Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1999:ZC2911
1999-05-28
Civiel recht
16839 (C97/318)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1999:ZC2911 → ECLI:NL:PHR:1999:1 gevolgd
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (67)
- ECLI:NL:RBROT:2026:12653 Rechtbank Rotterdam 23-09-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:9683 Rechtbank Amsterdam 21-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20747 Rechtbank Den Haag 22-07-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:6728 Rechtbank Amsterdam 01-07-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:6834 Rechtbank Rotterdam 10-06-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:2715 Rechtbank Amsterdam 11-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3261 Rechtbank Den Haag 18-02-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:858 Rechtbank Rotterdam 28-01-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6113 Rechtbank Overijssel 15-10-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5605 Rechtbank Overijssel 10-09-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:718 Rechtbank Amsterdam 05-02-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2024:7168 Rechtbank Amsterdam 13-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22833 Rechtbank Den Haag 11-09-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:4693 Rechtbank Overijssel 03-09-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5167 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-08-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5166 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-08-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5376 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-07-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1027 Hoge Raad 05-07-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:2297 Rechtbank Amsterdam 24-04-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:2501 Rechtbank Midden-Nederland 24-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3211 Rechtbank Noord-Holland 10-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:119 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:716 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:418 Rechtbank Amsterdam 26-01-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:249 Rechtbank Gelderland 17-01-2024
- ECLI:NL:OGEAC:2023:225 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 04-09-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13562 Rechtbank Den Haag 14-12-2022
- ECLI:NL:RBOVE:2022:3402 Rechtbank Overijssel 11-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:951 Parket bij de Hoge Raad 14-10-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1319 Gerechtshof Den Haag 05-07-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:725 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-02-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:263 Rechtbank Limburg 12-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1163 Parket bij de Hoge Raad 10-12-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:9749 Rechtbank Noord-Holland 03-11-2021
- ECLI:NL:RBOVE:2021:3463 Rechtbank Overijssel 04-08-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:6813 Rechtbank Den Haag 30-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:522 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2021
- ECLI:NL:RBLIM:2021:4494 Rechtbank Limburg 04-05-2021
- ECLI:NL:RBOVE:2021:1445 Rechtbank Overijssel 24-03-2021
- ECLI:NL:RBOBR:2021:985 Rechtbank Oost-Brabant 24-02-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:1204 Rechtbank Den Haag 17-02-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10311 Rechtbank Den Haag 14-10-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:8500 Rechtbank Den Haag 05-08-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1751 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-04-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1911 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:292 Parket bij de Hoge Raad 27-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:292 Parket bij de Hoge Raad 27-03-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:1464 Rechtbank Den Haag 19-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:97 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:97 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3164 Rechtbank Gelderland 10-07-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:12021 Rechtbank Den Haag 05-06-2019
- ECLI:NL:RBNHO:2019:2150 Rechtbank Noord-Holland 13-03-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2018:7930 Rechtbank Amsterdam 07-11-2018
- ECLI:NL:RBLIM:2018:8695 Rechtbank Limburg 13-09-2018
- ECLI:NL:RBAMS:2018:2799 Rechtbank Amsterdam 21-03-2018
- ECLI:NL:RBAMS:2017:7887 Rechtbank Amsterdam 20-10-2017
- ECLI:NL:RBLIM:2017:7463 Rechtbank Limburg 02-08-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:475 Parket bij de Hoge Raad 02-06-2017
- ECLI:NL:RBMNE:2016:4895 Rechtbank Midden-Nederland 14-09-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.681 tekens)
28 mei 1999
Eerste Kamer
Nr. 16.839 (C97/318HR)
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
SPEKTRUM FINANCIERINGEN B.V.,
gevestigd te ‘s-Gravenhage,
EISERES tot cassatie,
advocaat: voorheen mr J.I. van Vlijmen,
thans mr R.F. Thunnissen,
tegen
[verweerder] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of elders,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Spektrum Financieringen B.V., gevestigd te ‘s-Gravenhage verder te noemen: Spektrum - heeft bij exploit van 31 augustus 1994 verweerder in cassatie tezamen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , beiden wonende te [woonplaats] — verder afzonderlijk te noemen: [verweerder] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] — gedagvaard voor de Kantonrechter te Amsterdam en gevorderd [verweerder] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van een bedrag van f 49.007,59, vermeerderd met de wettelijke rente over f 30.741,15 vanaf de dag van de dagvaarding.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben de vordering bestreden.
