Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12653

2026-09-23 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/10/707845 / HA ZA 25-874
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-25
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/10/707845 / HA ZA 25-874
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Mislukt project in Suriname; vorderingen over en weer. Deels Surinaams recht van toepassing. Terugbetaling leningsovereenkomsten. Bestuurdersaansprakelijkheid, verwijzing naar schadestaatprocedure. Erkenning en tenuitvoerlegging Surinaamse vonnissen. Afwijzing vorderingen in reconventie gebaseerd op onrechtmatig handelen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (100.035 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven




Zaaknummer: C/10/707845 / HA ZA 25-874




Vonnis van 23 september 2026




in de zaak van



de rechtspersoon naar buitenlands recht


[eiser] N.V.,
gevestigd in [plaats 1] , Suriname,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. A. Rosielle,



tegen





1 [bedrijf 1] B.V.,

gevestigd in [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. L.M. Dragtenstein,2. de rechtspersoon naar buitenlands recht


[bedrijf 2] N.V.,
gevestigd in [plaats 1] , Suriname,
gedaagde in conventie,
niet verschenen,3. [naam 1],
wonend in [plaats 3] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. L.M. Dragtenstein,4. [naam 2],
wonend in [plaats 3]
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. L.M. Dragtenstein.



Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] c.s. genoemd. [gedaagde] c.s. worden afzonderlijk [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [naam 1] en [naam 2] genoemd.






1De zaak in het kort


1.1.
Partijen hebben met elkaar samengewerkt. Hun doel was het opzetten van een kippenfokkerij en -slachterij in Suriname. Dat is uiteindelijk niet gelukt. In dat kader hebben partijen over en weer verschillende vorderingen ingesteld. Op die vorderingen is voor een groot deel Surinaams recht van toepassing.



1.2.
Tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde] en [bedrijf 2] anderzijds zijn leningsovereenkomsten gesloten. De vorderingen van [eiser] tot terugbetaling van de geleende bedragen (vermeerderd met rente) zijn toewijsbaar.



1.3.

[naam 1] en [naam 2] zijn als (statutair respectievelijk feitelijk) bestuurders van [gedaagde] en [bedrijf 2] persoonlijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg van hun onrechtmatig handelen heeft geleden. De zaak wordt voor de begroting van de schade verwezen naar de schadestaatprocedure.



1.4.
De vorderingen van [eiser] tot erkenning en tenuitvoerlegging van twee Surinaamse vonnissen zijn (alleen) toewijsbaar voor zover het een dwangsomveroordeling betreft waarvan al in rechte is vastgesteld dat de dwangsommen verbeurd zijn. Voor zover dat niet is vastgesteld worden de vorderingen van [eiser] afgewezen.



1.5.
De vorderingen van [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] in reconventie, gebaseerd op onrechtmatig handelen van [eiser] , worden afgewezen bij gebreke van een grondslag.






2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 16 juni 2025, met producties 1 tot en met 34;


de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 82;


de brief van 14 januari 2026 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;


de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 35 tot en met 42;


het bericht van 22 april 2026 van de rechtbank, waarmee partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;


de akte overlegging nadere producties van [eiser] , met producties 43 en 44;


de mondelinge behandeling van 18 mei 2026 en de door partijen overgelegde spreekaantekeningen.





2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat er vonnis zal worden gewezen.






3De feiten



Wie zijn partijen?




3.1.

[eiser] is een Surinaamse vennootschap die meerdere warenhuizen exploiteert in Suriname. Bestuurder van [eiser] is [naam 3] (hierna: [naam 3] ).



3.2.

[gedaagde] is een Nederlandse vennootschap met een vestiging in Suriname, die als pluimveebedrijf opereerde onder het handelsmerk [naam handelsmerk] .



3.3.

[bedrijf 2] is een rechtspersoon naar Surinaams recht, die voorheen handelde onder de naam [bedrijf 1] N.V.



3.4.

[naam 1] is bestuurder van [gedaagde] en [bedrijf 2] .



3.5.

[naam 2] is een Nederlandse ondernemer die sinds 2008 (tijdelijk) in Suriname heeft gewoond en gewerkt. Hij had het voornemen om in Suriname een kippenfokkerij en -slachterij te beginnen (het [naam project] ). Het doel van het [naam project] was om marktleider op het gebied van kip te worden in Suriname.



De gesloten overeenkomsten





3.6.
Op 4 juni 2018 is tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde] en [bedrijf 2] (vertegenwoordigd door [naam 1] ) anderzijds een leningsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [eiser] een lening van USD 2.250.000,00 heeft verstrekt. In deze overeenkomst (hierna: leningsovereenkomst I) staat onder meer het volgende:


“(…) Artikel 2 – Duur



2.1
Deze overeenkomst treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening van deze overeenkomst door beide partijen en heeft een looptijd van 10 jaren en 9 maanden. (…)


Artikel 3 – Voorwaarden kredietverstrekking
(…) 3.2 De middelen beschreven in het vorig lid zullen worden aangewend om:
a) De bestaande schuld bij de DSB bank (…) volledig af te betalen;
b) Investeringen te plegen om een volledig geïntegreerde pluimvee boerderij op te zetten waarbij het streven erop is gericht marktleider van o.a. kip te worden in Suriname (…).



3.3
Gedurende de eerste 9 maanden van de lening zal alleen rente worden betaald waarbij de rente maandelijks zal worden bijgeschreven op de hoofdsom, e.e.a. conform bijlage 3.


3.4
Het rentepercentage is gedurende eerste 9 maanden 3% (drie procent).


3.5
Het rentepercentage na de eerste periode van 9 maanden bedraagt 1 maand libor plus 3.75% (…) per jaar en de rente en/of rente en aflossing zal maandelijks door partij ter andere zijde aan partij ter ener worden betaald op de 28ste van iedere maand (…) conform het aflossingsschema genoemd in bijlage 2.


3.6 09
maanden na datum van deze overeenkomst en wel op 1 Maart 2019 zal de eerste aflossing van kapitaal plaatsvinden, hetgeen samen met rente is vervat in bijlage 3.


3.7
Indien aflossingen van rente en/of kapitaal en rente later dan de datum vervat in bijlage 2 plaatsvinden, zal partij ter andere zijde een boete rente moeten betalen van 8 procent’s Jaars en zal het bedrag meteen opeisbaar zijn, tenzij partijen anders overeenkomen. (…)


Artikel 4 – Zekerheden
Tot zekerheid voor het verstrekte krediet worden de volgende zekerheden door partij ter andere zijde aan partij ter ener zijde gegarandeerd en/of gefaciliteerd:
a) Door [naam stichting] (…) een eerste krediethypotheek van US$ 2,500,000,= (…) op: “Het recht van grondhuur (…)”. (…)
b) Fiduciaire eigendomsoverdracht van de voorraden gelegen aan de [adres] (…).
c) Dat partij ter andere zijde een risicoverzekering ter waarde van EURO 500,000.00 (…) ten name van [naam 2] cedeert aan partij ter ener als begunstigde.
d) Dat partij ter andere zijde de brandverzekering cedeert aan partij ter ener en haar als begunstigde aanwijst, waarbij de opstallen worden verzekerd voor een bedrag van US$ 2,000,000.00 (…)



Artikel 7 – Nadere voorwaarden
(…) 7.2 (…) Indien partij ter andere zijde de gelden anders aanwendt dan tussen partijen is afgesproken, is partij ter ener gerechtigd om deze overeenkomst onmiddellijk op te zeggen, waarbij partij ter andere zijde verplicht is om de uitstaande schuld binnen 2 maanden te voldoen. (…)



Artikel 8 – Toepasselijk recht
Op deze overeenkomst is Surinaams recht van toepassing. (…)”




3.7.
Op 6 september 2018 zijn [eiser] , [gedaagde] en [bedrijf 2] in een addendum bij leningsovereenkomst I overeengekomen dat de bestaande lening werd uitgebreid naar USD 3.000.000,00. In het addendum staat onder meer het volgende:


“(…) 1. Het krediet: (…)
b) De interest op de lening bedraagt 1 (een) maand LIBOR plus 3.75% (…) per jaar en verschijnt op de 28ste van iedere maand.
c) Gedurende de eerste twaalf maanden, te rekenen van de datum van de eerste verstrekking, is alleen interest van 3% (drie procent) verschuldigd op reeds verstrekte bedragen, die evenwel nog niet betaald hoeft te worden maar wordt bijgeschreven op de hoofdsom.
d) Aflossingen op de hoofdsom en rente vangen aan 12 maanden na ondertekening en wel ingaande 28 juni 2019 en zullen in 121 gelijke opeenvolgende maandelijkse termijnen worden gedaan conform bijlage 1. (…)



3. Zekerheden
a) De bestaande hypothecaire zekerheid zal worden uitgebreid naar US$ 3,300,000.00 (…)”




3.8.
Op 8 april 2019 is tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde] (vertegenwoordigd door [naam 2] ) en [bedrijf 2] (vertegenwoordigd door [naam 1] ) anderzijds een tweede leningsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [eiser] een lening van € 600.000,00 heeft verstrekt. In deze overeenkomst (hierna: leningsovereenkomst II) staat onder meer het volgende:


“(…) In aanmerking nemende dat: (…)
Partijen met het oog op de gemeenschappelijke doelen, hebben besloten dat [eiser] aan [gedaagde] bij de onderhavige afzonderlijke overeenkomst ter verbruikleen kredietruimte tot de som van € 600.000,- (…) ter beschikking zal stellen; (…)



Artikel 2. Rente

1. De rente op de lening bedraagt 8,5% (…) per jaar, waarbij de lening en de verschuldigde rente aan het eind van de termijn in een bullet zal worden afgelost, tenzij partijen anders overeenkomen. (…)


Artikel 3. Looptijd en aflossing



Deze overeenkomst treedt vanaf de datum van ondertekening door beide partijen in werking en duurt tot en met 6 maanden daarna. (…)



[gedaagde] is tijdens de looptijd van deze overeenkomst vrij in de intervallen waarin zij de aflossingen zal plegen, met dien verstande dat de volledige hoofdsom en de daarover verschuldigde rente bij het einde van de looptijd van deze overeenkomst, dient te zijn afgelost. (…)




Artikel 4. Zekerheden

1. Het krediet wordt verstrekt onder de voorwaarde dat het zal worden gedekt door:

a) Een door [naam stichting] verstrekte (derden)krediethypotheek voor de som van € 660.000,- (…) ten behoeve van [eiser] voor alle schulden van [gedaagde] , op het recht van grondhuur (…)
b) Een door [naam stichting] te verstrekken (derden)krediethypotheek voor de som van € 660.000,- (…) ten behoeve van [eiser] voor alle schulden van [gedaagde] op het nog door de Stichting te verkrijgen recht van grondhuur (…)
c) Het pandrecht op alle aandelen van (…) [naam 1] in [bedrijf 1] N.V.
d) Het pandrecht op alle aandelen van (…) [naam 1] en (…) [naam 2] in [bedrijf 1] B.V.
e) Fiduciaire eigendomsoverdracht van de voorraden en roerende goederen van [gedaagde] .
f) Cessie tot zekerheid van de boekvorderingen van [gedaagde] . (…)



Artikel 7. Opeisbaarheid

1. Al hetgeen [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd is zal direct in zijn geheel opeisbaar zijn, zonder dat daarvoor enige voorafgaande ingebrekestelling, opzegging of andere formaliteit vereist zal zijn, in de navolgende gevallen:
a) Bij het einde van de looptijd van deze overeenkomst, tenzij de looptijd met wederzijds goedvinden is verlengd. (…)


Artikel 8. Toepasselijk recht
Op deze overeenkomst is Surinaams recht van toepassing. (…)”




3.9.
Op 8 april 2019 is tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde] (vertegenwoordigd door [naam 2] ) en [bedrijf 2] (vertegenwoordigd door [naam 1] ) anderzijds een “Samenwerkingsovereenkomst [naam project] ” (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) gesloten. Hierin staat onder meer het volgende:


“(…) 1.4. Gaandeweg de uitvoering van de plannen bleek dat de gewenste inbreng van [eiser] bij de uitvoering van het project verder ging dan de kale financiering en dat de wederzijdse betrokkenheid bij het project het karakter van een structurele samenwerking had. Partijen achten het nodig hun onderlinge verhouding en afspraken met betrekking tot het “ [naam project] ” nader vast te leggen in deze samenwerkingsovereenkomst. (…)”




3.10.
Op 23 augustus 2019 is een “Option Agreement regarding the sale/purchase of the assets of [naam stichting] and the business of [bedrijf 1] and the [bedrijf 2] N.V.” gesloten. [eiser] verkreeg daarmee een exclusieve optie om de genoemde bedrijven te kopen voor een prijs van USD 2.500.000,00.



