Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8198
2026-08-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 24/4245 t/m 24/4249
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank laat de correcties van het resultaat uit overige werkzaamheid in stand, die zijn gemaakt vanwege de inkomsten die belanghebbende heeft genoten en zijn betrokkenheid bij het samenwerkingsverband. De rechtbank beoordeelt tevens de opgelegde boetes.
Citeert (11)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5459 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-08-2025
- ECLI:NL:HR:2017:675 Hoge Raad 14-04-2017
- ECLI:NL:HR:2025:1500 Hoge Raad 10-10-2025
- ECLI:NL:HR:2022:875 Hoge Raad 17-06-2022
- ECLI:NL:HR:2023:41 Hoge Raad 20-01-2023
- ECLI:NL:HR:2025:1500 Hoge Raad 10-10-2025
- ECLI:NL:HR:2022:526 Hoge Raad 08-04-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2297 Gerechtshof Amsterdam 17-07-2024
- ECLI:NL:HR:2025:1500 Hoge Raad 10-10-2025
- ECLI:NL:HR:2023:1337 Hoge Raad 29-09-2023
- ECLI:NL:HR:2024:216 Hoge Raad 09-02-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (57.714 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/4245 tot en met 24/4249
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 augustus 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. R. Zilver),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 15 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2017 tot en met 2019 de volgende (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, en gelijktijdig vergrijpboeten opgelegd en belastingrente in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:
Zaaknr.
Jaar
Soort
Dagtekening
Aanslagnummer
Belasting
Boete
Rente
24/4245
2017
IB/PVV
03-09-2021
[aanslagnummer] H.77.01
€ 181.474
€ 77.636
€ 18.688
24/4246
2018
IB/PVV
03-09-2021
[aanslagnummer] H.86.01
€ 6.778.228
€ 3.389.114
€ 553.724
24/4247
2018
Zvw
03-09-2021
[aanslagnummer] W.86.01.4
€ 3.085
-
€ 252
24/4248
2019
IB/PVV
03-09-2021
[aanslagnummer] H.96.01
€ 845.139
€ 422.569
€ 35.235
24/4249
2019
Zvw
03-09-2021
[aanslagnummer] W.96.01.4
€ 3.187
-
€ 132
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de bovengenoemde aanslagen, beschikkingen vergrijpboeten en belastingrente ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft een verzoek om geheimhouding van (delen van) stukken gedaan. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op het verzoek van de inspecteur beslist.
1.4.
Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Een afschrift van het proces-verbaal van deze zitting is aan deze uitspraak gevoegd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de (navorderings)aanslagen en beschikkingen belastingrente tot juiste bedragen zijn vastgesteld. Verder beoordeelt de rechtbank of de vergrijpboeten terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Belanghebbende heeft op de zitting verklaard op dit moment niet (meer) te betwisten dat hij in de onderhavige jaren als binnenlands belastingplichtige kon worden aangemerkt.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de (navorderings)aanslagen en de beschikkingen belastingrenterente tot juiste bedragen vastgesteld. Verder is de rechtbank van oordeel dat de vergrijpboete voor het jaar 2017 terecht is opgelegd en passend en geboden is, maar verminderd dient te worden wegens overschrijding van de redelijke termijn (undue delay). De vergrijpboeten voor de jaren 2018 en 2019 dienen vernietigd te worden. Verder is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende aanspraak maakt op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende was in de onderhavige jaren gehuwd met [persoon 1] (de echtgenote). Zij hebben twee meerderjarige kinderen. Belanghebbende was tot 1 februari 2016 ingeschreven op een adres in Duitsland. Belanghebbende was in de onderhavige jaren in het BRP niet ingeschreven op het adres waar de echtgenote en de dochter ingeschreven waren.
3.1.
Bij het Team Criminele Inlichtingen van de politie is met betrekking tot het woon- verblijfadres van belanghebbende in juli 2014 door een informant verklaard dat belanghebbende bij zijn echtgenote verbleef op een adres te [plaats 1] .
Start strafrechtelijke onderzoeken
3.2.
De politie eenheid Oost-Brabant is vanaf februari 2017 meerdere opsporingsonderzoeken gestart die onderling met elkaar samenhangen. Het gaat om de onderzoeken Calabrese, Garborone, Sjingan, Abuja, Workington, Maputo, Parmer en Accrington. De paraplubenaming voor deze onderzoeken is Project Noord, later Calabrese. Aan de start van deze strafrechtelijke onderzoeken ligt informatie uit een ander strafrechtelijk onderzoek, genaamd Debussy, ten grondslag. Uit het onderzoek Debussy is bij de politie het vermoeden ontstaan dat belanghebbende en diverse van zijn familieleden en andere personen in georganiseerd verband actief bezig waren met de handel in en/of productie van verdovende middelen (hierna: het samenwerkingsverband).
3.3.
In het Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC) is in 2018 onder de [naam] een casus naar belanghebbende en zijn familieleden gestart wegens het vermoeden van strafbare feiten.
Aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019
3.4.
Belanghebbende heeft geen aangiften IB/PVV gedaan over de jaren 2017 tot en met 2019.
3.5.
Tot de gedingstukken behoren uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen voor het doen van aangiften IB/PVV over de jaren 2017 tot en met 2019. Deze zijn voor de jaren 2017 en 2018 gericht aan belanghebbende en geadresseerd aan het adres van de echtgenoot van belanghebbende te [plaats 1] . Dit geldt ook voor de uitnodiging voor het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2019. De herinnering en aanmaning voor het doen van aangifte IB/PVV 2019 zijn geadresseerd aan de PI in [plaats 2] , zijnde de verblijfsplaats van belanghebbende op dat moment (de PI).
3.6.
De inspecteur heeft voor het jaar 2017 aan belanghebbende ambtshalve een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.000.
Boekenonderzoek
3.7.
De inspecteur heeft gegevens en inlichtingen ontvangen ten behoeve van de belastingheffing van belanghebbende met betrekking tot de periode 12 juli 2017 tot 24 januari 2018. Deze gegevens zijn verstrekt op grond van het Convenant ten behoeve van Bestuurlijke en Geïntegreerde Aanpak van Georganiseerde Criminaliteit, Bestrijding Handhavingsknelpunten en Bevordering Integriteitsbeoordelingen (hierna: het convenant).
3.8.
De inspecteur heeft op 16 mei 2019 op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een verzoek gedaan tot verstrekking van de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek Bosnië, RIEC-casus [naam] /project Noord. De verzochte gegevens zijn door de officier van justitie aan de inspecteur verstrekt.
3.9.
Tijdens een verhoor met de rechter-commissaris op 1 december 2020 heeft belanghebbende onder meer het volgende verklaard:
“U vraagt mij hoeveel ik dan gemiddeld per maand verdiende in de periode 2017 tot aan de dag van mijn aanhoud. Ik denk dat ik met telefoons gemiddeld 3000 4000/4500 euro per maand verdiende. Die telefoons was mijn hoofdbezigheid en met de overige goederen heb ik ook het een en ander verdiend. U vraagt mij of dat ook kan blijken uit mijn opgaven aan de belastingdienst. Nee, ik heb het niet opgegeven aan de Belastingdienst en ik wil graag uitleggen waarom. Ik heb van 2001 tot 2009 mij scheel aan belasting betaald en vervolgens ben ik vast komen te zitten in de A73 zaak. Toen bleek dat alles zogenaamd fictief was en kreeg ik ook nog ten onrechte een ontnemingsvordering aan mijn broek. Ik was nogal boos en ik heb besloten om geen belasting meer te betalen en bovendien woonde ik op enig moment niet meer in Nederland. Dat was vanaf oktober 2012.”
3.10.
De inspecteur heeft vervolgens op 13 november 2019 aan belanghebbende aangekondigd een onderzoek te starten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2019. Lopende het onderzoek is de reikwijdte van het onderzoek teruggebracht naar de aangiften IB/PVV voor de jaren 2017 tot en met 2019.
3.11.
De Belastingdienst heeft in juni 2020 de beschikking gekregen over het digitale strafdossier dat is aangelegd voor belanghebbende om dit dossier te beoordelen op fiscale componenten.
3.12.
De inspecteur heeft op 19 januari 2021, 2 februari 2021 en 16 februari 2021 de Officier van Justitie verzocht om aan hem op grond van artikel 55 van de AWR gegevens en inlichtingen uit de strafrechtelijk onderzoeken Liber, Calabrese en Grange te verstrekken met het oog op de beoordeling van de belastingaangiften van belanghebbende.
3.13.
Verder heeft de inspecteur informatie ontvangen door uitwisselingen op basis van het RIEC-convenant en door middel van verschillende derdenonderzoeken op grond van artikel 53 van de AWR.
3.14.
De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat bij brief van 3 september 2021 aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“6RIEC casus [naam]
(…)
6.2
Calabrese
(…)
Fiscale insteek
Bij de berekening van het nadeel wordt uitgegaan van de inkoopbedragen en investeringen in goederen, producten en diensten door belastingplichtige / het crimineel samenwerkingsverband en
niet
van de eventuele verdiensten c.q. winsten. Daar waar onduidelijkheid bestaat over de omvang van de goederen en producten en / of de financiële tegenwaarde van deze goederen en producten is gekozen voor de laagst te stellen waarde(n). We gaan dus uit van de minimale positie.
Wij stellen ons op het standpunt dat het csv inkomsten moet hebben gegenereerd om de gemaakte kosten en investeringen te hebben kunnen doen. Deze bedragen worden als correctiebedragen benoemd.
Om bepaalde fiscale nadeelberekeningen te kunnen maken is onderzoek in het strafdossier én in openbare bronnen gedaan om minimale (aankoop) bedragen te duiden. Voor de volgende zaken zijn berekeningen gemaakt:
Eén kilogram cocaïne (document: Berekening inkoopprijs cocaïne.docx)
bijlage 6-01
Eén kilogram apaan (document: Berekening inkoopkosten Apaan.docx)
bijlage 6-02
Eén xtc pil (document: Berekening inkoopprijs xtc-pillen.docx)
bijlage 6-03
Eén kilogram cannabis (document: Berekening inkoopkosten cannabis.docx)
bijlage 6-04
Invoer één container (document: Berekening kosten invoer container uit Zuid
Amerika.docx)
bijlage 6-05
Het strafrechtelijk onderzoek Calabrese omvat de volgende delicten:
(…)
6.3.
