Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:2894
2014-10-03
Civiel recht
13/04377
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:2894 → ECLI:NL:PHR:2014:618 contrair
Inhoudsindicatie
(Appel)procesrecht. Toepassing art. 140 en 339 Rv. Verschoonbare termijnoverschrijding? Geval waarin inleidende dagvaarding niet in persoon is betekend en vonnis aan bij verstek veroordeelde niet bekend is geworden voorafgaand aan verstrijken appeltermijn. Hoger beroep binnen redelijke termijn.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:1999:ZC2911 Hoge Raad 28-05-1999
- ECLI:NL:HR:2014:413 Hoge Raad 21-02-2014
- ECLI:NL:HR:2014:2629 Hoge Raad 05-09-2014
Geciteerd door (66)
- ECLI:NL:OGHACMB:2026:221 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 28-07-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3621 Gerechtshof Amsterdam 16-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1305 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3363 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-11-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5418 Rechtbank Overijssel 01-09-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:6686 Rechtbank Noord-Holland 25-06-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:1753 Rechtbank Noord-Nederland 08-05-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:113 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 06-05-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:73 Rechtbank Overijssel 09-01-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1280 Parket bij de Hoge Raad 06-12-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:3706 Rechtbank Overijssel 12-07-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:6802 Rechtbank Rotterdam 21-06-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:99 Parket bij de Hoge Raad 26-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:99 Parket bij de Hoge Raad 26-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:99 Parket bij de Hoge Raad 26-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:99 Parket bij de Hoge Raad 26-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:76 Parket bij de Hoge Raad 19-01-2024
- ECLI:NL:HR:2023:1627 Hoge Raad 24-11-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1627 Hoge Raad 24-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:817 Parket bij de Hoge Raad 19-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:808 Parket bij de Hoge Raad 15-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:808 Parket bij de Hoge Raad 15-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:808 Parket bij de Hoge Raad 15-09-2023
- ECLI:NL:HR:2023:997 Hoge Raad 30-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1179 Parket bij de Hoge Raad 16-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1148 Parket bij de Hoge Raad 09-12-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:3474 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-05-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:880 Rechtbank Limburg 02-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:918 Parket bij de Hoge Raad 01-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:918 Parket bij de Hoge Raad 01-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:918 Parket bij de Hoge Raad 01-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:149 Parket bij de Hoge Raad 19-02-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:149 Parket bij de Hoge Raad 19-02-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:3910 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:292 Parket bij de Hoge Raad 27-03-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:1367 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-02-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:11186 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-12-2019
- ECLI:NL:HR:2019:791 Hoge Raad 24-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:249 Parket bij de Hoge Raad 08-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1360 Parket bij de Hoge Raad 07-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1360 Parket bij de Hoge Raad 07-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1360 Parket bij de Hoge Raad 07-12-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:6581 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-07-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:4669 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-05-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:4669 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:417 Parket bij de Hoge Raad 20-04-2018
- ECLI:NL:RBMNE:2018:143 Rechtbank Midden-Nederland 17-01-2018
- ECLI:NL:HR:2017:1274 Hoge Raad 07-07-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:475 Parket bij de Hoge Raad 02-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:475 Parket bij de Hoge Raad 02-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:475 Parket bij de Hoge Raad 02-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:475 Parket bij de Hoge Raad 02-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:233 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:68 Parket bij de Hoge Raad 03-02-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:68 Parket bij de Hoge Raad 03-02-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1170 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2016
- ECLI:NL:GHSHE:2016:2398 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-06-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:1805 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-03-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:75 Parket bij de Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2015:2814 Hoge Raad 25-09-2015
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.545 tekens)
3 oktober 2014
Strafkamer
nr. 13/04377
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. S.M. Kingma,
t e g e n
[verweerster],gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 216859/HA ZA 04-1387 van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2010;
b. de arresten in de zaak 200.093.036/01 van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2011 (tussenarrest) en 18 juni 2013 (eindarrest).
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 25 juni 2014 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerster] heeft [eiser] en [betrokkene] gedagvaard en gevorderd dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van een geldlening.
(ii) Tegen [eiser] is verstek verleend. [betrokkene] heeft verweer gevoerd.
(iii) De rechtbank heeft [eiser] en [betrokkene] hoofdelijk veroordeeld tot betaling.
3.2
Het hof heeft [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Daartoe heeft het hof, samengevat, als volgt overwogen.