Het [naam project]





3.11.
De beoogde kippenfokkerij en -slachterij is niet (meer) operationeel.



3.12.
In een “Beknopte samenvatting van het Due Diligence onderzoek uitgevoerd bij “ [bedrijf 1] B.V. en N.V.” (…)” van [naam 4] van 9 juni 2020 staat onder meer het volgende:


“(…) Samengevat, na meerder [sic, rechtbank] bezoeken aan de boerderij en uitgebreide gesprekken met de verkopers is het naar mijn deskundige mening dat dit project slecht werd beheer en adequate kennis ontbreekt en expertise geschikt voor een projekt van deze omvang en aard.



Het oorspronkelijk overall ontwerp en opzet kent grote bioveiligheid en milieu zorgpunten. Het gebrek aan kennis en begrip van voedselveiligheid en besmettingsprotocollen zijn overduidelijk in de uitvoering van het business plan. [naam 2] negeerde herhaaldelijk belangrijke aanbevelingen door het deskundig personeel van de verkopers hetgeen weer heeft geleid tot veel valkuilen in het project. Al de genoemde tekortkomingen van [naam handelsmerk] culmineren in een aanzienlijk menselijke voedselveiligheid zorgpunt alsook een lokale milieu gevaar op het terrein. Concluderend, kan ik stellen dat de financiële projecties gedaan naar [naam 3] als verschaffer van schuldfinanciering, niet haalbaar waren en dat [naam 3] grof misleid werd door deze verklaringen. (…)”




Eerdere procedures





3.13.
Tussen partijen zijn, zowel in Suriname als in Nederland, verschillende procedures gevoerd. Die procedures hebben onder meer geleid tot de volgende Surinaamse vonnissen:


3.13.1.
Een vonnis van de kantonrechter in kort geding van 24 juni 2021, waarin [gedaagde] en [bedrijf 2] onder meer en verkort weergegeven zijn veroordeeld om medewerking te verlenen aan een door [eiser] uit te laten voeren onafhankelijk onderzoek naar de uitgaven inzake het [naam project] .



3.13.2.
Een vonnis van de kantonrechter in kort geding van 14 juli 2022, waarin [gedaagde] en [bedrijf 2] verkort weergegeven zijn veroordeeld om:


machines aan [eiser] af te staan (randnummer 5.2),


vorderingen aan [eiser] te cederen (randnummer 5.3) en


een pandrecht op de aandelen van [naam 1] en [naam 2] in [gedaagde] en [bedrijf 2] te vestigen (randnummer 5.4),


steeds op straffe van verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,00 voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijven, met een maximum van SRD 500.000,00.



3.13.3.
Een vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2023, waarin de vorderingen van [gedaagde] en [bedrijf 2] tot (i) betaling door [eiser] van een investeringskrediet van USD 1.200.000,00 en (ii) aanpassing van de leningsovereenkomsten en de samenwerkingsovereenkomst zijn afgewezen.



3.13.4.
Een vonnis van de kantonrechter van 9 april 2024, waarin als volgt is beslist:


“(…) De kantonrechter





5.1.
verklaart voor recht dat gedaagden [ [gedaagde] en [bedrijf 2] ] de maximale en opeisbare dwangsommen reeds hebben verbeurd wegens overtreding van het vonnis van 14 juli 2022 met civar no. 202200146 zoals gesteld in randnummer 5.2, 5.3 en 5.4 van voormeld vonnis;



5.2.
bepaalt dat gedaagden met ingang van een maand na de betekening van dit vonnis, een dwangsom van SRD 100.000,- (…) per dag zullen verbeuren aan eiseres [ [eiser] ] voor iedere dag dat zij nalaten te voldoen aan het vonnis van 14 juli 2022 met civar no. 202200146, tot een maximum van SRD 100.000.000,- (…), zulks naast de reeds verbeurde dwangsommen genoemd onder 5.1 van dit vonnis;



5.3.
verklaart hetgeen is beslist onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad; (…)”



3.14.

[naam 1] en [naam 2] zijn in Suriname strafrechtelijk vervolgd naar aanleiding van een aangifte door [eiser] .



Het Ernst & Young-rapport





3.15.
Naar aanleiding van het vonnis van 24 juni 2021 heeft [eiser] Ernst & Young ingeschakeld voor het laten uitvoeren van een onderzoek naar de uitgaven inzake het [naam project] . In het rapport van voorlopige bevindingen van Ernst & Young van 5 november 2021 staat onder meer het volgende:


“(…) We hebben geverifieerd en kunnen bevestigen dat de middelen daadwerkelijk zijn uitbetaald door [eiser] N.V. aan [gedaagde] tussen mei 2018 en mei 2019, zijnde in totaal US$ 3,023 miljoen en € 600,000.



(…) Na onderzoek van de beschikbare documentatie hebben we bevestigd dat de beschikbare documentatie van [gedaagde] niet toereikend was om gedetailleerde transactietests en -analyses uit te voeren.



We beoordeelden de documenten van “Contante overschrijvingsformulieren” waaruit bleek dat de directeur van [gedaagde] , [naam 1] in de periode juli 2018 tot en met oktober 2018 voor een bedrag van € 2,028 miljoen aan contanten gelden uitvoerde van Suriname naar Nederland. Fysiek contant geld kan niet gemakkelijk worden herleid naar de oorspronkelijke bank en het is hoogst ongebruikelijk dat een directeur ervoor zou kiezen om persoonlijk zulke grote hoeveelheden contant geld van het ene land naar het andere land te vervoeren (in tegenstelling tot het gebruik van veilige bankoverschrijvingen, enz.). We hebben niet kunnen nagaan of deze middelen zijn gebruikt in het [naam project] , doordat de ondersteunende documentatie niet is aangeleverd door [gedaagde] .



(…) In de door beide partijen ondertekende leningsovereenkomsten, waarbij [eiser] N.V. middelen heeft verstrekt aan [gedaagde] , is bepaald dat de fondsen verstrekt door [eiser] N.V. aan [gedaagde] dienen te worden gebruikt voor projectbouwkosten en verder dat deze fondsen bestemd zijn om een hypotheekschuld (…) af te lossen. Echter hebben wij tot op de datum van dit verslag, geen documentatie ontvangen om te verifiëren dat deze fondsen zijn gebruikt voor de doeleinden die zijn beschreven in het Ondernemingsplan of “financieel overzicht” welke onderdeel is van de ondertekende leningsovereenkomsten.



We hebben een rapport beoordeeld dat is verstrekt aan ons door [gedaagde] ’s Huis Accountant (…), waaruit bleek dat de verliezen van de [gedaagde] van respectievelijk SR$ 3,175,242 en SR$ 5,449,024 in 2018 en 2019 zijn afgetrokken van de geleende en geïnvesteerde middelen van [eiser] N.V. Wij constateren dat dit niet in overeenstemming is met de ondertekende leningsovereenkomst (…) en het daarin opgenomen Ondernemingsplan of “financieel overzicht”. Het is ook niet de normale boekhoudkundige toepassing voor het rechtvaardigen van de uitgegeven gelden en de berekening van de lening/investeringsbalansen. [naam 2] verklaarde dat de leningen aan de [gedaagde] voor algemene doeleinden waren verstrekt en dat de door [eiser] N.V. verstrekte middelen niet specifiek bestemd waren voor het [naam project] . (…)”




Brieven van [eiser]





3.16.
In de brief van [eiser] aan [gedaagde] c.s. van 19 december 2023 staat onder meer het volgende:


“(…) Krachtens de Kredietovereenkomst I was [gedaagde] c.s. verplicht om vanaf 28 juni 2019 het verstrekte krediet maandelijks af te lossen (…). [gedaagde] c.s. is echter tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen. Naar aanleiding hiervan heeft [naam 3] reeds op 18 mei 2020 een ingebrekestelling gestuurd (…). [gedaagde] c.s. heeft geen gehoor gegeven aan deze ingebrekestelling en is daarmee reeds geruime tijd in verzuim. Dit maakt dat [naam 3] gerechtigd is de Kredietovereenkomst I te ontbinden, hetgeen, voor zover niet eerder is gebeurd, bij gelegenheid van deze brief wordt gedaan.



Los van het voormelde verzuim van [gedaagde] c.s. om de lening af te lossen, heeft [naam 3] het recht om de Kredietovereenkomst I onmiddellijk op te zeggen, aangezien voldaan is aan de voorwaarde in artikel 7.2 (…).




[naam 3] vordert gelet op het voorgaande, betaling van de hoofdsom en verschuldigde rente uit hoofde van de Kredietovereenkomst I en het Addendum. (…)




[naam 3] is op 8 april 2019 de Kredietovereenkomst II aangegaan met [gedaagde] c.s. voor een looptijd van zes maanden. Deze overeenkomst is op 8 oktober 2019 beëindigd (…). Op grond van artikel 7.1 sub a van de Kredietovereenkomst II is al hetgeen [gedaagde] c.s. aan [naam 3] verschuldigd is, opeisbaar geworden. Zoals eerder gesteld, is [gedaagde] c.s. op 18 mei 2020 in gebreke gesteld (…).




[gedaagde] c.s. komt haar verplichtingen onder de Kredietovereenkomsten niet na. [naam 3] houdt [naam 2] en [naam 1] in hun hoedanigheid van bestuurder dan wel feitelijk leidinggevende (…) aansprakelijk voor het uitblijven van de betaling. Dit omdat hen ter zake een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. (…)”




3.17.
Bij brief van 20 mei 2025 heeft [eiser] de samenwerkingsovereenkomst ontbonden.






4Het geschil



in conventie




4.1.

