Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2134

2026-06-30 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/727
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/727
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026093008; Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/1047; V-N Vandaag 2026/2040

Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag IB/PVV 2017; stakingswinst garagebedrijf; premie-aftrek lijfrenteverzekering.

Citeert (14)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (78.412 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/727


30 juni 2026




uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende
(gemachtigde: P.G. Hoogeveen),



en op het incidenteel hoger beroep van




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,



tegen de uitspraak van 7 januari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 23/3645 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen



belanghebbende



en



de inspecteur.






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 619.028. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 51.137 belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft in haar uitspraak als volgt op het beroep beslist (belanghebbende is in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):


“De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;


vermindert de navorderingsaanslag tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 245.024 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;


veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 3.108; en


draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 50 aan hem te vergoeden.”





1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld.



1.5.
De griffier van het Hof heeft de inspecteur op 1 mei 2025 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 12 juni 2025 een verweerschrift in te dienen. In deze brief staat onder andere ook:


“Ik wijs u op de mogelijkheid binnen dezelfde termijn incidenteel hoger beroep in te stellen. (…) Voor het instellen van incidenteel hoger beroep kan geen uitstel worden verleend.”




1.6.
Op 10 juli 2026 heeft de griffier van het Hof de inspecteur erop gewezen dat nog geen reactie op de brief van 1 mei 2025 is ontvangen en de inspecteur daarbij in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 24 juli 2025 alsnog een verweer in te dienen.



1.7.
Op 21 juli 2025 heeft de inspecteur een verweerschrift ingediend en tevens een incidenteel hogerberoepschrift. Bij brief van 13 augustus 2025 heeft belanghebbende op het incidenteel hoger beroep gereageerd.



1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Voorafgaand heeft belanghebbende een pleitnota ingediend. Van het verhandelde ter zitting is een procesverbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.






2Feiten


2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:


“1. Eiser is geboren op 22 maart 1953 en exploiteerde vanaf september 1979 tot 1 januari 1987 een garagebedrijf met zijn vader in een vennootschap onder firma. Bij het aangaan van de vennootschap onder firma heeft de vader het volgende ingebracht:

- het bedrijfspand waarin garage, werkplaats, stalling, autoboxen, kantoor, magazijn met erf en grond alsmede een woonhuis, staande en gelegen aan de [A-straat] 52 en 54 en [B-straat] 33 te [Z] , gemeente [R] , kadastraal bekend gemeente [S] , sectie A, nummers [#1] , groot acht are vijfennegentig centiare en [#2] , groot drie are dertig centiare (hierna tezamen te noemen: de onroerende zaken).

2. Met ingang van 1 januari 1987 is de vader van eiser uitgetreden en heeft eiser het garagebedrijf voortgezet in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [Y] (hierna: het garagebedrijf). De vader heeft bij uittreding bij notariële akte van 13 februari 1987 de juridische eigendom van de onroerende zaken aan eiser geleverd. In de notariële akte is onder meer het volgende opgenomen:

“De comparanten verklaren met elkaar sedert september negentienhonderd negenenzeventig als vennoten van de vennootschap onder firma: “ [W] ” het garagebedrijf uit te oefenen, waarin door de comparant sub 1– onder meer het feitelijk bezit en genot – is ingebracht:
“het bedrijfspand waarin garage, werkplaats,
“stalling, autoboxen, kantoor, magazijn met erf en
“grond alsmede een woonhuis, staande en gelegen aan
“de [A-straat] 52 en 54 en [B-straat] 33 te [Z]
, gemeente [R] , kadastraal bekend
“gemeente [S] , sectie A, nummers
“ [#1] , groot acht are vijfennegentig centiare en
“ [#2] , groot drie are dertig centiare”.”


3. Het perceel aan de [B-straat] 33 ligt achter het bedrijfspand aan de [A-straat] 54.

4. Op 7 december 2017 heeft eiser in verband met zijn echtscheiding bij verdeling van de huwelijksgemeenschap volgens de notariële akte onder meer toebedeeld gekregen:
- het bedrijfspand waarin garage, werkplaats, stalling, autoboxen, kantoor, magazijn met erf en grond, alsmede een woonhuis, staande en gelegen aan de [A-straat] 50b tot en met g, 52 en 54, [postcode 1] [Z] en [B-straat] 33 [postcode 2] [Z] , gemeente [R] , kadastraal bekend gemeente [S] , sectie A nummers [#1] , groot acht are vijfennegentig centiare (8 a 95 ca) en [#2] , groot drie are dertig centiare (3 a 30 ca).

5. Op 26 februari 2018 heeft eiser [V] B.V. (hierna: de BV) opgericht. Bij oprichting heeft eiser de aandelen volgestort door inbreng van het garagebedrijf per 1 september 2017. Daarbij is bepaald dat de inbreng alle activa van de onderneming omvat onder de verplichting voor de BV alle passiva van de onderneming voor haar rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen, volgens de inbrengbalans. In de bijbehorende inbrengakte is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“II Inbreng
(…)

1. De inbreng omvat alle activa van de vorenbedoelde onderneming, hierna te noemen: onderneming, onder de verplichting voor de vennootschap alle passiva van de onderneming voor haar rekening te nemen en als haar eigen schuld te voldoen, één en ander zoals nader aangeduid in de aan deze akte te hechten en door de inbrenger gewaarmerkte inbrengbalans per éénendertig augustus tweeduizend zeventien (31-08-2017); deze balans hierna te noemen: inbrengbalans, als inbrengdatum geldt één september tweeduizend zeventien (01-09-2017), deze datum hierna te noemen: inbrengdatum.
2. De inbreng omvat eveneens:
a. de administratie, het exclusieve recht op het gebruik van de handelsnaam, alsmede andere immateriële activa;
b. de tussen de inbrenger en derden bestaande duurovereenkomsten betrekking

hebbende op de onderneming, zoals huur- en optierechten en verzekering- en
arbeidsovereenkomsten;

c. de voor de ongestoorde uitoefening van de onderneming vereiste en voor overdracht vatbare vergunningen;
d. alle goederen welke sedert de inbrengdatum ten behoeve de onderneming door de inbrenger zijn verkregen.

(…)

III Levering

Overgaande tot de inbreng verklaarde de comparant als inbrenger bij deze aan de
vennootschap te leveren en verklaarde hij voor en namens de vennootschap te
aanvaarden alle hiervoor onder II omschreven goederen, zowel voor als na de
inbrengdatum verkregen.
(…)
Onder de inbreng is nadrukkelijk begrepen de eigendom van de navolgende
registergoederen:

- het bedrijfspand, waarin garage, werkplaats, stalling, autoboxen, kantoor, magazijn met erf en grond en mogelijk verder aan- en toebehoren, plaatselijk bekend [A-straat] 52 en 54, [postcode 1] [Z], kadastraal bekend gemeente [S] , sectie A, nummer [#3], (voorlopig) groot zeven are negenentwintig centiare (7 a 29 ca);

het hiervoor omschreven registergoed, hierna ook te noemen: het registergoed.
(…).”


6. Op 13 april 2018 heeft eiser een lijfrenteovereenkomst gesloten bij de BV in verband met de stakingswinst (€ 704.296) en afname van de fiscale oudedagsreserve (€ 46.434), ontstaan bij de ruisende inbreng van het garagebedrijf in de BV. De koopsom bedraagt € 374.004. De lijfrentetermijnen gaan in uiterlijk zes maanden na oprichting van de BV en eindigen bij het overlijden van eiser.

7. Op 17 mei 2018 heeft eiser een koopovereenkomst gesloten waarbij hij de onroerende zaak aan de [A-straat] 54 en een deel van de grond aan [B-straat] 33 te [Z] verkoopt aan een derde. De levering vond plaats op 12 juni 2018.

8. Op 25 mei 2018 heeft de BV een koopovereenkomst gesloten met [C] B.V. in verband met de verkoop van het bedrijfspand aan de [A-straat] 50 en 52. Op 12 juni 2018 vond de levering plaats. De BV en de koper kwamen overeen dat de koper de bedrijfsruimte aan de [A-straat] 52 inclusief de installaties en voorzieningen, met ingang van 12 juni 2018 tot 12 juni 2021 aan de BV verhuurt. De huurovereenkomst kon worden beëindigd door opzegging tegen het einde van de lopende huurperiode met inachtneming van de opzegtermijn van één maand.

