Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2007:BA2802
2007-04-13
Bestuursrecht; Belastingrecht
41235
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2007:BA2802 → ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ4519 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Proceskosten. Bijzondere omstandigheden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (505)
- ECLI:NL:OGEAC:2026:170 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 01-09-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7173 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7175 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7176 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7177 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19383 Rechtbank Den Haag 09-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1793 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:4339 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17073 Rechtbank Den Haag 05-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17074 Rechtbank Den Haag 05-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1357 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-05-2026
- ECLI:NL:OGEAM:2026:61 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 22-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4356 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-05-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1237 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-05-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3196 Rechtbank Gelderland 22-04-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:5134 Rechtbank Noord-Holland 21-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:356 Parket bij de Hoge Raad 27-03-2026
- ECLI:NL:OGEAM:2026:45 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 27-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:889 Gerechtshof Den Haag 25-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:890 Gerechtshof Den Haag 25-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:888 Gerechtshof Den Haag 25-03-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2011 Gerechtshof Amsterdam 17-03-2026
- ECLI:NL:OGEAC:2026:28 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 13-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:432 Gerechtshof Den Haag 10-03-2026
- ECLI:NL:OGEAC:2026:26 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 10-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:432 Gerechtshof Den Haag 10-03-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:213 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:664 Rechtbank Noord-Holland 15-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:125 Gerechtshof Den Haag 13-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7935 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-11-2025
- ECLI:NL:OGEAA:2025:307 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 23-10-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:10693 Rechtbank Noord-Holland 18-09-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:10232 Rechtbank Gelderland 12-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5643 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-08-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:6880 Rechtbank Gelderland 15-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4279 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4267 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-07-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1746 Gerechtshof Amsterdam 03-07-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:5042 Rechtbank Amsterdam 03-07-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:10749 Rechtbank Noord-Holland 27-06-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:4322 Rechtbank Gelderland 05-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3000 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3001 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:548 Parket bij de Hoge Raad 16-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2273 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:787 Gerechtshof Den Haag 15-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:766 Gerechtshof Den Haag 10-04-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:3753 Rechtbank Noord-Holland 07-04-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:3754 Rechtbank Noord-Holland 07-04-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:3755 Rechtbank Noord-Holland 07-04-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1750 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-03-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:811 Gerechtshof Amsterdam 20-03-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:61 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 19-03-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:61 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 19-03-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:55 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 11-03-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:55 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 11-03-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:55 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 11-03-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:31 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 07-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:184 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-01-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:28 Centrale Raad van Beroep 08-01-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (5.952 tekens)
Nr. 41.235
13 april 2007
PEB
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 mei 2004, nr. 01/03372, betreffende na te melden aan X te Z, België, (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van ƒ 312.743, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar binnenlands inkomen van nihil en de Inspecteur veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 9075. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Het heeft daarvoor redengevend geoordeeld dat Nederland artikel 26 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (hierna: het Verdrag van Wenen) willens en wetens heeft overtreden. Tegen dit oordeel en deze redengeving keert zich het middel.
3.2. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2005, nr. 35729, BNB 2005/374, is opgemerkt dat niet reeds het feit dat een onjuist bevonden standpunt van het betrokken bestuursorgaan in strijd is met bepalingen van gemeenschapsrecht, met zich brengt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit. Hetzelfde heeft te gelden met betrekking tot een onjuist bevonden standpunt van een bestuursorgaan dat in strijd is met een bilateraal belastingverdrag, ook als dat standpunt in strijd is met de goede trouw als bedoeld in artikel 26 of artikel 31 van het Verdrag van Wenen. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden.
3.3. Niet gezegd kan worden dat de Inspecteur, doordat hij zijn onjuist bevonden standpunt heeft ingenomen, een verwijt treft in bovenbedoelde zin. Pas door de arresten van de Hoge Raad van 23 januari 2004, nrs. 37978 en 38098, BNB 2004/132 en 133, werd het een uitgemaakte zaak dat het standpunt van de Inspecteur onhoudbaar was. Het middel slaagt derhalve.