[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


“(i) te verklaren voor recht dat [gedaagde] c.s. jegens [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten Leningsovereenkomsten;



ii) [gedaagde] c.s. te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van USD 2.869.126,16 uit hoofde van wanprestatie onder de Leningsovereenkomst I en het Addendum, te vermeerderen met de contractuele rente van 6,25% daarover vanaf 15 mei 2025 tot de dag der algehele voldoening;


iii) [gedaagde] c.s. te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van EUR 912.676,04 uit hoofde van wanprestatie onder de Leningsovereenkomst II, te vermeerderen met de contractuele rente van 8,5% daarover vanaf 15 mei 2025 tot de dag der algehele voldoening;


iv) te verklaren voor recht dat [naam 1] en [naam 2] onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld;


v) [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [eiser] voor een bedrag van USD 2.869.126,16 en EUR 912.676,04, te vermeerderen met de contractuele rente van 6,25% respectievelijk 8,5% daarover vanaf 15 mei 2025 tot de dag der algehele voldoening;


vi) de Surinaamse Vonnissen te erkennen;


vii) verlof te verlenen voor de tenuitvoerlegging van de Verbeurde Dwangsommen ten bedrage van SRD 1.500.000 zoals bepaald in rechtsoverweging 5.1 van het Vonnis d.d. 9 april 2024;


viii) [gedaagde] c.s. te veroordelen conform rechtsoverweging 5.2 van het Vonnis d.d. 9 april 2024, mitsdien [gedaagde] c.s. te veroordelen tot betaling van de Aanvullende Dwangsom ten bedrage van SRD 35.400.000;


ix) gedaagden te veroordelen in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten.”





4.2.

[gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.



in reconventie





4.3.

[gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

“ I. Verklaringen voor recht

1. Voor recht te verklaren dat [eiser] N.V. onrechtmatig heeft gehandeld jegens gedaagden door een samenstel van gedragingen, bestaande uit onder meer:

o het doelbewust stopzetten van financiering;
o het uitoefenen van ongeoorloofde prijs- en executiedruk;
o het structureel voeren van vexatoire procedures;
o het verspreiden en gebruiken van misleidende en ondeugdelijke rapportages (waaronder het zogenoemde “Ernst & Young-rapport”);
o het aanzetten tot en voeden van strafrechtelijke vervolging op basis van onjuiste aannames;
o het veroorzaken van ernstige reputatie- en vermogensschade;
o het inzetten van een stromanconstructie ( [naam 4] ) ter verhulling van persoonlijke regie en ter voorbereiding van een gedwongen overname;
o het hanteren en afdwingen van excessieve rente-, royalty- en zekerheidsstructuren die niet passen binnen een normale kredietrelatie maar kwalificeren als een investerings- en controleconstructie.


2. Voor recht te verklaren dat [naam 3] , als feitelijk beleidsbepaler en indirect bestuurder van [eiser] N.V., persoonlijk betrokken was bij en leiding heeft gegeven aan de onder 1 genoemde gedragingen, en dat hem ter zake daarvan een ernstig persoonlijk verwijt treft in de zin van de maatstaven van Beklamel en Ontvanger/Roelofsen.

3. Voor recht te verklaren dat de door [naam 3] geuite beschuldigingen van fraude, verduistering, onttrekkingen en wanbestuur feitelijk ongegrond zijn, mede in het licht van de onherroepelijke vrijspraak in strafrechtelijke zin en het ontbreken van een deugdelijke accountantsgrondslag.

4. Voor recht te verklaren dat [naam 1] niet persoonlijk aansprakelijk is, nu zij uitsluitend formeel bestuurder was en haar geen enkel ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt.


II. Concrete schade – rechtspersoon


5. [eiser] N.V. te veroordelen tot betaling aan gedaagden van een bedrag van € 5.000.000 wegens executieschade en verlies van het onroerend goed, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.


III. Ondernemingsschade – aansprakelijkheid vast, omvang bij staat


6. Voor recht te verklaren dat [eiser] N.V. aansprakelijk is voor de volledige schade voortvloeiend uit het verlies van de onderneming van gedaagden, waaronder begrepen gederfde winst en waardevernietiging, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.


IV. Voorfase persoonlijke aansprakelijkheid


7. Voor recht te verklaren dat de onder 1.2 vastgestelde persoonlijke betrokkenheid en verwijtbaarheid van [naam 3] mede wordt vastgesteld met het oog op een afzonderlijke aansprakelijkheidsprocedure tegen hem in persoon.


V. Overige vorderingen


8. [eiser] N.V. te verbieden zich in procedures, media of richting derden nog te beroepen op het ondeugdelijke “EY-rapport” of daarmee samenhangende documenten.

9. [eiser] N.V. te veroordelen in de volledige proceskosten, inclusief nakosten en wettelijke rente.”



4.4.

[eiser] concludeert tot:


niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] in hun vorderingen jegens [naam 3] ;


niet-ontvankelijkheid van [naam 1] en [naam 2] in hun vorderingen jegens [eiser] , waaronder vordering I sub 1, II, III en V sub 8;


afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] ;


veroordeling van [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure, alsmede de nakosten.





in conventie en in reconventie





4.5.
De relevante stellingen van partijen worden hierna verder besproken.






5De beoordeling



Bevoegdheid en toepasselijk recht




5.1.
Er is sprake van een internationale zaak, omdat [eiser] en [bedrijf 2] gevestigd zijn in Suriname. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij internationaal bevoegd is en zo ja, welk recht toepasselijk is.



5.2.
Omdat er in dit geval geen internationale regelingen op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid van toepassing zijn, moet de internationale bevoegdheid van de rechtbank beoordeeld worden aan de hand van de regels van Nederlands commuun internationaal bevoegdheidsrecht, zoals bepaald in de artikelen 1-14 Rv.



5.3.
Op grond van artikel 2 Rv is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] , omdat zij in Nederland gevestigd/woonachtig zijn. Deze rechtbank is ook relatief bevoegd op grond van artikel 99 Rv. [gedaagde] is namelijk gevestigd in Rotterdam en [naam 1] en [naam 2] zijn woonachtig in [plaats 3] .



5.4.
Op grond van artikel 7 lid 1 Rv is deze rechtbank ook bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen [bedrijf 2] . [eiser] heeft onweersproken gesteld dat tussen de vorderingen tegen alle gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Ook de rechtbank gaat daarvan uit.



5.5.
Deze rechtbank is ook bevoegd ten aanzien van de vorderingen in reconventie. Dat vloeit voort uit artikel 7 lid 2 Rv.



5.6.
De vraag welk recht van toepassing is, zal steeds bij de behandeling van de verschillende vorderingen aan de orde komen.



5.7.
De vorderingen in conventie en in reconventie worden hierna afzonderlijk beoordeeld.



In conventie





5.8.

[eiser] vordert, samengevat:


betaling van schadevergoeding door [gedaagde] en [bedrijf 2] op grond van wanprestatie;


betaling van schadevergoeding door [naam 1] en [naam 2] op grond van onrechtmatig daad (bestuurdersaansprakelijkheid);


erkenning, verlof tot tenuitvoerlegging en veroordeling van [gedaagde] en [bedrijf 2] tot betaling van de genoemde bedragen in de Surinaamse vonnissen van 14 juli 2022 en 9 april 2024;


veroordeling van [gedaagde] c.s. in de kosten van de procedure.


Deze vorderingen worden hierna afzonderlijk besproken.



De positie van [bedrijf 2]





5.9.

[bedrijf 2] is niet in de procedure verschenen. Tegen haar is verstek verleend. Omdat door de andere partijen verder is geprocedeerd, wordt op grond van artikel 140 Rv één vonnis tussen alle partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.



5.10.
In de conclusie van antwoord staat dat [bedrijf 2] niet in de procedure verschijnt, maar zich wel conformeert aan het door [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] gevoerde verweer en zich materieel aansluit bij alle door hen ingenomen stellingen en weren. Dat standpunt gaat niet op. Omdat [bedrijf 2] niet is verschenen, kan zij geen verweer voeren. Het door [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] gevoerde verweer kan ook niet ten gunste van [bedrijf 2] strekken. Dat zou slechts anders zijn, als de rechtsbetrekking tussen partijen zou nopen tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing. Die situatie is hier niet aan de orde. Er is geen sprake van een ondeelbare rechtsverhouding.



5.11.
Op grond van artikel 139 Rv moet de rechtbank de vorderingen tegen [bedrijf 2] daarom in beginsel toewijzen, tenzij deze de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Daarop wordt bij de bespreking van de afzonderlijke vorderingen nader ingegaan.



Ad a) schadevergoeding op grond van wanprestatie (vorderingen i tot en met iii)





Toepasselijk recht





5.12.
De vraag welk recht van toepassing is op deze vorderingen moet worden beantwoord aan de hand van de Rome I-Verordening. Op grond van artikel 3 lid 1 Rome I-Verordening wordt een overeenkomst beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. In dit geval is in artikel 8 van de leningsovereenkomsten bepaald dat Surinaams recht van toepassing is. Vorderingen i, ii en iii zullen daarom worden beoordeeld naar Surinaams recht.



Het standpunt van [eiser]





5.13.

[eiser] stelt dat [gedaagde] en [bedrijf 2] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de leningsovereenkomsten, omdat zij (a) hun betalingsverplichtingen niet zijn nagekomen en (b) niet alle overeengekomen zekerheden hebben verstrekt. [eiser] heeft dat als volgt toegelicht.


5.13.1.
Met betrekking tot Leningsovereenkomst I en het addendum: de verstrekte lening is op grond van artikel 7.2 van Leningsovereenkomst I opeisbaar, omdat de gelden anders zijn aangewend dan tussen partijen is afgesproken. [gedaagde] en [bedrijf 2] waren daarom verplicht om de uitstaande schuld binnen twee maanden na de brief van 19 december 2023 te voldoen, maar hebben dat niet gedaan. Op 15 mei 2025 stond er, inclusief rente, een bedrag van USD 2.869.126,16 open.



5.13.2.
Met betrekking tot Leningsovereenkomst II: op grond van artikel 7.1 sub a van Leningsovereenkomst II is de verstrekte lening opeisbaar geworden op 8 oktober 2019 (het einde van de looptijd van de overeenkomst). Het openstaande bedrag, dat op 15 mei 2025 inclusief rente € 912.676,04 bedroeg, is echter niet voldaan.



5.13.3.
Daarnaast waren [gedaagde] en [bedrijf 2] op grond van de leningsovereenkomsten en het Surinaamse vonnis van 14 juli 2022 (zie onder 3.13.2) verplicht om verschillende zekerheden te verstrekken. Ook daaraan hebben zij niet (volledig) voldaan.



Het standpunt van [gedaagde]






5.14.
Volgens [gedaagde] is van wanprestatie geen sprake, althans is het beroep van [eiser] op wanprestatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Verder is volgens [gedaagde] sprake van misbruik van procesrecht en vinden de gevorderde bedragen geen steun in de producties.



Het oordeel van de rechtbank





5.15.
Vorderingen i, ii en iii in conventie worden toegewezen tegen [bedrijf 2] , omdat zij niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen. De vorderingen worden ook toegewezen tegen [gedaagde] . Hieronder wordt toegelicht waarom het verweer van [gedaagde] niet slaagt.



