Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1998:AD2977
1998-12-18
Civiel recht
16.201; 16.692; 3927 Besch
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1998:AD2977 → ECLI:NL:PHR:1998:AD2977
Inhoudsindicatie
Verzoeken om wraking (alle) leden Hoge Raad. Verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (54)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2357 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-09-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:1518 Rechtbank Overijssel 19-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2250 Rechtbank Noord-Holland 16-02-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:1508 Rechtbank Noord-Holland 13-02-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:1507 Rechtbank Noord-Holland 05-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:233 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-01-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6259 Rechtbank Overijssel 29-10-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5511 Rechtbank Overijssel 09-09-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15841 Rechtbank Noord-Holland 21-08-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:1187 Rechtbank Overijssel 28-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:469 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-01-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:281 Rechtbank Rotterdam 07-01-2025
- ECLI:NL:RBROT:2024:12210 Rechtbank Rotterdam 03-12-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:4705 Rechtbank Overijssel 06-09-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2668 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-05-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:798 Rechtbank Overijssel 14-02-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:2504 Rechtbank Midden-Nederland 24-01-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2923 Gerechtshof Den Haag 13-12-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:3848 Rechtbank Midden-Nederland 25-07-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2023:2166 Rechtbank Overijssel 12-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:118 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:16094 Rechtbank Den Haag 22-12-2022
- ECLI:NL:RBOVE:2022:3456 Rechtbank Overijssel 22-11-2022
- ECLI:NL:RBOVE:2022:3080 Rechtbank Overijssel 20-10-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3470 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-10-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3568 Rechtbank Noord-Nederland 03-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:12771 Rechtbank Den Haag 30-09-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3430 Rechtbank Noord-Nederland 19-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:12588 Rechtbank Den Haag 11-07-2022
- ECLI:NL:HR:2022:558 Hoge Raad 08-04-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1373 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:162 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2022
- ECLI:NL:HR:2022:125 Hoge Raad 04-02-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3059 Gerechtshof Amsterdam 19-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1255 Parket bij de Hoge Raad 10-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:590 Parket bij de Hoge Raad 29-05-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:11287 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-12-2019
- ECLI:NL:HR:2018:2397 Hoge Raad 21-12-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:9544 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-10-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:4014 Rechtbank Gelderland 17-09-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:512 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1301 Parket bij de Hoge Raad 17-11-2017
- ECLI:NL:RBNNE:2017:5120 Rechtbank Noord-Nederland 16-10-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:9486 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-10-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:5846 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-08-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:5476 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-08-2017
- ECLI:NL:RBNNE:2017:5119 Rechtbank Noord-Nederland 03-05-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:2362 Rechtbank Amsterdam 02-03-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:2363 Rechtbank Amsterdam 15-02-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2016:6620 Rechtbank Amsterdam 15-09-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:859 Parket bij de Hoge Raad 12-08-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:4639 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-06-2016
- ECLI:NL:RBAMS:2016:4375 Rechtbank Amsterdam 25-05-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2015:3026 Gerechtshof Den Haag 28-10-2015
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.143 tekens)
18 december 1998
Civiele Kamer
Rolnrs 16.692 en 16.201
3927 Besch.
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
Op de verzoeken om wraking in de zaken met rolnummer 16.692 en 16.201 van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] .
1. De verzoeken
1.1. Verzoeker heeft op 28 april 1997 beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 januari 1997, gewezen tussen verzoeker en [betrokkene 1] . Laatstgenoemde is in cassatie niet verschenen. Deze zaak is bij de Eerste Kamer aanhangig onder nummer 16.692. De Advocaat-Generaal Bakels heeft op 11 september 1998 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. In de zaak tussen dezelfde partijen met rolnummer 16.201 heeft (de Eerste Kamer van) de Hoge Raad op 28 maart 1997 uitspraak gedaan.
1.3. Bij aan de President van de Hoge Raad gerichte brief van 4 oktober 1998 heeft verzoeker wraking verzocht van mrs Roelvink, Neleman, Heemskerk en Herrmann, leden van de Hoge Raad, die zijn aangewezen om op het cassatieberoep in de zaak met rolnummer 16.692 te beslissen.
1.4. In dezelfde brief heeft verzoeker voorts wraking verzocht van mrs. Snijders, Heemskerk, Herrmann, Jansen en De Savornin Lohman, die het arrest hebben gewezen in de zaak met rolnummer 16.201.