9. De omzetten van het garagebedrijf in de jaren 2012 tot en met 2017 waren als volgt (bedragen in euro’s):
















2012


2013


2014


2015


2016


2017 (tot1-9-17)




Omzet


127.143


142.877


112.692


98.917


101.317


109.897






10. De omzet van de BV was in 2018 € 115.402 en in 2019 € 49.991. In de jaren 2020 en 2021 was de omzet van de BV nihil.

11. Gemachtigde heeft namens eiser op 2 september 2019 aangifte IB/PVV 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 484 en een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.432, bestaande uit belastbare winst uit onderneming van datzelfde bedrag. Bij die aangifte heeft eiser als bijlage een winstopstelling van het garagebedrijf (de eenmanszaak) gevoegd over het boekjaar, lopende van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017. Daarin zijn de gebouwen en terreinen gesteld op een waarde van € 67.138. In de aangifte is geen melding gemaakt van de staking van de onderneming.

12. Op 22 oktober 2019 heeft verweerder aan eiser een primitieve aanslag IB/PVV 2017 opgelegd conform de op 2 september 2019 ingediende aangifte.

13. Op 17 november 2020 heeft gemachtigde namens eiser een herziene aangifte IB/PVV 2017 ingediend en daarin de staking van het garagebedrijf per 1 september 2017 verantwoord. De aangegeven stakingswinst bedraagt € 704.296. De aangegeven belastbare winst uit onderneming bedraagt € 253.323. Daarbij heeft eiser premie-aftrek geclaimd in verband met het bedingen van een lijfrente vanwege afname van de fiscale oudedagsreserve (€ 46.434) en de stakingswinst (€ 327.570) van in totaal € 374.004. Voor de bedrijfsgebouwen is uitgegaan van een waarde per stakingsdatum van € 725.000.

14. Naar aanleiding van de herziene aangifte 17 november 2020 heeft verweerder een eerste verzoek om informatie gestuurd op 7 januari 2021.

15. Na de reactie op de vragenbrief namens eiser heeft verweerder op 27 januari 2021 een tweede verzoek om informatie gestuurd, waarop eiser op 10 maart 2021 een reactie heeft gegeven.

16. Op 7 april 2021, 19 april 2021 en 25 mei 2021 heeft verweerder vragenbrieven aan eiser gestuurd, die door eiser bij brief van 4 juni 2021 zijn beantwoord.

17. Op 2 juni 2021 heeft gemachtigde namens eiser nogmaals een herziene aangifte ingediend. De stakingswinst bedraagt € 704.296. De aangegeven belastbare winst uit onderneming bedraagt € 89.923. Daarbij heeft eiser premie-aftrek geclaimd in verband met het bedingen van een lijfrente vanwege afname van de fiscale oudedagsreserve (€ 46.434) en de stakingswinst (€ 327.570) van in totaal € 374.004. Voor de bedrijfsgebouwen is uitgegaan van een waarde per stakingsdatum van € 535.000.

18. Verweerder heeft eiser bij brief van 19 augustus 2021 om nadere informatie gevraagd, waarop eiser heeft gereageerd bij brief van 3 september 2021.

19. Op 29 maart 2022 heeft verweerder een kennisgeving tot navordering gestuurd aan eiser. Op 24 november 2022 heeft verweerder de navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 619.028.”



2.2.
Het Hof zal ook uitgaan van de hiervoor vermelde feiten. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast.



2.3.
Tot de gedingstukken behoort een voorovereenkomst of intentieverklaring, gedagtekend 21 augustus 2017, waarin – voor zover van belang – het volgende is vermeld:


“De ondergetekende:

1. [belanghebbende],

Ten dezen handelend:

1. Voor zich, als zodanig te noemen: de inbrenger.
2. Namens op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [BV],

hierna te noemen: de vennootschap.

Verklaart dat de inbrenger en de vennootschap zijn overeengekomen als volgt:


1. De inbrenger zal zo spoedig mogelijk, nadat alle daartoe vereiste formaliteiten zullen zijn vervuld, overgaan tot de inbreng ex. art. 2:204A BW, zulks ter voortzetting van de
onderneming van de inbrenger, welke is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, onder nummer 34014602.
2. Indien vereist zal de vennootschap een beschrijving opstellen als bedoeld in art. 2:204A, lid 2, BW.
3. De activiteiten komen vanaf 1 september 2017 voor rekening en risico van de vennootschap.
(…)”



2.4.

Tot de gedingstukken behoort een oprichtingsakte van een door belanghebbende opgerichte BV van 26 februari 2018, ten behoeve van de inbreng van zijn onderneming, waarin – voor zover van belang – het volgende is vermeld:
“B. Overeenkomst tot storting
(…)


4. Verrekeningen

a. Indien uit de sub 3.a gemelde beschrijving blijkt dat het saldo van de activa en passiva

lager is dan het bedrag van de stortingsplicht, in geld uitgedrukt, waaraan met de
inbreng moet worden voldaan (hierna te noemen: de stortingsplicht) zal de oprichter
uiterlijk bij de oprichting het verschil in geld storten.
Indien een nieuwe beschrijving als sub 3.b bedoeld vereist is en het uit die beschrijving blijkende saldo van activa en passiva, vermeerderd met de verplichtingen uit hoofde van vorenbedoelde bijstorting: hoger is dan de stortingsplicht, zal geen verrekening plaatsvinden; lager is dan de stortingsplicht, zal de oprichter uiterlijk bij de oprichting ook het dan nog blijkende verschil in geld storten.

b. Indien uit de sub 3.a gemelde beschrijving blijkt dat het saldo van de activa en passiva

hoger is dan het bedrag van de stortingsplicht, zal de oprichter voor het verschil in de boeken van de vennootschap worden gecrediteerd en/of zal het verschil als agio in de boeken van de vennootschap worden opgenomen.
De oprichter heeft het recht om op de voet van artikel 3.128 Wet inkomstenbelasting 2001 een of meer lijfrenten in de zin van artikel 3.125 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna te noemen: lijfrente) van de vennootschap te bedingen.
Indien een nieuwe beschrijving als sub 3.b vereist is en het uit die beschrijving blijkende saldo van activa en passiva, verminderd met de verplichtingen uit hoofde van vorenbedoelde creditering of de daarvoor bedongen lijfrente: hoger is dan de stortingsplicht, zal geen verrekening plaatsvinden; lager is dan de stortingsplicht, zal, ter keuze van de oprichter, vorenbedoelde creditering, agioreserve en/of de daarvoor bedongen lijfrente - zo mogelijk - tot
het beloop van dat verschil worden verminderd. Indien ook dan nog een verschil blijft bestaan, zal de oprichter uiterlijk bij de oprichting het verschil in geld storten.
(…)”




2.5.

Belanghebbendes onderneming is in een BV ingebracht bij inbrengakte van 26 februari 2018. In die akte zijn – voor zover van belang – de volgende bepalingen opgenomen:
“2. Inbreng (algemeen)

a. De onderneming wordt geacht van één september tweeduizend zeventien (01-09-2017) af voor rekening en risico van de vennootschap te zijn gedreven.
b. Van de sub a bedoelde datum af tot de dag van oprichting zullen de winst en het verlies van de onderneming ten bate en ten laste van de vennootschap zijn.

(…)
VIII Glijclausule
Indien onherroepelijk komt vast te staan dat de inbrenger fiscaalrechtelijk een waarde aan de inbreng moet toekennen, die afwijkt van de waarde vermeld in de inbrengbalans, zal die afwijkende waarde ook tussen de inbrenger en de vennootschap als waarde van inbreng gelden. Partijen verbinden zich in die situatie tot het verrichten van al hetgeen te dien aanzien is overeengekomen in de akte van oprichting van de vennootschap.”




2.6.
Belanghebbende heeft 13 april 2018 ter zake van de inbreng van zijn onderneming in een BV een lijfrenteovereenkomst gesloten die tot de gedingstukken behoort.









3Geschil in hoger beroep


3.1.
In het principale hoger beroep is in geschil:


of de vereiste aangifte is gedaan en in verband daarmee de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is;


de waarde van het perceel [B-straat] 33 en in verband hiermee of belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan premieaftrek voor de lijfrenteverzekering;


de omvang van de berekende belastingrente;


of de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is voor een vergoeding van werkelijke proceskosten;


of de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de grief dat geen informatie is verstrekt ten aanzien van onderzoeken bij derden.





3.2.
In het incidentele hoger beroep is in geschil of de koopsom voor de lijfrenteverzekering in aftrek komt bij belanghebbende.






4Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen en beslist:



“Vereiste aangifte en omkering en verzwaring bewijslast

22. Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van de inhoudelijke geschilpunten, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of eiser de vereiste aangifte in de zin van artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) heeft gedaan. Als de vereiste aangifte namelijk niet is gedaan, dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard (artikel 27e, eerste lid, van de AWR). Dit betekent dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij eiser heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

23. Volgens vaste jurisprudentie kan bij inhoudelijke gebreken in de aangifte slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan als sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Bij de beoordeling of hieraan is voldaan moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. Bij de beoordeling of de vereiste aangifte is gedaan, dient de aangifte als geheel in aanmerking te worden genomen. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient de inspecteur volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken (zie Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312).

24. Inhoudelijke gebreken in de aangifte leiden alleen tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (zie Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Ten aanzien van de bewustheid geldt dat kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat of die de belastingplichtige anderszins behulpzaam zijn geweest bij de nakoming van zijn verplichting tot het doen van aangifte, in dit verband aan die belastingplichtige moeten worden toegerekend (zie Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663).

25. Eiser stelt zich op het standpunt dat de vereiste aangifte is gedaan. Zowel eiser als gemachtigde waren bij het indienen van de eerste aangifte zich niet ervan bewust dat die aangifte in absolute zin en verhoudingsgewijs aanzienlijk te laag was. Naderhand kwam het besef dat die aangifte onjuist was en die is dan ook op eigen initiatief gecorrigeerd; dit ziet eiser als een “verzoek tot ambtshalve verbetering”. Op een dergelijk verzoek is volgens eiser de omkering en verzwaring van de bewijslast niet van toepassing. Bovendien heeft eiser in die herziene aangifte een pleitbaar standpunt ingenomen, aldus eiser. Ter zitting heeft eiser aangevuld dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast bovendien niet aan de orde kan komen omdat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zouden zijn overgelegd door verweerder. Eiser stelt namelijk dat er derdenonderzoeken hebben plaatsgevonden en dat de verslagen van die onderzoeken niet in het dossier zijn opgenomen.

26. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Verweerder voert hiertoe aan dat de staking van het garagebedrijf niet is verantwoord in de aangifte. Met de indiening van de herziene aangiften waarin de stakingswinst van € 704.296 is opgenomen, geeft eiser al te kennen dat de eerst ingediende aangifte onjuist was, aldus verweerder. Volgens verweerder wist eiser, of had hij zich ervan bewust moeten zijn dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Op het moment van indiening van de eerste aangifte wisten eiser en gemachtigde namelijk al dat het garagebedrijf in de vorm van de eenmanszaak gestaakt was in 2017. Die bewustheid volgt ook uit het feit dat op 21 juni 2017 het taxatieverslag was uitgebracht waaruit de meerwaarden blijken van de onroerende zaken behorende tot het ondernemingsvermogen, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder gereageerd op eisers standpunt over de derdenonderzoeken. Verweerder betwist dat er derdenonderzoeken hebben plaatsgevonden, anders dan die bij de heer [D] . Van dat onderzoek is het verslag opgenomen in het dossier. Bovendien stelt verweerder dat deze stelling van eiser tardief is.

27. De rechtbank oordeelt dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat als gevolg daarvan de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

28. In de door eiser op 2 september 2019 ingediende aangifte was de staking van het garagebedrijf niet opgenomen, terwijl de onderneming toen al gestaakt was. De rechtbank stelt dan ook vast dat de aangifte onjuist is. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de onjuiste aangifte ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting, absoluut en relatief, aanzienlijk lager is dan de belasting die werkelijk verschuldigd is. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is, gelet op de stakingswinst van € 704.296. Op grond van de aangifte van 2 september 2019 bedroeg de verschuldigde IB/PVV € 11.580, terwijl volgens de herziene aangifte van 2 juni 2021 de verschuldigde IB/PVV € 36.461 bedroeg. Reeds daaruit volgt dat, ook vergeleken met de volgens eiser verschuldigde belasting die aanzienlijk lager is dan de volgens verweerder verschuldigde belasting, de volgens de aangifte verschuldigde belasting absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de daadwerkelijk verschuldigde belasting.

29. De rechtbank is van oordeel dat eiser zich ervan bewust was of had moeten zijn dat hij met de indiening van de aangifte op 2 september 2019 niet de vereiste aangifte deed. Immers, op het moment van indiening van de aangifte was de onderneming al gestaakt, was de lijfrenteovereenkomst met de BV al gesloten en had de inbreng van de onderneming in de BV al plaatsgevonden. Bovendien heeft gemachtigde ter zitting verklaard dat de aangifte is ingediend door een onoplettende medewerker, waarmee ook gemachtigde erkent dat de indiener van de aangifte zich ervan bewust had moeten zijn dat de aangifte onjuist was. In dit kader wijst de rechtbank erop dat de kennis en het inzicht van gemachtigde en diens medewerkers moeten worden toegerekend aan eiser.

30. De stelling van eiser dat hij zelf herziene aangiften heeft ingediend en dus wel de vereiste aangifte heeft gedaan, kan hem niet baten. Het toetsingskader voor het al dan niet hebben gedaan van de vereiste aangifte, is de eerst ingediende aangifte. Dit is namelijk de aangifte geweest die verweerder tot uitgangspunt heeft genomen bij het vaststellen van de primitieve aanslag. Dat eiser daarna de aangifte heeft verbeterd en in die aangifte een volgens hem pleitbaar standpunt heeft ingenomen, is daarom dus niet relevant. Wat betreft het standpunt van eiser dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast niet kan worden toegepast in verband met een incompleet dossier overweegt de rechtbank als volgt. Deze stelling heeft eiser pas ter zitting naar voren gebracht. Bovendien betwist verweerder dat sprake is van een incompleet dossier. Reeds hierom ziet de rechtbank geen aanleiding om de omkering en verzwaring van de bewijslast achterwege te laten.



Vermogensetikettering perceel [B-straat] 33


31. Eiser stelt dat de stakingswinst onjuist is vastgesteld omdat het perceel [B-straat] 33 ten onrechte tot het ondernemingsvermogen is gerekend. Volgens eiser is het perceel [B-straat] 33 al sinds de verkrijging verplicht privévermogen. Het is immers niet in gebruik bij en/of dienstbaar aan de woning aan de [A-straat] 54 of aan het garagebedrijf. Het perceel betreft slechts een braakliggend stuk grasland. Dat dit stuk land werd gebruikt als tuin bij de woning van [A-straat] 54 betwist eiser. Dat het perceel [B-straat] 33 tot het verplichte privévermogen behoort, volgt volgens eiser bovendien uit de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 17 november 2004, nr. 04/03298 over de aanslag IB/PVV voor het belastingjaar 1998. In de aangifte over dat jaar is het perceel [B-straat] 33 met toepassing van de foutenleer op het ondernemingsvermogen gecorrigeerd en het gerechtshof Amsterdam heeft in die uitspraak daarover niets overwogen en dus is die correctie in stand gelaten, aldus eiser. Met die uitspraak is de aanslag IB/PVV 1998 onherroepelijk vast komen te staan en daarop kan niet meer worden teruggekomen. Tot slot stelt eiser dat het perceel [B-straat] 33 ook geen aanhorigheid is omdat niet is voldaan aan de criteria genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5412. Ter zitting heeft eiser aangevuld dat het perceel [B-straat] 33 niet expliciet staat vermeld op de balans van het garagebedrijf en dat daaruit kan worden afgeleid dat het niet tot het ondernemingsvermogen behoort.

32. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat als het perceel [B-straat] 33 wel tot het ondernemingsvermogen behoort, de door verweerder gehanteerde waarde van het perceel van € 185.000 onjuist is. Blijkens het taxatieverslag van verweerder wordt uitgegaan van een prijs per m² van € 703, waar volgens eiser een prijs per m² van € 200 redelijk is, gelet op de gemiddelde uitgifteprijs voor gronden binnen de gemeente [R] . Bovendien is verweerder ervan uitgegaan dat het perceel een afmeting van 330 m² heeft, terwijl dat 263 m² moet zijn. Eiser concludeert dus (subsidiair) tot een waarde van het perceel [B-straat] 33 van € 52.600.