5.16.
Voor de beoordeling van vorderingen i, ii en iii is artikel 1264 Surinaams Burgerlijk Wetboek (oud) relevant. Dat artikel luidt als volgt:


“Vergoeding van kosten, schade en interesten, voortspruitende uit het niet nakomen van een verbintenis, is dan eerst verschuldigd, wanneer de schuldenaar, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft om die verbintenis te vervullen, of indien de schuldenaar verplicht was te geven of te doen, slechts kon geven of gedaan worden binnen zekere tijd, welke hij voorbij heeft laten gaan.”




5.17.
Aan de vereisten van artikel 1264 Surinaams Burgerlijk Wetboek (oud) is voldaan. Er is sprake van niet-nakoming van een verbintenis, van een ingebrekestelling en van verzuim. De schade die [eiser] als gevolg van de wanprestatie lijdt, bestaat uit de door haar uitgeleende en niet-terugbetaalde bedragen, vermeerderd met de contractuele rente die is overeengekomen voor het geval de leningen niet (tijdig) worden terugbetaald. Dit wordt hierna toegelicht.



Niet-nakoming van leningsovereenkomst I en het addendum





5.18.
In artikel 3.2 van leningsovereenkomst I staat dat het geleende geld moet worden gebruikt om (a) een hypotheekschuld af te lossen en (b) te investeren in het [naam project] . Volgens [eiser] hebben [gedaagde] en [bedrijf 2] niet aan deze verplichting voldaan. [eiser] baseert zich in dat kader op het Ernst & Young-rapport en de daarin genoemde geldtransporten van contante bedragen. [eiser] licht toe dat [naam 2] en [naam 1] op 30 juli 2018, 8 september 2018 en 14 oktober 2018 in totaal € 2.028.430,00 aan contanten van Suriname naar Nederland hebben vervoerd. Volgens [eiser] betreft dat gelden die door haar zijn uitgeleend en die dus niet zijn gebruikt zoals tussen partijen is overeengekomen.



5.19.

[gedaagde] stelt daar tegenover dat de geldtransporten geen betrekking hadden op door [eiser] verstrekte middelen. De geldtransporten zijn volgens [gedaagde] legaal aangegeven en gedocumenteerd. Zij betoogt aan de hand van een accountantsverklaring van 15 september 2020 dat de ontvangen gelden volledig zijn aangewend voor bedrijfsdoeleinden binnen het [naam project] en dat van onrechtmatige onttrekkingen of eigenlijk gebruik van middelen geen sprake is geweest.



5.20.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat het door haar uitgeleende geld niet is gebruikt zoals tussen partijen is overeengekomen. Zoals hierna wordt uitgelegd, is wat [gedaagde] aanvoert niet voldoende om tot een ander oordeel te kunnen komen.



5.21.
Voldoende gebleken is dat de naar Nederland vervoerde contante gelden, van in totaal ruim twee miljoen euro, afkomstig zijn van [eiser] . Uit de tijdlijn in het Ernst & Young-rapport blijkt dat aan de geldtransporten naar Nederland steeds de uitbetaling van gelden door [eiser] vooraf is gegaan. De rechtbank merkt in dit verband alvast op dat voorbij wordt gegaan aan de betwisting van het Ernst & Young-rapport door [gedaagde] . Wat [gedaagde] in dat kader aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat het rapport, dat is opgesteld naar aanleiding van de veroordeling in het vonnis van 24 juni 2021, geen bewijskracht zou hebben. Hierop zal nader worden ingegaan bij de bespreking van vordering 8 in reconventie, die specifiek betrekking heeft op het Ernst & Young-rapport.



5.22.
De betwisting van [gedaagde] in dit kader is niet goed te rijmen met haar stelling dat [eiser] zelf actief betrokken was bij ‘de gekozen betalingsstructuur’. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] op 16 juli 2018 een contant bedrag van € 100.000,00 aan [naam 2] overhandigd, welk geld bestemd was voor een proefzending naar Nederland. Achtergrond was dat er destijds deviezenrestricties golden, waardoor reguliere eurobetalingen vanuit Suriname niet mogelijk waren. [eiser] was daarvan op de hoogte en stemde daarmee in, aldus [gedaagde] . Deze stellingen, die hierna nog verder aan de orde zullen komen, bevestigen dat de naar Nederland vervoerde contante gelden door [eiser] beschikbaar zijn gesteld.



5.23.
Daarbij komt dat ook niet is gesteld of gebleken dat de gelden een andere herkomst hebben. De door [gedaagde] overgelegde aangifteformulieren liquide middelen vermelden als herkomst van het vervoerde geld: “Opname van bank in Suriname / verkoop eendenvlees en pluimveevoer”. Als beoogd gebruik van het geld is vermeld: “Ter betaling van facturen van leveranciers”. Dat het geld afkomstig zou zijn van de verkoop van eendenvlees en pluimveevoer is niet goed te rijmen met de stelling van [gedaagde] dat de omzet drastisch was teruggelopen. In de jaarrekening van “ [bedrijf 1] ” is over het boekjaar 2018 een negatief resultaat van SRD 3.175.242,00 gerapporteerd. Ook over 2017 was er een negatief resultaat. Per 31 december 2018 wordt er een negatief eigen vermogen gerapporteerd van SRD 5.671.097,00. De gerapporteerde omzetten zijn niet zodanig dat die de herkomst van de contant beschikbare gelden kunnen verklaren. Over 2014, 2015 en 2016 is kennelijk ook steeds verlies geleden. Over 2013 zou er winst zijn gerealiseerd. Uit het verleden bestonden destijds echter nog grotere compensabele verliezen. Er is al met al geen andere plausibele verklaring voor de herkomst van de gelden voor de contante geldtransporten dan dat het een deel van de door [eiser] beschikbaar gestelde gelden betreft.



5.24.
In het Ernst & Young-rapport staat dat Ernst & Young niet heeft kunnen nagaan of het contant vervoerde geld is gebruikt in het [naam project] , omdat [gedaagde] geen ondersteunende documentatie zou hebben aangeleverd. Ook in deze procedure heeft [gedaagde] dat niet gedaan. Dat [eiser] volgens [gedaagde] zou hebben ingestemd met de contante geldtransporten, laat onverlet dat [gedaagde] op grond van leningsovereenkomst I verplicht was om het van [eiser] ontvangen geld te besteden op de manier als tussen partijen was overeengekomen. Dat [gedaagde] dat heeft gedaan kan, wat betreft het contant naar Nederland vervoerde geld, dus niet worden aangenomen.



5.25.
De rechtbank leidt uit het Ernst & Young-rapport verder af dat Ernst & Young, ook los van de contante geldtransporten, niet heeft kunnen verifiëren of de door [eiser] verstrekte fondsen zijn gebruikt voor de overeengekomen doelen. De accountantsverklaring van 15 september 2020 waar [gedaagde] zich op beroept is ook besproken in het Ernst & Young-rapport. Volgens Ernst & Young blijkt uit die verklaring dat verliezen uit het verleden zijn gefinancierd met geld dat voor andere doeleinden was bestemd. Zonder nadere toelichting van [gedaagde] , die ontbreekt, kan deze verklaring daarom niet dienen ter onderbouwing van haar standpunt dat de van [eiser] ontvangen gelden volledig zijn aangewend voor bedrijfsdoeleinden binnen het [naam project] . Een verdere onderbouwing is niet gegeven. Hoewel er ongetwijfeld veel geld aan het [naam project] zal zijn uitgegeven, kan uit de stellingen van [gedaagde] en de door haar overlegde stukken dus niet worden afgeleid dat het van [eiser] ontvangen geld is besteed op de manier zoals is afgesproken.



5.26.
Het voorgaande brengt mee dat [eiser] op grond van artikel 7.2 van leningsovereenkomst I de volledige lening (inclusief het extra bedrag dat is verstrekt op grond van het addendum) mocht opeisen, zoals zij op 19 december 2023 ook heeft gedaan. Niet in geschil is dat het opgeëiste bedrag vervolgens onbetaald is gebleven.



Niet-nakoming van leningsovereenkomst II





5.27.
Dat leningsovereenkomst II op 8 oktober 2019 opeisbaar is geworden in verband met het verstrijken van de overeengekomen termijn, is op zichzelf niet tussen partijen in geschil. Ook niet in geschil is dat het opeisbare bedrag vervolgens onbetaald is gebleven.



Niet-verstrekte zekerheden





5.28.

[eiser] stelt verder dat [gedaagde] en [bedrijf 2] de in de leningsovereenkomsten opgenomen verplichting om zekerheden te verstrekken niet volledig zijn nagekomen. [eiser] spitst dat verwijt toe op de veroordeling van [gedaagde] en [bedrijf 2] in het Surinaamse vonnis van 14 juli 2022 om specifieke machines af te staan aan [eiser] . Volgens [eiser] is daaraan niet voldaan, omdat de betreffende machines al op 28 april 2021 aan een derde zijn verkocht door een nieuwe, door [naam 1] opgerichte vennootschap ( [bedrijf 3] N.V.).



5.29.

[gedaagde] betwist niet dat de betreffende machines door [bedrijf 3] N.V. aan een derde zijn verkocht. Zij stelt zich op het standpunt dat van vervreemding van de machines geen sprake is geweest, omdat deze nooit feitelijk of juridisch aan [eiser] zijn geleverd. Dat standpunt snijdt geen hout. Waar het om gaat, is dat de machines niet aan derden verkocht hadden mogen worden, omdat deze als zekerheid voor [eiser] zouden dienen. Ook in zoverre zijn [gedaagde] en [bedrijf 2] dus tekortgeschoten in de nakoming van hun uit de leningsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Deze tekortkoming is ook door de Surinaamse rechter vastgesteld.



De aard van de rechtsverhouding staat niet aan opeisbaarheid in de weg





5.30.
Volgens [gedaagde] brengt een juiste kwalificatie van de rechtsverhouding tussen partijen mee dat de leningsovereenkomsten niet opeisbaar zijn, althans dat het beroep van [eiser] op wanprestatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [gedaagde] voert daartoe, samengevat, het volgende aan:


er is geen sprake van een klassieke geldleningsovereenkomst met terugbetalingsverplichting;


sprake is van een zakelijke samenwerking, waarbij de verhouding tussen partijen kwalificeert als een geïntegreerde investerings- en projectfinancieringsrelatie;


terugbetaling was afhankelijk van gerealiseerde exploitatie en cashflow;



[eiser] had meerdere rollen, namelijk die van financier, mede-investeerder (met winstdeling, toezicht en zeggenschap binnen de Raad van Commissarissen) en potentiële koper (op basis van een option agreement);


door gedurende langere tijd geen aanspraak te maken op aflossing, de samenwerking voort te zetten en te blijven sturen op projectontwikkeling en herfinanciering, heeft [eiser] bij [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat geen sprake was van een onmiddellijk opeisbare betalingsverplichting.





5.31.

