 heeft hij de heer [persoon 1] per e-mail bericht een rappel voor het sturen van de informatie gestuurd. Tot op heden hebben de heer [persoon 2] en ik geen reactie van u en de heer [persoon 1] ontvangen. Om deze reden heb ik besloten om bij het vaststellen van uw (fiscale) winst uit onderneming geen rekening te houden met de aftrek van afschrijvingskosten. Omdat u voor 50% gerechtigd bent tot de winst, bedraagt de correctie in verband met de afschrijvingskosten € 32.600 x 50% =
€ 16.300.
Correctie kosten schulden andere rentelasten en soortgelijke kosten
De heer [persoon 2] heeft in zijn e-mail bericht van 22 december 2022 informatie over de rentekosten opgevraagd. Op 2 februari 2023 heeft hij de heer [persoon 1] per e-mail bericht een rappel voor het sturen van de informatie gestuurd. Tot op heden hebben de heer [persoon 2] en ik geen reactie van u en de heer [persoon 1] ontvangen. Om deze reden heb ik besloten om bij het vaststellen van uw (fiscale) winst uit onderneming geen rekening te houden met de aftrek van rentekosten. Omdat u voor 50% gerechtigd bent tot de winst, bedraagt de correctie in verband met de rentekosten € 17.045 x 50% = € 8.522.
(…)”
6. Bij brief van 12 oktober 2023 heeft de inspecteur een kennisgeving navordering met vergrijpboete aan belanghebbende gezonden. In die brief is het volgende vermeld:
“Geachte heer [belanghebbende] ,
Op 21 juli 2021 is aan u een ambtshalve aanslag inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2019 opgelegd. Op 6 december 2021 hebt u alsnog de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2019 ingediend. Hiermee heeft u mij verzocht om de aanslag aan te passen conform de gegevens van deze alsnog ingediende aangifte.
Tijdens de beoordeling van uw bezwaar tegen de ambtshalve aanslag heb ik zowel schriftelijk als mondeling nieuwe informatie ontvangen. Uit deze informatie blijkt dat de opgelegde aanslag van 21 juli 2021 te laag is. Ik heb besloten om een navorderingsaanslag op te leggen. De reden hiervoor leest u hierna.
Op 31 mei 2023 heb ik u mijn uitspraak op het bezwaar gestuurd. Hierin heb ik aangegeven dat ik van plan ben om een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2019 op te leggen. In mijn brief van 31 mei 2023 heb ik aangegeven dat ik de gegevens van de door u alsnog ingediende aangifte ga volgen waarbij ik wel rekening houd met de volgende correcties:
Correctie verschil tussen het eind- en beginvermogen € 113.669
Correctie vrijval van de OB-schuld € 13.692
Correctie afschrijvingskosten gebouwen en terreinen € 16.300
Correctie kosten schulden andere rentelasten en soortgelijke kosten € 8.522
(…)
Correctie vrijval van de OB-schuld
Ondanks dat u de gevraagde stukken niet hebt gestuurd, ben ik van plan om de correctie van € 27.384 te laten vervallen. Dit vanwege het feit dat wel aannemelijk is gemaakt dat de omzetbelastingschuld is vrijgevallen. Omdat u voor 50% gerechtigd bent tot de winst, bedroeg de correctie in verband met de vrijval van de OB-schuld € 27.384 x 50% =
€ 13.692. Ik ben van plan om de correctie van € 13.692 te laten vervallen.
Correctie kosten schulden andere rentelasten en soortgelijke kosten
De heer [persoon 1] heeft alsnog het bewijsstuk van de lening van € 515.000 bij de Rabobank gestuurd. De betaalde hypotheekrente van € 13.575 is aan te merken als kosten. Ondanks dat er geen bewijsstukken van de overige kosten zijn gestuurd, ben ik toch van plan om het gehele bedrag van € 17.045 te accepteren als kosten. Ik ben van plan om de correctie van
€ 17.045 te laten vervallen. Omdat u voor 50% gerechtigd bent tot de winst, bedroeg de correctie in verband met de rentekosten € 17.045 x 50% = € 8.522. Ik ben van plan om de correctie van € 8.522 te laten vervallen.