Fiscale recapitulatie strafrechtelijke zaakdossiers
NB: De leden van het csv zijn door de politie in bovenstaande strafzaken gehoord. Géén van de leden van het csv heeft een inhoudelijke verklaring afgelegd. Iedereen beroept zich op het zwijgrecht.”
En:
“
7 Fiscaal onderzoek inkomsten en uitgaven csv
In dit hoofdstuk van de rapportage zal een opsomming gegeven worden van fiscaal onderzoek in strafrechtelijke vastleggingen zoals die in meerdere digitale bestanden hebben plaatsgevonden. Deze vergaarde informatie staat dus los van hetgeen reeds in het strafdossier Calabrese aan de orde is geweest in hoofdstuk 6 van dit rapport. Ondergetekenden hebben onderkend dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van dubbeltellingen. Er is bij de inhoudelijke beoordeling gelet op het voorkomen van dubbeltellingen. In voorkomende gevallen is het fiscale nadeel in de fiscale beoordeling van strafdossier Calabrese opgenomen, zie hoofdstuk 6.
Diverse kosten en investeringen
In dit fiscaal onderzoek is ervoor gekozen de
uitgaven
en investeringen van het csv in beeld te brengen. Na bestudering van de hierboven genoemde informatie over inkomsten en uitgaven is besloten om voor de minimale positie te gaan en ons te richten op de gemaakte kosten en investeringen die het csv heeft gedaan. We hebben ten behoeve van de leesbaarheid een splitsing aangebracht tussen kosten en investeringen betrekking hebbend op de core business van het csv en gemaakte ‘bedrijfskosten’. Ook hier geldt dat door het csv inkomsten moeten zijn gegenereerd om de kosten te hebben kunnen maken en investeringen te hebben kunnen doen.
Boekhouding-administratie
Ook hebben we, na gedaan onderzoek, vastgesteld dat het csv op een andere manier duurzaam bedrijfsmatig handelde, namelijk door het voeren van een boekhouding en het uitvoeren van een (administratieve) controle daarop. Om investeringen en kosten te kunnen betalen is het nodig om een voortdurend zicht te hebben op de financiële situatie. Dat geeft aan dat over het voeren van een administratie is nagedacht en een rolverdeling is bepaald met betrekking tot het verzamelen en vastleggen van aan- en verkopen. Dat betekent vervolgens dat het kasgeld geregeld moest worden geteld en een kasadministratie werd bijgehouden. Het feit dat meerdere geldtelmachines zijn aangetroffen draagt hieraan bij.
Een definitie van boekhouden is het bijhouden van een financiële administratie en dat is wat binnen het csv is vastgesteld aan de hand van gesprekken en aangetroffen primaire bescheiden. Er is géén volledige boekhouding aangetroffen.
Gegenereerde inkomsten
Dat er verdiensten zijn geweest is evident omdat er doorlopend, overtuigend bedrijfsmatig, wordt geïnvesteerd in aankoop van goederen, met name verdovende middelen en uitgaven die met productie van, met name synthetisch drugs en handel in vuurwapens, te maken hebben. Om een beeld te schetsen van de verdiensten geven we in dit hoofdstuk een aantal voorbeelden van gegenereerde inkomsten zoals deze blijken uit vastgelegde informatie, informatie uit pgp telefoons en processen-verbaal van het TCI. Bedrijfseconomisch gezien moeten er verdiensten zijn geweest om vervolgens weer kosten te kunnen betalen of nieuwe investeringen te kunnen doen.
Totaaltelling
Tenslotte is een totaaltelling gemaakt van de uitgaven en gedane investeringen aan de hand van bovengenoemde fiscale onderzoekshandelingen per belastingjaar van de onderzoeksperiode.
NB: Informatie uit ovc-gesprekken
Zoals aangegeven bestaat de voornaamste bron van informatie uit zogenaamde ovc-gesprekken. Dat betekent dat microfoons geplaatst zijn in woningen en werkruimten. De opgenomen en uitgeluisterde gesprekken zijn in processen-verbaal of in mutaties in politie-systemen verwerkt. Deze processen-verbaal en mutaties zijn vervolgens weer de basis voor het uitgevoerde fiscale onderzoek.
(…)
7.6
Recapitulatie kosten en investeringen 2017-2019
Uit de hierboven genoemde informatiebronnen zijn de volgende kosten en investeringen
gedistilleerd.
(…)
(…)
(…)
”
En:
“
9 Crimineel samenwerkingsverband
(…)
9.2
Theoretisch kader
(…)
Wij richten ons primair op de familiaire band en dan nog alleen tussen personen die regelmatig met elkaar activiteiten ontplooien. De overige scharen wij onder medewerkers. Van de resterende 10% nemen wij aan dat deze verdeeld wordt onder medewerkers van de organisatie. Hierop komen wij in specifieke rapportages van deze medewerkers terug.
Voor de verdeling van de “opbrengst” op de hierboven aangegeven wijze is een aantal redenen aan te voeren.
Hiërarchie
Belastingplichtige was de leider van de organisatie. Hij stuurde de criminele organisatie aan, initieerde de (hoofd)activiteiten, monitorde de activiteiten en nam de besluiten. Aan hem werd rekening en/of verantwoording afgelegd en hij was degene die in de grote projecten de onderhandelingen voerde en de contacten onderhield met facilitators, leveranciers en afnemers.
(…)
Uit meerdere passages die hierboven zijn aangehaald blijkt dat belastingplichtige gezien kan worden als de leider van het samenwerkingsverband. Anderen leggen aan hem verantwoording af over hun activiteiten en over geld. Dit rechtvaardigt naar onze mening ook een groter aandeel in de verdiensten van het samenwerkingsverband. Uit bovenstaande passage blijkt dat [persoon 2] en haar partner een aandeel van 10% hebben in de verdiensten. Op basis van het dossier dichten wij belastingplichtige een aandeel van 50% toe en de andere leden van het samenwerkingsverband een aandeel van 10%.”
En:
“
10 Berekening correcties zaakdossiers en fiscaal onderzoek
In dit hoofdstuk worden de fiscale correcties van het strafdossier Calabrese, zie hoofdstuk 6.3, en het fiscale onderzoek, zie hoofdstuk 7.6, samengevoegd.
10.1
Berekening voor [belanghebbende] naar aandeel in CSV
De fiscale correcties dienen omgeslagen te worden naar het aandeel in het samenwerkingsverband. Voor de onderbouwing verwijzen wij naar hoofdstuk 9 van dit rapport.
”
3.15.
De inspecteur heeft een kasopstelling gemaakt voor de jaren 2017 tot en met 2019 en geconstateerd dat sprake is van een negatief kassaldo over de voornoemde jaren. Het betreft de volgende bedragen.
2017: € 23.529,09
2018: € 541.715,63
2019: € 1.334.598,61
3.16.
Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2017 aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 365.073, volledig bestaande uit een correctie resultaat uit overige werkzaamheid (ROW-correctie).
3.17.
Verder heeft de inspecteur naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019 (zie 1.1) ambtshalve vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.063.909 (2018) respectievelijk € 1.651.765 (2019), volledig bestaande uit een ROW-correctie. De aanslagen Zvw 2018 en 2019 (zie 1.1) zijn door de inspecteur vastgesteld naar een maximaal bijdrage-inkomen.
Veroordelingen
3.18.
Belanghebbende is bij arrest van 9 november 2023 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 jaar vanwege – kort gezegd – het als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en diverse delicten die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen het arrest van het hof met toepassing van artikel 81 RO verworpen.
3.19.
In het voornoemde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is – voor zover hier van belang – het volgende overwogen.
“Aan de verdachte is zowel het deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr tenlastegelegd als het deelnemen aan een criminele organisatie in de zin van art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr).”
En:
“Het hof is op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel gekomen dat er in de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 sprake is geweest van een organisatie in de hierboven bedoelde zin.”
En:
“ [belanghebbende] werd als baas binnen de organisatie gezien. In OVC-gesprekken wordt hij door [persoon 3] en [persoon 4] expliciet aangeduid met “de baas” respectievelijk “de grote baas”. Ook de [getuige] heeft het over “een criminele organisatie in [plaats 3] geleid door “de kale”, zoals hij [belanghebbende] aanduidt. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het uit de bewijsmiddelen blijkende optreden van [belanghebbende] ook onmiskenbaar dat hij sturend, initiërend, beslissend en leidend optreedt en dat aan hem verantwoording wordt afgelegd en dat hij anderen beoordeelt.
(…)
Daarnaast legt [persoon 2] aan hem verantwoording af over de financiën en de door haar beheerde pot geld door uitleg te geven wie wat uit de pot heeft gekregen en dat zij met betrekking tot de financiën slechts uitvoert wat hij haar opdraagt. Bij overleggen in het “kantoor” blijkt [belanghebbende] ook in de positie te zijn om personen uit het overleg weg te sturen wanneer hem dat geraden voorkomt.
Daarnaast was [belanghebbende] veelal ook het aanspreekpunt voor personen buiten de organisatie waarmee zaken werden gedaan”
En:
“Het bestaan van een organisatie
Op grond van de hiervoor weergegeven, uit de bewijsmiddelen afgeleide verschijningsvormen van de samenwerking tussen de CSV-deelnemers acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van een gestructureerde en duurzame organisatie waartoe verdachte en de medeverdachten behoorden. Het duurzame karakter blijkt tevens uit de lange periode waarover zich de samenwerking uitstrekte en de intensiteit waarmee men zich - in wisselende samenstellingen - bezig hield met illegale activiteiten en de voorbereiding daarvan. (…) Een aantal van de leden van de criminele organisatie lijkt zich uitsluitend bezig te houden met criminele activiteiten en hier hun "beroep" van te hebben gemaakt.”
En:
“Bijdrage verdachte en wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie
Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen over de verschijningsvorm van de organisatie en de betrokkenheid daarbij van [belanghebbende] als leider, concludeert het hof zowel op grond van de op ZD07 betrekking hebbende bewijsmiddelen als op grond van zijn betrokkenheid bij de overige aan hem tenlastegelegde - hiervoor besproken - strafbare feiten, voor zover bewezenverklaard, dat [belanghebbende] (als leider) het oogmerk van de organisatie, namelijk het plegen van misdrijven, kende en aan de verwezenlijking van dat criminele oogmerk wezenlijk heeft bijgedragen zowel in de uitvoering van de delicten als door daaraan leiding te geven.”