Het tegen [eiser] gewezen vonnis is volgens art. 140 lid 2 Rv een vonnis op tegenspraak, aangezien zijn medegedaagde [betrokkene] in de procedure in eerste aanleg is verschenen. [eiser] kon daarom alleen hoger beroep en geen verzet instellen. De appeltermijn is drie maanden, te rekenen vanaf de dag van het vonnis. (rov. 1)
[eiser] heeft ruim een jaar na de dag van het vonnis hoger beroep ingesteld, zodat hij in beginsel niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep (rov. 2). Aan de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel moet strikt de hand worden gehouden, omdat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een beroepstermijn begint en eindigt. Daarvan kan slechts bij hoge uitzondering worden afgeweken, als sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding doordat degene die het hoger beroep instelt, buiten zijn schuld niet op de hoogte was en redelijkerwijs ook niet kon zijn van het tijdstip van aanvang en einde van de appeltermijn. In een dergelijk geval kan onverkorte toepassing van de termijn van hoger beroep onder omstandigheden leiden tot schending van art. 6 EVRM. (rov. 3)
[verweerster] heeft de inleidende dagvaarding laten uitbrengen op het adres waar [eiser] in de gemeentelijke basisadministratie was ingeschreven. [eiser] heeft niet gesteld dat [verweerster] ervan op de hoogte was, dan wel diende te vermoeden, dat [eiser] zijn woonplaats niet meer op dat adres had. Dat de inleidende dagvaarding door de onjuiste inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie niet aan de woonplaats van [eiser] is uitgebracht en [eiser] daardoor mogelijk van die dagvaarding en de daarop gevolgde procedure geen kennis heeft genomen, is een omstandigheid die voor risico van [eiser] dient te blijven. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Onverkorte toepassing van de appeltermijn leidt er in dit geval niet toe dat [eiser] geen effectieve toegang tot de rechter heeft gehad of dat de procedure anderszins niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. (rov. 4)
3.3
Onderdeel 1 klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat onverkorte toepassing van de appeltermijn van drie maanden in een geval als het onderhavige een schending oplevert van het door art. 6 EVRM beschermde recht op effectieve toegang tot de rechter.
3.4.1
Als een eiser meer dan één gedaagde heeft gedagvaard en ten minste één van de gedaagden in het geding verschijnt, wordt tegen de niet verschenen gedaagden verstek verleend en wordt voortgeprocedeerd (art. 140 lid 1 Rv). Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (art. 140 lid 3 Rv). In de dagvaarding moet hierop worden gewezen (art. 111 lid 2, aanhef en onder j, Rv).
Deze regeling strekt ertoe dat in gevallen waarin een vordering tegen meer gedaagden wordt ingesteld, tussen de eiser(s) en de gedaagden geen tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van eenzelfde rechtsbetrekking worden gewezen (vgl. HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911, NJ 2000/290).
3.4.2
De gedaagde die bij verstek is veroordeeld in een vonnis dat volgens art. 140 lid 3 Rv een vonnis op tegenspraak is, heeft slechts het rechtsmiddel van hoger beroep. Termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel, zoals hier die van art. 339 Rv, zijn van openbare orde. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen moet strikt de hand worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden is plaats voor een uitzondering (vgl. HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131).
3.4.3
De toepassing van de art. 140 en 339 Rv in een concreet geval mag niet tot gevolg hebben dat het recht op toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast (vgl. voor de regeling van de verzettermijnen: HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629). Daarom is overschrijding van de appeltermijn niet zonder meer fataal in een geval als het onderhavige, waarin de inleidende dagvaarding niet in persoon is betekend, en (zoals hier in cassatie uitgangspunt is, zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.23) het vonnis aan de bij verstek veroordeelde niet bekend is geworden voorafgaand aan het verstrijken van de appeltermijn. Niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding moet dan achterwege blijven indien de veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld binnen een redelijke termijn. Die termijn bedraagt veertien dagen – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – en vangt aan op de dag volgend op die waarop het vonnis aan de veroordeelde in persoon is betekend dan wel deze anderszins met het vonnis bekend is geraakt.
3.4.4
Het vonnis is op 21 maart 2011 aan [eiser] in persoon betekend. Hij heeft op 18 april 2011 het appelexploot doen uitbrengen. De zojuist bedoelde termijn van veertien dagen is dus overschreden. Aangezien evenwel eerst door het onderhavige arrest duidelijk wordt welke weg moet worden gevolgd in een geval als het onderhavige, behoort in dit geval te worden geoordeeld dat het hoger beroep aldus tijdig is ingesteld.
3.4.5
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat onderdeel 1 slaagt.
3.5
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2013;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 483,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 3 oktober 2014.
Strafkamer
nr. 13/04377
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. S.M. Kingma,
t e g e n
[verweerster],gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 216859/HA ZA 04-1387 van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2010;
b. de arresten in de zaak 200.093.036/01 van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2011 (tussenarrest) en 18 juni 2013 (eindarrest).
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 25 juni 2014 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerster] heeft [eiser] en [betrokkene] gedagvaard en gevorderd dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van een geldlening.
(ii) Tegen [eiser] is verstek verleend. [betrokkene] heeft verweer gevoerd.
(iii) De rechtbank heeft [eiser] en [betrokkene] hoofdelijk veroordeeld tot betaling.