(…)
Door de bovenstaande correcties bedraagt de belastbare winst uit onderneming € 164.852. Dit bedrag is als volgt berekend:
Winst als ondernemer (zie alsnog ingediende aangifte) € 69.000
Correctie verschil tussen het eind- en beginvermogen € 113.669
Correctie afschrijvingskosten gebouwen en terreinen € 16.300 +
Winst voor ondernemersaftrek € 198.969
Zelfstandigenaftrek € 7.280 -
€ 191.689
MKB-winstvrijstelling, 14% x € 191.689 € 26.837 -
Belastbare winst € 164.852
Inkomsten uit eigen woning
In de alsnog ingediende aangifte (van 6 december 2021) geeft u een bedrag van
€ 4.529 aan als aftrekbare rente voor de eigen woning. U houdt echter geen rekening met het eigenwoningforfait van € 2.964 (€ 456.000 x 0,65%). Uw aandeel in de inkomsten uit eigen woning bedraagt hierdoor € -1.565 in plaats van het door u aangegeven bedrag van € -4.529. Door het bovenstaande bedraagt het belastbaar inkomen uit werk en woning € 163.287 (€ 164.852 - € 1.565). Bij het vaststellen van de ambtshalve aanslag is rekening gehouden met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000. De definitieve aanslag is te laag vastgesteld. Daarom ben ik van plan om een navorderingsaanslag op te leggen zoals hieronder staat vermeld.
Belastbaar inkomen uit werk en woning volgens de aanslag € 75.000
Correctie € 88.287
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 163.287
(…)”
7. Bij brief van 18 januari 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een mededeling navordering en vergrijpboete gezonden.
8. Met dagtekening 10 februari 2024 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV 2019 op naam van belanghebbende vastgesteld berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 163.287 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.119. Tevens heeft de inspecteur belastingrente van € 7.280 aan belanghebbende in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 12.685 aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende heeft bij brief ontvangen door de inspecteur op 11 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag, de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking.
9. In zijn voornemen uitspraak op bezwaar van 1 mei 2025 heeft de inspecteur het volgende vermeld:
“Samenvatting van uw bezwaar
Voorraadtoename
De inspecteur heeft geconstateerd dat er in uw aangiften IB/PVV een verschil is opgetreden tussen het eindvermogen 2018 en beginvermogen 2019. De inspecteur is naar aanleiding van het gesprek op 10 november 2022 tot de conclusie gekomen dat de voorraadtoename het gevolg is van een herwaardering van de voorraad op 31 december 2019 tegen actuele inkoopprijzen op 1 januari 2021. Deze voorraadtoename heeft de inspecteur in de fiscale winst betrokken over het jaar 2019. U neemt in uw bezwaarschrift het standpunt in dat de voorraadtoename niet in de winst over het jaar 2019 kan worden betrokken, omdat bij het vaststellen van de winst over het jaar 2019 al rekening is gehouden met de (hogere) eindvoorraad. De voorraadtoename moest volgens u bij het beginvermogen worden geteld zodat de aangifte ingediend kon worden en de (fiscale) winst bleef kloppen.
(…)
Afschrijving gebouwen en terreinen
U bent het niet eens met de correctie inzake de afschrijving van € 32.600. U geeft aan dat er feitelijk een gebouw staat en dat de afschrijving al jaren is gevolgd door de inspecteur. In uw bezwaarschrift geeft u aan dat u de specificatie van de afschrijvingskosten van het gebouw, inclusief grond aan de [adres] te [plaats] voorhanden hebt en dat u bereid bent om deze te delen. In de e-mails van 12 september 2024 en 25 november 2024 heeft de heer [persoon 1] de specificatie gedeeld. Ook heeft hij desgevraagd de facturen van het gebouw gedeeld en op 26 november 2024 heeft hij per e-mail de WOZ-beschikking 2019 aan mij doen toekomen.
