Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:675
2017-04-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
16/05276
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2017:675 → ECLI:NL:GHSHE:2016:4370 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Inhoudsindicatie
Aanmaning tot het doen van aangifte vereist voor omkering en verzwaring van de bewijslast.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (140)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6917 Rechtbank Gelderland 11-09-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8198 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-08-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6589 Rechtbank Gelderland 21-08-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1166 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3452 Rechtbank Gelderland 01-05-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1221 Gerechtshof Amsterdam 14-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:1547 Rechtbank Gelderland 27-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:227 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:76 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:68 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:67 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3764 Gerechtshof Amsterdam 23-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7238 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2118 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2130 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2116 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2117 Gerechtshof Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6472 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6474 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6475 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6473 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6059 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6060 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:697 Parket bij de Hoge Raad 20-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:697 Parket bij de Hoge Raad 20-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:697 Parket bij de Hoge Raad 20-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3831 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3831 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-06-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:4749 Rechtbank Gelderland 19-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3681 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2069 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1824 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6307 Rechtbank Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:524 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:131 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:7802 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-12-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:8580 Rechtbank Gelderland 04-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7666 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7667 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3400 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3163 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5371 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-08-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2222 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2225 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2224 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4237 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-06-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6564 Rechtbank Gelderland 04-06-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3484 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3485 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-05-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1712 Gerechtshof Amsterdam 14-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2592 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2453 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2164 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3959 Rechtbank Noord-Holland 21-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:701 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1183 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-02-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:569 Rechtbank Gelderland 06-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:574 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:435 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:434 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-01-2024
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.395 tekens)
14 april 2017
nr. 16/05276
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 september 2016, nr. 15/00914, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 14/5748) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de daarbij gegeven boetebeschikking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2011 geen aangifte gedaan voor de IB/PVV.
2.1.2.
De Inspecteur heeft de onderhavige aanslag opgelegd naar een ambtshalve vastgesteld bedrag.
2.1.3.
Zowel de Rechtbank als het Hof hebben aannemelijk geacht dat belanghebbende een door de Inspecteur verzonden aanmaning tot het doen van de aangifte IB/PVV 2011 niet heeft ontvangen.
2.1.4.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is voor omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende niet kan worden verweten dat hij niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn aangifte heeft gedaan.
2.1.5.
Voor het Hof was onder meer in geschil of het niet ontvangen van de aanmaning door belanghebbende in de weg staat aan omkering en verzwaring van de bewijslast. Het Hof heeft daarover geoordeeld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e, lid 1, AWR. De Rechtbank heeft in dat verband ten onrechte geoordeeld dat een inspecteur bij betwisting aannemelijk dient te maken dat de betrokkene niet alleen is uitgenodigd tot het doen van aangifte, maar tevens dat hij daartoe op de voet van artikel 9, lid 3, AWR is aangemaand, aldus het Hof.
Het vijfde middel richt zich tegen dit oordeel.
2.2.
Het middel slaagt. Het niet doen van de vereiste aangifte leidt op grond van artikel 27e, lid 1, AWR tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, lid 3, van de AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn. Het Hof heeft dit miskend.
2.3. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige middelen behoeven geen behandeling.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht, de proceskosten en de boetebeschikking,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2017.
nr. 16/05276
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 september 2016, nr. 15/00914, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 14/5748) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de daarbij gegeven boetebeschikking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2011 geen aangifte gedaan voor de IB/PVV.
2.1.2.
De Inspecteur heeft de onderhavige aanslag opgelegd naar een ambtshalve vastgesteld bedrag.
2.1.3.
Zowel de Rechtbank als het Hof hebben aannemelijk geacht dat belanghebbende een door de Inspecteur verzonden aanmaning tot het doen van de aangifte IB/PVV 2011 niet heeft ontvangen.
2.1.4.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is voor omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende niet kan worden verweten dat hij niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn aangifte heeft gedaan.
2.1.5.
Voor het Hof was onder meer in geschil of het niet ontvangen van de aanmaning door belanghebbende in de weg staat aan omkering en verzwaring van de bewijslast. Het Hof heeft daarover geoordeeld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e, lid 1, AWR. De Rechtbank heeft in dat verband ten onrechte geoordeeld dat een inspecteur bij betwisting aannemelijk dient te maken dat de betrokkene niet alleen is uitgenodigd tot het doen van aangifte, maar tevens dat hij daartoe op de voet van artikel 9, lid 3, AWR is aangemaand, aldus het Hof.
Het vijfde middel richt zich tegen dit oordeel.
2.2.
Het middel slaagt. Het niet doen van de vereiste aangifte leidt op grond van artikel 27e, lid 1, AWR tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, lid 3, van de AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn. Het Hof heeft dit miskend.
2.3. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige middelen behoeven geen behandeling.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht, de proceskosten en de boetebeschikking,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2017.