Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1993:ZC5412
1993-07-16
Bestuursrecht; Belastingrecht
29174
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanhorigheid. Belanghebbende, vóór 1971 melkveehouder op de boerderij waarop hij nog woont, gebruikte in het onderhavige jaar de daarbij behorende stal en het land voor het houden van schapen, als liefhebberij.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (43)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1802 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:3198 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1982 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1982 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-03-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1736 Gerechtshof Amsterdam 17-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3476 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3477 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2999 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-05-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:6894 Rechtbank Noord-Holland 07-01-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:6894 Rechtbank Noord-Holland 07-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:6417 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-10-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6417 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-10-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:1526 Rechtbank Noord-Nederland 25-04-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1325 Gerechtshof Amsterdam 25-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1312 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-02-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2023:12184 Rechtbank Noord-Holland 21-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5710 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4683 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-07-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:4537 Rechtbank Gelderland 30-06-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:2875 Rechtbank Noord-Holland 30-03-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2022:5768 Rechtbank Gelderland 13-10-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3603 Rechtbank Noord-Nederland 02-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6908 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-07-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:698 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:293 Rechtbank Noord-Nederland 02-02-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4057 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:9067 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-11-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:9068 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-11-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:4607 Rechtbank Gelderland 08-09-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:4608 Rechtbank Gelderland 08-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:438 Parket bij de Hoge Raad 01-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1096 Parket bij de Hoge Raad 29-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1096 Parket bij de Hoge Raad 29-10-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:8492 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-10-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1680 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-05-2019
- ECLI:NL:RBZWB:2018:6748 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-12-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:3515 Rechtbank Gelderland 10-08-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:3007 Rechtbank Gelderland 10-07-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:3007 Rechtbank Gelderland 10-07-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:3007 Rechtbank Gelderland 10-07-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2018:2025 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-03-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2017:2144 Gerechtshof Den Haag 18-07-2017
- ECLI:NL:RBNNE:2015:6341 Rechtbank Noord-Nederland 21-05-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (3.835 tekens)
Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 29.174
16 juli 1993
TB
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 september 1992 betreffende de aan
[X]
te [Z]
voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 45.322, -- , welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 37.677, --.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was vóór 1971 melkveehouder op de boerderij waar hij thans nog woont. Bij deze boerderij behoorden een schuur, een stal van 20 bij 10 meter en circa vier hectaren land. Na de beëindiging van het bedrijf in 1970 heeft belanghebbende de stal en het land eerst verhuurd en vervolgens zelf gebruikt voor het houden van achtereenvolgens schapen, jongvee en sedert 1985 wederom schapen. Daarbij ging het in het onderhavige jaar - 1989 - om een liefhebberij.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de stal, nu deze vanuit de historie een bedrijfsgebouw is en thans door belanghebbende wordt gebruikt voor het houden van schapen, geen aanhorigheid in de zin van artikel 42a, lid 2, van de Wet op de. inkomstenbelasting 1964 (tekst 1989) is en voorts, - kennelijk voortbouwend op dit oordeel, waarin ligt besloten dat de stal als zelfstandig gebouw door belanghebbende werd gebruikt - dat gezien dit voortdurende gebruik ten behoeve van het vee niet gezegd kan worden dat de stal als eigen woning aan belanghebbende ter beschikking staat.
3.3. Het oordeel dat de stal geen aanhorigheid in vorenbedoelde zin is, wordt in cassatie bestreden.
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een dergelijke aanhorigheid is van belang of de stal behoort bij de als woning in gebruik zijnde boerderij, daarbij in gebruik is, en daaraan dienstbaar is. Of de stal behoort bij deze woning hangt daarbij weer af van diverse omstandigheden, zoals de afstand tussen de stal en de woning, de bouwkundige situatie, en de bereikbaarheid van de stal vanuit de woning of vanaf de daarbij behorende grond. Derhalve is het Hof uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent het begrip aanhorigheid door te oordelen dat de stal geen aanhorigheid is op de enkele grond dat de stal steeds een bedrijfsgebouw is geweest en door belanghebbende wordt gebruikt voor het uit liefhebberij houden van schapen.
3.4. Het middel is gegrond, 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen.
4. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 16 juli 1993.
derde kamer
nr. 29.174
16 juli 1993
TB
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 september 1992 betreffende de aan
[X]
te [Z]
voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 45.322, -- , welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 37.677, --.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was vóór 1971 melkveehouder op de boerderij waar hij thans nog woont. Bij deze boerderij behoorden een schuur, een stal van 20 bij 10 meter en circa vier hectaren land. Na de beëindiging van het bedrijf in 1970 heeft belanghebbende de stal en het land eerst verhuurd en vervolgens zelf gebruikt voor het houden van achtereenvolgens schapen, jongvee en sedert 1985 wederom schapen. Daarbij ging het in het onderhavige jaar - 1989 - om een liefhebberij.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de stal, nu deze vanuit de historie een bedrijfsgebouw is en thans door belanghebbende wordt gebruikt voor het houden van schapen, geen aanhorigheid in de zin van artikel 42a, lid 2, van de Wet op de. inkomstenbelasting 1964 (tekst 1989) is en voorts, - kennelijk voortbouwend op dit oordeel, waarin ligt besloten dat de stal als zelfstandig gebouw door belanghebbende werd gebruikt - dat gezien dit voortdurende gebruik ten behoeve van het vee niet gezegd kan worden dat de stal als eigen woning aan belanghebbende ter beschikking staat.
3.3. Het oordeel dat de stal geen aanhorigheid in vorenbedoelde zin is, wordt in cassatie bestreden.
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een dergelijke aanhorigheid is van belang of de stal behoort bij de als woning in gebruik zijnde boerderij, daarbij in gebruik is, en daaraan dienstbaar is. Of de stal behoort bij deze woning hangt daarbij weer af van diverse omstandigheden, zoals de afstand tussen de stal en de woning, de bouwkundige situatie, en de bereikbaarheid van de stal vanuit de woning of vanaf de daarbij behorende grond. Derhalve is het Hof uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent het begrip aanhorigheid door te oordelen dat de stal geen aanhorigheid is op de enkele grond dat de stal steeds een bedrijfsgebouw is geweest en door belanghebbende wordt gebruikt voor het uit liefhebberij houden van schapen.
3.4. Het middel is gegrond, 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen.
4. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 16 juli 1993.