(…)
Beoordeling van het bezwaar
Voorraadtoename
Het voornoemde verschil tussen het eindvermogen 2018 (ad. € 472.223) en beginvermogen 2019 (ad. € 691.607) in [V.O.F.] bedraagt € 219.384. Niet ter discussie staat dat het verschil is ontstaan doordat de inkoopprijzen van de in 2019 aanwezige voorraad zijn gewijzigd naar de inkoopprijzen per 1 januari 2021. Wel neemt u het standpunt in dat er geen sprake is van een herwaardering, maar van een "telling" van de voorraad. Dit standpunt kan ik niet volgen, omdat de aanwezige voorraad (na uw herstelwerkzaamheden) voor een andere (c.q. hogere) waarde dan de (lagere) historische inkoopprijzen in de administratie is opgenomen. Er is dus wel degelijk sprake van een herwaardering. Overigens, in de e-mail van 21 november 2024 en tijdens het hoorgesprek heeft de heer [persoon 1] verklaard dat de op 1 januari 2019 aanwezige voorraad is geherwaardeerd, terwijl uit het dossier inzake de navordering blijkt dat dit 31 december 2019 moet zijn.
Voor de juiste waardering gelden [in, toevoeging rechtbank] ieder geval de (fiscale) regels van goed koopmansgebruik. Voorraad wordt in de regel gewaardeerd tegen de historische kostprijs. U hebt daarentegen de voorraad geherwaardeerd tegen de hogere inkoopprijzen op 1 januari 2021, terwijl u alle bescheiden tot uw beschikking had om de voorraad te waarderen tegen de historische kostprijs.
Boekhoudkundig gezien dient de herwaardering niet via de kapitaalrekening geboekt te worden, maar via de winst- en verliesrekening, hetgeen u in de eerste instantie niet leek te hebben gedaan. Dit werd destijds (bij de navordering) ook verklaard door het verschil tussen het eindvermogen (2018) en beginvermogen (2019) van € 219.384. Tijdens het hoorgesprek heb ik aangegeven dat er door de herwaardering vanaf 2020 minder winst wordt verantwoord dan in werkelijkheid wordt gerealiseerd, omdat de brutomarges niet kloppen. Immers, er wordt gerekend met hogere inkooprijzen in plaats van de lagere historische inkoopprijzen. U hebt tijdens het hoorgesprek (uiteindelijk) aangegeven deze gevolgen te begrijpen. Wel ben ik van mening dat er voor de navordering ten onrechte is uitgegaan van de voorraadtoename in 2019 van € 227.399 in plaats van het verschil tussen eindvermogen (2018) en beginvermogen (2019) van € 219.384. Immers, de voorraadtoename in 2019 hoeft niet direct het gevolg te zijn van de voornoemde herwaardering. Om te achterhalen hoe de herwaardering precies in de administratie is geboekt, is het van belang om de voorraadpositie per 31 december 2019 te bepalen.
(…)
In het bestand "inkopen 2019" staat dat de stand van de voorraad per 1 januari 2019 in totaal € 340.000 bedraagt. Volgens de balans van [V.O.F.] die bij uw aangifte IB/PVV 2018 is gevoegd, bedraagt de voorraad per 31 december 2018, dus voorafgaand aan de computercrash, in totaal € 177.968. Er is hier derhalve een verschil te constateren van
€ 162.032. De heer [persoon 1] heeft tijdens het hoorgesprek verklaard dat dit verschil is ontstaan door de herwaardering. Echter, hiermee is de herwaardering (en de verwerking daarvan) niet helemaal verklaard. Tijdens het hoorgesprek heeft de heer [persoon 1] onder verwijzing naar het Excelbestand "inkopen 2020" aangegeven dat het restant van de herwaardering van € 57.352 in 2020 is verwerkt. Uit het desbetreffende Excelbestand kan ik opmaken dat € 57.338 in mindering is gebracht op de inkoopprijs van de voorraad. Op mijn vraag aan de heer [persoon 1] waarom hij in 2020 een deel van de herwaardering wel via de winst- en verliesrekening heeft geboekt en in 2019 niet, heeft hij geen (inhoudelijk) antwoord kunnen geven.
