Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:41
2023-01-20
Bestuursrecht; Belastingrecht
22/00362
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 8:54 Awb; bekendmaking aanslag; termijnoverschrijding.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:875 Hoge Raad 17-06-2022
Geciteerd door (35)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8533 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-09-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8198 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2670 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2042 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:224 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:68 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:67 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:67 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:67 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:76 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:76 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:76 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:68 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:68 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:107 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8183 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8424 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6863 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5352 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4496 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-07-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:71 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 21-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1541 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:703 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:597 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2938 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-09-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4981 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-07-2024
- ECLI:NL:OGEAA:2024:42 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 15-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6779 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-10-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6378 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-09-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6333 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-09-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4788 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2578 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1969 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1967 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1968 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-02-2023
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.498 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00362
Datum 20 januari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 23 december 2021, nrs. SGR 21/2378 V en SGR 21/2379 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 augustus 2021. De uitspraak op het verzet van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door P.R. Autar, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Met dagtekening 28 juni 2017 zijn aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd.
2.1.2
Belanghebbende heeft bij brief van 30 november 2020 bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen. De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.3
In verzet is de uitspraak van de Rechtbank waarbij het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar met toepassing van artikel 8:54 Awb ongegrond is verklaard, in stand gelaten. De ongegrondverklaring van het beroep steunt op de overweging dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslagen naar het juiste adres van belanghebbende zijn verzonden.
2.2
De eerste klacht richt zich tegen het hiervoor in 2.1.3 weergegeven oordeel van de Rechtbank. Die klacht slaagt. In het geval de verzending van een belastingaanslag door de belanghebbende wordt betwist, dient de inspecteur niet alleen aannemelijk te maken dat deze aanslag naar het juiste adres is verzonden, maar ook aan welk postvervoerbedrijf die aanslag voor verzending is aangeboden. Zoals is vermeld in het in cassatie ingediende verweerschrift maken de door de Inspecteur bij de Rechtbank overgelegde verzendrapporten niet duidelijk of de aanslagen ter verzending zijn aangeboden aan PostNL of aan Sandd. Dat betekent dat het verzet ten onrechte ongegrond is verklaard.
2.3
Uit hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, volgt dat de uitspraak op het verzet van de Rechtbank niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan het verzet afdoen. Het verzet dient gegrond te worden verklaard.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het verzet bij de Rechtbank.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet,
- verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 13 augustus 2021 gegrond,
- verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek voortzet in de stand waarin het zich bevond,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.348 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het verzet bij de Rechtbank, vastgesteld op € 837 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2023.
Vgl. HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, rechtsoverweging 2.5.1.
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00362
Datum 20 januari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 23 december 2021, nrs. SGR 21/2378 V en SGR 21/2379 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 augustus 2021. De uitspraak op het verzet van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door P.R. Autar, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Met dagtekening 28 juni 2017 zijn aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd.
2.1.2
Belanghebbende heeft bij brief van 30 november 2020 bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen. De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.3
In verzet is de uitspraak van de Rechtbank waarbij het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar met toepassing van artikel 8:54 Awb ongegrond is verklaard, in stand gelaten. De ongegrondverklaring van het beroep steunt op de overweging dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslagen naar het juiste adres van belanghebbende zijn verzonden.
2.2
De eerste klacht richt zich tegen het hiervoor in 2.1.3 weergegeven oordeel van de Rechtbank. Die klacht slaagt. In het geval de verzending van een belastingaanslag door de belanghebbende wordt betwist, dient de inspecteur niet alleen aannemelijk te maken dat deze aanslag naar het juiste adres is verzonden, maar ook aan welk postvervoerbedrijf die aanslag voor verzending is aangeboden. Zoals is vermeld in het in cassatie ingediende verweerschrift maken de door de Inspecteur bij de Rechtbank overgelegde verzendrapporten niet duidelijk of de aanslagen ter verzending zijn aangeboden aan PostNL of aan Sandd. Dat betekent dat het verzet ten onrechte ongegrond is verklaard.
2.3
Uit hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, volgt dat de uitspraak op het verzet van de Rechtbank niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan het verzet afdoen. Het verzet dient gegrond te worden verklaard.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het verzet bij de Rechtbank.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet,
- verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 13 augustus 2021 gegrond,
- verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek voortzet in de stand waarin het zich bevond,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.348 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het verzet bij de Rechtbank, vastgesteld op € 837 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2023.
Vgl. HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, rechtsoverweging 2.5.1.