[verweerder] is niet ter zitting verschenen en heeft geen antwoord ingezonden of uitstel verzocht.
Bij conclusie van repliek heeft Spektrum haar vordering tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verminderd tot f 23.850,88 met rente en heeft zij haar vordering tegen [verweerder] gehandhaafd zoals gevorderd in de inleidende dagvaarding.
De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 23 juni 1995 [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over diens bevoegdheid om van de onderhavige vordering kennis te nemen, bij tussenvonnis van 27 oktober 1995 een inlichtingencomparitie van partijen gelast, en bij eindvonnis van 21 juni 1996 de vordering afgewezen.
Tegen de drie vermelde vonnissen heeft Spektrum slechts in de procedure tegen [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam. Daarbij heeft zij gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van f 44.798,51, vermeerderd met de wettelijke rente over f 30.741,15 vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van de algehele voldoening.
In hoger beroep is [verweerder] evenmin verschenen.
Bij vonnis van 25 juni 1997 heeft de Rechtbank Spektrum niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de tussenvonnissen van de Kantonrechter te Amsterdam van 23 juni en 27 oktober 1995 en het bestreden vonnis van 21 juni 1996 bekrachtigd.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft Spektrum beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
Spektrum heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van de vordering tegen [verweerder] , met diens veroordeling in de proceskosten.
3. Beoordeling van liet middel
3.1
Het gaat in dit geding om het volgende.
[betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [verweerder] hebben op 7 juli 1982 een huurkoopovereenkomst betreffende een personenauto gesloten met een rechtsvoorganger van Spektrum. De prijs van de auto was f 28.000,- en de financieringskosten bedroegen f 11.679,80. Het totaal van f 39.679,80 diende door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [verweerder] te worden voldaan in 60 maandelijkse termijnen van f 661,33. In de onderhavige procedure heeft Spektrum gevorderd hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van nog openstaande termijnen, vermeerderd met vertragingsrente, en vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.
[verweerder] is niet ter zitting verschenen en heeft geen antwoord ingezonden of uitstel verzocht. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben wel verweer gevoerd en hebben daarbij een beroep gedaan op verjaring.
De Kantonrechter heeft het beroep op verjaring ingevolge art. 2012 (oud) BW gegrond geoordeeld. Op grond van art. 107 Rv. heeft hij voorts aangenomen dat het verweer van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ook dient te gelden ten aanzien van [verweerder] . Hij heeft derhalve de vordering ten aanzien van alle drie gedaagden afgewezen. Op het door Spektrum uitsluitend tegen [verweerder] ingestelde hoger beroep heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd. Hiertegen keert zich het middel.
3.2
In rov. 7 van het bestreden vonnis heeft de Rechtbank onder meer overwogen dat de strekking van art. 107 Rv., welke bepaling beoogt tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van één en dezelfde rechtsbetrekking te voorkomen, meebrengt dat de rechter bij de beoordeling van de vordering tegen de niet verschenen gedaagde(n) meeweegt hetgeen door de wel verschenen gedaagde(n) is aangevoerd, en dat Spektrum ingevolge het geslaagde beroep op verjaring van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geen rechtsvordering meer heeft uit hoofde van de overeenkomst, ook niet jegens [verweerder] .
Dit laatste is, aldus de Rechtbank, geen gevolg van het ambtshalve toepassen van het middel van verjaring, maar van de omstandigheid dat het verweer van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ook de rechtsbetrekking tussen Spektrum en [verweerder] treft.
Aldus overwegende heeft de Rechtbank miskend dat art. 107 Rv., evenals art. 79 Rv., weliswaar ertoe strekt tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van eenzelfde rechtsbetrekking te voorkomen, maar dat uit deze bepaling niet mag worden afgeleid dat in een geval waarin de rechtsbetrekking tussen partijen niet noopt tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing, een door de verschenen gedaagde(n) gevoerd en door de rechter aanvaard verweer mede ten gunste van de andere, niet verschenen gedaagde(n) strekt.