Gelet op het voorgaande kom ik tot de conclusie dat een deel van de herwaardering, dat niet reeds via de winst- en verliesrekening is geboekt, te weten € 162.032, ten onrechte via de kapitaalrekening is geboekt. Dat volgens u tevens een bedrag van circa € 6.500 in mindering is gebracht op de inkoopprijs van de voorraad in 2019 kan ik niet plaatsen aangezien het vermogensverschil slechts € 219.384 bedraagt en het restant reeds in 2020 via de winst- en verliesrekening is geboekt. Nu is vast komen te staan dat er door de herwaardering vanaf 2020 minder winst wordt verantwoord dan in werkelijkheid wordt gerealiseerd, betekent dat ik bij u, gezien uw gerechtigdheid in de winst, een bedrag van € 81.016 (50% van € 162.032) in aanmerking zal nemen voor de verhoging van de winst.
Afschrijving gebouwen en terreinen
Na de door de heer [persoon 1] aangeleverde informatie beoordeeld te hebben ga ik akkoord met de afschrijvingskosten van € 32.600 van het gebouw, inclusief grond aan de [adres] te [plaats] . Dat betekent dat ik bij u, gezien uw gerechtigdheid in de winst, een bedrag van € 16.300 aan afschrijvingskosten in aanmerking zal nemen.
(…)
Voorgenomen beslissing
Ik heb het voornemen uw bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 gedeeltelijk te verminderen. Ik ben voornemens u bezwaar tegen de vergrijpboete gegrond te verklaren.
Berekening (gedeeltelijke vermindering)
Ik ben voornemens om de belastbare winst uit onderneming vast te stellen op € 122.752.
Winst uit onderneming (zie alsnog ingediende aangifte) € 69.000
Correctie verschil tussen het eind- en beginvermogen € 81.016 +
Winst voor ondernemersaftrek € 150.016
Zelfstandigenaftrek € 7.280 -
€ 142.736
MKB-winstvrijstelling, 14% x € 142.736 € 19.984 -
Belastbare winst uit onderneming € 122.752
Nu de belastbare winst uit onderneming eerder is vastgesteld op € 164.852, wordt deze verminderd met een bedrag van € 42.100. Dit heeft gevolgen voor het belastbaar inkomen uit werk en woning.
Belastbaar inkomen uit wonen en werk volgens navorderingsaanslag € 163.287
Correcties
€ 42.100 -
Belastbaar inkomen uit werk en woning na correctie € 121.187
Ik ben voornemens het belastbaar inkomen uit werk en woning nader vast te stellen op
€ 122.784.
(…)”
10. De inspecteur heeft de volgende op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd:
a. Een aangifte IB/PVV 2018 van belanghebbende waarin onder meer het volgende is aangegeven:
Ondernemingsvermogen begin boekjaar: € 441.089
Privé onttrekkingen boekjaar € 34.681 -
Privé stortingen € 0 +
Aandeel fiscale winst € 65.815 +
Ondernemingsvermogen einde boekjaar: € 472.223
Voorraden per 31 december 2018
volgens de fiscale balans van [V.O.F.] € 177.968
Een aangifte IB/PVV 2018 van [persoon 1] waarin hij onder meer het volgende heeft aangegeven:
Ondernemingsvermogen begin boekjaar: € 476.487
Privé onttrekkingen boekjaar € 30.554 -
Privé stortingen € 250.000 +
Aandeel fiscale winst € 65.815 +
Ondernemingsvermogen einde boekjaar: € 761.748
Voorraden per 31 december 2018
volgens de fiscale balans van [V.O.F.] € 177.968
11. Belanghebbende heeft in beroep een document genaamd ‘tellijst’ en een document genaamd ‘inkopen 2019’ overgelegd. Uit beide documenten volgt een waarde van de voorraad per 1 januari 2019 van € 340.562,79 (afgerond op € 340.000).
Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2019, de verzuimboete, de aanslag inkomensafhankelijke premie Zvw 2019, de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste hoogten zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
13. Belanghebbende is van mening dat de oorzaak van het vermogensverschil van
€ 219.384 (het verschil tussen € 691.607 en € 472.223) in het verleden is gelegen. Er is een computercrash geweest en veel gegevens zijn verloren gegaan. Om de aangifte IB/PVV 2019 sluitend te krijgen heeft belanghebbende het verschil in het kapitaal geboekt. Als er al plaats is voor een winstcorrectie, moet die correctie in oude jaren (2018 en eerder) worden doorgevoerd. Primair concludeert belanghebbende tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2019. Subsidiair stelt belanghebbende dat de navorderingsaanslag moet worden verminderd. De voorraad 2019 is € 6.500 te hoog gewaardeerd. Meer subsidiair eist belanghebbende dat de herwaardering in de toekomst ongedaan wordt gemaakt.
14. De inspecteur is primair van mening dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat dit omkering en verzwaring van de bewijslast rechtvaardigt. De door de inspecteur gemaakte schatting is redelijk en belanghebbende heeft niet doen blijken dat, en in hoeverre, de uitspraak op bezwaar van de inspecteur onjuist is. Subsidiair is de inspecteur van mening dat belanghebbende het beginsel van balanscontinuïteit heeft geschonden en de herwaardering van de voorraad niet via de kapitaalrekening had mogen lopen, maar tot de fiscale winst in 2019 moet worden gerekend. De aanslagen IB/PVV en ZVW 2019 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2019, na te zijn verminderd bij uitspraak op bezwaar, houden in beide gevallen (primair en subsidiair) stand.
Omkering en verzwaring van de bewijslast
15. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) schrijft dwingend de omkering en verzwaring van de bewijslast voor, onder meer indien de vereiste aangifte niet is gedaan. Deze bewijsregel brengt mee dat de belastingrechter is gehouden om de bewijslast op grond van die bepaling om te keren en te verzwaren, ongeacht het standpunt van procespartijen daarover, indien de vaststaande feiten daartoe aanleiding geven.
16. Op grond van artikel 49, derde lid, van de Zorgverzekeringswet wordt de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels. Dit betekent dat de hiervoor genoemde bepaling uit de AWR over de omkering en verzwaring van de bewijslast van overeenkomstige toepassing is.
17. Niet in geschil is dat belanghebbende is uitgenodigd en aangemaand tot het doen van de aangifte IB/PVV 2019. Dit betekent dat de vraag naar de vereiste aangifte aan de orde kan komen.
18. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende geen aangifte IB/PVV 2019 heeft gedaan vóór de uiterste inleverdatum als vermeld in de aanmaningsbrief. Belanghebbende heeft pas in bezwaar tegen de ambtshalve vastgestelde aanslag IB/PVV 2019 aangifte gedaan.
19. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat dit hem kan worden aangerekend. Dat belanghebbende in bezwaar alsnog een aangifte heeft ingediend maakt dit niet anders, omdat dit geen aangifte in de zin van de AWR is, en bovendien op dat moment de aanslag IB/PVV 2019 al was vastgesteld. Dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 op naam van belanghebbende op het moment van indiening van die ‘aangifte’ nog niet was vastgesteld doet hier niet aan af.
20. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Dit betekent dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar van de inspecteur onjuist zijn.
Is de door de inspecteur gemaakte schatting redelijk?