3.2
Het hof heeft [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Daartoe heeft het hof, samengevat, als volgt overwogen.
Het tegen [eiser] gewezen vonnis is volgens art. 140 lid 2 Rv een vonnis op tegenspraak, aangezien zijn medegedaagde [betrokkene] in de procedure in eerste aanleg is verschenen. [eiser] kon daarom alleen hoger beroep en geen verzet instellen. De appeltermijn is drie maanden, te rekenen vanaf de dag van het vonnis. (rov. 1)
[eiser] heeft ruim een jaar na de dag van het vonnis hoger beroep ingesteld, zodat hij in beginsel niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep (rov. 2). Aan de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel moet strikt de hand worden gehouden, omdat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een beroepstermijn begint en eindigt. Daarvan kan slechts bij hoge uitzondering worden afgeweken, als sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding doordat degene die het hoger beroep instelt, buiten zijn schuld niet op de hoogte was en redelijkerwijs ook niet kon zijn van het tijdstip van aanvang en einde van de appeltermijn. In een dergelijk geval kan onverkorte toepassing van de termijn van hoger beroep onder omstandigheden leiden tot schending van art. 6 EVRM. (rov. 3)
[verweerster] heeft de inleidende dagvaarding laten uitbrengen op het adres waar [eiser] in de gemeentelijke basisadministratie was ingeschreven. [eiser] heeft niet gesteld dat [verweerster] ervan op de hoogte was, dan wel diende te vermoeden, dat [eiser] zijn woonplaats niet meer op dat adres had. Dat de inleidende dagvaarding door de onjuiste inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie niet aan de woonplaats van [eiser] is uitgebracht en [eiser] daardoor mogelijk van die dagvaarding en de daarop gevolgde procedure geen kennis heeft genomen, is een omstandigheid die voor risico van [eiser] dient te blijven. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Onverkorte toepassing van de appeltermijn leidt er in dit geval niet toe dat [eiser] geen effectieve toegang tot de rechter heeft gehad of dat de procedure anderszins niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. (rov. 4)
3.3
Onderdeel 1 klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat onverkorte toepassing van de appeltermijn van drie maanden in een geval als het onderhavige een schending oplevert van het door art. 6 EVRM beschermde recht op effectieve toegang tot de rechter.
3.4.1
Als een eiser meer dan één gedaagde heeft gedagvaard en ten minste één van de gedaagden in het geding verschijnt, wordt tegen de niet verschenen gedaagden verstek verleend en wordt voortgeprocedeerd (art. 140 lid 1 Rv). Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (art. 140 lid 3 Rv). In de dagvaarding moet hierop worden gewezen (art. 111 lid 2, aanhef en onder j, Rv).
Deze regeling strekt ertoe dat in gevallen waarin een vordering tegen meer gedaagden wordt ingesteld, tussen de eiser(s) en de gedaagden geen tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van eenzelfde rechtsbetrekking worden gewezen (vgl. HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911, NJ 2000/290).
3.4.2
De gedaagde die bij verstek is veroordeeld in een vonnis dat volgens art. 140 lid 3 Rv een vonnis op tegenspraak is, heeft slechts het rechtsmiddel van hoger beroep. Termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel, zoals hier die van art. 339 Rv, zijn van openbare orde. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen moet strikt de hand worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden is plaats voor een uitzondering (vgl. HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131).
3.4.3
De toepassing van de art. 140 en 339 Rv in een concreet geval mag niet tot gevolg hebben dat het recht op toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast (vgl. voor de regeling van de verzettermijnen: HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629). Daarom is overschrijding van de appeltermijn niet zonder meer fataal in een geval als het onderhavige, waarin de inleidende dagvaarding niet in persoon is betekend, en (zoals hier in cassatie uitgangspunt is, zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.23) het vonnis aan de bij verstek veroordeelde niet bekend is geworden voorafgaand aan het verstrijken van de appeltermijn. Niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding moet dan achterwege blijven indien de veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld binnen een redelijke termijn. Die termijn bedraagt veertien dagen – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – en vangt aan op de dag volgend op die waarop het vonnis aan de veroordeelde in persoon is betekend dan wel deze anderszins met het vonnis bekend is geraakt.
3.4.4
Het vonnis is op 21 maart 2011 aan [eiser] in persoon betekend. Hij heeft op 18 april 2011 het appelexploot doen uitbrengen. De zojuist bedoelde termijn van veertien dagen is dus overschreden. Aangezien evenwel eerst door het onderhavige arrest duidelijk wordt welke weg moet worden gevolgd in een geval als het onderhavige, behoort in dit geval te worden geoordeeld dat het hoger beroep aldus tijdig is ingesteld.
3.4.5
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat onderdeel 1 slaagt.
3.5
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2013;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 483,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 3 oktober 2014.