Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3363
2025-11-25
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
200.352.264_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering op grond van verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV). Geen verschoonbare overschrijding van de hoger beroepstermijn en dus is appellant niet-ontvankelijk.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:2894 Hoge Raad 03-10-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.387 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.352.264/01
arrest van 25 november 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. B.C.A. Reijnders te Venlo,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. T. Teke te Amsterdam
bezoekende advocaat: V. Gensch (lid van de Rechtsanwaltskammer Hamm, Duitsland) .
op het bij appelrekest ingeleide hoger beroep van de beschikking van 26 september 2024, die de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rekestnummer 10625880 OV VERZ 23-46)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de hiervoor genoemde beschikking.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het appelrekest met grieven en één productie, ingekomen ter griffie op 31 december 2024;
de beschikking van het hof van 16 januari 2025, waarin het hof de zaak naar de rol heeft verwezen zodat een kamer van het hof die belast is met de behandeling van dagvaardingsprocedures hiervan kennis kan nemen en heeft bevolen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt met inachtneming van de regels van de dagvaardingsprocedure wordt voortgezet;
het exploot van 31 januari 2025 waarmee op verzoek van [appellant] het appelrekest en de beschikking van 16 januari 2025 aan [geïntimeerde] zijn betekend en waarmee [geïntimeerde] is opgeroepen te verschijnen op de terechtzitting van het hof op 18 maart 2025;
de memorie van antwoord;
de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025, waarbij [appellant] spreekaantekeningen heeft overgelegd;
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
Kern van de zaak
3.1.
Volgens [geïntimeerde] heeft hij aan [appellant] € 5.000,- betaald in verband met de koop van een auto. [geïntimeerde] stelt de koop te hebben ontbonden, omdat de auto niet aan hem is geleverd. [geïntimeerde] vordert daarom terugbetaling van de € 5.000,-.
Op 17 juni 2023 heeft de griffie van de rechtbank Limburg van [geïntimeerde] een verzoekschrift ontvangen met het standaard vorderingsformulier A van bijlage I van verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna: de Verordening). Hiermee vordert [geïntimeerde] betaling van € 5.000,-. In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter deze vordering toegewezen.
[appellant] is het hiermee niet eens en heeft hoger beroep ingesteld. [appellant] is in dit hoger beroep echter niet-ontvankelijk omdat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld.
De procedure in eerste aanleg
3.2.1.
Na ontvangst van het vorderingsformulier van [geïntimeerde] , heeft de rechtbank [appellant] conform artikel 5 lid 2 Verordening in de gelegenheid gesteld verweer te voeren tegen de vordering van [geïntimeerde] door middel van het standaardformulier C van bijlage III van de verordening. Dit formulier is op 2 augustus 2023 aan [appellant] toegezonden op het in het vorderingsformulier opgegeven adres [adres] . Dit poststuk is op 19 september 2023 door de rechtbank retour ontvangen met de aantekening dat het niet is afgehaald.
3.2.2.
Daarna is op 22 november 2023 aan [geïntimeerde] formulier B gestuurd waarbij is gevraagd het vorderingsformulier aan te vullen. Deze aanvulling is op 12 december 2023 ontvangen.
3.2.3.
[geïntimeerde] is gevraagd naar de juiste adresgegevens van [appellant] . [geïntimeerde] heeft het volgende adres opgegeven:
[xx] Fam
c/0 [appellant]
[adres B]
[postcode] [woonplaats]
3.2.4.
Het standaardformulier C van bijlage III van de verordening is vervolgens naar laatstgenoemd adres gestuurd, maar ook dit poststuk is terug ontvangen met de vermelding:
“retour afzender, geadresseerde niet woonachtig op dit adres".
3.2.5.
In de tussenbeschikking van 25 juni 2024 heeft de kantonrechter beslist dat hij het vorderingsformulier met bijbehorend antwoordformulier en bijbehorende modelformulieren aan [appellant] zal doen bezorgen overeenkomstig artikel 4 tot en met 11 van de EG-Verordening inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (Verordening EG nr. 1939/2007). De kantonrechter heeft voorts gerechtsdeurwaarder Hafkamp Groenewegen c.s. te Venlo aangewezen als verzendende instantie en bepaald dat de kosten van de betekening ten laste van de Staat zullen worden gebracht.
3.2.6.