En:
“De criminele organisatie werd gekenmerkt door het familiaire karakter. Van de in totaal vijftien geïdentificeerde leden hebben twaalf leden een familierelatie. De organisatie opereerde vanuit het zogenaamde 'kantoor', gesitueerd in een schuur. Dit kantoor werd gebruikt als vergader- en ontmoetingsruimte ter bespreking van illegale activiteiten, de ontvangst van criminele contacten en het beslechten van verboden transacties. Ook werden in deze ruimte diverse harddrugs bewerkt en verwerkt en allerhande (automatische) vuurwapens getoond en uitgeprobeerd. Het hof beschouwt het kantoor, net als de rechtbank, als het epicentrum van de organisatie. Het familiaire karakter en het afgeschermde epicentrum hebben ervoor gezorgd dat de organisatie langdurig, afgezonderd en in een vertrouwelijke sfeer heeft kunnen opereren. Het hof is van oordeel dat uit de in het kantoor opgenomen OVC-gesprekken een verontrustend beeld rijst van een organisatie die zich continu en intensief met het beramen en plegen van genoemde misdrijven bezig heeft gehouden. De verdachte was de onbetwiste leider van de criminele organisatie en beslissende regisseur aan wie de andere leden verantwoording waren verschuldigd. Hij was ook hoofdzakelijk degene die de contacten met andere partijen onderhield en daarmee afspraken maakte, al dan niet via tussenkomst van andere leden van de organisatie.
(...)
Bij de doorzoekingen in oktober en november 2019 zijn op de diverse opslaglocaties van de organisatie, waaronder een ondergrondse ruimte gelegen in het bosperceel achter het woonwagenkamp, honderden kilo’s aan drugs en vele stoffen en goederen bestemd voor de productie van synthetische drugs alsmede tientallen (automatische) vuurwapens, onderdelen daarvan, honderden kogels en enkele explosieven aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke hoeveelheid drugs en vuurwapens een enorme (handels)waarde vertegenwoordigen en het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs en vuurwapens - voor het overgrote deel - bestemd waren voor de lucratieve handel.”
De beoogde drugsdelicten, soms met een internationaal karakter, besloegen nagenoeg het gehele spectrum van de in de Opiumwet opgesomde verboden gedragingen, zoals: internationale transporten, het bewerken en verwerken, het vervoeren, het verkopen, de productie/fabricage en het aanwezig hebben van harddrugs alsmede voorbereidingshandelingen daartoe. Het ging daarbij om uiteenlopende soorten harddrugs: MDMA, metamfetamine, amfetamine, heroïne en cocaïne. De organisatie deinsde er ook niet voor terug om containers waarvan men - al dan niet na bekomen informatie van corrupte handlangers - dacht dat daarin (mogelijk) drugs waren verstopt, op brutale wijze te stelen.
De verdachte is zelf specifiek betrokken geweest bij twee importen van cocaïne uit Zuid-Amerika via de haven van Antwerpen (1.561 kilo en 315,7 kilo), een transport van ruim 99 kilo MDMA, de verwerking van MDMA en/of metamfetamine en de bewerking en verwerking van cocaïne. Dit zijn zeer ernstige drugsfeiten.
Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen omtrent het importeren en vervoeren van de container waarin oorspronkelijk ruim 315 kilogram cocaïne zat (feit 2) betrekt het hof bij de strafoplegging dat, hoewel na de inbeslagname door de douane van de container in de haven te Antwerpen nog slechts 400 gram cocaïne in de container bleek te zitten en alle voorbereidingshandelingen die daarna plaatsvonden om de cocaïne veilig te stellen dus daadwerkelijk slechts zagen op 400 gram cocaïne, het plan van de invoer en het vervoer van de container met cocaïne was gericht op 315 kilo.
(…)
Naast genoemde druggerelateerde delicten hield de organisatie zich ook op grote schaal
bezig met de handel in (automatische) vuurwapens en munitie. De verdachte heeft daar
actiefaan bijgedragen door zich schuldig te maken aan het verhandelen, overdragen en
voorhanden hebben van een groot aantal vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en
munitie.
(…)
Voorts hield de organisatie zich bezig met het witwassen van crimineel geld. [persoon 5]
(1964) en diens echtgenote [persoon 2] , de broer en schoonzuster van de verdachte,
beheerden en voerden de administratie van de financiële ‘pot’ en bewaarden ook de contante gelden van de organisatie, ten tijde van de doorzoekingen in november 2019 bestaande uit ruim € 250.000. Verdachte heeft voorts met een mede door hem opgezette witwasconstructie een woning in [plaats 4] aangekocht. Met dat doel zijn leden van de organisatie met € 700.000,- aan contanten naar Bulgarije afgereisd.
(…)
Kort gezegd: het bestaan van deze criminele organisatie heeft op allerlei fronten een
zeer ontwrichtende werking op de samenleving gehad. De verdachte heeft zich van alle
hiervoor genoemde negatieve gevolgen niets aangetrokken en gehandeld uit puur
(financieel) eigenbelang. Het hofrekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld
zoals bewezen is verklaard.”
Motivering
Vereiste aangifte
4. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en ook geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn. Van omkering van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte kon (tot de invoering van artikel 9, vierde lid, van de AWR) slechts sprake zijn indien belanghebbende was uitgenodigd tot het doen van aangifte en de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en ook geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen de door de inspecteur gestelde termijn van de aanmaning.
4.1.
Belanghebbende stelt dat hij de uitnodiging, herinnering en aanmaning tot het doen van aangiften IB/PVV nooit heeft ontvangen omdat ze naar een verkeerd adres zijn gestuurd, te weten het adres van zijn echtgenote met wie hij op dat moment niet samenwoonde. De brieven die de inspecteur gericht heeft aan de PI heeft hij ook nooit ontvangen, aldus belanghebbende. Hierdoor kan volgens hem niet gesteld worden dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan.
4.2.
De inspecteur vindt dat de uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen terecht naar het adres in [plaats 1] en later naar de PI zijn verzonden en acht het ongeloofwaardig dat deze niet door belanghebbende zouden zijn ontvangen. Ten aanzien van de jaren 2017 en 2018 heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbendes telefoon op de betreffende dagen in [plaats 1] was. De inspecteur leidt dit af uit de gegevens in het strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast zijn tijdens de doorzoeking in de woning en de auto van belanghebbende in [plaats 1] de aangiftebrieven voor de jaren 2017 en 2018 aangetroffen. De herinnering en aanmaning voor het doen van aangifte IB/PVV 2019 zijn verzonden naar de PI waar belanghebbende op dat moment verbleef, aldus de inspecteur.
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Wanneer ontvangst van de door de inspecteur verzonden uitnodigingen en aanmaningen voor het indienen van aangiften IB/PVV wordt betwist, dient de inspecteur de verzending ervan aannemelijk te maken. In een geval als het onderhavige, waarin de inspecteur stelt dat het besluit is bekendgemaakt door verzending per post, houdt die bewijslast in dat hij aannemelijk moet maken dat het desbetreffende poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Daartoe zal de inspecteur mede aannemelijk moeten maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden. Als uitgangspunt mag de inspecteur uitgaan van het adres in de BRP. Niet in geschil is dat de inspecteur de voornoemde brieven niet naar het adres in de BRP heeft verzonden. Bovendien heeft de inspecteur geen verzendrapportages overgelegd zodat de verzending van de brieven niet kan worden vastgesteld. De verzending van de genoemde brieven is dus niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de toets of de brieven naar het juiste adres zijn verzonden.
4.4.
Naar de rechtbank begrijpt, stelt de inspecteur dat belanghebbende wel bekend zou moeten zijn met de genoemde brieven omdat enkele van die brieven tijdens doorzoekingen zijn aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit niet tot een andere conclusie. Dat belanghebbende enkele brieven zou hebben ontvangen, houdt nog niet in dat ook de andere brieven door hem zijn ontvangen. Het is daarom nog steeds niet aannemelijk dat de aanmaningen over de jaren 2017 en 2018 en de uitnodiging over het jaar 2019 zijn verzonden en ontvangen. Dit betekent dat voor elk van de jaren niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende zowel is uitgenodigd als is aangemaand voor het doen van aangifte.
4.5.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de vereiste aangifte (zie 4) niet is gedaan en daarmee de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. De bewijslast dat de (navorderings)aanslagen niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld, ligt daarom bij de inspecteur.
Hoogte (navorderings)aanslagen
4.6.
De inspecteur heeft de ROW-correcties gebaseerd op bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek Calabrese en op een aanvullend fiscaal onderzoek (zie 3.15). Daarbij is de inspecteur aangesloten bij de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband, waartoe belanghebbende volgens de inspecteur behoort, zoals die uit het strafdossier en het fiscale onderzoek naar voren komen. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het samenwerkingsverband inkomsten moet hebben gegenereerd om deze uitgaven en investeringen te kunnen doen. De aldus berekende bedragen vormen de basis van de aangebrachte ROW-correcties. Volgens de inspecteur kan een aandeel van 50% in deze inkomsten aan belanghebbende worden toegerekend vanwege zijn prominente rol in het samenwerkingsverband.
4.7.
Belanghebbende bestrijdt dat hij onderdeel was van het samenwerkingsverband. De omvang van de door de inspecteur berekende uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband heeft belanghebbende als zodanig niet bestreden. Hij bestrijdt wel dat daaruit kan worden afgeleid dat het samenwerkingsverband inkomsten heeft genoten tot dezelfde bedragen. Volgens hem maakt de inspecteur niet aannemelijk of, wanneer en door wie dergelijke inkomsten zouden zijn verdiend. Daarnaast betwist belanghebbende het aandeel dat de inspecteur hem daarin toerekent.
4.8.
De rechtbank acht het gelet op het strafrechtelijk vonnis buiten redelijke twijfel dat sprake was van een samenwerkingsverband waarvan belanghebbende deel uitmaakte en waaruit hij aanzienlijke inkomsten genoot (zie 3.19). Voor de jaren 2018 en 2019 sluit de rechtbank aan bij het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op dit punt. Voor het jaar 2017 is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat die het oordeel rechtvaardigen dat belanghebbende in dat jaar activiteiten ontplooide waarmee aanzienlijk inkomen werd gegenereerd, welke niet zijn opgegeven aan de Belastingdienst.