[gedaagde] beroept zich in dit kader op verschillende documenten, waaronder de samenwerkingsovereenkomst (waarin expliciet is vastgelegd dat de gewenste inbreng van [eiser] “verder ging dan kale financiering”), verschillende e-mails van [eiser] en een door [eiser] opgestelde cashflowberekening van 6 april 2018. Volgens [gedaagde] blijkt uit laatstgenoemd document dat terugbetaling van de leningen afhankelijk was van gerealiseerde exploitatie en toekomstige kasstromen en dus niet van vaste, onvoorwaardelijke termijnen. Zolang geen cashflow werd gerealiseerd kon dus ook geen opeisbare betalingsverplichting ontstaan, aldus [gedaagde] .



5.32.
Dit verweer van [gedaagde] slaagt niet. Dat de verhouding tussen partijen verder ging dan alleen een financieringsrelatie, rechtvaardigt niet de conclusie dat de uit de leningsovereenkomsten voortvloeiende terugbetalingsverplichtingen niet (langer) zouden gelden. De redenering van [gedaagde] is kennelijk dat de geldleningen van karakter zijn veranderd en dat terugbetaling slechts aan de orde zou zijn als de cashflow dat zou toelaten, maar dat is niet wat partijen in de samenwerkingsovereenkomst of in een ander document (alsnog) zijn overeengekomen. Uit de cashflowberekening van [eiser] kan dat ook niet worden afgeleid.



5.33.
Ook niet gebleken is dat [eiser] gehouden was om een nadere, aanvullende financiering te verstrekken en dat niet-nakoming van die verplichting van [eiser] in de weg zou kunnen staan aan de terugbetalingsverplichting van [gedaagde] . De rechtbank wijst in dit kader op het Surinaamse vonnis van 18 augustus 2023, waarin de vorderingen van [gedaagde] en [bedrijf 2] tot nakoming van gestelde aanvullende financieringstoezeggingen zijn afgewezen. Van de door [gedaagde] en [bedrijf 2] gestelde wanprestatie was in de visie van de kantonrechter geen sprake. In het vonnis is als standpunt van [gedaagde] en [bedrijf 2] opgenomen dat zij vanwege hun financiële situatie akkoord zijn gegaan met de nadelige voorwaarden van [eiser] . Aan die voorwaarden zijn zij vervolgens dan wel gebonden.



Ingebrekestelling en verzuim





5.34.
Ook aan de vereisten van een ingebrekestelling en verzuim is voldaan. [gedaagde] is op 19 december 2023 (nogmaals) in gebreke gesteld en gesommeerd om haar uit de leningsovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen binnen twee maanden na te komen. Zij heeft daaraan niet voldaan. Het verzuim is dus in elk geval op 19 februari 2024 ingetreden.



Geen misbruik van procesrecht





5.35.
Volgens [gedaagde] is sprake van misbruik van procesrecht. Zij voert daartoe aan dat de proceshouding van [eiser] een consistent patroon vertoont van herhaaldelijk procederen over dezelfde feiten, bedragen en verwijten, steeds met het doel om druk uit te oefenen op [gedaagde] en haar bestuurders. Sinds 2020 heeft [eiser] negentien procedures aangespannen in Suriname en Nederland, ondanks het bestaan van substantiële zekerheden en het ontbreken van nieuwe feiten of rechtsgronden. Dit procesgedrag heeft al meerdere keren tot rechterlijke correcties geleid. Zo is bijvoorbeeld in drie vonnissen (van 6 maart 2020, 1 oktober 2020 en 24 juni 2021) geoordeeld dat [eiser] misbruik maakte van haar executierechten. [gedaagde] en haar bestuurders zijn door de herhaaldelijke procedures ernstig geschaad door langdurige belemmering van de bedrijfsvoering, aanzienlijke juridische kosten en reputatieschade. Gelet op de chronologie, de herhaling van identieke verwijten en het negeren van eerdere rechterlijke uitspraken is volgens [gedaagde] sprake van misbruik van procesrecht. Het inzetten van strafrechtelijke drukmiddelen past binnen het geschetste patroon van oneigenlijke pressie, aldus [gedaagde] .



5.36.
Van misbruik van procesrecht is pas sprake als het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.



5.37.
Aan het hiervoor weergegeven criterium is in dit geval niet voldaan. Van evidente onjuistheid van de vorderingen van [eiser] is geen sprake. Dat al (veel) meer procedures zijn gevoerd tussen partijen en de Surinaamse rechter heeft geoordeeld dat [eiser] in een eerder stadium misbruik van haar executierechten heeft gemaakt, maakt dat niet anders.



De hoogte van de vordering





5.38.

[gedaagde] stelt dat de in de dagvaarding genoemde bedragen geen steun vinden in de producties. Daartoe voert [gedaagde] aan dat in de brief van [eiser] van 18 mei 2020 lagere en anders gespecificeerde bedragen zijn vermeld.



5.39.
Nadat [eiser] heeft toegelicht dat de in de brief van 18 mei 2020 genoemde bedragen zijn verhoogd met nadien verschenen rente, is [gedaagde] hierop niet meer teruggekomen. Zij heeft haar verweer op dit punt daarom onvoldoende onderbouwd.



5.40.

[gedaagde] heeft verder geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de door [eiser] gevorderde bedragen (van USD 2.869.126,16 en € 912.676,04). De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van deze bedragen.



Conclusie





5.41.
Het voorgaande brengt mee dat de door [eiser] onder i gevorderde verklaring voor recht en de onder ii en iii gevorderde bedragen van USD 2.869.126,16 en € 912.676,04 worden toegewezen. Ook de onder ii en iii gevorderde contractuele rente vanaf 15 mei 2025 wordt toegewezen. Deze is gegrond op de leningsovereenkomsten (artikel 3 van leningsovereenkomst I, artikel 1 van het addendum en artikel 2 van leningsovereenkomst II) en onweersproken gebleven.



Ad b) schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad (bestuurdersaansprakelijkheid, vorderingen iv en v)





Toepasselijk recht





5.42.
De vraag welk recht van toepassing is op vorderingen iv en v moet worden beantwoord aan de hand van de Rome II-Verordening. Op grond van artikel 4 lid 1 Rome II-Verordening is het recht toepasselijk van de staat waar de schade als gevolg van de onrechtmatige daad zich voordoet.



5.43.
Volgens [eiser] doet de schade zich in Suriname voor, aangezien de uit de leningsovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen in Suriname moesten worden uitgevoerd. Zij stelt dat op de vorderingen tegen de bestuurders van [bedrijf 2] daarom Surinaams recht van toepassing is. Wat betreft de vorderingen tegen de bestuurders van [gedaagde] beroept [eiser] zich op de uitzondering van artikel 4 lid 3 Rome II-Verordening. Zij stelt dat er ten aanzien van die vorderingen sprake is van een kennelijk nauwere band met Nederland en dat om die reden Nederlands recht van toepassing is op die vorderingen.



5.44.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen tegen de bestuurders van zowel [bedrijf 2] als [gedaagde] worden beheerst door Surinaams recht. In beide gevallen doet de gestelde schade zich voor in Suriname. Er is wat betreft de vorderingen tegen de bestuurders van [gedaagde] geen sprake van een kennelijk nauwere band met Nederland. Dat, zoals [eiser] aanvoert, [gedaagde] is gevestigd in Nederland en haar bestuurders in Nederland wonen, zij in Nederland verhaal zouden moeten bieden en de onttrokken gelden naar Nederland zijn vervoerd, is niet van doorslaggevend belang. Daar staat tegenover dat [eiser] een Surinaamse vennootschap is, het geld vanuit Suriname is verstrekt en het gaat om gebeurtenissen die in Suriname zijn gelokaliseerd. Vorderingen iv en v zullen dan ook in hun geheel worden beoordeeld naar Surinaams recht.



Het standpunt van [eiser]





5.45.

[eiser] stelt dat [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van de wanprestatie van [gedaagde] en [bedrijf 2] . [naam 1] is aansprakelijk in haar hoedanigheid van statutair bestuurder en [naam 2] in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggevende van de beide vennootschappen. Volgens [eiser] kan aan [naam 1] en [naam 2] een voldoende ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt. Zij hebben onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] omdat zij hebben bewerkstelligd dat [gedaagde] en [bedrijf 2] hun verplichtingen uit de leningsovereenkomsten niet zijn nagekomen en ook geen verhaal bieden voor de daardoor ontstane schade. Die schade bestaat uit de onbetaald gebleven bedragen op grond van de leningsovereenkomsten. Volgens [eiser] is er sprake van causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van [naam 1] en [naam 2] en de schade van [eiser] . [naam 1] en [naam 2] hebben actief voorkomen dat [gedaagde] en [bedrijf 2] hun betalingsverplichtingen konden nakomen. Als de vennootschappen aan hun betalingsverplichtingen hadden voldaan, had [eiser] geen schade geleden.



Het standpunt van [naam 1] en [naam 2]





5.46.
Volgens [naam 1] en [naam 2] is geen sprake van ernstig persoonlijk verwijtbaar handelen en wordt de hoge drempel die geldt voor bestuurdersaansprakelijkheid niet gehaald. Ook betwisten zij dat er causaal verband bestaat tussen hun handelingen en de door [eiser] gestelde schade. Volgens [naam 1] en [naam 2] is er ook in dit kader sprake van misbruik van procesrecht en van schending van artikel 6 EVRM.



Het oordeel van de rechtbank





5.47.
Vordering iv in conventie is toewijsbaar. Dat geldt niet voor vordering v, omdat in deze procedure niet kan worden vastgesteld welke schade voor [eiser] is voortgevloeid uit het onrechtmatige handelen van [naam 1] en [naam 2] . Omdat wel aannemelijk is dat uit dat handelen schade voor [eiser] is voortgevloeid, wordt de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure.



5.48.
Voor de beoordeling van vorderingen iv en v is artikel 1386 Surinaams Burgerlijk Wetboek (oud) relevant. Dat artikel luidt als volgt:


“Elke onrechtmatige daad, waardoor aan een ander schade wordt toegebracht, stelt degene, door wiens schuld die schade veroorzaakt is, in de verplichting om deze te vergoeden.”




5.49.
Uit een door [eiser] overgelegde opinie volgt dat in het Surinaamse recht, net als in het Nederlandse recht, uitgangspunt is dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ook aanleiding bestaan voor aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap. Voor het aannemen van deze aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder van de benadeling persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de nadere invulling van dat criterium kan worden uitgegaan van de vaste Nederlandse rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt.



5.50.
Van een persoonlijk ernstig verwijt is in beginsel sprake indien, voor zover relevant, de bestuurder wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Met andere woorden, de bestuurder is in beginsel aansprakelijk als sprake is van, kort gezegd, frustratie van betaling en verhaal.



5.51.

[eiser] heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat in dit geval sprake is van frustratie van betaling en verhaal. Wat [naam 1] en [naam 2] daartegenover hebben aangevoerd, is niet voldoende. De rechtbank licht dit hierna toe.




[naam 1] en [naam 2] zijn aansprakelijk als (statutair respectievelijk feitelijk) bestuurders





5.52.

[eiser] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] en [bedrijf 2] geen verhaal bieden voor de door haar geleden schade. Ook de rechtbank gaat daar daarom van uit.



5.53.