33. Volgens verweerder behoort het perceel [B-straat] 33 tot het ondernemingsvermogen. Het perceel behoorde indertijd tot het ondernemingsvermogen van de vennootschap onder firma die eiser met zijn vader dreef. Bij uittreding van de vader is het perceel aan eiser geleverd en is overeengekomen dat eiser de onderneming in zijn geheel zou voortzetten. Het perceel [B-straat] 33 is steeds door eiser tot het ondernemingsvermogen gerekend, aldus verweerder. Dat het perceel als tuin in gebruik is bij en dienstbaar is aan de bedrijfswoning aan de [A-straat] 54 leidt verweerder af uit beelden van Google maps en het feit dat de panden aan de [A-straat] 52 en 54 via een poort gelegen op [B-straat] 33 bereikbaar waren. Bovendien blijkt dit volgens verweerder uit het feit dat eiser een gedeelte van het perceel [B-straat] 33 heeft mee verkocht bij de verkoop van [A-straat] 54. Verweerder beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5412 ter ondersteuning van zijn standpunt. Ook verwijst verweerder nog naar de akte van kwalitatieve verplichtingen tussen eiser en Stichting Uitvoering Bodemsanering Amovering Tankstations, waarin is opgenomen dat op de registergoederen [A-straat] 52, 54 en [B-straat] 33 geen nieuw verkooppunt voor motorbrandstoffen zal worden opgericht. Ten aanzien van de uitspraak van gerechtshof Amsterdam over belastingjaar 1998 betoogt verweerder dat in die procedure de etikettering van het perceel [B-straat] 33 geen onderwerp van geschil was en die uitspraak dus niets zegt over de vermogensetikettering van het perceel [B-straat] 33. Tot slot heeft verweerder opgemerkt dat eiser in 2015 heeft verzocht om het woonhuis en de kavel tuingrond (het perceel [B-straat] 33 ) te (mogen) rekenen tot het privévermogen, welk verzoek door de inspecteur is afgewezen. Verweerder concludeert dus dat het perceel [B-straat] 33 ondernemingsvermogen is en dat hem niet is gebleken dat op een eerder moment een terechte heretikettering tot privévermogen heeft plaatsgevonden.

34. De rechtbank stelt voorop dat op eiser de verzwaarde bewijslast rust en hij daarom overtuigend moet aantonen dat het perceel [B-straat] 33 niet tot het ondernemingsvermogen behoort en daarom niet in de stakingswinst kan worden betrokken. De rechtbank oordeelt dat eiser niet in zijn bewijslast is geslaagd en overweegt daartoe als volgt.

35. De rechtbank stelt vast dat het perceel [B-straat] 33 onderdeel was van de onderneming die eiser dreef met zijn vader en dat eiser die onderneming in een eenmanszaak heeft voortgezet (zie ook overweging 2). Ook stelt de rechtbank vast dat eiser in 2015 nog een verzoek heeft gedaan om het perceel [B-straat] 33 te (mogen) rekenen tot het privévermogen. Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser het perceel [B-straat] 33 in zijn aangifte nimmer in box 3 heeft aangegeven, maar juist nog in de herziene aangifte van 17 november 2020 tot het ondernemingsvermogen heeft gerekend. Daaruit concludeert de rechtbank dat het perceel [B-straat] 33 tot de staking tot het ondernemingsvermogen behoorde. Met de stelling dat het perceel niet expliciet op de balans van het garagebedrijf staat vermeld, heeft eiser niet doen blijken dat het tot het privévermogen behoorde. Hetzelfde geldt voor eisers stelling ten aanzien van de procedure die in 1998 is gevoerd. Dat het perceel [B-straat] 33 sinds die uitspraak als privévermogen is aangemerkt, heeft eiser niet onderbouwd met stukken, zoals een aangifte waaruit blijkt dat het perceel is aangegeven als box 3-bezitting.

36. Bij de omkering en verzwaring van de bewijslast rust op verweerder de verplichting om een redelijke schatting te maken van de stakingswinst ten aanzien van het perceel [B-straat] 33. Verweerder heeft een taxatieverslag opgesteld die de waarde van € 185.000 onderbouwt. De rechtbank acht deze wijze van benaderen van de waarde van het perceel niet onredelijk of willekeurig.

37. Eiser heeft niet doen blijken dat deze schatting onjuist is. Eiser stelt dat voor de waarde moet worden uitgegaan van een lagere prijs per m², maar heeft die stelling niet met stukken onderbouwd. Wat betreft de omvang van het perceel van 330 m² waarvan in het taxatieverslag van verweerder wordt uitgegaan, stelt eiser dat dit 263 m² moet zijn. Eiser onderbouwt dit met een kadastraal bericht van 6 december 2022. Met dit kadastrale bericht heeft eiser niet onderbouwd dat op de stakingsdatum ook sprake was van een omvang van het perceel [B-straat] 33 van 263 m². Bovendien volgt uit de akte van verdeling van 7 december 2017 (overweging 4) dat eiser een perceel van 330 m² toegedeeld heeft gekregen, wat erop duidt dat op het moment van de staking nog een perceel van 330 m² in het bezit van eiser was.
37. De slotsom ten aanzien van het perceel [B-straat] 33 is dat verweerder dit perceel terecht heeft meegenomen bij de bepaling van de stakingswinst en dat de gehanteerde waarde van het perceel berust op een redelijke schatting. Eiser heeft het tegendeel niet doen blijken.



Premie-aftrek lijfrenteverzekering


39. Een ondernemer die in het kalenderjaar een onderneming staakt waaruit hij als ondernemer winst geniet kan, vanwege de omzetting van stakingswinst in een lijfrente, premies voor lijfrenten in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste het bedrag van de stakingswinst (artikel 3.129, eerste lid, van de Wet IB 2001). Voorts kan een ondernemer met een oudedagsreserve, vanwege de omzetting van die oudedagsreserve in een lijfrente, de door hem betaalde premies in aanmerking nemen tot ten hoogste het bedrag van de afneming in het kalenderjaar van die reserve (artikel 3.128, van de Wet IB 2001 (tekst 2017)). Premies voor lijfrenten worden alleen in aanmerking genomen als zij zijn verschuldigd aan een in Nederland gevestigd lichaam, mits de lijfrenten zijn bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van de onderneming aan dat lichaam (artikel 3.126, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wet IB 2001).

40. De Hoge Raad heeft in het arrest van 8 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7113, geoordeeld dat geen lijfrente kan worden bedongen als de overdracht van een onderneming onmiddellijk wordt gevolgd door een tevoren overeengekomen overdracht aan een derde omdat dan niet kan worden gezegd dat de persoon of het lichaam waaraan de premies worden betaald, de onderneming heeft overgenomen. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3285 moet hiermee op één lijn worden gesteld het geval dat bij de overdracht van (een gedeelte van) een onderneming reeds vaststaat dat die onderneming binnenkort zal worden geliquideerd of de verkoop daarvan aan een derde nagenoeg is afgerond.

41. Tussen partijen is in geschil of ten tijde van de inbreng van de onderneming in de BV voorzienbaar was dat de ondernemingsactiviteiten ter zake van het garagebedrijf zouden worden gestaakt. Eiser stelt dat tijdens de inbreng van de onderneming niet voorzienbaar was dat het garagebedrijf zou sluiten. Eiser betoogt dat het de bedoeling was het garagebedrijf via de BV voort te zetten en dat dit ook blijkt uit de huurovereenkomst die is gesloten ten aanzien van de [A-straat] 52 die liep van 12 juni 2018 tot 12 juni 2021. Ook uit de koopovereenkomst van de [A-straat] 52 bleek die intentie al, aangezien werd opgenomen dat eiser de verkochte en bij hem in gebruik zijnde bedrijfsruimte nog drie jaar zou huren. Het kiezen voor een sale-and-lease-backconstructie doet aan die intentie niets af. Dat die intentie is gewijzigd, is gelegen in de gezondheidstoestand van eiser en het feit dat hij geen geschikte koper kon vinden om het garagebedrijf verder voort te zetten. Tussen 1 september 2017 en het staken van de bedrijfsactiviteiten is dan twee jaar verstreken en dat is niet te kwalificeren als een staking “binnen afzienbare tijd”, aldus nog steeds eiser. Bovendien is volgens eiser van belang dat de BV niet is vervreemd of geliquideerd maar nog altijd bestaat en de lijfrenteovereenkomst uitvoert. Ten aanzien van de gemeentelijke (bestemmings)plannen voert eiser aan dat dit slechts plannen of adviezen waren en dat niets ten uitvoer is gebracht. Zo is geen bouwaanvraag gedaan voor het realiseren van de vier grondgebonden woningen. Bovendien zijn de door verweerder aangehaalde passages vermoedelijk opgenomen om de bestemmingswijziging te bewerkstelligen en zeggen deze niets over de voortzetting van de onderneming. Eiser benadrukt dat intenties geen reden kunnen zijn om iets in de belastingheffing te betrekken. De verklaringen van derden waaruit de intentie om het garagebedrijf te beëindigen volgens verweerder zou blijken, zijn volgens eiser niet bruikbaar omdat deze eenzijdig tot stand zijn gekomen en het aan hoor en wederhoor heeft ontbroken.