Op 18 juli 2024 heeft de deurwaarder aan [appellant] de tussenbeschikking, het vorderingsformulier en het antwoordformulier betekend op het adres [adres C] . De betekening heeft niet in persoon plaatsgevonden, maar door het achterlaten van een afschrift van het exploot en de hiervoor genoemde documenten in een gesloten envelop.
3.2.7.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking overwogen dat [appellant] niet heeft gereageerd en geen verweer heeft gevoerd. De kantonrechter heeft het gevorderde bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met € 703,41 aan rente en kosten, toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
3.2.8.
De bestreden beschikking is op 27 november 2024 aan [appellant] betekend op het adres [adres C] door het achterlaten van een afschrift van het exploot en de beschikking in een gesloten envelop.
De procedure in hoger beroep
3.3.
[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van bestreden beschikking en tot het alsnog afwijzen van het verzoek van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd dat de grieven niet slagen.
Internationale aspecten
3.4.
Nu [geïntimeerde] in Duitsland woont, heeft deze zaak internationale aspecten. De kantonrechter heeft zich bevoegd geacht om van dit geschil kennis te nemen. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter dit terecht en op de juiste gronden gedaan. Het hof verwijst naar de overweging van de rechtbank op dit punt en maakt die tot de zijne (rov. 2.2. van de bestreden beschikking).
Voorts geldt dat tussen partijen in hoger beroep niet in geschil is dat Nederlands recht van toepassing is. Daarom zal ook het hof daarvan uitgaan.
Ontvankelijkheid
3.5.1.
Op grond van artikel 2 van de Uitvoeringswet verordening Europese procedure voor geringe vorderingen (Stb. 2017. 125, hierna: Uitvoeringswet) staat tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep open overeenkomstig de eerste tot en met de derde afdeling van de zevende titel van het eerste Boek van Burgerlijke Rechtsvordering, met dien verstande dat het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag van de beslissing.
De beslissing dateert van 26 september 2024. Het appelrekest van [appellant] is op 31 december 2024 door het hof ontvangen. Dit betekent dat [appellant] niet binnen 30 dagen vanaf 26 september 2024 hoger beroep heeft ingesteld.
3.5.2.
Volgens [appellant] is hij echter desondanks ontvankelijk omdat hij niet op de hoogte was van de door [geïntimeerde] gestarte procedure. [appellant] erkent dat het adres Elzenstraat 30 in Venlo zijn woonadres is en dat dit ook zijn adres was toen de beschikking van 26 september 2024 op 27 november 2024 aldaar aan hem werd betekend en stelt dat hij pas door de betekening van de beschikking aan hem op 27 november 2024 van de procedure en de beschikking op de hoogte is geraakt.
3.5.3.
Het hof overweegt hierover als volgt. Uitgangspunt is dat hoger beroepstermijnen strikt worden gehandhaafd, omdat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Op dit uitgangspunt wordt een uitzondering gemaakt indien handhaving leidt tot een resultaat dat niet voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM, omdat de toegang tot de rechter daardoor op ontoelaatbare wijze wordt belemmerd. Voor deze uitzondering is ruimte indien een partij, anders dan door een apparaatsfout, pas na of zeer kort voor het verstrijken van de beroepstermijn wetenschap krijgt van een voor hem nadelige beslissing, waardoor hij geen reële mogelijkheid heeft daartegen een rechtsmiddel aan te wenden. Deze uitzondering is onder meer aangenomen in de situatie waarin er meerdere gedaagden waren en op grond van art. 140 lid 3 Rv een vonnis op tegenspraak is gewezen. In het geval waarin de inleidende dagvaarding niet in persoon was betekend en het vonnis aan de bij verstek veroordeelde niet bekend is geworden voorafgaand aan het verstrijken van de appeltermijn, moet niet-ontvankelijkheid achterwege blijven indien de veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld binnen een redelijke termijn. Die redelijke termijn bedraagt dan veertien dagen – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – en vangt aan op de dag volgend op die waarop het vonnis aan de veroordeelde in persoon is betekend dan wel deze anderszins met het vonnis bekend is geraakt (vgl. Hoge Raad 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894).
3.5.4.