4.9.
Niet in geschil is dat het samenwerkingsverband in de onderhavige jaren uitgaven heeft gedaan en investeringen heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daaruit mogen afleiden dat tegenover deze uitgaven en investeringen inkomsten moeten hebben gestaan. Uitgaven en investeringen kunnen immers alleen worden gedaan indien daarvoor middelen beschikbaar zijn. De rechtbank acht aannemelijk dat het samenwerkingsverband deze inkomsten in de onderhavige jaren heeft verdiend. Uit de vele tapgesprekken en hetgeen tijdens de doorzoekingen is aangetroffen, volgt dat het samenwerkingsverband zich in de onderhavige jaren onder meer actief bezighield met zeer lucratieve handel waar veel geld in omging. Het is een feit dat dergelijke activiteiten in hoofdzaak worden ontplooid met het doel financieel voordeel te behalen. De rechtbank acht in dit verband niet van belang door wie en in welke mate dit voordeel precies is verdiend; het voordeel is behaald binnen het samenwerkingsverband en wordt daarbinnen verdeeld. De inspecteur dient aannemelijk te maken dat belanghebbende het gestelde inkomen heeft genoten. Uit het strafdossier blijkt dat het samenwerkingsverband slechts één gezamenlijke geldpot aanhield waarin opbrengsten werden samengebracht en waaruit vervolgens de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband werden gefinancierd (zie ook 3.14). De door de inspecteur gestelde opbrengst van het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk. De vraag of de inspecteur aannemelijk maakt dat een aandeel van 50% uit deze pot aan belanghebbende kan worden toegerekend, komt hierna aan de orde.
4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat ten minste 50% van de door het samenwerkingsverband verdiende inkomsten aan belanghebbende zijn toegekomen. Voor dit oordeel sluit de rechtbank aan bij de overwegingen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de rol van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband (zie 3.19). Belanghebbende was de leider van dit samenwerkingsverband. Gelet op deze rol binnen het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende niet alleen heeft bijgedragen aan de activiteiten van het samenwerkingsverband, maar ook aanzienlijk heeft gedeeld in de daarmee behaalde opbrengsten. De rechtbank kan niet vaststellen welk aandeel belanghebbende precies had in de pot, wat ook logisch is want belanghebbende en de overige deelnemers van het samenwerkingsverband geven geen enkel inzicht gegeven in de wijze waarop de opbrengsten binnen het samenwerkingsverband werden verdeeld. Gelet op de hiervoor beschreven rol van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband en gelet op de rollen van de overige deelnemers van het samenwerkingsverband, zoals die volgen uit het strafdossier en het strafvonnis, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende ten minste een aandeel van 50% in de pot toekwam.
4.11.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de inspecteur op basis van een normale bewijslastverdeling erin geslaagd acht om de ROW-correcties aannemelijk te maken. Dat betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 niet te hoog is vastgesteld. Deze aanslagen blijven daarom in stand.
Belastingrente
4.12.
De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de belastingaanslag volgt.
Vergrijpboete bij navorderingsaanslag IB/PVV 2017
4.13.
Aan belanghebbende is bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft het (voorwaardelijk) opzettelijk dan wel grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid dat de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld.
4.14.
De rechtbank stelt voorop dat het beboetbare feit dat op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan leiden tot een vergrijpboete bij navordering, niet is beperkt tot een bepaald handelen of nalaten met betrekking tot de aangifte. Deze vergrijpboete kan worden opgelegd indien het met betrekking tot een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of dat anderszins te weinig belasting is geheven. Door deze andere, ruimere omschrijving van het beboetbare feit, waarbij slechts de gevolgen van het handelen of nalaten van de belastingplichtige worden genoemd, bestaat de mogelijkheid tot het opleggen van een vergrijpboete op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR ook in gevallen waarin de belastingplichtige niet correct is uitgenodigd en aangemaand tot het doen van aangifte, zoals hier aan de orde.
4.15.
De rechtbank overweegt verder dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld.
4.16.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
4.17.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De inspecteur heeft overtuigend aangetoond dat belanghebbende in de onderhavige jaren deel uitmaakte van een zeer lucratief samenwerkingsverband (zie 3.14) waaruit belanghebbende omvangrijke inkomsten genoot en deze inkomsten bewust buiten het zicht van de Belastingdienst hield. De rechtbank acht het voorts buiten redelijke twijfel dat het samenwerkingsverband ook in 2017 al lucratieve activiteiten ontplooide. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke activiteiten in hoofdzaak worden ontplooid met het doel financieel voordeel te behalen. Gelet op de actieve rol die belanghebbende vervulde binnen het samenwerkingsverband (zie 3.19), is de rechtbank ervan overtuigd dat belanghebbende minst genomen een fors deel van dit financiële voordeel toekwam. Het is eveneens een feit van algemene bekendheid dat over dit financiële voordeel inkomstenbelasting is verschuldigd. Onder meer gelet op het illegale karakter van de activiteiten die door het samenwerkingsverband werden ontplooid, acht de rechtbank het buiten redelijke twijfel dat belanghebbende dit voordeel bewust buiten het zicht van de Belastingdienst heeft willen houden, waardoor hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag zou worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 daarom terecht opgelegd.
4.18.
De rechtbank acht de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 ook passend en geboden. Aan de oplegging van die boete staat niet in de weg dat de grondslag van deze boete tot stand is gekomen aan de hand van inschattingen en er beperkt zicht op wat er daadwerkelijk is verdiend. Dat is inherent aan het feit dat belanghebbende geen openheid heeft gegeven over zijn genoten inkomsten. Bovendien heeft de inspecteur op een aantal punten conservatief gerekend en heeft belanghebbende de omvang van de inkomsten van het samenwerkingsverband niet betwist. De rechtbank ziet, in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van het ontbreken van draagkracht, geen aanleiding om de boete te matigen.
4.19.
De rechtbank ziet wel aanleiding voor vermindering in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’) dan wel vaststelling dat de termijn is overschreven. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn op de uitspraakdatum (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan. De boete voor zover deze meer dan € 1.000 bedraagt, moeten dan als uitgangspunt worden gematigd met 10%. Omdat de matiging in dat geval voor de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 meer bedraagt dan € 2.500, wordt de matiging voor die boete gemaximeerd op € 2.500. Dat betekent dat de rechtbank de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 vermindert tot € 75.136.
Vergrijpboeten bij aanslagen IB/PVV 2018 en 2019
4.20.
Ten aanzien van de vergrijpboeten bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 overweegt de rechtbank als volgt. Van het niet doen van aangifte als bedoeld in artikel 67d, eerste lid, van de AWR kon – tot de invoering per 1 januari 2020 van artikel 9, lid 4, AWR – alleen worden gesproken indien de betrokkene (i) is uitgenodigd tot het doen van aangifte, (ii) de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken, en (iii) tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, lid 3, AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn. Dit houdt in dat de vergrijpboete als bedoeld in artikel 67d, eerste lid, van de AWR bij een aanslag niet kan worden opgelegd indien belanghebbende niet op de juiste wijze is uitgenodigd.
4.21.
De inspecteur is niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 correct is uitgenodigd en vervolgens is aangemaand om aangifte te doen (zie 4.3). Gelet hierop dienen de vergrijpboeten bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 te worden vernietigd.
4.22.
De rechtbank zal – gelet op het verzoek om vergoeding van immateriële schade in combinatie met de vernietiging van de boeten over de jaren 2018 en 2019 – nog wel een vergoeding van immateriële schade toekennen in de hierna volgende overwegingen aangezien de redelijke behandeltermijn is overschreden.
Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
4.23.
Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
4.24.
Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan.
4.25.
Mede gelet op de beroepsgronden, hebben de zaken van belanghebbende over de jaren 2017, 2018 en 2019 in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken samen waren betrokken in hetzelfde boekenonderzoek en in de bezwaar- en beroepsfase (nagenoeg) gezamenlijk zijn behandeld, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Dat betekent dat belanghebbende in dit geval wat betreft de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 recht heeft op een immateriëleschadevergoeding van in totaal € 1.000.
4.26.
Omdat de bezwaarfase afgerond 30 maanden heeft geduurd en daarmee – na correctie, waarover partijen het eens zijn – 1 maand te lang, komt € 83,33 (1/12e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 916,67) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
4.27.
Wat betreft de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 geldt dat vanwege de vernietiging van de boetes compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet kan worden verleend door vermindering van die boete. Aangezien de boetes meer dan € 1.000 bedroegen en belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade, kan compensatie voor deze verdragsschending met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb worden verleend in de vorm van een vergoeding van immateriële schade op eenzelfde wijze als voor de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019, dus van tweemaal € 1.000. Van deze vergoeding komt ook, overeenkomstig het hiervoor onder 4.26 overwogene, € 83,33 (1/12e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 916,67) voor rekening van de Staat.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen tegen de vergrijpboeten over de jaren 2017, 2018 en 2019 zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de vergrijpboeten over de jaren 2017, 2018 en 2019. De rechtbank vermindert de vergrijpboete over het jaar 2017 tot een bedrag van € 75.136 in verband met undue delay en vernietigt de boeten over 2018 en 2019. De overige beroepen zijn ongegrond. Tot slot bestaat er recht op een vergoeding van immateriële schade van in totaal € 3.000.
5.1.
Omdat de beroepen met betrekking tot de vergrijpboeten over de jaren 2017, 2018 en 2019 gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft aangegeven dat een proceskostenvergoeding niet aan de orde is omdat belanghebbende procedeert op toevoeging. De rechtbank zal daarom geen proceskostenvergoeding toekennen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen tegen de vergrijpboeten over de jaren 2017, 2018 en 2019 gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de vergrijpboeten over de jaren 2017, 2018 en 2019;
vernietigt de boetebeschikkingen voor de jaren 2018 en 2019;
vermindert de vergrijpboete over het jaar 2017 tot een bedrag van € 75.136;
verklaart de overige beroepen ongegrond;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 249,99;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 2.750,01;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, mr. V.A. Burgers en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier. De uitspraak is ondertekend door de jongste rechter, omdat de voorzitter verhinderd is de uitspraak te ondertekenen.
griffier
mr. drs. S.J. Willems-Ruesink
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5459.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2023, parketnummer 20-002245-21.