Indien sprake is van een zodanige rechtsbetrekking, kan immers niet worden gezegd dat afwijzing van de vordering tegen de ene gedaagde en toewijzing van de vordering tegen de andere tegenstrijdige vonnissen oplevert. In het onderhavige geval gaat het om een vordering tegen meer dan een schuldenaar. Ook indien, zoals Spektrum heeft gesteld maar Kantonrechter en Rechtbank in het midden hebben gelaten, veronderstellenderwijs moet worden uitgegaan van hoofdelijke verbondenheid, brengt zulks niet mee dat ten aanzien van alle schuldenaren in dezelfde zin moet worden beslist (vgl. art. 6:9 BW) . Hieruit volgt dat de Rechtbank in feite, anders dan zij in haar hiervoor weergegeven overweging tot uitdrukking brengt, het beroep op verjaring van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ambtshalve mede ten gunste van [verweerder] heeft doen strekken, en aldus in strijd met art. 3:322 lid 1 heeft gehandeld.
De onderdelen 1 en 4, die hierop gerichte klachten bevatten, zijn derhalve gegrond.
3.3
Het vorenoverwogene brengt mee dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven, en dat de overige onderdelen van het middel geen behandeling behoeven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu de vordering van Spektrum door [verweerder] niet is bestreden, wordt zij toegewezen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 25 juni 1997;
vernietigt het vonnis van de Kantonrechter te Amsterdam van 21 juni 1996, voor zover gewezen tussen Spektrum en [verweerder] ;
veroordeelt [verweerder] aan Spektrum te betalen een bedrag van f 49.007,59, vermeerderd met de wettelijke rente over f 30.741,15 vanaf 30 september 1994 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van eerste aanleg, aan de zijde van Spektrum begroot op f 2.500,- in totaal, alsmede in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Spektrum begroot op f 1.500,- in totaal;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Spektrum begroot op f 1.353,83 aan verschotten en f 3.500,- voor salaris.
Dit arrest is gewezen vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadslieren Neleman, Herrmann, Van der Putt-Lauwers en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 28 mei 1999.
Eerste Kamer
Nr. 16.839 (C97/318HR)
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
SPEKTRUM FINANCIERINGEN B.V.,
gevestigd te ‘s-Gravenhage,
EISERES tot cassatie,
advocaat: voorheen mr J.I. van Vlijmen,
thans mr R.F. Thunnissen,
tegen
[verweerder] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of elders,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Spektrum Financieringen B.V., gevestigd te ‘s-Gravenhage verder te noemen: Spektrum - heeft bij exploit van 31 augustus 1994 verweerder in cassatie tezamen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , beiden wonende te [woonplaats] — verder afzonderlijk te noemen: [verweerder] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] — gedagvaard voor de Kantonrechter te Amsterdam en gevorderd [verweerder] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van een bedrag van f 49.007,59, vermeerderd met de wettelijke rente over f 30.741,15 vanaf de dag van de dagvaarding.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben de vordering bestreden.
[verweerder] is niet ter zitting verschenen en heeft geen antwoord ingezonden of uitstel verzocht.
Bij conclusie van repliek heeft Spektrum haar vordering tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verminderd tot f 23.850,88 met rente en heeft zij haar vordering tegen [verweerder] gehandhaafd zoals gevorderd in de inleidende dagvaarding.
De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 23 juni 1995 [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over diens bevoegdheid om van de onderhavige vordering kennis te nemen, bij tussenvonnis van 27 oktober 1995 een inlichtingencomparitie van partijen gelast, en bij eindvonnis van 21 juni 1996 de vordering afgewezen.
Tegen de drie vermelde vonnissen heeft Spektrum slechts in de procedure tegen [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam. Daarbij heeft zij gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van f 44.798,51, vermeerderd met de wettelijke rente over f 30.741,15 vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van de algehele voldoening.
In hoger beroep is [verweerder] evenmin verschenen.
Bij vonnis van 25 juni 1997 heeft de Rechtbank Spektrum niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de tussenvonnissen van de Kantonrechter te Amsterdam van 23 juni en 27 oktober 1995 en het bestreden vonnis van 21 juni 1996 bekrachtigd.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft Spektrum beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
Spektrum heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van de vordering tegen [verweerder] , met diens veroordeling in de proceskosten.
3. Beoordeling van liet middel
3.1
Het gaat in dit geding om het volgende.
[betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [verweerder] hebben op 7 juli 1982 een huurkoopovereenkomst betreffende een personenauto gesloten met een rechtsvoorganger van Spektrum. De prijs van de auto was f 28.000,- en de financieringskosten bedroegen f 11.679,80. Het totaal van f 39.679,80 diende door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [verweerder] te worden voldaan in 60 maandelijkse termijnen van f 661,33. In de onderhavige procedure heeft Spektrum gevorderd hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van nog openstaande termijnen, vermeerderd met vertragingsrente, en vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.