Het hof gaat veronderstellenderwijs uit van de juistheid van de stelling dat [appellant] pas door de betekening op 27 november 2024 bekend is geworden met de door [geïntimeerde] gestarte procedure en de bestreden beschikking. In dat geval is er naar het oordeel van het hof aanleiding voor het aannemen van een uitzondering op handhaving van de hoger beroepstermijn. Dit zou betekenen dat niet-ontvankelijkheid achterwege moet blijven indien [appellant] hoger beroep heeft ingesteld binnen een termijn van veertien dagen, die aanvangt op 28 november 2024, zo volgt uit rov. 3.5.3. hiervoor. [appellant] heeft echter pas op 31 december 2024 hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat [appellant] niet binnen een redelijke termijn hoger beroep heeft ingesteld en dus ook bij toepassing van de hiervoor genoemde jurisprudentie niet-ontvankelijk is.
3.5.5.
[appellant] heeft nog betoogd dat de hoger beroepstermijn van 30 dagen pas is gaan lopen op het moment dat hij op de hoogte is geraakt van de bestreden beschikking. Het hof volgt hem hierin niet. In artikel 2 Uitvoeringswet wordt voor het hoger beroep tegen een op grond van de Verordening gegeven beschikking verwezen naar de eerste tot en met de derde afdeling van de zevende titel van het eerste van Rv (de regeling van het hoger beroep tegen vonnissen). Hierbij is bepaald dat de hoger beroepstermijn 30 dagen is, en gaat lopen vanaf de dag van de beslissing. De hoger beroepstermijn tegen een beschikking op grond van de Verordening gaat dus niet pas lopen als de beschikking is betekend of als de belanghebbende op andere wijze met de beschikking bekend is geraakt (zoals in artikel 358 Rv is bepaald voor hoger beroep tegen beschikkingen).
Hierbij komt dat ook als het standpunt van [appellant] wel juist zou zijn, het hoger beroep te laat is ingesteld. De beschikking is immers betekend op 27 november 2024 en [appellant] stelt zelf dat hij door de betekening op 27 november 2024 op de hoogte is geraakt van de beschikking. De termijn van 30 dagen was dus op 31 december 2024 reeds verstreken.
Slotsom
3.5.
Het hof zal [appellant] dan ook niet-ontvankelijk verklaren. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 349,-
Salaris advocaat € 1.716,- (2 punten x tarief I)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.243,-
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep van € 2.243,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad
Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, H.A.W. Vermeulen en M.C. Schepel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 november 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.352.264/01
arrest van 25 november 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. B.C.A. Reijnders te Venlo,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. T. Teke te Amsterdam
bezoekende advocaat: V. Gensch (lid van de Rechtsanwaltskammer Hamm, Duitsland) .
op het bij appelrekest ingeleide hoger beroep van de beschikking van 26 september 2024, die de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rekestnummer 10625880 OV VERZ 23-46)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de hiervoor genoemde beschikking.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het appelrekest met grieven en één productie, ingekomen ter griffie op 31 december 2024;
de beschikking van het hof van 16 januari 2025, waarin het hof de zaak naar de rol heeft verwezen zodat een kamer van het hof die belast is met de behandeling van dagvaardingsprocedures hiervan kennis kan nemen en heeft bevolen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt met inachtneming van de regels van de dagvaardingsprocedure wordt voortgezet;
het exploot van 31 januari 2025 waarmee op verzoek van [appellant] het appelrekest en de beschikking van 16 januari 2025 aan [geïntimeerde] zijn betekend en waarmee [geïntimeerde] is opgeroepen te verschijnen op de terechtzitting van het hof op 18 maart 2025;
de memorie van antwoord;
de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025, waarbij [appellant] spreekaantekeningen heeft overgelegd;
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
Kern van de zaak
3.1.
Volgens [geïntimeerde] heeft hij aan [appellant] € 5.000,- betaald in verband met de koop van een auto. [geïntimeerde] stelt de koop te hebben ontbonden, omdat de auto niet aan hem is geleverd. [geïntimeerde] vordert daarom terugbetaling van de € 5.000,-.
Op 17 juni 2023 heeft de griffie van de rechtbank Limburg van [geïntimeerde] een verzoekschrift ontvangen met het standaard vorderingsformulier A van bijlage I van verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna: de Verordening). Hiermee vordert [geïntimeerde] betaling van € 5.000,-. In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter deze vordering toegewezen.
[appellant] is het hiermee niet eens en heeft hoger beroep ingesteld. [appellant] is in dit hoger beroep echter niet-ontvankelijk omdat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld.