1.5. Bij aan de President gerichte brief van 13 oktober 1998 heeft verzoeker in bovenvermelde zaken wraking verzocht van alle leden van de Hoge Raad.
1.6. De eveneens aan de President gerichte brieven van 19 en 23 oktober en van 11 en 15 november 1998 van verzoeker hebben onder meer betrekking op voormelde wrakingsverzoeken.
1.7. De President heeft de hiervoor genoemde brieven in handen gegeven van de Voorzitter van de Eerste Kamer en deze heeft, gebruikmakende van de hem in art. X, tweede lid, van het op 1 mei 1998 in werking getreden Reglement van Orde van de Hoge Raad (Stcrt. 1998, 72) verleende bevoegdheid, de wrakingsverzoeken verwezen naar de Tweede Kamer.
2. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Langemeijer heeft op 27 november 1998 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn wrakingsverzoeken.
De Hoge Raad heeft kennisgenomen van een op 17 december 1998 ingekomen reactie van verzoeker op de conclusie van het Openbaar Ministerie.
3. De ontvankelijkheid van verzoeker
3.1. In cassatie geldt dat de partijen in burgerlijke gedingen vertegenwoordigd dienen te zijn door een door hen aan te wijzen advocaat bij de Hoge Raad (art. 407, derde lid, 409, eerste lid, 417, 426a, eerste lid, 426b, derde lid en 428, eerste en derde lid, Rv).
3.2. Ingevolge art. 29 Rv kan door een partij wraking worden verzocht van elk van de rechters die de zaak behandelen. Art. 30, tweede lid, Rv schrijft voor dat een verzoek om wraking schriftelijk wordt gedaan, met dien verstande dat het tijdens een terechtzitting ook mondeling kan worden gedaan.
3.3. De wet maakt met betrekking tot het doen van een verzoek om wraking geen uitzondering op de verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie. Anders dan verzoeker stelt noopt art. 6 EVRM niet tot het maken van een dergelijke uitzondering, terwijl ook de aard van deze processuele handeling niet meebrengt dat deze door de procespartij zelf moet kunnen worden verricht.
3.4. Hieruit volgt dat, nu de hiervoor onder 1.3 vermelde brief van verzoeker niet door een advocaat bij de Hoge Raad die hem vertegenwoordigt is ondertekend, verzoeker in het bij die brief gedane wrakingsverzoek niet kan worden ontvangen.
3.5. Het onder 3.4 overwogene geldt ook voor het hiervoor onder 1.4 vermelde wrakingsverzoek in de zaak met rolnummer 16.201. Aangezien de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechters die deze uitspraak hebben gedaan, is verzoeker ook om die reden niet ontvankelijk in dit wrakingsverzoek.
3.6. Ten aanzien van het in de hiervoor onder 1.5 vermelde brief gedane verzoek om wraking van alle leden van de Hoge Raad geldt eveneens het hiervoor onder 3.4 overwogene. Voorzover dit verzoek betrekking heeft op leden van de Hoge Raad die niet zijn belast met de behandeling van de zaak met rolnummer 16.692 geldt bovendien dat de wet niet voorziet in een door een partij gedaan verzoek om wraking van een rechter die geen bemoeienis heeft met de behandeling van de zaak.
3.7. Het voorafgaande brengt mee dat als volgt dient te worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in de door hem in de zaak met rolnummer 16.692 en in de zaak met rolnummer 16.201 gedane verzoeken om wraking.
Aldus gewezen door de raadsheer Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, als voorzitter, en de raadsheren Koster, Aaftink, Van Buchem-Spapens en Balkema, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Koster op 18 december 1998.
Civiele Kamer
Rolnrs 16.692 en 16.201
3927 Besch.
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
Op de verzoeken om wraking in de zaken met rolnummer 16.692 en 16.201 van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] .
1. De verzoeken
1.1. Verzoeker heeft op 28 april 1997 beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 januari 1997, gewezen tussen verzoeker en [betrokkene 1] . Laatstgenoemde is in cassatie niet verschenen. Deze zaak is bij de Eerste Kamer aanhangig onder nummer 16.692. De Advocaat-Generaal Bakels heeft op 11 september 1998 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. In de zaak tussen dezelfde partijen met rolnummer 16.201 heeft (de Eerste Kamer van) de Hoge Raad op 28 maart 1997 uitspraak gedaan.