42. Volgens verweerder was ten tijde van de inbreng van de onderneming in de BV wel voorzienbaar dat de ondernemingsactiviteiten ter zake van het garagebedrijf zouden worden gestaakt. Verweerder brengt ter onderbouwing van dit standpunt de volgende omstandigheden naar voren:


In het collegevoorstel van 1 december 2014 voor B&W van gemeente [R] is de volgende alinea opgenomen: “Over vijf jaar houdt de garage aan de [A-straat] op te bestaan. De eigenaar verzoekt een wijzigingsbevoegdheid op te nemen, om de realisatie van vier grondgebonden woningen mogelijk te maken binnen de bestemmingsplanperiode. De locatie leent zich voor de functie Wonen en het voorstel past in het straatbeeld. Advies: garage [X] aan de [A-straat] 54 direct bestemmen en een wijzigingsbevoegdheid opnemen voor de functie Wonen.” Dit advies is overgenomen bij collegebesluit van 9 december 2014.


In een rapport uit 2017 van RHO Adviseurs voor de Leefruimte van de Gemeente [R] ( [Z] ) ten aanzien van het nieuwe bestemmingsplan is de volgende alinea opgenomen: “ Garage [X] (W5): Over vijf jaar houdt de garage aan de [A-straat] op te bestaan. Op dit moment bestaan er ideeën om ter plaatse vier grondgebonden woningen mogelijk te maken. Hiermee wordt in dit bestemmingsplan rekening gehouden. De woningen dienen te worden ingepast in de ter plaatse aanwezige ruimtelijke context.”. Het bestemmingsplan is op 30 oktober 2018 aangenomen.


Gemachtigde heeft namens eiser op 1 juni 2017 bij verweerder een verzoek om geruisloze omzetting in de zin van artikel 3.65 van de Wet IB 2001 gedaan. Verweerder heeft daarop bij eiser geïnformeerd of hij plannen had tot liquidatie of verkoop van de onderneming. Deze vraag heeft eiser onbeantwoord gelaten en hij heeft het verzoek ingetrokken.


Volgens een verklaring van de heer [D] had eiser in de zomer/het najaar van 2017 al aan hem laten weten het garagebedrijf te willen stoppen en verkopen.


Op 15 november 2017 heeft eiser [A-straat] 52 en 54 (kadastraal nummer [#4] ) te koop aangeboden aan de heer [D] en op 30 november 2017 heeft de heer [D] een bod gedaan om deze percelen aan te kopen. Op 8 december 2017 heeft de makelaar van eiser vervolgens aan de heer [D] bevestigd dat het bod wordt geaccepteerd.


Op 17 mei 2018 heeft eiser het object aan de [A-straat] 54 en een deel van het perceel [B-straat] 33 verkocht aan een derde. De levering vond plaats op 12 juni 2018.


Op 25 mei 2018 heeft de BV de objecten aan de [A-straat] 50 en 52 verkocht aan [C] B.V. De levering vond plaats op 12 juni 2018.


Uit de aangiften vennootschapsbelasting van de BV blijkt dat de omzet over belastingjaar 2019 meer dan gehalveerd is ten opzichte van 2018 en ook vergeleken met de omzet van de eenmanszaak tot en met 2017. In de jaren na 2019 is de omzet van de BV nihil en zijn geen huisvestingkosten en loonkosten aangegeven. De liquide middelen van de BV zijn vanaf de jaren 2018 gebruikt voor privéaangelegenheden van eiser zoals blijkt uit de toename van de rekening-courant en de financiering verstrekt door de BV ter verbouwing van de woning van eiser.


Per 1 oktober 2019 is de huur van de garage aan de [A-straat] 52 opgezegd.


Het garagebedrijf is in het najaar van 2019 gesloten; eiser was toen 66 jaar.



43. De rechtbank oordeelt dat de koopsom voor de lijfrenteverzekering bij de BV in aftrek kan worden gebracht en overweegt daartoe als volgt.

44. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser overtuigend aangetoond dat bij de overdracht van de onderneming, zijnde de inbreng van de onderneming in de BV, niet al vaststond dat die onderneming binnenkort zou worden geliquideerd. Eiser heeft verklaard na de inbreng het garagebedrijf nog twee jaar te hebben voortgezet en dat blijkt ook uit de omzet van de BV in de jaren 2018 en 2019. Een voortzetting van de onderneming gedurende een periode van twee jaar is volgens de rechtbank in dit geval te lang om te concluderen dat al vaststond dat de onderneming binnenkort zou worden gestaakt. Weliswaar was de omzet in 2019 gehalveerd ten opzichte van de jaren 2018 en 2017, maar in 2018 werd nog een omzet gemaakt die vergelijkbaar was met de omzet die werd gemaakt over de jaren toen het garagebedrijf nog in de eenmanszaak werd gedreven. Hieruit volgt dat eiser in ieder geval in 2018 het garagebedrijf nog in volle omvang heeft voortgezet. Uit het feit dat in 2018 liquiditeiten door de BV zijn uitgeleend aan eiser voor de bouw van zijn woning kan niet worden afgeleid dat al vaststond dat het garagebedrijf zou worden gestaakt. Dat eiser de onroerende zaken waarin hij het bedrijf exploiteerde, heeft verkocht en terug gehuurd, maakt dit oordeel niet anders. Al hetgeen verweerder aanvoert ten aanzien van de gemeentelijke bestemmingsplannen, het verzoek van eiser tot geruisloze omzetting en de verklaring van de heer [D] dat eiser in het najaar van 2017 de intentie had om het garagebedrijf te beëindigen, leidt de rechtbank ook niet tot een ander oordeel. Wat deze omstandigheden betreft, is het gebleven bij voornemens en intenties en dat is onvoldoende om te concluderen dat op 1 september 2017 al vaststond dat de onderneming binnenkort zou worden geliquideerd.

45. De slotsom ten aanzien van de premie-aftrek voor de lijfrenteverzekering is dat de koopsom in aftrek komt. In zoverre is het beroep dus gegrond. Dit betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning na persoonsgebonden aftrek (van € 4.000) moet worden vastgesteld op € 245.024.
Proceskosten en griffierecht

46. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eiser heeft voor zowel de bezwaar- als beroepsfase verzocht om een integrale (proces)kostenvergoeding. Eiser voert daartoe aan dat verweerder zich tegen beter weten in heeft vastgehouden aan het onhoudbare standpunt van weigering van de premie-aftrek voor de lijfrenteverzekering. Bovendien is het volgens eiser zo dat verweerder zowel in de navorderingsaanslagfase als in de bezwaarfase in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Eiser stelt in dit kader dat verweerder via een fishing expedition bij eiser de informatie heeft vergaard, het opleggen van de navorderingsaanslag te lang heeft geduurd en verweerder meer dan zes maanden onverklaarbaar heeft stilgezeten, verweerder de bewijslast op onjuiste gronden heeft omgekeerd en verzwaard, verweerder geen hoor en wederhoor heeft toegepast op verklaringen van derden, verweerder de verplichting van artikel 48, tweede lid, van de AWR heeft genegeerd en verweerder bewust niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Dit alles heeft er volgens eiser toe geleid dat een volstrekt onjuiste beslissing op bezwaar is genomen.

47. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan op grond van bijzondere omstandigheden van de forfaitaire wijze van berekening van de te vergoeden proceskosten worden afgeweken. Voor een zodanige toekenning van een proceskostenvergoeding is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook in andere gevallen kan aanleiding bestaan om, alle (bijzondere) omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit, bijvoorbeeld omdat de inspecteur bij het opleggen van een navorderingsaanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vgl. Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

48. Naar het oordeel van de rechtbank is van een handelen door verweerder zoals uiteengezet in overweging 47 geen sprake. Dat verweerder een ander standpunt heeft dan eiser ten aanzien van de premie-aftrek maakt nog niet dat dit een standpunt is waarvan op het moment van het doen van de uitspraak op bezwaar al duidelijk is dat dit geen stand zal houden in een procedure. Ook in vergaande mate onzorgvuldig handelen is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. De herziene aangifte van eiser gaf aanleiding tot het opvragen van informatie en verweerder heeft de voor het opleggen van de navorderingsaanslag relevante informatie opgevraagd. Bovendien heeft verweerder die aanslag opgelegd binnen de reguliere navorderingstermijn. De verwijzing die eiser maakt naar het zes maanden onverklaarbaar stilzitten van verweerder maakt het oordeel niet anders en kan eiser bovendien niet baten omdat de voortvarendheidseis enkel van toepassing is bij de verlengde navorderingstermijn (zie Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2163). Bovendien brengt het al dan niet voldoen aan de voortvarendheidseis niet per definitie mee dat sprake is van in verre mate onzorgvuldig handelen in het kader van een integrale proceskostenvergoeding. In al hetgeen eiser verder nog naar voren brengt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een vergaande mate van onzorgvuldigheid te constateren. Daarbij overweegt de rechtbank in het bijzonder dat verweerder betwist dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.