3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
Uit 's Hofs uitspraak blijkt dat de Inspecteur ter zitting van 11 februari 2004 - derhalve zeer kort na het wijzen van de zojuist genoemde arresten - zijn standpunt heeft laten varen. De tot de gedingstukken behorende pleitnota van belanghebbende voor die zitting en het proces-verbaal van die zitting laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende die zitting enkel heeft benut voor het innemen en toelichten van haar standpunt dat zij recht heeft op vergoeding van de integrale proceskosten. Het moet derhalve ervoor worden gehouden dat belanghebbende na het gewezen zijn van de meergenoemde arresten geen kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand meer heeft gemaakt ter bestrijding van het standpunt van de Inspecteur. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende nog andere dan de door het Hof in aanmerking genomen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit. Mitsdien is er ook met betrekking tot de na 23 januari 2004 verrichte proceshandeling, de verschijning ter zitting van 11 februari 2004, geen grond voor afwijking van het bepaalde in artikel 2, lid 1, van het Besluit. Met betrekking tot de eerder verrichte proceshandelingen blijkt uit 's Hofs uitspraak dat daarvoor reeds een vergoeding is toegekend in een met deze zaak samenhangende zaak. Derhalve zal de Hoge Raad in de onderhavige zaak een vergoeding toekennen van 0,5 (punt) x € 322 (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) ofwel € 161.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch alleen voorzover daarbij de Inspecteur is veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 161 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2007.
13 april 2007
PEB
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 mei 2004, nr. 01/03372, betreffende na te melden aan X te Z, België, (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van ƒ 312.743, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar binnenlands inkomen van nihil en de Inspecteur veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 9075. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Het heeft daarvoor redengevend geoordeeld dat Nederland artikel 26 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (hierna: het Verdrag van Wenen) willens en wetens heeft overtreden. Tegen dit oordeel en deze redengeving keert zich het middel.
3.2. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2005, nr. 35729, BNB 2005/374, is opgemerkt dat niet reeds het feit dat een onjuist bevonden standpunt van het betrokken bestuursorgaan in strijd is met bepalingen van gemeenschapsrecht, met zich brengt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit. Hetzelfde heeft te gelden met betrekking tot een onjuist bevonden standpunt van een bestuursorgaan dat in strijd is met een bilateraal belastingverdrag, ook als dat standpunt in strijd is met de goede trouw als bedoeld in artikel 26 of artikel 31 van het Verdrag van Wenen. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden.
3.3. Niet gezegd kan worden dat de Inspecteur, doordat hij zijn onjuist bevonden standpunt heeft ingenomen, een verwijt treft in bovenbedoelde zin. Pas door de arresten van de Hoge Raad van 23 januari 2004, nrs. 37978 en 38098, BNB 2004/132 en 133, werd het een uitgemaakte zaak dat het standpunt van de Inspecteur onhoudbaar was. Het middel slaagt derhalve.
3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
Uit 's Hofs uitspraak blijkt dat de Inspecteur ter zitting van 11 februari 2004 - derhalve zeer kort na het wijzen van de zojuist genoemde arresten - zijn standpunt heeft laten varen. De tot de gedingstukken behorende pleitnota van belanghebbende voor die zitting en het proces-verbaal van die zitting laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende die zitting enkel heeft benut voor het innemen en toelichten van haar standpunt dat zij recht heeft op vergoeding van de integrale proceskosten. Het moet derhalve ervoor worden gehouden dat belanghebbende na het gewezen zijn van de meergenoemde arresten geen kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand meer heeft gemaakt ter bestrijding van het standpunt van de Inspecteur. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende nog andere dan de door het Hof in aanmerking genomen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit. Mitsdien is er ook met betrekking tot de na 23 januari 2004 verrichte proceshandeling, de verschijning ter zitting van 11 februari 2004, geen grond voor afwijking van het bepaalde in artikel 2, lid 1, van het Besluit. Met betrekking tot de eerder verrichte proceshandelingen blijkt uit 's Hofs uitspraak dat daarvoor reeds een vergoeding is toegekend in een met deze zaak samenhangende zaak. Derhalve zal de Hoge Raad in de onderhavige zaak een vergoeding toekennen van 0,5 (punt) x € 322 (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) ofwel € 161.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch alleen voorzover daarbij de Inspecteur is veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 161 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2007.