1.3. Bij aan de President van de Hoge Raad gerichte brief van 4 oktober 1998 heeft verzoeker wraking verzocht van mrs Roelvink, Neleman, Heemskerk en Herrmann, leden van de Hoge Raad, die zijn aangewezen om op het cassatieberoep in de zaak met rolnummer 16.692 te beslissen.
1.4. In dezelfde brief heeft verzoeker voorts wraking verzocht van mrs. Snijders, Heemskerk, Herrmann, Jansen en De Savornin Lohman, die het arrest hebben gewezen in de zaak met rolnummer 16.201.
1.5. Bij aan de President gerichte brief van 13 oktober 1998 heeft verzoeker in bovenvermelde zaken wraking verzocht van alle leden van de Hoge Raad.
1.6. De eveneens aan de President gerichte brieven van 19 en 23 oktober en van 11 en 15 november 1998 van verzoeker hebben onder meer betrekking op voormelde wrakingsverzoeken.
1.7. De President heeft de hiervoor genoemde brieven in handen gegeven van de Voorzitter van de Eerste Kamer en deze heeft, gebruikmakende van de hem in art. X, tweede lid, van het op 1 mei 1998 in werking getreden Reglement van Orde van de Hoge Raad (Stcrt. 1998, 72) verleende bevoegdheid, de wrakingsverzoeken verwezen naar de Tweede Kamer.
2. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Langemeijer heeft op 27 november 1998 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn wrakingsverzoeken.
De Hoge Raad heeft kennisgenomen van een op 17 december 1998 ingekomen reactie van verzoeker op de conclusie van het Openbaar Ministerie.
3. De ontvankelijkheid van verzoeker
3.1. In cassatie geldt dat de partijen in burgerlijke gedingen vertegenwoordigd dienen te zijn door een door hen aan te wijzen advocaat bij de Hoge Raad (art. 407, derde lid, 409, eerste lid, 417, 426a, eerste lid, 426b, derde lid en 428, eerste en derde lid, Rv).
3.2. Ingevolge art. 29 Rv kan door een partij wraking worden verzocht van elk van de rechters die de zaak behandelen. Art. 30, tweede lid, Rv schrijft voor dat een verzoek om wraking schriftelijk wordt gedaan, met dien verstande dat het tijdens een terechtzitting ook mondeling kan worden gedaan.
3.3. De wet maakt met betrekking tot het doen van een verzoek om wraking geen uitzondering op de verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie. Anders dan verzoeker stelt noopt art. 6 EVRM niet tot het maken van een dergelijke uitzondering, terwijl ook de aard van deze processuele handeling niet meebrengt dat deze door de procespartij zelf moet kunnen worden verricht.
3.4. Hieruit volgt dat, nu de hiervoor onder 1.3 vermelde brief van verzoeker niet door een advocaat bij de Hoge Raad die hem vertegenwoordigt is ondertekend, verzoeker in het bij die brief gedane wrakingsverzoek niet kan worden ontvangen.
3.5. Het onder 3.4 overwogene geldt ook voor het hiervoor onder 1.4 vermelde wrakingsverzoek in de zaak met rolnummer 16.201. Aangezien de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechters die deze uitspraak hebben gedaan, is verzoeker ook om die reden niet ontvankelijk in dit wrakingsverzoek.
3.6. Ten aanzien van het in de hiervoor onder 1.5 vermelde brief gedane verzoek om wraking van alle leden van de Hoge Raad geldt eveneens het hiervoor onder 3.4 overwogene. Voorzover dit verzoek betrekking heeft op leden van de Hoge Raad die niet zijn belast met de behandeling van de zaak met rolnummer 16.692 geldt bovendien dat de wet niet voorziet in een door een partij gedaan verzoek om wraking van een rechter die geen bemoeienis heeft met de behandeling van de zaak.
3.7. Het voorafgaande brengt mee dat als volgt dient te worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in de door hem in de zaak met rolnummer 16.692 en in de zaak met rolnummer 16.201 gedane verzoeken om wraking.
Aldus gewezen door de raadsheer Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, als voorzitter, en de raadsheren Koster, Aaftink, Van Buchem-Spapens en Balkema, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Koster op 18 december 1998.