49. Omdat van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit geen sprake is, zal de rechtbank de proceskostenvergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vaststellen op een forfaitaire kostenvergoeding op basis van het Besluit. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van € 50.”





5Het incidenteel hoger beroep



Incidenteel hoger beroep

De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende recht heeft op premieaftrek voor een bedongen lijfrenteverzekering. Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur desgevraagd erkend dat het incidenteel hoger beroep te laat is ingediend zonder het aanvoeren van een verschoonbaarheid voor die overschrijding. Ook overigens is niet gebleken van redenen die deze termijnoverschrijding verontschuldigen. Het Hof zal daarom het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.






6Beoordeling van het geschil in (principaal) hoger beroep



Ter zitting indienen van stukken



6.1.1.
Partijen kunnen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen (artikel 8:58 Awb). Bij de beantwoording van de vraag of binnen minder dan tien dagen voor de zitting of ter zitting naar voren gebrachte nieuwe stukken toelaatbaar zijn, tot uitstel nopen of tardief verklaard dienen te worden, worden de verschillende belangen tegen elkaar afgewogen en worden daarbij de reden van de late indiening en de reactie(mogelijkheden) van de wederpartij betrokken. De rechter dient daarbij de goede procesorde te bewaken en erop toe te zien dat de wederpartij niet in zijn procesvoering wordt geschaad.



6.1.2.

Belanghebbendes gemachtigde heeft ter zitting van het Hof een (aanvullende) pleitnota overgelegd met daarbij twee versies van een ‘Fiscaal rapport inkomstenbelasting 2017’ met berekeningen en financiële gegevens (hierna: de rapporten). De rapporten zijn niet eerder overgelegd. Het gaat volgens belanghebbende om een herziening van rapporten die eerder bij de tweede herziene aangifte waren ingediend. De rapporten dienen volgens belanghebbende ter adstructie van de in zijn pleitnota ingenomen stelling dat in de tweede herziene aangifte de waarde van een onroerende zaak tweemaal is opgenomen in de stakingswinst.
De inspecteur heeft ter zitting aangegeven door het overleggen van deze nieuwe rapporten overvallen te zijn en gegeven de hoeveelheid aan cijfers niet op die stukken te kunnen reageren. In dat verband heeft de inspecteur het Hof verzocht de stukken tardief te verklaren. Desgevraagd heeft de gemachtigde verklaard eerst daags voor de zitting deze dubbeltelling te hebben ontdekt waardoor hij pas ter zitting daarop kon wijzen en nieuwe berekeningen kon inbrengen.




6.1.3.
Het Hof heeft de rapporten op de zitting tardief verklaard. Hierbij heeft het Hof alle omstandigheden van het geval meegewogen, waaronder de belangen om de stukken alsnog in te dienen en de omstandigheden dat het gaat om vrij omvangrijke nieuwe stukken van feitelijke aard, dat deze stukken eerder konden worden ingediend en dat een inhoudelijke reactie van de inspecteur daarop ter zitting niet goed mogelijk is. Het inbrengen van de rapporten komt daarom in strijd zijn met de goede procesorde. Wel heeft het Hof de pleitnota waarin gewag wordt gemaakt van de dubbeltelling tot de gedingstukken gerekend.



Vereiste aangifte en bewijslast




6.2.1.
Belanghebbende herhaalt min of meer zijn in eerste aanleg ingenomen standpunt dat voor de toets of de vereiste aangifte is gedaan, moet worden uitgegaan van zijn tweede herziene aangifte en niet van de oorspronkelijke aangifte. Zijn standpunt luidt dat het gaat om een vrijwillige verbetering en dat hij daarmee alsnog de vereiste aangifte heeft gedaan. Belanghebbende is dan ook van mening dat indien al sprake zou zijn van het niet doen van de vereiste aangifte, de verzwaring en omkering slechts partieel van toepassing zou moeten zijn, aangezien het onevenredig zou zijn indien de bewijssanctie in zijn geval de gehele uitspraak op bezwaar zou betreffen.



6.2.2.
De inspecteur stelt dat voor de vraag of de vereiste aangifte is gedaan moet worden uitgegaan van de oorspronkelijk ingediende aangifte. Beide herziene aangiften zijn pas na het opleggen van de primitieve aanslag ingediend. Dat de inspecteur meermaals vragen heeft gesteld komt voort uit het feit dat meerdere van elkaar sterk afwijkende aangiften zijn ingediend in verband waarmee door belanghebbende stellingen werden betrokken over onder meer de vermogensetikettering, die niet werden gesteund door de stukken.



6.2.3.
In de onderdelen 22 tot en met 24 in de uitspraak van de rechtbank, is het juridisch kader vermeld op grond waarvan wordt getoetst of de vereiste aangifte is gedaan. In aanvulling hierop overweegt het Hof ten aanzien van het bewustheidsvereiste dat, ook als de aangifteplichtige niet wist (en zich dus ook niet ervan bewust was) dat door inhoudelijke gebreken in zijn aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, aan dit criterium kan zijn voldaan als hij zich daarvan in de gegeven omstandigheden wel bewust had moeten zijn, in die zin dat hij dit had behoren te weten (zie HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, BNB 2022/68, r.o. 3.4.3). Of de vereiste aangifte is gedaan dient te worden bepaald naar het moment van het indienen van de aangifte, ware het niet dat de inspecteur met een aanvulling of wijziging rekening dient te houden, indien die hem op een zodanig tijdstip bereikt dat hij daarmee bij het regelen van de aanslag redelijkerwijze rekening kan houden. Alsdan kan niet op de enkele grond dat dit niet de eerste aangifte is, geconcludeerd worden dat de vereiste aangifte niet is gedaan (vgl. HR 23-12-1959, ECLI:NL:HR:1959:AY0549).



6.2.4.
Het Hof verwerpt dan ook het standpunt van belanghebbende dat voor het antwoord op de vraag of hij de vereiste aangifte heeft gedaan, dient te worden uitgegaan van de laatste namens hem ingediende tweede verbeterde aangifte. In het geval van belanghebbende dateert de primitieve aanslag van 22 oktober 2019. Aangezien de tweede verbeterde aangifte is ingediend na die datum, te weten op 2 juni 2021, kan deze niet dienen als de vereiste aangifte. Overigens is ook de eerste verbeterde aangifte ingediend na het opleggen van de primitieve aanslag. Gesteld noch gebleken is dat de inspecteur voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslag was geïnformeerd dat er nog één of twee herziene aangiften zouden volgen; hij kon met die herziene aangiften dan ook geen rekening houden bij het opleggen van de aanslag.



6.2.5.

Het Hof acht het oordeel van de rechtbank in de onderdelen 27 tot en met 29 van haar uitspraak, dat de vereiste aangifte niet is gedaan, juist. Daarbij heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat is voldaan aan het relatief en absoluut-criterium. Tevens had belanghebbende behoren te weten dat door het niet opnemen van de stakingswinst in zijn aangifte, een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Het Hof acht het daarbij gegeven oordeel van de rechtbank juist dat als gevolg van het niet doen van de vereiste aangifte de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.
De bewijssanctie treft in het onderhavige geval de gehele uitspraak op bezwaar aangezien de inspecteur geen andere posten uit de aangifte betwist dan die welke hebben geleid tot de toetsing aan het relatief en absoluut-criterium. Reeds hierom kan het Hof belanghebbende niet volgen waar hij stelt dat in zijn geval de bewijssanctie partieel zou moeten zijn, omdat deze niet evenredig is en tot disproportionele uitkomsten leidt.