[eiser] verwijt [naam 1] en [naam 2] als bestuurders van [gedaagde] en [bedrijf 2] dat zij:


de door [eiser] ter beschikking gestelde gelden niet volledig hebben aangewend voor het opzetten van een kippenfokkerij en -slachterij, maar onder andere hebben aangewend om verliezen van [gedaagde] te compenseren;



[gedaagde] en [bedrijf 2] ertoe hebben bewogen om geen enkele aflossing te verrichten;



[gedaagde] en [bedrijf 2] ertoe hebben bewogen om niet te voldoen aan de Surinaamse vonnissen, waaronder de verplichting tot afgifte van specifieke machines;


gelden aan de vennootschappen hebben onttrokken, onder meer door drie contante geldtransporten naar Nederland te verrichten;


een nieuwe vennootschap ( [bedrijf 3] N.V.) op te richten, via welke vennootschap onder meer de machines aan derden zijn verkocht.


Volgens [eiser] was dit samenstel van handelingen gericht op het aanwenden van de door [eiser] verstrekte gelden voor andere doeleinden dan het [naam project] (en waarschijnlijk voor privégebruik).



5.54.
Eerder in dit vonnis is al geoordeeld dat het door [eiser] uitgeleende geld contant naar Nederland is vervoerd en niet is gebruikt zoals tussen partijen is overeengekomen, dat de leningen niet zijn terugbetaald en dat machines die als zekerheid voor [eiser] zouden dienen aan een derde zijn verkocht. De hiervoor genoemde verwijten van [eiser] treffen dus doel. Aan [naam 1] en [naam 2] kan in dat kader een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt.



5.55.

[naam 1] is statutair bestuurder van [gedaagde] en [bedrijf 2] . Dat geldt niet voor [naam 2] . [naam 1] en [naam 2] voeren aan dat de operationele, financiële en strategische leiding binnen het project niet bij [naam 1] lag, maar bij [naam 2] . [naam 1] stelt dat zij weliswaar aanwezig was bij gesprekken, maar geen operationele beslissingen nam. Dat sluit ook aan bij de stelling van [eiser] dat [naam 2] in de onderhandelingen steeds het woord voerde, zich presenteerde als eigenaar en bestuurder van [gedaagde] en [bedrijf 2] en beslissende invloed had. De rechtbank leidt hieruit af dat [naam 2] als feitelijk leidinggever kan worden beschouwd en uit dien hoofde aansprakelijk is jegens [eiser] . Dat [naam 1] slechts in naam bestuurder zou zijn geweest disculpeert haar niet. Zij is als statutair bestuurder eveneens aansprakelijk. Bovendien is voldoende gebleken dat zij betrokken was bij de verweten gedragingen. Zij heeft de leningsovereenkomsten namens [gedaagde] en/of [bedrijf 2] ondertekend en ze was betrokken bij de contante geldtransporten en de verkoop van de machines door [bedrijf 3] N.V. aan een derde.



5.56.

[naam 1] en [naam 2] voeren aan dat [gedaagde] beschikte over een duurzaam en economisch levensvatbaar bedrijfsmodel. Ook voeren zij aan dat de hoofdaannemer, die het project in opdracht van [eiser] heeft geïnspecteerd, heeft bevestigd dat het project efficiënt, kostenbewust en volgens professionele standaarden is uitgevoerd. Dat de bouw is stilgevallen is volgens [naam 1] en [naam 2] niet aan hen te wijten, maar rechtstreeks het gevolg van de stopzetting van de financiering door [eiser] . Ook deze argumenten disculperen [naam 1] en [naam 2] niet. Daarmee blijft onverlet dat zij, in verband met de hiervoor onder 5.53 opgesomde verwijten, onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld.



5.57.
De onder iv gevorderde verklaring voor recht, dat [naam 1] en [naam 2] onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld, is dan ook toewijsbaar.



De zaak wordt verwezen naar de schadestaatprocedure





5.58.
Vervolgens moet worden beoordeeld welke schade voor [eiser] is voortgevloeid uit het onrechtmatig handelen van [naam 1] en [naam 2] . Die schade is niet gelijk aan de schade die het gevolg is van de wanprestatie van [gedaagde] en [bedrijf 2] (zijnde de onbetaald gebleven bedragen van USD 2.869.126,16 en € 912.676,04). De rechtbank legt dat hierna uit.



5.59.
Uit de stellingen van [eiser] en de door haar overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat het [naam project] is mislukt als gevolg van onrechtmatige intenties van [naam 1] en [naam 2] die van aanvang af zouden hebben bestaan. In het rapport van [naam 4] van 9 juni 2020 (zie onder 3.12) zijn verschillende tekortkomingen gesignaleerd met betrekking tot de opzet van het [naam project] . De rechtbank leidt uit dat rapport af dat [naam 1] en [naam 2] niet over relevante professionele kennis en ervaring beschikten om een ultramoderne kippenkwekerij en -slachterij in Suriname op te kunnen zetten. Niet onaannemelijk is daarom dat het [naam project] een van aanvang af onhaalbaar project was. Bovendien werd begonnen met een negatief eigen vermogen, dat werd aangevuld met aangetrokken geld dat bedoeld was voor investeringen in het project.



5.60.
Het voorgaande brengt mee dat, als het onrechtmatig handelen van [naam 1] en [naam 2] wordt weggedacht, nog steeds aannemelijk is dat het project niet zou zijn geslaagd en een belangrijk deel van de investering van [eiser] verloren zou zijn gegaan. Wellicht zou de schade zonder het onrechtmatig handelen van [naam 1] en [naam 2] minder groot zijn geweest omdat een deel van het geld terugbetaald had kunnen worden of er voor een groter bedrag verhaald had kunnen worden op zekerheden. Er is echter geen causaal verband met de volledige schade.



5.61.

[eiser] voert nog aan dat [naam 1] en [naam 2] zich hebben voorgedaan als experts op het gebied van het kweken en slachten van kippen, terwijl achteraf is gebleken dat zij die noodzakelijke expertise niet bezaten. [naam 2] heeft volgens [eiser] bovendien verzwegen dat hij, op het moment dat de leningsovereenkomsten in Suriname werden aangegaan, in Nederland failliet was verklaard. [eiser] stelt dat zij nooit in zee zou zijn gegaan met (de onderneming van) [naam 1] en [naam 2] , als zij hiermee bekend was geweest. Deze stellingen kunnen [eiser] niet baten. Dat [naam 1] en [naam 2] zich in de commerciële contacten met [eiser] wellicht hebben gepretendeerd over meer relevante kennis en ervaring te beschikken en/of succesvollere ondernemers te zijn dan gerechtvaardigd was, rechtvaardigt niet de conclusie dat zij ook op die wijze persoonlijk ernstig verwijtbaar ten opzichte van [eiser] hebben gehandeld.



5.62.
De schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van [naam 1] en [naam 2] kan dus niet worden begroot op de door [eiser] gestelde bedragen. Ook ontbreekt het de rechtbank aan aanknopingspunten om de omvang van de schade te kunnen schatten. De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding op de voet van artikel 612 Rv verwijzen naar de schadestaatprocedure. Dat kan als (i) de grondslag van de aansprakelijkheid van de schuldenaar vast staat, (ii) de mogelijkheid van schade aannemelijk is en (iii) de begroting van de schade in de hoofdprocedure niet mogelijk is. Aan deze vereisten is in dit geval voldaan.



5.63.

[eiser] vordert dat [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot schadevergoeding. Die gevorderde hoofdelijkheid is toewijsbaar. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede op dat [naam 1] en [naam 2] slechts hoofdelijk met [gedaagde] en [bedrijf 2] aansprakelijk kunnen zijn, voor zover het zou gaan om dezelfde schade.



Geen misbruik van procesrecht of schending van artikel 6 EVRM





5.64.
Voor zover [naam 1] en [naam 2] ook in dit kader aanvoeren dat sprake is van misbruik van procesrecht, verwijst de rechtbank naar wat hiervoor onder 5.35 e.v. is overwogen. Van schending van het elementaire recht op een eerlijk proces (zoals genoemd in artikel 6 EVRM), is evenmin sprake. Dat de procedure door [eiser] alleen maar zou zijn ingezet als machtsmiddel, drukmiddel of middel om de wederpartij te frustreren kan niet worden aangenomen.



Ad c) erkenning en tenuitvoerlegging Surinaamse vonnissen (vorderingen vi tot en met viii)





Toepasselijk recht





5.65.
Wat betreft vorderingen vi tot en met viii in conventie is van toepassing de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de wederzijdse erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken; ’s-Gravenhage, 27 augustus 1976 (hierna: de Overeenkomst). Voor zover de Overeenkomst niet van toepassing is, geldt artikel 431 Rv.



Het standpunt van [eiser]





5.66.

[eiser] vordert erkenning van de Surinaamse vonnissen van 14 juli 2022 en 9 april 2024 (zie hiervoor onder 3.13.2 en 3.13.4). Daarnaast vordert zij op grond van de Overeenkomst verlof tot tenuitvoerlegging van overweging 5.1 van het vonnis van 9 april 2024 (een verklaring voor recht dat [gedaagde] en [bedrijf 2] dwangsommen hebben verbeurd wegens overtreding van het vonnis van 14 juli 2022). Verder vordert [eiser] op grond van artikel 431 Rv veroordeling van [gedaagde] en [bedrijf 2] tot betaling van de genoemde bedragen in overweging 5.2 van het vonnis van 9 april 2024 (waarin is bepaald dat [gedaagde] en [bedrijf 2] aanvullende dwangsommen verbeuren als zij nalaten te voldoen aan het vonnis van 14 juli 2022).



Het standpunt van [gedaagde]





5.67.
Volgens [gedaagde] moeten deze vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Zij voert daartoe aan dat de Surinaamse vonnissen niet rechtstreeks uitvoerbaar zijn in Nederland, omdat tussen Nederland en Suriname geen verdrag bestaat inzake erkenning en tenuitvoerlegging van civiele vonnissen. Er bestaat daarom uitsluitend ruimte voor een nieuwe behandeling van het geschil door de Nederlandse rechter op grond van artikel 431 lid 2 Rv. Omdat niet is voldaan aan de voorwaarden die worden gesteld aan erkenning van een buitenlandse civiele uitspraak in Nederland, kan aan de Surinaamse vonnissen in Nederland geen enkel rechtsgevolg worden toegekend, aldus [gedaagde] .



Het oordeel van de rechtbank





5.68.
De rechtbank is van oordeel dat vorderingen vi en vii toewijsbaar zijn op de in de beslissing vermelde wijze, voor zover het dwangsommen betreft waarvan in het vonnis van 9 april 2024 (in overweging 5.1) is vastgesteld dat ze verbeurd zijn. Vordering viii, die betrekking heeft op de veroordeling in overweging 5.2 van het vonnis van 9 april 2024, is niet toewijsbaar. Dit wordt hierna gemotiveerd.



Verbeurde dwangsommen (overweging 5.1)





5.69.
Vorderingen vi en vii komen, voor zover hierna niet anders blijkt, niet ongegrond of onrechtmatig voor en worden daarom toegewezen tegen [bedrijf 2] . Hierna wordt toegelicht dat het verweer van [gedaagde] tegen deze vorderingen niet slaagt, zodat de vorderingen ook tegen haar worden toegewezen (op de manier zoals in de beslissing vermeld).