[verweerder] is niet ter zitting verschenen en heeft geen antwoord ingezonden of uitstel verzocht. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben wel verweer gevoerd en hebben daarbij een beroep gedaan op verjaring.
De Kantonrechter heeft het beroep op verjaring ingevolge art. 2012 (oud) BW gegrond geoordeeld. Op grond van art. 107 Rv. heeft hij voorts aangenomen dat het verweer van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ook dient te gelden ten aanzien van [verweerder] . Hij heeft derhalve de vordering ten aanzien van alle drie gedaagden afgewezen. Op het door Spektrum uitsluitend tegen [verweerder] ingestelde hoger beroep heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd. Hiertegen keert zich het middel.
3.2
In rov. 7 van het bestreden vonnis heeft de Rechtbank onder meer overwogen dat de strekking van art. 107 Rv., welke bepaling beoogt tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van één en dezelfde rechtsbetrekking te voorkomen, meebrengt dat de rechter bij de beoordeling van de vordering tegen de niet verschenen gedaagde(n) meeweegt hetgeen door de wel verschenen gedaagde(n) is aangevoerd, en dat Spektrum ingevolge het geslaagde beroep op verjaring van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geen rechtsvordering meer heeft uit hoofde van de overeenkomst, ook niet jegens [verweerder] .
Dit laatste is, aldus de Rechtbank, geen gevolg van het ambtshalve toepassen van het middel van verjaring, maar van de omstandigheid dat het verweer van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ook de rechtsbetrekking tussen Spektrum en [verweerder] treft.
Aldus overwegende heeft de Rechtbank miskend dat art. 107 Rv., evenals art. 79 Rv., weliswaar ertoe strekt tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van eenzelfde rechtsbetrekking te voorkomen, maar dat uit deze bepaling niet mag worden afgeleid dat in een geval waarin de rechtsbetrekking tussen partijen niet noopt tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing, een door de verschenen gedaagde(n) gevoerd en door de rechter aanvaard verweer mede ten gunste van de andere, niet verschenen gedaagde(n) strekt.
Indien sprake is van een zodanige rechtsbetrekking, kan immers niet worden gezegd dat afwijzing van de vordering tegen de ene gedaagde en toewijzing van de vordering tegen de andere tegenstrijdige vonnissen oplevert. In het onderhavige geval gaat het om een vordering tegen meer dan een schuldenaar. Ook indien, zoals Spektrum heeft gesteld maar Kantonrechter en Rechtbank in het midden hebben gelaten, veronderstellenderwijs moet worden uitgegaan van hoofdelijke verbondenheid, brengt zulks niet mee dat ten aanzien van alle schuldenaren in dezelfde zin moet worden beslist (vgl. art. 6:9 BW) . Hieruit volgt dat de Rechtbank in feite, anders dan zij in haar hiervoor weergegeven overweging tot uitdrukking brengt, het beroep op verjaring van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ambtshalve mede ten gunste van [verweerder] heeft doen strekken, en aldus in strijd met art. 3:322 lid 1 heeft gehandeld.
De onderdelen 1 en 4, die hierop gerichte klachten bevatten, zijn derhalve gegrond.
3.3
Het vorenoverwogene brengt mee dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven, en dat de overige onderdelen van het middel geen behandeling behoeven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu de vordering van Spektrum door [verweerder] niet is bestreden, wordt zij toegewezen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 25 juni 1997;
vernietigt het vonnis van de Kantonrechter te Amsterdam van 21 juni 1996, voor zover gewezen tussen Spektrum en [verweerder] ;
veroordeelt [verweerder] aan Spektrum te betalen een bedrag van f 49.007,59, vermeerderd met de wettelijke rente over f 30.741,15 vanaf 30 september 1994 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van eerste aanleg, aan de zijde van Spektrum begroot op f 2.500,- in totaal, alsmede in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Spektrum begroot op f 1.500,- in totaal;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Spektrum begroot op f 1.353,83 aan verschotten en f 3.500,- voor salaris.
Dit arrest is gewezen vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadslieren Neleman, Herrmann, Van der Putt-Lauwers en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 28 mei 1999.