[B-straat] 33




6.3.1.
Belanghebbende heeft in hoger beroep zijn standpunt verlaten dat het perceel [B-straat] tot aan de staking van de onderneming niet behoorde tot het ondernemingsvermogen. Tevens heeft hij ter zitting zijn standpunt ingetrokken dat de omvang van het perceel niet 330 m2 maar 263 m2 zou bedragen wegens eerdere onttrekking van een gedeelte aan het vermogen van de onderneming. Wel heeft belanghebbende ten aanzien van de waarde van dit perceel zijn standpunt gehandhaafd dat de inspecteur van een veel te hoge vierkantemeterprijs is uitgegaan.



6.3.2.
De inspecteur heeft onder verwijzing naar het in eerste aanleg door hem ingebrachte waarderingsrapport zijn standpunt gehandhaafd dat de waarde van het perceel niet te hoog is vastgesteld.



6.3.3.

De inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof een redelijke schatting gemaakt van de waarde. De waarde is onderbouwd aan de hand van het rapport met een waardebeoordeling van een NRVT-taxateur. Bij de waardering is door middel van een afslag er rekening mee gehouden dat het twee referentieverkopen uit [T] betreft waar het gemiddeld prijsniveau hoger is dan in [Z] .
In aanvulling op hetgeen belanghebbende in eerste aanleg heeft gesteld, heeft hij in hoger beroep een e-mail van de heer [E] , een Register Makelaar Taxateur o.z. (hierna: [E] ) overgelegd die stelt dat de door de inspecteur vastgestelde waarde te hoog is. Met die verklaring is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, dat de waarde die de inspecteur aan het perceel heeft toegekend, te hoog zou zijn. De e-mail bevat niet-onderbouwde stellingen en de gegevens van één verkoop van een perceel in [R] waarvan onduidelijk is hoe het prijsniveau en de kwaliteit van de grond zich verhouden tot verkopen in [Z] . Een eigen waardering door [E] is niet gegeven. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat het perceel zou moeten worden gewaardeerd als restgrond aangezien sprake is van voor woningbouw bestemde grond. Het Hof vindt geen aanleiding die waarde nog te verminderen met meerkosten in verband met – zo begrijpt het Hof – het bouwrijp maken van het perceel; de inspecteur heeft in dat verband onweersproken gesteld dat met het bouwrijp maken van de grond de waarde van de grond zal toenemen, waarmee bij zijn waardering nog geen rekening is gehouden.





[A-straat] 52




6.4.1.
Belanghebbende heeft voor het eerst ter zitting van het Hof (zie ook onder 6.1.2) gesteld dat de berekening van de waarde van de onroerende zaak [A-straat] 52 niet juist in de aangifte is verwerkt aangezien sprake is van een dubbeltelling. Belanghebbende schrijft in zijn pleitaantekeningen:


“De onjuistheid bestaat uit het gebruik van een onjuiste taxatiewaarde voor de [A-straat] 52 (€ 535.000 in plaats van € 345.000).”




6.4.2.
Ten aanzien van de gestelde dubbeltelling begrijpt het Hof uit de reactie van de inspecteur ter zitting van het Hof, dat hij wegens het gebrek aan tijdig ingediende onderbouwing van dit standpunt, het standpunt van belanghebbende betwist.



6.4.3.
Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de in de herziene aangifte aangegeven waarde van [A-straat] 52 is opgenomen als een ‘dubbeltelling’. Het Hof maakt uit de stukken op dat in de tweede herziene aangifte een tweetal onroerende zaken is vermeld als onderdeel van de stakingswinst, te weten [A-straat] 52 (garages) voor een bedrag van € 345.000 en daarnaast [A-straat] 54 (woonhuis) voor een bedrag van € 190.000. Aangezien deze waarden tezamen uitkomen op het in de aangifte vermelde bedrag van € 535.000 is geen sprake van een ‘dubbeltelling’ in de door belanghebbende bedoelde zin. Overigens stelt het Hof vast dat het verschil tussen de waarde van de onroerende zaken in de tweede herziene aangifte al € 190.000 lager was ten opzichte van dat bedrag in de eerste herziene aangifte. Het komt het Hof dan ook voor dat zo al sprake was van een dubbeltelling, deze al was hersteld met de tweede herziene aangifte. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat de tweede herziene aangifte een andere aanleiding had, waarover belanghebbende desgevraagd ter zitting van het Hof geen duidelijkheid kon verstrekken, acht het Hof de gestelde dubbeltelling niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond.



Premie-aftrek lijfrenteverzekering




6.5.1.
Aangezien de onttrekking van [B-straat] 33 leidt tot een hogere in aanmerking te nemen stakingswinst dan door belanghebbende was berekend, is door belanghebbende het standpunt ingenomen dat hij recht heeft op een hogere premieaftrek voor lijfrenteverzekering. Eerder is in aftrek gebracht – en door de rechtbank gesanctioneerd – het bedrag van € 374.007, zodat volgens belanghebbende nog recht bestaat op verhoging van de premieaftrek met € 76.627.



6.5.2.
De inspecteur heeft betwist dat belanghebbende recht heeft op een verhoging van de premieaftrek voor lijfrente. Die premieaftrek kan slechts bedongen worden in verband met het inbrengen van ondernemingsvermogen in de BV en daarvan is in 2017 geen sprake. Zo al recht daarop zou bestaan dan bedraagt het aanvullende bedrag € 76.624, aangezien het maximum bedrag aan premieaftrek voor het jaar 2017 is bepaald op € 450.631, aldus de inspecteur. De inspecteur wijst er voorts op dat belanghebbende juridisch de mogelijkheid heeft uitgesloten om op een hoger bedrag aan premieaftrek uit te komen aangezien in de akte van oprichting in artikel 4.b verrekening is uitgesloten. Daarnaast is de inspecteur van mening dat in 2017 het verschil (nog) niet vaststaat, en voor zover dit wel komt vast te staan en verrekening mogelijk is, deze verrekening pas in een later jaar tot uitdrukking zal kunnen komen, zodat het niet al in het jaar 2017 in aanmerking kan worden genomen.



6.5.3.
Dat naar de inspecteur stelt, het ondernemingsvermogen niet in 2017 is ingebracht, is als zodanig juist. Immers vaststaat dat de BV op 26 februari 2018 is opgericht (zie onder 2.4) en het ondernemingsvermogen volgens de inbrengakte eveneens eerst op 26 februari 2018 in de BV is ingebracht. Alsdan zou volgens de inspecteur de premie in verband met een wegens staking van de onderneming bedongen lijfrente niet al in 2017 in aftrek kunnen komen. Dit uitgangspunt is juist behoudens voor zover bij geldige intentieverklaring of voorovereenkomst een eerder tijdstip van overgang is overeengekomen en aan de aan terugwerkende kracht gestelde voorwaarden is voldaan (Besluit van 16 september 2008, nr. CPP2008/2438). Het Hof stelt vast dat tot de gedingstukken een voorovereenkomst behoort gedagtekend 21 augustus 2017 met daarin opgenomen een – gewenst – tijdstip van overgang van 1 september 2017 (zie onder 2.3). In beginsel zou dan aftrek van premies ook in 2017 al aan de orde kunnen komen (Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 3 juni 2014, Stcrt 12 juni 2014, nr. 16111). Het door de inspecteur ingenomen standpunt dat er – desondanks – geen reden is de premieaftrek toe te kennen verstaat het Hof aldus dat belanghebbende die aftrek niet toekomt omdat al voorzienbaar was dat de ondernemingsactiviteiten ter zake van het garagebedrijf zouden worden gestaakt. In onderdeel 42 van haar uitspraak heeft de rechtbank de feiten die de inspecteur aan zijn standpunt ten grondslag heeft gelegd opgesomd; hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd is opgenomen in onderdeel 41. De rechtbank acht door belanghebbende overtuigend aangetoond dat niet voorzienbaar was dat de ondernemingsactiviteiten zouden worden gestaakt. Het Hof komt tot een andere afweging. De – vele – door de inspecteur aangevoerde feiten en omstandigheden leiden het Hof tot de conclusie dat het handelen van belanghebbende erop was gericht de onderneming binnen afzienbare tijd af te bouwen met het oog op staking. Hetgeen belanghebbende daartegenin heeft gebracht acht het Hof niet overtuigend aangetoond. Dat belanghebbende zijn bedrijfsonroerend goed al had verkocht en deze voor de resterende periode nog wel had gehuurd, biedt volgens het Hof eerder steun aan het standpunt van de inspecteur dan aan dat van belanghebbende. Dit laatste kan ook worden gesteld ten aanzien van belanghebbendes verslechterde gezondheidstoestand. Na de inbreng in de BV is door de onderneming weliswaar nog omzet behaald in 2018, maar in het daaropvolgende laatste jaar was deze al gehalveerd. Reeds op deze grond treft belanghebbendes hoger beroep inzake de premieaftrek geen doel.