De procedure in eerste aanleg
3.2.1.
Na ontvangst van het vorderingsformulier van [geïntimeerde] , heeft de rechtbank [appellant] conform artikel 5 lid 2 Verordening in de gelegenheid gesteld verweer te voeren tegen de vordering van [geïntimeerde] door middel van het standaardformulier C van bijlage III van de verordening. Dit formulier is op 2 augustus 2023 aan [appellant] toegezonden op het in het vorderingsformulier opgegeven adres [adres] . Dit poststuk is op 19 september 2023 door de rechtbank retour ontvangen met de aantekening dat het niet is afgehaald.
3.2.2.
Daarna is op 22 november 2023 aan [geïntimeerde] formulier B gestuurd waarbij is gevraagd het vorderingsformulier aan te vullen. Deze aanvulling is op 12 december 2023 ontvangen.
3.2.3.
[geïntimeerde] is gevraagd naar de juiste adresgegevens van [appellant] . [geïntimeerde] heeft het volgende adres opgegeven:
[xx] Fam
c/0 [appellant]
[adres B]
[postcode] [woonplaats]
3.2.4.
Het standaardformulier C van bijlage III van de verordening is vervolgens naar laatstgenoemd adres gestuurd, maar ook dit poststuk is terug ontvangen met de vermelding:
“retour afzender, geadresseerde niet woonachtig op dit adres".
3.2.5.
In de tussenbeschikking van 25 juni 2024 heeft de kantonrechter beslist dat hij het vorderingsformulier met bijbehorend antwoordformulier en bijbehorende modelformulieren aan [appellant] zal doen bezorgen overeenkomstig artikel 4 tot en met 11 van de EG-Verordening inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (Verordening EG nr. 1939/2007). De kantonrechter heeft voorts gerechtsdeurwaarder Hafkamp Groenewegen c.s. te Venlo aangewezen als verzendende instantie en bepaald dat de kosten van de betekening ten laste van de Staat zullen worden gebracht.
3.2.6.
Op 18 juli 2024 heeft de deurwaarder aan [appellant] de tussenbeschikking, het vorderingsformulier en het antwoordformulier betekend op het adres [adres C] . De betekening heeft niet in persoon plaatsgevonden, maar door het achterlaten van een afschrift van het exploot en de hiervoor genoemde documenten in een gesloten envelop.
3.2.7.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking overwogen dat [appellant] niet heeft gereageerd en geen verweer heeft gevoerd. De kantonrechter heeft het gevorderde bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met € 703,41 aan rente en kosten, toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
3.2.8.
De bestreden beschikking is op 27 november 2024 aan [appellant] betekend op het adres [adres C] door het achterlaten van een afschrift van het exploot en de beschikking in een gesloten envelop.
De procedure in hoger beroep
3.3.
[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van bestreden beschikking en tot het alsnog afwijzen van het verzoek van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd dat de grieven niet slagen.
Internationale aspecten
3.4.
Nu [geïntimeerde] in Duitsland woont, heeft deze zaak internationale aspecten. De kantonrechter heeft zich bevoegd geacht om van dit geschil kennis te nemen. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter dit terecht en op de juiste gronden gedaan. Het hof verwijst naar de overweging van de rechtbank op dit punt en maakt die tot de zijne (rov. 2.2. van de bestreden beschikking).
Voorts geldt dat tussen partijen in hoger beroep niet in geschil is dat Nederlands recht van toepassing is. Daarom zal ook het hof daarvan uitgaan.
Ontvankelijkheid
3.5.1.
Op grond van artikel 2 van de Uitvoeringswet verordening Europese procedure voor geringe vorderingen (Stb. 2017. 125, hierna: Uitvoeringswet) staat tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep open overeenkomstig de eerste tot en met de derde afdeling van de zevende titel van het eerste Boek van Burgerlijke Rechtsvordering, met dien verstande dat het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag van de beslissing.
De beslissing dateert van 26 september 2024. Het appelrekest van [appellant] is op 31 december 2024 door het hof ontvangen. Dit betekent dat [appellant] niet binnen 30 dagen vanaf 26 september 2024 hoger beroep heeft ingesteld.
3.5.2.