Artikel 27e, eerste lid, van de AWR.
Vgl. Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675.
Hoge Raad 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1500, r.o. 5.4.
Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875 en Hoge Raad 20 januari 2023,
ECLI:NL:HR:2023:41.
Zie voor een deel van die overwegingen onderdeel 3.20 van deze uitspraak.
Vgl. Hoge Raad 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1500.
Vgl. Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297 .
Hoge Raad 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1500, r.o. 5.2 en 5.3.
Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1.
Vgl. Hoge Raad 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/4245 tot en met 24/4249
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 augustus 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. R. Zilver),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 15 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2017 tot en met 2019 de volgende (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, en gelijktijdig vergrijpboeten opgelegd en belastingrente in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:
Zaaknr.
Jaar
Soort
Dagtekening
Aanslagnummer
Belasting
Boete
Rente
24/4245
2017
IB/PVV
03-09-2021
[aanslagnummer] H.77.01
€ 181.474
€ 77.636
€ 18.688
24/4246
2018
IB/PVV
03-09-2021
[aanslagnummer] H.86.01
€ 6.778.228
€ 3.389.114
€ 553.724
24/4247
2018
Zvw
03-09-2021
[aanslagnummer] W.86.01.4
€ 3.085
-
€ 252
24/4248
2019
IB/PVV
03-09-2021
[aanslagnummer] H.96.01
€ 845.139
€ 422.569
€ 35.235
24/4249
2019
Zvw
03-09-2021
[aanslagnummer] W.96.01.4
€ 3.187
-
€ 132
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de bovengenoemde aanslagen, beschikkingen vergrijpboeten en belastingrente ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft een verzoek om geheimhouding van (delen van) stukken gedaan. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op het verzoek van de inspecteur beslist.
1.4.
Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Een afschrift van het proces-verbaal van deze zitting is aan deze uitspraak gevoegd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de (navorderings)aanslagen en beschikkingen belastingrente tot juiste bedragen zijn vastgesteld. Verder beoordeelt de rechtbank of de vergrijpboeten terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Belanghebbende heeft op de zitting verklaard op dit moment niet (meer) te betwisten dat hij in de onderhavige jaren als binnenlands belastingplichtige kon worden aangemerkt.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de (navorderings)aanslagen en de beschikkingen belastingrenterente tot juiste bedragen vastgesteld. Verder is de rechtbank van oordeel dat de vergrijpboete voor het jaar 2017 terecht is opgelegd en passend en geboden is, maar verminderd dient te worden wegens overschrijding van de redelijke termijn (undue delay). De vergrijpboeten voor de jaren 2018 en 2019 dienen vernietigd te worden. Verder is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende aanspraak maakt op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende was in de onderhavige jaren gehuwd met [persoon 1] (de echtgenote). Zij hebben twee meerderjarige kinderen. Belanghebbende was tot 1 februari 2016 ingeschreven op een adres in Duitsland. Belanghebbende was in de onderhavige jaren in het BRP niet ingeschreven op het adres waar de echtgenote en de dochter ingeschreven waren.
3.1.
Bij het Team Criminele Inlichtingen van de politie is met betrekking tot het woon- verblijfadres van belanghebbende in juli 2014 door een informant verklaard dat belanghebbende bij zijn echtgenote verbleef op een adres te [plaats 1] .
Start strafrechtelijke onderzoeken
3.2.
De politie eenheid Oost-Brabant is vanaf februari 2017 meerdere opsporingsonderzoeken gestart die onderling met elkaar samenhangen. Het gaat om de onderzoeken Calabrese, Garborone, Sjingan, Abuja, Workington, Maputo, Parmer en Accrington. De paraplubenaming voor deze onderzoeken is Project Noord, later Calabrese. Aan de start van deze strafrechtelijke onderzoeken ligt informatie uit een ander strafrechtelijk onderzoek, genaamd Debussy, ten grondslag. Uit het onderzoek Debussy is bij de politie het vermoeden ontstaan dat belanghebbende en diverse van zijn familieleden en andere personen in georganiseerd verband actief bezig waren met de handel in en/of productie van verdovende middelen (hierna: het samenwerkingsverband).
3.3.
In het Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC) is in 2018 onder de [naam] een casus naar belanghebbende en zijn familieleden gestart wegens het vermoeden van strafbare feiten.
Aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019
3.4.
Belanghebbende heeft geen aangiften IB/PVV gedaan over de jaren 2017 tot en met 2019.
3.5.
Tot de gedingstukken behoren uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen voor het doen van aangiften IB/PVV over de jaren 2017 tot en met 2019. Deze zijn voor de jaren 2017 en 2018 gericht aan belanghebbende en geadresseerd aan het adres van de echtgenoot van belanghebbende te [plaats 1] . Dit geldt ook voor de uitnodiging voor het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2019. De herinnering en aanmaning voor het doen van aangifte IB/PVV 2019 zijn geadresseerd aan de PI in [plaats 2] , zijnde de verblijfsplaats van belanghebbende op dat moment (de PI).
3.6.
De inspecteur heeft voor het jaar 2017 aan belanghebbende ambtshalve een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.000.
Boekenonderzoek
3.7.
De inspecteur heeft gegevens en inlichtingen ontvangen ten behoeve van de belastingheffing van belanghebbende met betrekking tot de periode 12 juli 2017 tot 24 januari 2018. Deze gegevens zijn verstrekt op grond van het Convenant ten behoeve van Bestuurlijke en Geïntegreerde Aanpak van Georganiseerde Criminaliteit, Bestrijding Handhavingsknelpunten en Bevordering Integriteitsbeoordelingen (hierna: het convenant).
3.8.
De inspecteur heeft op 16 mei 2019 op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een verzoek gedaan tot verstrekking van de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek Bosnië, RIEC-casus [naam] /project Noord. De verzochte gegevens zijn door de officier van justitie aan de inspecteur verstrekt.
3.9.
Tijdens een verhoor met de rechter-commissaris op 1 december 2020 heeft belanghebbende onder meer het volgende verklaard:
“U vraagt mij hoeveel ik dan gemiddeld per maand verdiende in de periode 2017 tot aan de dag van mijn aanhoud. Ik denk dat ik met telefoons gemiddeld 3000 4000/4500 euro per maand verdiende. Die telefoons was mijn hoofdbezigheid en met de overige goederen heb ik ook het een en ander verdiend. U vraagt mij of dat ook kan blijken uit mijn opgaven aan de belastingdienst. Nee, ik heb het niet opgegeven aan de Belastingdienst en ik wil graag uitleggen waarom. Ik heb van 2001 tot 2009 mij scheel aan belasting betaald en vervolgens ben ik vast komen te zitten in de A73 zaak. Toen bleek dat alles zogenaamd fictief was en kreeg ik ook nog ten onrechte een ontnemingsvordering aan mijn broek. Ik was nogal boos en ik heb besloten om geen belasting meer te betalen en bovendien woonde ik op enig moment niet meer in Nederland. Dat was vanaf oktober 2012.”
3.10.
De inspecteur heeft vervolgens op 13 november 2019 aan belanghebbende aangekondigd een onderzoek te starten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2019. Lopende het onderzoek is de reikwijdte van het onderzoek teruggebracht naar de aangiften IB/PVV voor de jaren 2017 tot en met 2019.
3.11.
De Belastingdienst heeft in juni 2020 de beschikking gekregen over het digitale strafdossier dat is aangelegd voor belanghebbende om dit dossier te beoordelen op fiscale componenten.
3.12.
De inspecteur heeft op 19 januari 2021, 2 februari 2021 en 16 februari 2021 de Officier van Justitie verzocht om aan hem op grond van artikel 55 van de AWR gegevens en inlichtingen uit de strafrechtelijk onderzoeken Liber, Calabrese en Grange te verstrekken met het oog op de beoordeling van de belastingaangiften van belanghebbende.
3.13.
Verder heeft de inspecteur informatie ontvangen door uitwisselingen op basis van het RIEC-convenant en door middel van verschillende derdenonderzoeken op grond van artikel 53 van de AWR.
3.14.
De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat bij brief van 3 september 2021 aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“6RIEC casus [naam]
(…)
6.2
Calabrese
(…)
Fiscale insteek
Bij de berekening van het nadeel wordt uitgegaan van de inkoopbedragen en investeringen in goederen, producten en diensten door belastingplichtige / het crimineel samenwerkingsverband en
niet
van de eventuele verdiensten c.q. winsten. Daar waar onduidelijkheid bestaat over de omvang van de goederen en producten en / of de financiële tegenwaarde van deze goederen en producten is gekozen voor de laagst te stellen waarde(n). We gaan dus uit van de minimale positie.
Wij stellen ons op het standpunt dat het csv inkomsten moet hebben gegenereerd om de gemaakte kosten en investeringen te hebben kunnen doen. Deze bedragen worden als correctiebedragen benoemd.
Om bepaalde fiscale nadeelberekeningen te kunnen maken is onderzoek in het strafdossier én in openbare bronnen gedaan om minimale (aankoop) bedragen te duiden. Voor de volgende zaken zijn berekeningen gemaakt:
Eén kilogram cocaïne (document: Berekening inkoopprijs cocaïne.docx)
bijlage 6-01
Eén kilogram apaan (document: Berekening inkoopkosten Apaan.docx)
bijlage 6-02
Eén xtc pil (document: Berekening inkoopprijs xtc-pillen.docx)
bijlage 6-03
Eén kilogram cannabis (document: Berekening inkoopkosten cannabis.docx)
bijlage 6-04
Invoer één container (document: Berekening kosten invoer container uit Zuid
Amerika.docx)
bijlage 6-05
Het strafrechtelijk onderzoek Calabrese omvat de volgende delicten:
(…)
6.3.
Fiscale recapitulatie strafrechtelijke zaakdossiers
NB: De leden van het csv zijn door de politie in bovenstaande strafzaken gehoord. Géén van de leden van het csv heeft een inhoudelijke verklaring afgelegd. Iedereen beroept zich op het zwijgrecht.”