6.5.4.
De inspecteur wijst er voorts op dat belanghebbende juridisch de mogelijkheid heeft uitgesloten om op een hoger bedrag aan premieaftrek uit te komen. De inspecteur heeft in dat verband specifiek gewezen op artikel 4 onderdeel b in de akte van oprichting (zie onder 2.4), Het Hof begrijpt dat de inspecteur daarbij meer specifiek het oog heeft op de volgende passage:


“Indien een nieuwe beschrijving als sub 3.b vereist is en het uit die beschrijving blijkende saldo van activa en passiva, verminderd met de verplichtingen uit hoofde van vorenbedoelde creditering of de daarvoor bedongen lijfrente: hoger is dan de stortingsplicht, zal geen verrekening plaatsvinden; lager is dan de stortingsplicht, zal, ter keuze van de oprichter, vorenbedoelde creditering, agioreserve en/of de daarvoor bedongen lijfrente - zo mogelijk – tot het beloop van dat verschil worden verminderd. Indien ook dan nog een verschil blijft bestaan, zal de oprichter uiterlijk bij de oprichting het verschil in geld storten.”



Belanghebbende heeft op dit standpunt van de inspecteur niet inhoudelijk gereageerd; ook niet nadat hem op zitting is gevraagd of hij nog een reactie wilde geven op de standpunten van de inspecteur. Het Hof verbindt daaraan de conclusie dat ook al zou belanghebbende overigens hebben voldaan aan de voorwaarden voor aftrek van lijfrentepremies in het jaar 2017, die aftrek niet meer aan de orde kan komen vanwege hetgeen op dit punt is vastgelegd in de oprichtingsakte. Ook op deze grond treft belanghebbendes hoger beroep inzake de premieaftrek geen doel.




Vergoeding werkelijke proceskosten




6.6.1.
Belanghebbende heeft vele grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat geen recht bestaat op toekenning van vergoeding voor werkelijke proceskosten, zoals hierna kortweg weergegeven:
- dat aan het weigeren van de premie-aftrek ten grondslag heeft gelegen het zeer arbitraire en niet in rechte te honoreren standpunt dat de onderneming niet is ingebracht en voortgezet in de BV;
- dat het onderzoek van de inspecteur moet worden aangemerkt als een ‘fishing expedition’ waarbij geen inzicht is gegeven in onderzoek bij derden en belanghebbende daar dus niet op heeft kunnen reageren;
- niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ingebracht;
- de inspecteur verwijtbaar heeft stilgezeten, door lang te wachten met het opleggen van de navorderingsaanslag; (nog geen half jaar na de 2e herziene aangifte!)
- het de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar al duidelijk moet zijn geweest dat zijn standpunten in rechte geen stand zouden houden.



6.6.2.
De inspecteur onderschrijft de uitspraak van de rechtbank op dit onderdeel.



6.6.3.
Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank in de onderdelen 46 tot en met 49 van haar uitspraak. In hetgeen belanghebbende in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet het Hof geen aanleiding tot een ander oordeel. Het Hof acht geen sprake van een ‘fishing expedition’; eerder heeft het Hof de indruk dat belanghebbende door eigen handelen dat onderzoek over zich heeft afgeroepen door de sterk van elkaar afwijkende aangiften en door niet op feiten steunende standpunten inzake vermogensetikettering en omvang van het perceel [B-straat] 33. De grief inzake het derdenonderzoek heeft belanghebbende met hetgeen zij daartoe heeft gesteld niet aannemelijk gemaakt. Evenmin acht het Hof sprake van een pleitbaar standpunt van belanghebbende ten aanzien van de vermogensetikettering van [B-straat] 33. Immers betreft het hier een louter op feiten gebaseerd geschil waardoor al geen sprake kan zijn van het innemen van een pleitbaar standpunt.



Hoogte belastingrente




6.7.1.
Belanghebbende heeft voor zijn grief tegen de hoogte van de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd dat de inspecteur geen specificatie van het berekende bedrag heeft ingebracht waardoor ook het inzicht ontbreekt in het gehanteerde percentage. Voorts heeft belanghebbende in dit verband gesteld dat tussen zijn verzoek tot opleggen van de navorderingsaanslag en de dagtekening van de navorderingsaanslag een periode van 18 maanden is gelegen; een periode waarover volgens belanghebbende in ieder geval geen rente mag worden berekend. Daarnaast wijst belanghebbende ook in dit verband op zijn hiervoor ter zake van de proceskostenvergoeding ingenomen standpunt inzake het innemen van een pleitbaar standpunt en de proceshouding van de inspecteur.



6.7.2.
De inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende betwist en met een verwijzing naar de door hem overgelegde berekening gesteld dat de belastingrente terecht in rekening is gebracht en niet dient te worden verminderd omdat geen sprake is geweest van onnodig lang stilzitten.



6.7.3.
Het Hof stelt voorop dat belanghebbende zijn aangifte onjuist heeft gedaan door daarin geen stakingswinst op te geven zoals belanghebbende zelf erkent. Daarvan uitgaande is aan belanghebbende te wijten dat aan hem geen juiste aanslag kon worden opgelegd. In de daarna ingediende twee ‘aangiften’ waren zeer uiteenlopende winstbedragen opgegeven van respectievelijk € 253.323 en € 89.923 en heeft belanghebbende de inspecteur gevraagd alleen van de laatst ingediende aangifte uit te gaan. Daarna is tussen belanghebbende en de inspecteur correspondentie gevoerd waarbij belanghebbende wisselende standpunten innam en uiteindelijk op 6 september 2021 reageerde op een verzoek van de inspecteur om nadere informatie. Daarbij stuurde belanghebbende grootboekkaarten van 2018 en 2019 in verband met het gestelde recht op lijfrentepremieaftrek. Onder deze omstandigheden moet de inspecteur de nodige tijd gegund worden om tot een zorgvuldige oplegging van de navorderingsaanslag te komen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, met wat hij hierover heeft gesteld, niet aannemelijk heeft gemaakt, laat staan overtuigend bewezen, dat sprake is geweest van dermate onzorgvuldig handelen door de inspecteur dat de belastingrente daarom verminderd dient te worden.



6.7.4.

Voor zover belanghebbende ook bedoelt te betogen dat zijn eerste herziene ‘aangifte’ van 17 november 2020 dient te worden beschouwd als de aanleiding voor het opleggen van de navorderingsaanslag en daarom, met een beroep op artikel 30fc, lid 5, van de Awr, het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend dient te eindigen uiterlijk 12 weken na de datum van ontvangst daarvan, dus op 30 januari 2021, volgt het Hof hem daarin niet.
Weliswaar heeft de inspecteur belanghebbende meegedeeld deze herziene aangifte te beschouwen als een verzoek tot het opleggen van een navorderingsaanslag tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 249.323, echter dat verzoek komt niet overeen met het belastbare inkomen uit werk en woning van € 619.028 door de inspecteur vastgesteld in de navorderingsaanslag van 24 november 2022, waardoor artikel 30fc, lid 5 AWR toepassing mist. Dat vijfde lid is naar het oordeel van het Hof niet van toepassing ingeval de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag afwijkt van het navorderingsverzoek (zie TK 2011–2012, 33 003, nr. 3, p. 123 (het huidige vijfde betrof toen nog het vierde lid van artikel 30fc van de Awr). Gelet op de in de in 6.7.3 beschreven omstandigheden ziet het Hof ook overigens geen aanleiding hiervan af te wijken.




Slotsom:




6.8.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.






7Kosten


Vanwege de niet-ontvankelijkverklaring van het incidentele hoger beroep van de inspecteur heeft belanghebbende recht op een (proces)kostenvergoeding. Het Hof zal daarbij het tarief van het Besluit proceskosten bestuursrecht toepassen (zie ook 6.6.3). Die vergoeding bedraagt het product van 2 punten (het indienen van een schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep en het verschijnen ter zitting) met een tarief van € 934 per punt, in totaal derhalve € 1.868, met inachtneming van een factor 1 voor het gewicht van de zaak.






8Beslissing


Het Hof:



verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;


bevestigt de uitspraak van de rechtbank; en


veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.868.





De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, J-P.R. van den Berg en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.







Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:



bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;


(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.




Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.




Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.




Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.




Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.




Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: