Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:2163
2015-08-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/02491
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:2163 → ECLI:NL:GHARL:2014:2583 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Art. 16, lid 3, AWR. Zorgvuldigheidsbeginsel. Binnen vijfjaarstermijn opgelegde navorderingsaanslag vervalt niet als Inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (26)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:715 Gerechtshof Den Haag 16-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:716 Gerechtshof Den Haag 16-04-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:428 Gerechtshof Amsterdam 03-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:6992 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-11-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:6894 Rechtbank Noord-Holland 07-01-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6632 Rechtbank Gelderland 01-10-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8544 Rechtbank Noord-Holland 04-07-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:3759 Rechtbank Gelderland 19-06-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2023:3227 Rechtbank Gelderland 06-06-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:956 Rechtbank Noord-Nederland 09-03-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:953 Rechtbank Noord-Nederland 09-03-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:954 Rechtbank Noord-Nederland 09-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3879 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-11-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6320 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-11-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2187 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-05-2018
- ECLI:NL:RBNNE:2017:4319 Rechtbank Noord-Nederland 14-11-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4676 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-10-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4677 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-10-2017
- ECLI:NL:RBNHO:2016:9564 Rechtbank Noord-Holland 24-11-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2016:2761 Gerechtshof Amsterdam 31-05-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1992 Gerechtshof Den Haag 27-05-2016
- ECLI:NL:RBNNE:2015:6182 Rechtbank Noord-Nederland 22-12-2015
- ECLI:NL:RBNNE:2015:6183 Rechtbank Noord-Nederland 22-12-2015
- ECLI:NL:GHARL:2015:8747 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-11-2015
- ECLI:NL:RBDHA:2015:13628 Rechtbank Den Haag 17-11-2015
- ECLI:NL:RBNHO:2015:7169 Rechtbank Noord-Holland 26-08-2015
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.034 tekens)
14 augustus 2015
nr. 14/02491
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 25 maart 2014, nr. 13/00267, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost‑Nederland (nr. AWB 12/1315) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2006 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. A.M.E. Nuyens en mr. R.W.J. Kerkchoffs.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft een bankrekening in Zwitserland aangehouden, waarvan hij geen opgaaf heeft gedaan in zijn aangifte IB/PVV 2006.
2.1.2.
Belanghebbende heeft een ‘Verklaring vrijwillige verbetering buitenlands vermogen’ ingezonden. De fiscale consequenties van deze inkeer zijn neergelegd in een rapport dat de Inspecteur op 23 november 2009 heeft ontvangen.
2.1.3.
De navorderingsaanslag IB/PVV 2006 is met dagtekening 16 april 2011 opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is tot vernietiging van de navorderingsaanslag wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Tegen dit oordeel richt zich het middel met het betoog dat een inspecteur op grond van nationaal (ongeschreven) recht een aanslag binnen een redelijke termijn dient op te leggen op straffe van vernietiging van die aanslag.
2.3.
De onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd binnen de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 16, lid 3, AWR. Uit de tekst noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling is af te leiden dat in een geval waarin de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt binnen de daarin gestelde termijn, maar niet zo voortvarend als mogelijk is, dit tot verval van de navorderingsbevoegdheid leidt. Het zorgvuldigheidbeginsel leidt evenmin tot die gevolgtrekking. Het middel faalt derhalve.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2015.
nr. 14/02491
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 25 maart 2014, nr. 13/00267, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost‑Nederland (nr. AWB 12/1315) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2006 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. A.M.E. Nuyens en mr. R.W.J. Kerkchoffs.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft een bankrekening in Zwitserland aangehouden, waarvan hij geen opgaaf heeft gedaan in zijn aangifte IB/PVV 2006.
2.1.2.
Belanghebbende heeft een ‘Verklaring vrijwillige verbetering buitenlands vermogen’ ingezonden. De fiscale consequenties van deze inkeer zijn neergelegd in een rapport dat de Inspecteur op 23 november 2009 heeft ontvangen.
2.1.3.
De navorderingsaanslag IB/PVV 2006 is met dagtekening 16 april 2011 opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is tot vernietiging van de navorderingsaanslag wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Tegen dit oordeel richt zich het middel met het betoog dat een inspecteur op grond van nationaal (ongeschreven) recht een aanslag binnen een redelijke termijn dient op te leggen op straffe van vernietiging van die aanslag.
2.3.
De onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd binnen de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 16, lid 3, AWR. Uit de tekst noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling is af te leiden dat in een geval waarin de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt binnen de daarin gestelde termijn, maar niet zo voortvarend als mogelijk is, dit tot verval van de navorderingsbevoegdheid leidt. Het zorgvuldigheidbeginsel leidt evenmin tot die gevolgtrekking. Het middel faalt derhalve.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2015.