En:
“
7 Fiscaal onderzoek inkomsten en uitgaven csv
In dit hoofdstuk van de rapportage zal een opsomming gegeven worden van fiscaal onderzoek in strafrechtelijke vastleggingen zoals die in meerdere digitale bestanden hebben plaatsgevonden. Deze vergaarde informatie staat dus los van hetgeen reeds in het strafdossier Calabrese aan de orde is geweest in hoofdstuk 6 van dit rapport. Ondergetekenden hebben onderkend dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van dubbeltellingen. Er is bij de inhoudelijke beoordeling gelet op het voorkomen van dubbeltellingen. In voorkomende gevallen is het fiscale nadeel in de fiscale beoordeling van strafdossier Calabrese opgenomen, zie hoofdstuk 6.
Diverse kosten en investeringen
In dit fiscaal onderzoek is ervoor gekozen de
uitgaven
en investeringen van het csv in beeld te brengen. Na bestudering van de hierboven genoemde informatie over inkomsten en uitgaven is besloten om voor de minimale positie te gaan en ons te richten op de gemaakte kosten en investeringen die het csv heeft gedaan. We hebben ten behoeve van de leesbaarheid een splitsing aangebracht tussen kosten en investeringen betrekking hebbend op de core business van het csv en gemaakte ‘bedrijfskosten’. Ook hier geldt dat door het csv inkomsten moeten zijn gegenereerd om de kosten te hebben kunnen maken en investeringen te hebben kunnen doen.
Boekhouding-administratie
Ook hebben we, na gedaan onderzoek, vastgesteld dat het csv op een andere manier duurzaam bedrijfsmatig handelde, namelijk door het voeren van een boekhouding en het uitvoeren van een (administratieve) controle daarop. Om investeringen en kosten te kunnen betalen is het nodig om een voortdurend zicht te hebben op de financiële situatie. Dat geeft aan dat over het voeren van een administratie is nagedacht en een rolverdeling is bepaald met betrekking tot het verzamelen en vastleggen van aan- en verkopen. Dat betekent vervolgens dat het kasgeld geregeld moest worden geteld en een kasadministratie werd bijgehouden. Het feit dat meerdere geldtelmachines zijn aangetroffen draagt hieraan bij.
Een definitie van boekhouden is het bijhouden van een financiële administratie en dat is wat binnen het csv is vastgesteld aan de hand van gesprekken en aangetroffen primaire bescheiden. Er is géén volledige boekhouding aangetroffen.
Gegenereerde inkomsten
Dat er verdiensten zijn geweest is evident omdat er doorlopend, overtuigend bedrijfsmatig, wordt geïnvesteerd in aankoop van goederen, met name verdovende middelen en uitgaven die met productie van, met name synthetisch drugs en handel in vuurwapens, te maken hebben. Om een beeld te schetsen van de verdiensten geven we in dit hoofdstuk een aantal voorbeelden van gegenereerde inkomsten zoals deze blijken uit vastgelegde informatie, informatie uit pgp telefoons en processen-verbaal van het TCI. Bedrijfseconomisch gezien moeten er verdiensten zijn geweest om vervolgens weer kosten te kunnen betalen of nieuwe investeringen te kunnen doen.
Totaaltelling
Tenslotte is een totaaltelling gemaakt van de uitgaven en gedane investeringen aan de hand van bovengenoemde fiscale onderzoekshandelingen per belastingjaar van de onderzoeksperiode.
NB: Informatie uit ovc-gesprekken
Zoals aangegeven bestaat de voornaamste bron van informatie uit zogenaamde ovc-gesprekken. Dat betekent dat microfoons geplaatst zijn in woningen en werkruimten. De opgenomen en uitgeluisterde gesprekken zijn in processen-verbaal of in mutaties in politie-systemen verwerkt. Deze processen-verbaal en mutaties zijn vervolgens weer de basis voor het uitgevoerde fiscale onderzoek.
(…)
7.6
Recapitulatie kosten en investeringen 2017-2019
Uit de hierboven genoemde informatiebronnen zijn de volgende kosten en investeringen
gedistilleerd.
(…)
(…)
(…)
”
En:
“
9 Crimineel samenwerkingsverband
(…)
9.2
Theoretisch kader
(…)
Wij richten ons primair op de familiaire band en dan nog alleen tussen personen die regelmatig met elkaar activiteiten ontplooien. De overige scharen wij onder medewerkers. Van de resterende 10% nemen wij aan dat deze verdeeld wordt onder medewerkers van de organisatie. Hierop komen wij in specifieke rapportages van deze medewerkers terug.
Voor de verdeling van de “opbrengst” op de hierboven aangegeven wijze is een aantal redenen aan te voeren.
Hiërarchie
Belastingplichtige was de leider van de organisatie. Hij stuurde de criminele organisatie aan, initieerde de (hoofd)activiteiten, monitorde de activiteiten en nam de besluiten. Aan hem werd rekening en/of verantwoording afgelegd en hij was degene die in de grote projecten de onderhandelingen voerde en de contacten onderhield met facilitators, leveranciers en afnemers.
(…)
Uit meerdere passages die hierboven zijn aangehaald blijkt dat belastingplichtige gezien kan worden als de leider van het samenwerkingsverband. Anderen leggen aan hem verantwoording af over hun activiteiten en over geld. Dit rechtvaardigt naar onze mening ook een groter aandeel in de verdiensten van het samenwerkingsverband. Uit bovenstaande passage blijkt dat [persoon 2] en haar partner een aandeel van 10% hebben in de verdiensten. Op basis van het dossier dichten wij belastingplichtige een aandeel van 50% toe en de andere leden van het samenwerkingsverband een aandeel van 10%.”
En:
“
10 Berekening correcties zaakdossiers en fiscaal onderzoek
In dit hoofdstuk worden de fiscale correcties van het strafdossier Calabrese, zie hoofdstuk 6.3, en het fiscale onderzoek, zie hoofdstuk 7.6, samengevoegd.
10.1
Berekening voor [belanghebbende] naar aandeel in CSV
De fiscale correcties dienen omgeslagen te worden naar het aandeel in het samenwerkingsverband. Voor de onderbouwing verwijzen wij naar hoofdstuk 9 van dit rapport.
”
3.15.
De inspecteur heeft een kasopstelling gemaakt voor de jaren 2017 tot en met 2019 en geconstateerd dat sprake is van een negatief kassaldo over de voornoemde jaren. Het betreft de volgende bedragen.
2017: € 23.529,09
2018: € 541.715,63
2019: € 1.334.598,61
3.16.
Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2017 aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 365.073, volledig bestaande uit een correctie resultaat uit overige werkzaamheid (ROW-correctie).
3.17.
Verder heeft de inspecteur naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019 (zie 1.1) ambtshalve vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.063.909 (2018) respectievelijk € 1.651.765 (2019), volledig bestaande uit een ROW-correctie. De aanslagen Zvw 2018 en 2019 (zie 1.1) zijn door de inspecteur vastgesteld naar een maximaal bijdrage-inkomen.
Veroordelingen
3.18.
Belanghebbende is bij arrest van 9 november 2023 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 jaar vanwege – kort gezegd – het als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en diverse delicten die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen het arrest van het hof met toepassing van artikel 81 RO verworpen.
3.19.
In het voornoemde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is – voor zover hier van belang – het volgende overwogen.
“Aan de verdachte is zowel het deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr tenlastegelegd als het deelnemen aan een criminele organisatie in de zin van art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr).”
En:
“Het hof is op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel gekomen dat er in de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 sprake is geweest van een organisatie in de hierboven bedoelde zin.”
En:
“ [belanghebbende] werd als baas binnen de organisatie gezien. In OVC-gesprekken wordt hij door [persoon 3] en [persoon 4] expliciet aangeduid met “de baas” respectievelijk “de grote baas”. Ook de [getuige] heeft het over “een criminele organisatie in [plaats 3] geleid door “de kale”, zoals hij [belanghebbende] aanduidt. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het uit de bewijsmiddelen blijkende optreden van [belanghebbende] ook onmiskenbaar dat hij sturend, initiërend, beslissend en leidend optreedt en dat aan hem verantwoording wordt afgelegd en dat hij anderen beoordeelt.
(…)
Daarnaast legt [persoon 2] aan hem verantwoording af over de financiën en de door haar beheerde pot geld door uitleg te geven wie wat uit de pot heeft gekregen en dat zij met betrekking tot de financiën slechts uitvoert wat hij haar opdraagt. Bij overleggen in het “kantoor” blijkt [belanghebbende] ook in de positie te zijn om personen uit het overleg weg te sturen wanneer hem dat geraden voorkomt.
Daarnaast was [belanghebbende] veelal ook het aanspreekpunt voor personen buiten de organisatie waarmee zaken werden gedaan”
En:
“Het bestaan van een organisatie
Op grond van de hiervoor weergegeven, uit de bewijsmiddelen afgeleide verschijningsvormen van de samenwerking tussen de CSV-deelnemers acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van een gestructureerde en duurzame organisatie waartoe verdachte en de medeverdachten behoorden. Het duurzame karakter blijkt tevens uit de lange periode waarover zich de samenwerking uitstrekte en de intensiteit waarmee men zich - in wisselende samenstellingen - bezig hield met illegale activiteiten en de voorbereiding daarvan. (…) Een aantal van de leden van de criminele organisatie lijkt zich uitsluitend bezig te houden met criminele activiteiten en hier hun "beroep" van te hebben gemaakt.”
En:
“Bijdrage verdachte en wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie
Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen over de verschijningsvorm van de organisatie en de betrokkenheid daarbij van [belanghebbende] als leider, concludeert het hof zowel op grond van de op ZD07 betrekking hebbende bewijsmiddelen als op grond van zijn betrokkenheid bij de overige aan hem tenlastegelegde - hiervoor besproken - strafbare feiten, voor zover bewezenverklaard, dat [belanghebbende] (als leider) het oogmerk van de organisatie, namelijk het plegen van misdrijven, kende en aan de verwezenlijking van dat criminele oogmerk wezenlijk heeft bijgedragen zowel in de uitvoering van de delicten als door daaraan leiding te geven.”
En:
“De criminele organisatie werd gekenmerkt door het familiaire karakter. Van de in totaal vijftien geïdentificeerde leden hebben twaalf leden een familierelatie. De organisatie opereerde vanuit het zogenaamde 'kantoor', gesitueerd in een schuur. Dit kantoor werd gebruikt als vergader- en ontmoetingsruimte ter bespreking van illegale activiteiten, de ontvangst van criminele contacten en het beslechten van verboden transacties. Ook werden in deze ruimte diverse harddrugs bewerkt en verwerkt en allerhande (automatische) vuurwapens getoond en uitgeprobeerd. Het hof beschouwt het kantoor, net als de rechtbank, als het epicentrum van de organisatie. Het familiaire karakter en het afgeschermde epicentrum hebben ervoor gezorgd dat de organisatie langdurig, afgezonderd en in een vertrouwelijke sfeer heeft kunnen opereren. Het hof is van oordeel dat uit de in het kantoor opgenomen OVC-gesprekken een verontrustend beeld rijst van een organisatie die zich continu en intensief met het beramen en plegen van genoemde misdrijven bezig heeft gehouden. De verdachte was de onbetwiste leider van de criminele organisatie en beslissende regisseur aan wie de andere leden verantwoording waren verschuldigd. Hij was ook hoofdzakelijk degene die de contacten met andere partijen onderhield en daarmee afspraken maakte, al dan niet via tussenkomst van andere leden van de organisatie.
(...)
Bij de doorzoekingen in oktober en november 2019 zijn op de diverse opslaglocaties van de organisatie, waaronder een ondergrondse ruimte gelegen in het bosperceel achter het woonwagenkamp, honderden kilo’s aan drugs en vele stoffen en goederen bestemd voor de productie van synthetische drugs alsmede tientallen (automatische) vuurwapens, onderdelen daarvan, honderden kogels en enkele explosieven aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke hoeveelheid drugs en vuurwapens een enorme (handels)waarde vertegenwoordigen en het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs en vuurwapens - voor het overgrote deel - bestemd waren voor de lucratieve handel.”
De beoogde drugsdelicten, soms met een internationaal karakter, besloegen nagenoeg het gehele spectrum van de in de Opiumwet opgesomde verboden gedragingen, zoals: internationale transporten, het bewerken en verwerken, het vervoeren, het verkopen, de productie/fabricage en het aanwezig hebben van harddrugs alsmede voorbereidingshandelingen daartoe. Het ging daarbij om uiteenlopende soorten harddrugs: MDMA, metamfetamine, amfetamine, heroïne en cocaïne. De organisatie deinsde er ook niet voor terug om containers waarvan men - al dan niet na bekomen informatie van corrupte handlangers - dacht dat daarin (mogelijk) drugs waren verstopt, op brutale wijze te stelen.
De verdachte is zelf specifiek betrokken geweest bij twee importen van cocaïne uit Zuid-Amerika via de haven van Antwerpen (1.561 kilo en 315,7 kilo), een transport van ruim 99 kilo MDMA, de verwerking van MDMA en/of metamfetamine en de bewerking en verwerking van cocaïne. Dit zijn zeer ernstige drugsfeiten.
Met betrekking tot de voorbereidingshandelingen omtrent het importeren en vervoeren van de container waarin oorspronkelijk ruim 315 kilogram cocaïne zat (feit 2) betrekt het hof bij de strafoplegging dat, hoewel na de inbeslagname door de douane van de container in de haven te Antwerpen nog slechts 400 gram cocaïne in de container bleek te zitten en alle voorbereidingshandelingen die daarna plaatsvonden om de cocaïne veilig te stellen dus daadwerkelijk slechts zagen op 400 gram cocaïne, het plan van de invoer en het vervoer van de container met cocaïne was gericht op 315 kilo.
(…)
Naast genoemde druggerelateerde delicten hield de organisatie zich ook op grote schaal
bezig met de handel in (automatische) vuurwapens en munitie. De verdachte heeft daar
actiefaan bijgedragen door zich schuldig te maken aan het verhandelen, overdragen en
voorhanden hebben van een groot aantal vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en
munitie.
(…)
Voorts hield de organisatie zich bezig met het witwassen van crimineel geld. [persoon 5]
(1964) en diens echtgenote [persoon 2] , de broer en schoonzuster van de verdachte,
beheerden en voerden de administratie van de financiële ‘pot’ en bewaarden ook de contante gelden van de organisatie, ten tijde van de doorzoekingen in november 2019 bestaande uit ruim € 250.000. Verdachte heeft voorts met een mede door hem opgezette witwasconstructie een woning in [plaats 4] aangekocht. Met dat doel zijn leden van de organisatie met € 700.000,- aan contanten naar Bulgarije afgereisd.
(…)
Kort gezegd: het bestaan van deze criminele organisatie heeft op allerlei fronten een
zeer ontwrichtende werking op de samenleving gehad. De verdachte heeft zich van alle
hiervoor genoemde negatieve gevolgen niets aangetrokken en gehandeld uit puur
(financieel) eigenbelang. Het hofrekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld
zoals bewezen is verklaard.”
Motivering
Vereiste aangifte
4. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en ook geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn. Van omkering van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte kon (tot de invoering van artikel 9, vierde lid, van de AWR) slechts sprake zijn indien belanghebbende was uitgenodigd tot het doen van aangifte en de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en ook geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen de door de inspecteur gestelde termijn van de aanmaning.
4.1.
Belanghebbende stelt dat hij de uitnodiging, herinnering en aanmaning tot het doen van aangiften IB/PVV nooit heeft ontvangen omdat ze naar een verkeerd adres zijn gestuurd, te weten het adres van zijn echtgenote met wie hij op dat moment niet samenwoonde. De brieven die de inspecteur gericht heeft aan de PI heeft hij ook nooit ontvangen, aldus belanghebbende. Hierdoor kan volgens hem niet gesteld worden dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan.
4.2.
De inspecteur vindt dat de uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen terecht naar het adres in [plaats 1] en later naar de PI zijn verzonden en acht het ongeloofwaardig dat deze niet door belanghebbende zouden zijn ontvangen. Ten aanzien van de jaren 2017 en 2018 heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbendes telefoon op de betreffende dagen in [plaats 1] was. De inspecteur leidt dit af uit de gegevens in het strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast zijn tijdens de doorzoeking in de woning en de auto van belanghebbende in [plaats 1] de aangiftebrieven voor de jaren 2017 en 2018 aangetroffen. De herinnering en aanmaning voor het doen van aangifte IB/PVV 2019 zijn verzonden naar de PI waar belanghebbende op dat moment verbleef, aldus de inspecteur.
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Wanneer ontvangst van de door de inspecteur verzonden uitnodigingen en aanmaningen voor het indienen van aangiften IB/PVV wordt betwist, dient de inspecteur de verzending ervan aannemelijk te maken. In een geval als het onderhavige, waarin de inspecteur stelt dat het besluit is bekendgemaakt door verzending per post, houdt die bewijslast in dat hij aannemelijk moet maken dat het desbetreffende poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Daartoe zal de inspecteur mede aannemelijk moeten maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden. Als uitgangspunt mag de inspecteur uitgaan van het adres in de BRP. Niet in geschil is dat de inspecteur de voornoemde brieven niet naar het adres in de BRP heeft verzonden. Bovendien heeft de inspecteur geen verzendrapportages overgelegd zodat de verzending van de brieven niet kan worden vastgesteld. De verzending van de genoemde brieven is dus niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de toets of de brieven naar het juiste adres zijn verzonden.
4.4.
Naar de rechtbank begrijpt, stelt de inspecteur dat belanghebbende wel bekend zou moeten zijn met de genoemde brieven omdat enkele van die brieven tijdens doorzoekingen zijn aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit niet tot een andere conclusie. Dat belanghebbende enkele brieven zou hebben ontvangen, houdt nog niet in dat ook de andere brieven door hem zijn ontvangen. Het is daarom nog steeds niet aannemelijk dat de aanmaningen over de jaren 2017 en 2018 en de uitnodiging over het jaar 2019 zijn verzonden en ontvangen. Dit betekent dat voor elk van de jaren niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende zowel is uitgenodigd als is aangemaand voor het doen van aangifte.
4.5.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de vereiste aangifte (zie 4) niet is gedaan en daarmee de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. De bewijslast dat de (navorderings)aanslagen niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld, ligt daarom bij de inspecteur.
Hoogte (navorderings)aanslagen
4.6.
De inspecteur heeft de ROW-correcties gebaseerd op bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek Calabrese en op een aanvullend fiscaal onderzoek (zie 3.15). Daarbij is de inspecteur aangesloten bij de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband, waartoe belanghebbende volgens de inspecteur behoort, zoals die uit het strafdossier en het fiscale onderzoek naar voren komen. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het samenwerkingsverband inkomsten moet hebben gegenereerd om deze uitgaven en investeringen te kunnen doen. De aldus berekende bedragen vormen de basis van de aangebrachte ROW-correcties. Volgens de inspecteur kan een aandeel van 50% in deze inkomsten aan belanghebbende worden toegerekend vanwege zijn prominente rol in het samenwerkingsverband.
4.7.
Belanghebbende bestrijdt dat hij onderdeel was van het samenwerkingsverband. De omvang van de door de inspecteur berekende uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband heeft belanghebbende als zodanig niet bestreden. Hij bestrijdt wel dat daaruit kan worden afgeleid dat het samenwerkingsverband inkomsten heeft genoten tot dezelfde bedragen. Volgens hem maakt de inspecteur niet aannemelijk of, wanneer en door wie dergelijke inkomsten zouden zijn verdiend. Daarnaast betwist belanghebbende het aandeel dat de inspecteur hem daarin toerekent.
4.8.
De rechtbank acht het gelet op het strafrechtelijk vonnis buiten redelijke twijfel dat sprake was van een samenwerkingsverband waarvan belanghebbende deel uitmaakte en waaruit hij aanzienlijke inkomsten genoot (zie 3.19). Voor de jaren 2018 en 2019 sluit de rechtbank aan bij het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op dit punt. Voor het jaar 2017 is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat die het oordeel rechtvaardigen dat belanghebbende in dat jaar activiteiten ontplooide waarmee aanzienlijk inkomen werd gegenereerd, welke niet zijn opgegeven aan de Belastingdienst.
4.9.