Volgens [appellant] is hij echter desondanks ontvankelijk omdat hij niet op de hoogte was van de door [geïntimeerde] gestarte procedure. [appellant] erkent dat het adres Elzenstraat 30 in Venlo zijn woonadres is en dat dit ook zijn adres was toen de beschikking van 26 september 2024 op 27 november 2024 aldaar aan hem werd betekend en stelt dat hij pas door de betekening van de beschikking aan hem op 27 november 2024 van de procedure en de beschikking op de hoogte is geraakt.
3.5.3.
Het hof overweegt hierover als volgt. Uitgangspunt is dat hoger beroepstermijnen strikt worden gehandhaafd, omdat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Op dit uitgangspunt wordt een uitzondering gemaakt indien handhaving leidt tot een resultaat dat niet voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM, omdat de toegang tot de rechter daardoor op ontoelaatbare wijze wordt belemmerd. Voor deze uitzondering is ruimte indien een partij, anders dan door een apparaatsfout, pas na of zeer kort voor het verstrijken van de beroepstermijn wetenschap krijgt van een voor hem nadelige beslissing, waardoor hij geen reële mogelijkheid heeft daartegen een rechtsmiddel aan te wenden. Deze uitzondering is onder meer aangenomen in de situatie waarin er meerdere gedaagden waren en op grond van art. 140 lid 3 Rv een vonnis op tegenspraak is gewezen. In het geval waarin de inleidende dagvaarding niet in persoon was betekend en het vonnis aan de bij verstek veroordeelde niet bekend is geworden voorafgaand aan het verstrijken van de appeltermijn, moet niet-ontvankelijkheid achterwege blijven indien de veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld binnen een redelijke termijn. Die redelijke termijn bedraagt dan veertien dagen – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – en vangt aan op de dag volgend op die waarop het vonnis aan de veroordeelde in persoon is betekend dan wel deze anderszins met het vonnis bekend is geraakt (vgl. Hoge Raad 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894).
3.5.4.
Het hof gaat veronderstellenderwijs uit van de juistheid van de stelling dat [appellant] pas door de betekening op 27 november 2024 bekend is geworden met de door [geïntimeerde] gestarte procedure en de bestreden beschikking. In dat geval is er naar het oordeel van het hof aanleiding voor het aannemen van een uitzondering op handhaving van de hoger beroepstermijn. Dit zou betekenen dat niet-ontvankelijkheid achterwege moet blijven indien [appellant] hoger beroep heeft ingesteld binnen een termijn van veertien dagen, die aanvangt op 28 november 2024, zo volgt uit rov. 3.5.3. hiervoor. [appellant] heeft echter pas op 31 december 2024 hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat [appellant] niet binnen een redelijke termijn hoger beroep heeft ingesteld en dus ook bij toepassing van de hiervoor genoemde jurisprudentie niet-ontvankelijk is.
3.5.5.
[appellant] heeft nog betoogd dat de hoger beroepstermijn van 30 dagen pas is gaan lopen op het moment dat hij op de hoogte is geraakt van de bestreden beschikking. Het hof volgt hem hierin niet. In artikel 2 Uitvoeringswet wordt voor het hoger beroep tegen een op grond van de Verordening gegeven beschikking verwezen naar de eerste tot en met de derde afdeling van de zevende titel van het eerste van Rv (de regeling van het hoger beroep tegen vonnissen). Hierbij is bepaald dat de hoger beroepstermijn 30 dagen is, en gaat lopen vanaf de dag van de beslissing. De hoger beroepstermijn tegen een beschikking op grond van de Verordening gaat dus niet pas lopen als de beschikking is betekend of als de belanghebbende op andere wijze met de beschikking bekend is geraakt (zoals in artikel 358 Rv is bepaald voor hoger beroep tegen beschikkingen).
Hierbij komt dat ook als het standpunt van [appellant] wel juist zou zijn, het hoger beroep te laat is ingesteld. De beschikking is immers betekend op 27 november 2024 en [appellant] stelt zelf dat hij door de betekening op 27 november 2024 op de hoogte is geraakt van de beschikking. De termijn van 30 dagen was dus op 31 december 2024 reeds verstreken.
Slotsom
3.5.
Het hof zal [appellant] dan ook niet-ontvankelijk verklaren. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 349,-
Salaris advocaat € 1.716,- (2 punten x tarief I)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.243,-
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep van € 2.243,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad
Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, H.A.W. Vermeulen en M.C. Schepel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 november 2025.
griffier rolraadsheer