5.70.
De vordering tot erkenning en tenuitvoerlegging van de Surinaamse vonnissen van 14 juli 2022 en 9 april 2024 is, voor zover het de dwangsomveroordeling in het vonnis van 14 juli 2022 en de vaststelling in het vonnis van 9 april 2024 dat [gedaagde] en [bedrijf 2] de maximale en opeisbare dwangsommen hebben verbeurd, toewijsbaar op grond van de Overeenkomst.



5.71.
Met haar verweer dat tussen Nederland en Suriname geen verdrag bestaat inzake erkenning en tenuitvoerlegging van civiele vonnissen, miskent [gedaagde] het bestaan van de Overeenkomst. Op grond van artikel 1 lid 1 sub a is de Overeenkomst van toepassing op rechterlijke beslissingen in burgerlijke zaken. Artikel 1 lid 1 sub d bepaalt dat de Overeenkomst niet van toepassing is op beslissingen waarbij de schuldenaar is veroordeeld tot betaling van een dwangsom aan de schuldeiser voor het geval hij zijn verplichtingen tot het verrichten of nalaten van een handeling niet nakomt, tenzij het beloop van de verbeurde dwangsom door een nadere beslissing van het gerecht, dat de beslissing heeft gegeven, is vastgesteld. Deze laatste situatie is in dit geval aan de orde, omdat de Surinaamse rechter in het vonnis van 9 april 2024 heeft vastgesteld dat de maximale dwangsommen op grond van het vonnis van 14 juli 2022 zijn verbeurd. De Overeenkomst is in zoverre dus van toepassing.



5.72.
Artikel 2 lid 1 van de Overeenkomst luidt als volgt:


“Een in het Koninkrijk der Nederlanden of in de Republiek Suriname door een gerecht gegeven beslissing wordt in het andere land overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst erkend en tenuitvoergelegd indien:



tegen de beslissing in het land van herkomst geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend; niettemin worden beslissingen uitvoerbaar bij voorraad en voorlopige maatregelen, ook al staat daartegen nog een gewoon rechtsmiddel open, tenuitvoergelegd indien soortgelijke beslissingen of maatregelen in het land, waar de tenuitvoerlegging wordt verzocht, kunnen worden gegeven en tenuitvoergelegd;


de beslissing is gegeven door een gerecht dat als bevoegd wordt beschouwd in de zin van deze Overeenkomst.”





5.73.
Aan deze voorwaarden is voldaan. Niet in geschil is dat het vonnis van 14 juli 2022, waarin [gedaagde] en [bedrijf 2] (in overwegingen 5.2, 5.3 en 5.4) zijn veroordeeld tot betaling van de dwangsommen, gezag van gewijsde heeft. Tegen het vonnis van 9 april 2024, waarin in overweging 5.1 is vastgesteld dat de maximale dwangsommen wegens overtreding van overwegingen 5.2, 5.3 en 5.4 van het vonnis van 14 juli 2022 zijn verbeurd, is wel hoger beroep ingesteld. Overweging 5.1 is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent echter niet dat de veroordeling tot betaling van dwangsommen in zoverre niet in Nederland erkend en tenuitvoergelegd kan worden. Overweging 5.1 betreft immers een verklaring voor recht, die naar haar aard in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard kan worden. Dat hoger beroep is ingesteld, laat onverlet dat er in rechte van moet worden uitgegaan dat [gedaagde] en [bedrijf 2] de maximale dwangsommen op grond van het vonnis van 14 juli 2022 hebben verbeurd.



5.74.

[gedaagde] betwist niet dat een bedrag van SRD 1.500.000,00 aan dwangsommen is verbeurd. De rechtbank gaat daar daarom van uit. De rechtbank zal dan ook verlof verlenen voor de tenuitvoerlegging van de verbeurde dwangsommen tot dat bedrag.



Aanvullende dwangsommen (overweging 5.2)





5.75.
Voor zover de vorderingen van [eiser] betrekking hebben op aanvullende dwangsommen, zijn deze bij gebreke van een grondslag niet toewijsbaar. Dat geldt zowel voor de vorderingen tegen [bedrijf 2] als voor de vorderingen tegen [gedaagde] .



5.76.
In het vonnis van 9 april 2024 is in overweging 5.2 een ‘nieuwe’ dwangsomveroordeling opgenomen. Van deze nieuwe dwangsommen is nog niet in rechte vastgesteld dat ze verbeurd zijn. Dit betekent dat de Overeenkomst in zoverre niet van toepassing is (op grond van artikel 1 lid 1 sub d, zie hiervoor onder 5.71). De Surinaamse vonnissen kunnen in zoverre dus niet rechtstreeks in Nederland ten uitvoer worden gelegd.



5.77.
De vorderingen van [eiser] ten aanzien van de aanvullende dwangsommen moeten daarom worden beoordeeld aan de hand van artikel 431 Rv. Dat artikel bepaalt in lid 2 dat gedingen die hebben geleid tot door vreemde rechters gegeven beslissingen bij de Nederlandse rechter opnieuw kunnen worden behandeld en afgedaan. De Nederlandse rechter dient te beoordelen of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het hem voorgelegde geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent. In het Gazprombank-arrest heeft de Hoge Raad voorwaarden bepaald voor erkenning van een buitenlandse beslissing in Nederland. Als aan die voorwaarden is voldaan en er sprake is van een vordering die strookt met de buitenlandse veroordeling, is die vordering in beginsel toewijsbaar.



5.78.
Omdat ten aanzien van de aanvullende dwangsommen niet door de Surinaamse rechter is vastgesteld dat deze verbeurd zijn, is de vordering van [eiser] om [gedaagde] en [bedrijf 2] te veroordelen om aanvullende dwangsommen van SRD 35.400.000,00 te betalen niet toewijsbaar. De vordering van [eiser] in deze procedure strookt immers niet met de Surinaamse veroordeling.



5.79.
De partij die in een geding ten overstaan van een buitenlandse rechter een voor haar gunstige beslissing heeft verkregen, houdt de mogelijkheid om een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil aan de rechter te vragen. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om een dergelijke nieuwe inhoudelijke afweging mogelijk te maken. De rechtbank kan daarom niet tot de conclusie komen dat de aanvullende dwangsommen verbeurd zijn. Bij erkenning van de Surinaamse vonnissen van 14 juli 2022 en 9 april 2024 heeft [eiser] in zoverre dan ook geen belang. Vordering vi moet in zoverre dus worden afgewezen en dat geldt ook voor vordering viii.



Ad d) proceskostenveroordeling (vordering ix) en uitvoerbaarheid bij voorraad





5.80.

[gedaagde] c.s. zijn in overwegende mate in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden, tot en met de eerste roldatum, begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


150,00







- griffierecht


€


6.861,00







- salaris advocaat


€


4.631,00


(1 punt × € 4.631,00)




- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


11.790,00











5.81.
De verschenen partijen [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] moeten daarnaast de kosten betalen die [eiser] na de eerste roldatum heeft gemaakt. Dat betreft een bedrag van € 4.631,00 (1 punt) aan salaris advocaat.



5.82.
De vordering het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is gegrond op de wet en niet weersproken, zodat deze wordt toegewezen op de manier als in de beslissing vermeld.



In reconventie





Toepasselijk recht





5.83.
Aan de vorderingen in reconventie is ten grondslag gelegd dat sprake is van onrechtmatig handelen van [eiser] . De vraag welk recht van toepassing is op deze vorderingen moet daarom worden beantwoord aan de hand van de Rome II-Verordening. De rechtbank leidt uit de vorderingen van [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] af dat de door hen gestelde schade (bestaande uit executieschade, verlies van onroerend goed en verlies van hun onderneming) zich heeft voorgedaan in Suriname. Op grond van artikel 4 lid 1 Rome II-Verordening is daarom Surinaams recht van toepassing.



De vorderingen in reconventie





5.84.
De rechtbank stelt voorop dat de vorderingen in reconventie alleen zijn ingesteld door de verschenen partijen [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] en dus niet door [bedrijf 2] .



5.85.

[gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] vorderen, samengevat:


een verklaring voor recht dat [eiser] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld;


een verklaring voor recht dat [naam 3] een ernstig persoonlijk verwijt treft;


een verklaring voor recht dat de door ‘ [naam 3] ’ geuite beschuldigingen ongegrond zijn;


een verklaring voor recht dat [naam 1] niet persoonlijk aansprakelijk is;


veroordeling van [eiser] tot betaling van een schadevergoeding van € 5.000.000,00 wegens executieschade en verlies van onroerend goed;


een verklaring voor recht dat [eiser] aansprakelijk is voor de volledige schade voortvloeiend uit het verlies van de onderneming, nader op te maken bij staat;


een verklaring voor recht dat de persoonlijke betrokkenheid en verwijtbaarheid van [naam 3] mede wordt vastgesteld met het oog op een afzonderlijke procedure tegen hem in persoon;


een verbod voor [eiser] om zich te beroepen op het Ernst & Young-rapport;



[eiser] te veroordelen in de volledige proceskosten.





Het oordeel van de rechtbank





5.86.
De vorderingen in reconventie zijn niet toewijsbaar. De rechtbank licht dat hierna toe, waarbij de vorderingen deels gezamenlijk worden besproken. De relevante standpunten van partijen komen daarbij aan de orde.



Ad 1, 5 en 6: er is geen sprake van onrechtmatig handelen van [eiser]





5.87.

[gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] voeren, verkort weergegeven, het volgende aan ter onderbouwing van hun stelling dat [eiser] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld.


Het mislukken van het project is aan [eiser] te wijten. Het project was afhankelijk van financiering door [eiser] . Zij was ermee bekend dat het aanvankelijk ter beschikking gestelde kapitaal ontoereikend was. Desondanks heeft zij de financiering stopgezet, terwijl zij wist of moest begrijpen dat [gedaagde] volledig afhankelijk was van de lopende kasstroom om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen. Alternatieve financieringstrajecten zijn doelbewust door [eiser] geblokkeerd.


Kort na het creëren van een financiële noodsituatie is [eiser] gaan inzetten op een (gedwongen) overname tegen een te laag bedrag. Daarbij werd op allerlei manieren druk gezet op [gedaagde] en haar bestuurders. [eiser] heeft haar machtspositie misbruikt. Zij zette financiële afhankelijkheid in als instrument om zeggenschap en economisch voordeel af te dwingen.



[eiser] heeft een stroman ( [naam 4] ) ingezet ter verhulling van de persoonlijke regie van [naam 3] en ter voorbereiding van een gedwongen overname. [naam 4] werd in strijd met de waarheid gepresenteerd als een onafhankelijke potentiële koper van de onderneming. Ook hieruit blijkt dat [eiser] aanstuurde op eigendomsverwerving tegen een lage prijs in plaats van projectvoltooiing.



[eiser] heeft structureel vexatoire procedures gevoerd. De Surinaamse rechter heeft herhaaldelijk geoordeeld dat [eiser] misbruik van executierechten maakte.


Uit verschillende Surinaamse vonnissen blijkt dat sprake was van excessieve rente-, royalty- en zekerheidsstructuren die niet passen binnen een normale kredietrelatie.