Niet in geschil is dat het samenwerkingsverband in de onderhavige jaren uitgaven heeft gedaan en investeringen heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daaruit mogen afleiden dat tegenover deze uitgaven en investeringen inkomsten moeten hebben gestaan. Uitgaven en investeringen kunnen immers alleen worden gedaan indien daarvoor middelen beschikbaar zijn. De rechtbank acht aannemelijk dat het samenwerkingsverband deze inkomsten in de onderhavige jaren heeft verdiend. Uit de vele tapgesprekken en hetgeen tijdens de doorzoekingen is aangetroffen, volgt dat het samenwerkingsverband zich in de onderhavige jaren onder meer actief bezighield met zeer lucratieve handel waar veel geld in omging. Het is een feit dat dergelijke activiteiten in hoofdzaak worden ontplooid met het doel financieel voordeel te behalen. De rechtbank acht in dit verband niet van belang door wie en in welke mate dit voordeel precies is verdiend; het voordeel is behaald binnen het samenwerkingsverband en wordt daarbinnen verdeeld. De inspecteur dient aannemelijk te maken dat belanghebbende het gestelde inkomen heeft genoten. Uit het strafdossier blijkt dat het samenwerkingsverband slechts één gezamenlijke geldpot aanhield waarin opbrengsten werden samengebracht en waaruit vervolgens de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband werden gefinancierd (zie ook 3.14). De door de inspecteur gestelde opbrengst van het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk. De vraag of de inspecteur aannemelijk maakt dat een aandeel van 50% uit deze pot aan belanghebbende kan worden toegerekend, komt hierna aan de orde.
4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat ten minste 50% van de door het samenwerkingsverband verdiende inkomsten aan belanghebbende zijn toegekomen. Voor dit oordeel sluit de rechtbank aan bij de overwegingen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de rol van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband (zie 3.19). Belanghebbende was de leider van dit samenwerkingsverband. Gelet op deze rol binnen het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende niet alleen heeft bijgedragen aan de activiteiten van het samenwerkingsverband, maar ook aanzienlijk heeft gedeeld in de daarmee behaalde opbrengsten. De rechtbank kan niet vaststellen welk aandeel belanghebbende precies had in de pot, wat ook logisch is want belanghebbende en de overige deelnemers van het samenwerkingsverband geven geen enkel inzicht gegeven in de wijze waarop de opbrengsten binnen het samenwerkingsverband werden verdeeld. Gelet op de hiervoor beschreven rol van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband en gelet op de rollen van de overige deelnemers van het samenwerkingsverband, zoals die volgen uit het strafdossier en het strafvonnis, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende ten minste een aandeel van 50% in de pot toekwam.
4.11.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de inspecteur op basis van een normale bewijslastverdeling erin geslaagd acht om de ROW-correcties aannemelijk te maken. Dat betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 niet te hoog is vastgesteld. Deze aanslagen blijven daarom in stand.
Belastingrente
4.12.
De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de belastingaanslag volgt.
Vergrijpboete bij navorderingsaanslag IB/PVV 2017
4.13.
Aan belanghebbende is bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft het (voorwaardelijk) opzettelijk dan wel grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid dat de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld.
4.14.
De rechtbank stelt voorop dat het beboetbare feit dat op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan leiden tot een vergrijpboete bij navordering, niet is beperkt tot een bepaald handelen of nalaten met betrekking tot de aangifte. Deze vergrijpboete kan worden opgelegd indien het met betrekking tot een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of dat anderszins te weinig belasting is geheven. Door deze andere, ruimere omschrijving van het beboetbare feit, waarbij slechts de gevolgen van het handelen of nalaten van de belastingplichtige worden genoemd, bestaat de mogelijkheid tot het opleggen van een vergrijpboete op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR ook in gevallen waarin de belastingplichtige niet correct is uitgenodigd en aangemaand tot het doen van aangifte, zoals hier aan de orde.
4.15.
De rechtbank overweegt verder dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld.
4.16.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
4.17.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De inspecteur heeft overtuigend aangetoond dat belanghebbende in de onderhavige jaren deel uitmaakte van een zeer lucratief samenwerkingsverband (zie 3.14) waaruit belanghebbende omvangrijke inkomsten genoot en deze inkomsten bewust buiten het zicht van de Belastingdienst hield. De rechtbank acht het voorts buiten redelijke twijfel dat het samenwerkingsverband ook in 2017 al lucratieve activiteiten ontplooide. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke activiteiten in hoofdzaak worden ontplooid met het doel financieel voordeel te behalen. Gelet op de actieve rol die belanghebbende vervulde binnen het samenwerkingsverband (zie 3.19), is de rechtbank ervan overtuigd dat belanghebbende minst genomen een fors deel van dit financiële voordeel toekwam. Het is eveneens een feit van algemene bekendheid dat over dit financiële voordeel inkomstenbelasting is verschuldigd. Onder meer gelet op het illegale karakter van de activiteiten die door het samenwerkingsverband werden ontplooid, acht de rechtbank het buiten redelijke twijfel dat belanghebbende dit voordeel bewust buiten het zicht van de Belastingdienst heeft willen houden, waardoor hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag zou worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 daarom terecht opgelegd.
4.18.
De rechtbank acht de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 ook passend en geboden. Aan de oplegging van die boete staat niet in de weg dat de grondslag van deze boete tot stand is gekomen aan de hand van inschattingen en er beperkt zicht op wat er daadwerkelijk is verdiend. Dat is inherent aan het feit dat belanghebbende geen openheid heeft gegeven over zijn genoten inkomsten. Bovendien heeft de inspecteur op een aantal punten conservatief gerekend en heeft belanghebbende de omvang van de inkomsten van het samenwerkingsverband niet betwist. De rechtbank ziet, in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van het ontbreken van draagkracht, geen aanleiding om de boete te matigen.
4.19.
De rechtbank ziet wel aanleiding voor vermindering in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’) dan wel vaststelling dat de termijn is overschreven. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn op de uitspraakdatum (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan. De boete voor zover deze meer dan € 1.000 bedraagt, moeten dan als uitgangspunt worden gematigd met 10%. Omdat de matiging in dat geval voor de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 meer bedraagt dan € 2.500, wordt de matiging voor die boete gemaximeerd op € 2.500. Dat betekent dat de rechtbank de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 vermindert tot € 75.136.
Vergrijpboeten bij aanslagen IB/PVV 2018 en 2019
4.20.
Ten aanzien van de vergrijpboeten bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 overweegt de rechtbank als volgt. Van het niet doen van aangifte als bedoeld in artikel 67d, eerste lid, van de AWR kon – tot de invoering per 1 januari 2020 van artikel 9, lid 4, AWR – alleen worden gesproken indien de betrokkene (i) is uitgenodigd tot het doen van aangifte, (ii) de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken, en (iii) tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, lid 3, AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn. Dit houdt in dat de vergrijpboete als bedoeld in artikel 67d, eerste lid, van de AWR bij een aanslag niet kan worden opgelegd indien belanghebbende niet op de juiste wijze is uitgenodigd.
4.21.
De inspecteur is niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 correct is uitgenodigd en vervolgens is aangemaand om aangifte te doen (zie 4.3). Gelet hierop dienen de vergrijpboeten bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 te worden vernietigd.
4.22.
De rechtbank zal – gelet op het verzoek om vergoeding van immateriële schade in combinatie met de vernietiging van de boeten over de jaren 2018 en 2019 – nog wel een vergoeding van immateriële schade toekennen in de hierna volgende overwegingen aangezien de redelijke behandeltermijn is overschreden.
Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
4.23.
Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
4.24.
Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan.
4.25.
Mede gelet op de beroepsgronden, hebben de zaken van belanghebbende over de jaren 2017, 2018 en 2019 in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken samen waren betrokken in hetzelfde boekenonderzoek en in de bezwaar- en beroepsfase (nagenoeg) gezamenlijk zijn behandeld, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Dat betekent dat belanghebbende in dit geval wat betreft de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 recht heeft op een immateriëleschadevergoeding van in totaal € 1.000.
4.26.
Omdat de bezwaarfase afgerond 30 maanden heeft geduurd en daarmee – na correctie, waarover partijen het eens zijn – 1 maand te lang, komt € 83,33 (1/12e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 916,67) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
4.27.
Wat betreft de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 geldt dat vanwege de vernietiging van de boetes compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet kan worden verleend door vermindering van die boete. Aangezien de boetes meer dan € 1.000 bedroegen en belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade, kan compensatie voor deze verdragsschending met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb worden verleend in de vorm van een vergoeding van immateriële schade op eenzelfde wijze als voor de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019, dus van tweemaal € 1.000. Van deze vergoeding komt ook, overeenkomstig het hiervoor onder 4.26 overwogene, € 83,33 (1/12e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 916,67) voor rekening van de Staat.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen tegen de vergrijpboeten over de jaren 2017, 2018 en 2019 zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de vergrijpboeten over de jaren 2017, 2018 en 2019. De rechtbank vermindert de vergrijpboete over het jaar 2017 tot een bedrag van € 75.136 in verband met undue delay en vernietigt de boeten over 2018 en 2019. De overige beroepen zijn ongegrond. Tot slot bestaat er recht op een vergoeding van immateriële schade van in totaal € 3.000.
5.1.
Omdat de beroepen met betrekking tot de vergrijpboeten over de jaren 2017, 2018 en 2019 gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft aangegeven dat een proceskostenvergoeding niet aan de orde is omdat belanghebbende procedeert op toevoeging. De rechtbank zal daarom geen proceskostenvergoeding toekennen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen tegen de vergrijpboeten over de jaren 2017, 2018 en 2019 gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de vergrijpboeten over de jaren 2017, 2018 en 2019;
vernietigt de boetebeschikkingen voor de jaren 2018 en 2019;
vermindert de vergrijpboete over het jaar 2017 tot een bedrag van € 75.136;
verklaart de overige beroepen ongegrond;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 249,99;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 2.750,01;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, mr. V.A. Burgers en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier. De uitspraak is ondertekend door de jongste rechter, omdat de voorzitter verhinderd is de uitspraak te ondertekenen.
griffier
mr. drs. S.J. Willems-Ruesink
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5459.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2023, parketnummer 20-002245-21.
Artikel 27e, eerste lid, van de AWR.
Vgl. Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675.
Hoge Raad 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1500, r.o. 5.4.
Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875 en Hoge Raad 20 januari 2023,
ECLI:NL:HR:2023:41.
Zie voor een deel van die overwegingen onderdeel 3.20 van deze uitspraak.
Vgl. Hoge Raad 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1500.
Vgl. Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297 .
Hoge Raad 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1500, r.o. 5.2 en 5.3.
Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1.
Vgl. Hoge Raad 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216.