21. Zoals hiervoor aangegeven rust de verzwaarde bewijslast op belanghebbende. Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur evenwel niet van zijn verplichting om de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De aanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.
22. Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van de inspecteur redelijk. De inspecteur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de herwaardering van de voorraad naar actuele inkoopprijzen op 1 januari 2021 tot de fiscale winst over 2019 moet worden gerekend. De inspecteur heeft uiteindelijk een deel, € 162.032 (€ 340.000 minus € 177.968), van de ‘vermogenssprong’ van € 219.384 (€ 691.607 minus € 472.223) in 2019 gecorrigeerd. Daarbij heeft de inspecteur acht geslagen op het bestand ‘Inkopen 2019’ van belanghebbende en het daarin vermelde bedrag aan voorraden per 1 januari 2019 ad
€ 340.000. Daarnaast heeft hij rekening gehouden met de winstgerechtigdheid van belanghebbende in de V.o.F.. Zodoende heeft de inspecteur uiteindelijk € 81.016 (50% van € 162.032) bij belanghebbende gecorrigeerd. Anders dan belanghebbende meent volgt hieruit dat de inspecteur in ieder geval in bezwaar wel degelijk ‘welwillend’ is geweest en hij niet enkel heeft volhard in zijn eigen visie, of ‘maximaal gecorrigeerd’ heeft.
Heeft belanghebbende doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar van de inspecteur onjuist is?
23. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende er niet in geslaagd te doen blijken dat de uitspraak op bezwaar van de inspecteur onjuist is. Belanghebbende heeft geen bewijsstukken aangedragen die zijn stelling dat de oorzaak van het vermogensverschil in oude jaren is gelegen, staven. De in beroep overgelegde ‘Tellijst’ en het document ‘Inkopen 2019’ volstaan daartoe niet. Veeleer onderschrijven die dat sprake is van een (al dan niet bewuste) herwaardering van de voorraad in 2019. En zelfs al zou de oorzaak van het verschil in oude jaren zijn gelegen, dan nog sluit dit correctie op grond van de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar (2019) niet uit. Ook heeft belanghebbende niet doen blijken dat de inkopen in 2019 hoger zijn dan in de aangifte, zodat de winst uit onderneming € 6.500 lager dient te zijn.
24. De rechtbank merkt ten slotte op dat belanghebbende met zijn stellingen er telkens aan voorbijgaat dat de totaalwinst van de vennoten belast dient te worden, en dat dit uitsluit dat er van het ene (2018) op het andere jaar (2019) sprake is van een vermogenssprong die buiten de heffing blijft.
Belastingrente
25. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat de bedragen van de belastingrente de bedragen van de aanslagen volgen.
Verzuimboete
26. Tegelijk met het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd. De rechtbank acht de verzuimboete passend en geboden met het oog op de inscherping van de fiscale verplichtingen van belanghebbende.
27. De boetebeschikking heeft dagtekening 21 juli 2021. De redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het geschil in eerste aanleg is dus overschreden. Tot een vermindering van de boete leidt dit niet, omdat de boete minder dan € 1.000 bedraagt.
Conclusie en gevolgen
28. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2019, de aanslag inkomensafhankelijke premie Zvw 2019 en de verzuimboete stand houden. Dit geldt ook voor de navorderingsaanslag IB/PVV 2019, zoals die luidt na te zijn verminderd bij uitspraak op bezwaar, en voor de belastingrentebeschikkingen (zoals die luiden na te zijn verminderd bij uitspraak op bezwaar). Ook die houden stand. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 11 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Vergelijk Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1150.
Vergelijk gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9499, r.o. 4.2.
Vergelijk Hoge Raad 28 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2688, en Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675.
Vergelijk Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1333.
Vergelijk Hoge Raad 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8552 en Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486.
Vergelijk Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401, r.o. 3.7.
Vergelijk Hoge Raad 4 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3051, r.o. 3.2.7.
Vergelijk gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.