[eiser] heeft misleidende en ondeugdelijke rapportages, waaronder het Ernst & Young-rapport, verspreid en gebruikt. Sprake is van documenten die de schijn wekten van onafhankelijk financieel onderzoek, terwijl zij die status aantoonbaar niet hadden.



[eiser] heeft, mede aan de hand van het Ernst & Young-rapport aangestuurd op strafrechtelijke vervolging op basis van onjuiste aannames. Ook dit was een drukmiddel.


Parallel aan de financiële en procedurele druk was sprake van een structurele mediacampagne die erop gericht was [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] publiekelijk te framen als fraudeurs en onbetrouwbare ondernemers. Publieke uitlatingen zijn gebruikt als instrument om druk uit te oefenen in een civiel- en strafrechtelijk conflict. De uitlatingen berusten op onbewezen aannames die later expliciet zijn weerlegd. Dit heeft niet alleen geleid tot reputatie- en vermogensschade, maar brengt ook mee dat de elementaire beginselen van fair play en equality of arms zijn geschonden.





5.88.

[eiser] betwist gemotiveerd dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] . Zij voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan.



[eiser] heeft de in de leningsovereenkomsten overeengekomen financiering verstrekt. Zij was er niet mee bekend dat haar investering ontoereikend zou zijn om het project te laten slagen. Integendeel, het verstrekte bedrag overstijgt de door [gedaagde] opgestelde investeringsbegroting. [eiser] was niet verplicht om aanvullende of doorlopende financiering te verstrekken. Van stopzetting van de financiering was dan ook geen sprake. Dat [eiser] alternatieve financieringstrajecten zou hebben geblokkeerd is niet onderbouwd.


Van ongeoorloofde prijs- of executiedruk is geen sprake. De (executie)procedures waren nodig om [eiser] rechten veilig te stellen. Ze zijn niet gevoerd om de onderhandelingspositie van [gedaagde] te verzwakken en de waarde van het [naam project] te verlagen.


Van een stromanconstructie is geen sprake geweest. [naam 4] heeft in het kader van een potentiële investering in of koop van het [naam project] een due diligence-onderzoek uitgevoerd. Uit zijn rapport bleek dat het project slecht werd beheerd en dat adequate kennis voor de realisatie van het project ontbrak. Dat is de reden dat het [naam project] nooit van de grond is gekomen. [eiser] gebruikt het rapport van [naam 4] ter onderbouwing van dat standpunt.


Van vexatoire procedures en misbruik van procesrecht is geen sprake. Beide partijen hebben meerdere procedures tegen elkaar aanhangig gemaakt. Dat de Surinaamse rechter in een eerder stadium heeft geoordeeld dat [eiser] op dat moment niet tot executie mocht overgaan omdat dat misbruik van recht zou opleveren, is achterhaald. Op 12 september 2024 heeft de Surinaamse rechter de openbare verkoop alsnog toegestaan.


Niet gemotiveerd is uit welke Surinaamse vonnissen zou volgen dat sprake was van excessieve rente-, royalty- en zekerhedenstructuren.


De stellingen over misleidende en ondeugdelijke rapporten zijn suggestief en onjuist. Het gebruik van het Ernst & Young-rapport is niet onrechtmatig jegens [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] .


Het is de keuze van het Surinaamse Openbaar Ministerie geweest (en niet van [eiser] ) om [naam 1] en [naam 2] strafrechtelijk te vervolgen.


Voor zover al reputatie- en vermogensschade zou zijn geleden, wat niet is onderbouwd, is dit veroorzaakt door het feit dat [naam 2] niet aflatend het publieke domein heeft opgezocht met zijn verhaal.





5.89.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser] had het op de weg van [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] gelegen om nader te stellen en te onderbouwen dat [eiser] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] hebben dat niet gedaan. Hun stellingen zijn daarom onvoldoende om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat sprake is van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 1386 Surinaams Burgerlijk Wetboek (oud). De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking wat in conventie is geoordeeld over de verhoudingen en gebeurtenissen tussen partijen. Aan bewijslevering wordt gelet op het voorgaande niet toegekomen.



5.90.
Dit betekent dat de onder 1 gevorderde verklaring voor recht dat sprake is van onrechtmatig handelen bij gebreke van een grondslag moet worden afgewezen. Daaruit volgt dat ook de onder 5 en 6 gevorderde schadevergoeding niet toewijsbaar is.



Ad 2, 3 en 7: [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] zijn niet-ontvankelijk





5.91.
Vorderingen 2 en 7 betreffen de positie van [naam 3] . Hij is geen partij in deze procedure en er kunnen daarom geen vorderingen tegen hem worden ingesteld. In zoverre zijn [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] dan ook niet-ontvankelijk in hun vorderingen.



5.92.
Het voorgaande geldt ook voor vordering 3. Deze vordering heeft betrekking op door ‘ [naam 3] ’ geuite beschuldigingen. [eiser] heeft deze vordering in haar conclusie van antwoord in reconventie aangemerkt als een vordering tegen [naam 3] . [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] hebben dat vervolgens niet betwist, zodat ook de rechtbank daarvan uitgaat. [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] zijn dus ook in zoverre niet-ontvankelijk in hun vordering.



Ad 4 [naam 1] is persoonlijk aansprakelijk





5.93.
In conventie is geoordeeld dat [naam 1] in haar hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde] en [bedrijf 2] persoonlijk aansprakelijk is jegens [eiser] . Dit brengt mee dat vordering 4 in reconventie niet toewijsbaar is.



Ad 8 [eiser] kan zich beroepen op het Ernst & Young-rapport





5.94.
Ook het gevorderde verbod voor [eiser] om zich in procedures, media of richting derden nog te beroepen op het Ernst & Young-rapport of daarmee samenhangende documenten is niet toewijsbaar. De rechtbank volgt [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] niet in hun standpunt dat het rapport ondeugdelijk is en daarom niet (meer) zou mogen worden gebruikt.



5.95.
Ter onderbouwing van hun bezwaren tegen het Ernst & Young-rapport voeren [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] aan dat geen accountantscontrole heeft plaatsgevonden, geen volledige audit is verricht, Terms of Reference ontbraken, geen assurance is verstrekt, geen bronverificatie heeft plaatsgevonden en geen onderliggende administratie is onderzocht. Desondanks heeft [eiser] het rapport in Suriname gepresenteerd alsof sprake was van een onafhankelijk en professioneel onderzoek, terwijl het daaraan op geen enkele manier voldoet. Volgens [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] is dat bevestigd door de uitspraak van de Accountantskamer van 28 juli 2025 naar aanleiding van een door [naam 2] ingestelde klacht.



5.96.
Deze bezwaren slagen niet. Het Ernst & Young-rapport is opgesteld naar aanleiding van het Surinaamse vonnis van 24 juli 2021. In dat vonnis zijn [gedaagde] en [bedrijf 2] veroordeeld om medewerking te verlenen aan een door [eiser] uit te laten voeren onafhankelijk onderzoek naar de uitgaven inzake het [naam project] . Het rapport is dus niet opgesteld in het kader van een reguliere accountantscontrole en de daarop van toepassing zijnde regels zijn dan ook niet relevant. In de uitspraak van de Accountantskamer van 28 juli 2025 is de klacht van [naam 2] in alle onderdelen ongegrond verklaard. [naam 2] heeft tegen die uitspraak weliswaar hoger beroep ingesteld, maar die enkele omstandigheid kan niet de conclusie rechtvaardigen dat het rapport ondeugdelijk is.



5.97.
Een grondslag voor toewijzing van vordering 8 ontbreekt dus. Ernst & Young mocht naar aanleiding van het vonnis van 24 juli 2021 een rapport uitbrengen en [eiser] mocht zich vervolgens op dat rapport (en daarmee samenhangende documenten) beroepen.



Ad 9 proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad





5.98.

[gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- salaris advocaat


€


9.262,00


(2 punten × € 4.631,00)




- nakosten


€


148,00







Totaal


€


9.410,00











5.99.
De proceskostenveroordeling wordt, zoals is gevorderd en niet is betwist, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.






6De beslissing


De rechtbank




in conventie




6.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] en [bedrijf 2] jegens [eiser] tekort zijn geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten leningsovereenkomsten,



6.2.
veroordeelt [gedaagde] en [bedrijf 2] tot betaling van USD 2.869.126,16 op grond van leningsovereenkomst I en het addendum, te vermeerderen met de contractuele rente van 6,25% daarover vanaf 15 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,



6.3.
veroordeelt [gedaagde] en [bedrijf 2] tot betaling van € 912.676,04 op grond van leningsovereenkomst II, te vermeerderen met de contractuele rente van 8,5% daarover vanaf 15 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,



6.4.
verklaart voor recht dat [naam 1] en [naam 2] onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld,



6.5.
veroordeelt [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk tot vergoeding aan [eiser] van de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van [naam 1] en [naam 2] , op te maken bij staat,



6.6.
verstaat dat de op 14 juli 2022 en 9 april 2024 in Suriname tussen [eiser] en [gedaagde] en [bedrijf 2] gewezen vonnissen (met CIVAR-nummers 202200146 en 202302600) in Nederland worden erkend, voor zover het rechtsoverweging 5.1 van het vonnis van 9 april 2024 en de daaraan ten grondslag liggende dwangsomveroordelingen in rechtsoverwegingen 5.2, 5.3 en 5.4 van het vonnis van 14 juli 2022 betreft,



6.7.
verleent [eiser] verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de op 14 juli 2022 en 9 april 2024 in Suriname tussen [eiser] en [gedaagde] en [bedrijf 2] gewezen vonnissen (met CIVAR-nummers 202200146 en 202302600), voor zover het rechtsoverweging 5.1 van het vonnis van 9 april 2024 en de daaraan ten grondslag liggende dwangsomveroordelingen tot een bedrag van SRD 1.500.000,00 in rechtsoverwegingen 5.2, 5.3 en 5.4 van het vonnis van 14 juli 2022 betreft,



6.8.
veroordeelt [gedaagde] c.s. in de proceskosten van € 11.790,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



6.9.
veroordeelt [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] in de proceskosten van € 4.631,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



6.10.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2, 6.3, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.9 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,



6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in reconventie





6.12.
verklaart [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen als weergegeven in 4.3 onder 2, 3 en 7,



6.13.
wijst de overige vorderingen van [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] af,



6.14.
veroordeelt [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] in de proceskosten van € 9.410,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



6.15.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. J.M.J. Arts en mr. S.V. Hardonk en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.1977/1729/3455/3407




Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo 24 juni 2021, A.R. No. 20-3853


Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo 14 juli 2022, CIVAR No. 202200146


Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo 18 augustus 2023, CIVAR No. 20200435


Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo 9 april 2024, CIVAR No. 202302600


Hoge Raad 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911.


Verordening (EG) nr. 593/2008.


[eiser] stelt dat een bedrag van USD 4.769.885,16 openstond en dat daarop in mindering strekt de opbrengst van de openbare verkoop op 12 september 2024 van USD 1.900.759,00, zodat een openstaand bedrag van USD 2.869.126,16 resteert.


Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.


Verordening (EG) nr. 864/2007.


Tractatenblad 1976, nr. 144.


Hoge Raad 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838.