Raad van State
ECLI:NL:RVS:2024:1860
2024-05-02
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202401945/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2024:1860 → ECLI:NL:RBDHA:2024:4128 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2014:3164 Raad van State 14-08-2014
Geciteerd door (111)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27935 Rechtbank Den Haag 23-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21689 Rechtbank Den Haag 03-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23208 Rechtbank Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20086 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18655 Rechtbank Den Haag 07-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18468 Rechtbank Den Haag 02-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21802 Rechtbank Den Haag 30-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17072 Rechtbank Den Haag 23-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16626 Rechtbank Den Haag 19-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16246 Rechtbank Den Haag 15-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15002 Rechtbank Den Haag 04-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16891 Rechtbank Den Haag 29-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14166 Rechtbank Den Haag 28-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12539 Rechtbank Den Haag 18-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6378 Rechtbank Den Haag 23-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3693 Rechtbank Den Haag 24-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2465 Rechtbank Den Haag 05-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:616 Rechtbank Den Haag 15-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2174 Rechtbank Den Haag 13-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22363 Rechtbank Den Haag 18-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21252 Rechtbank Den Haag 11-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18434 Rechtbank Den Haag 06-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18926 Rechtbank Den Haag 29-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17262 Rechtbank Den Haag 16-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16976 Rechtbank Den Haag 15-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16547 Rechtbank Den Haag 05-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16058 Rechtbank Den Haag 28-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16119 Rechtbank Den Haag 27-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13861 Rechtbank Den Haag 24-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13163 Rechtbank Den Haag 16-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12886 Rechtbank Den Haag 04-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11344 Rechtbank Den Haag 27-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11344 Rechtbank Den Haag 27-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11347 Rechtbank Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10793 Rechtbank Den Haag 20-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10244 Rechtbank Den Haag 12-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10249 Rechtbank Den Haag 12-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10247 Rechtbank Den Haag 12-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10863 Rechtbank Den Haag 10-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9489 Rechtbank Den Haag 28-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12677 Rechtbank Den Haag 23-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2357 Raad van State 22-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9878 Rechtbank Den Haag 21-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8642 Rechtbank Den Haag 15-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9339 Rechtbank Den Haag 12-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7949 Rechtbank Den Haag 08-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8105 Rechtbank Den Haag 07-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18438 Rechtbank Den Haag 15-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6217 Rechtbank Den Haag 14-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5983 Rechtbank Den Haag 10-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5303 Rechtbank Den Haag 31-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5313 Rechtbank Den Haag 31-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7744 Rechtbank Den Haag 26-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4905 Rechtbank Den Haag 21-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4569 Rechtbank Den Haag 18-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4439 Rechtbank Den Haag 17-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3692 Rechtbank Den Haag 10-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3963 Rechtbank Den Haag 27-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6114 Rechtbank Den Haag 24-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2987 Rechtbank Den Haag 20-02-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (5.145 tekens)
202401945/1/V3.
Datum uitspraak: 2 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 maart 2024 in zaak nr. NL24.4593 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 20 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.M. Boesjes, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris komt in zijn enige grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de eerdere traumatische ervaringen van de vreemdeling in Bulgarije geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De vreemdeling heeft verklaard dat hij vijf keer slechtoffer is geweest van gewelddadige pushbacks, dat hij onder slechte omstandigheden in detentie zat, geen rechtsbijstand kreeg en dat hij eerder geen opvang heeft gekregen. In beroep heeft hij verder gesteld dat hij hierdoor getraumatiseerd is, last heeft van ernstige slaapproblemen, paniekaanvallen en herbelevingen. Ter onderbouwing daarvan heeft hij zijn patiëntendossier overgelegd.
1.1. De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend, dat hij de door de vreemdeling gestelde eerdere ervaringen in Bulgarije in het besluit al voldoende heeft betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164. Verder heeft de vreemdeling zijn verklaringen over wat hem eerder in Bulgarije zou zijn overkomen ook niet onderbouwd. Daarbij is het oordeel van de rechtbank dat in het algemeen geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling in hoger beroep niet bestreden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris zich in het besluit voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaringen over eerdere ervaringen geen aanleiding vormen om de aanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
De staatssecretaris heeft zich ter zitting ook voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de medische situatie van de vreemdeling ook geen bijzondere en individuele omstandigheid is, die maakt dat hij de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen. Uit het overlegde patiëntendossier blijkt dat er een signalering van mogelijke PTSS-klachten is, dat medicatie is voorgeschreven en dat de arts hem wil doorverwijzen naar een psycholoog. De staatssecretaris heeft terecht opgemerkt dat er geen door een specialist vastgestelde PTSS-diagnose is. Bovendien heeft de staatssecretaris terecht betrokken dat in beginsel mag worden verondersteld dat sprake is van vergelijkbare medische voorzieningen in de lidstaten en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat behandeling in Bulgarije niet mogelijk is. Daarnaast heeft hij er terecht op gewezen dat niet is gebleken dat de vreemdeling niet kan klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Dat het gezien zijn medische situatie wellicht moeilijker is om hulp te vragen, betekent niet dat dit onmogelijk is en niet van hem kan worden gevraagd. De staatssecretaris heeft verder terecht betrokken dat niet is gebleken dat de Bulgaarse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen.
1.2. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 maart 2024 in zaak nr. NL24.4593;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2024
918
Datum uitspraak: 2 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 maart 2024 in zaak nr. NL24.4593 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 20 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.M. Boesjes, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris komt in zijn enige grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de eerdere traumatische ervaringen van de vreemdeling in Bulgarije geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De vreemdeling heeft verklaard dat hij vijf keer slechtoffer is geweest van gewelddadige pushbacks, dat hij onder slechte omstandigheden in detentie zat, geen rechtsbijstand kreeg en dat hij eerder geen opvang heeft gekregen. In beroep heeft hij verder gesteld dat hij hierdoor getraumatiseerd is, last heeft van ernstige slaapproblemen, paniekaanvallen en herbelevingen. Ter onderbouwing daarvan heeft hij zijn patiëntendossier overgelegd.
1.1. De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend, dat hij de door de vreemdeling gestelde eerdere ervaringen in Bulgarije in het besluit al voldoende heeft betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164. Verder heeft de vreemdeling zijn verklaringen over wat hem eerder in Bulgarije zou zijn overkomen ook niet onderbouwd. Daarbij is het oordeel van de rechtbank dat in het algemeen geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling in hoger beroep niet bestreden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris zich in het besluit voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaringen over eerdere ervaringen geen aanleiding vormen om de aanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
De staatssecretaris heeft zich ter zitting ook voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de medische situatie van de vreemdeling ook geen bijzondere en individuele omstandigheid is, die maakt dat hij de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen. Uit het overlegde patiëntendossier blijkt dat er een signalering van mogelijke PTSS-klachten is, dat medicatie is voorgeschreven en dat de arts hem wil doorverwijzen naar een psycholoog. De staatssecretaris heeft terecht opgemerkt dat er geen door een specialist vastgestelde PTSS-diagnose is. Bovendien heeft de staatssecretaris terecht betrokken dat in beginsel mag worden verondersteld dat sprake is van vergelijkbare medische voorzieningen in de lidstaten en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat behandeling in Bulgarije niet mogelijk is. Daarnaast heeft hij er terecht op gewezen dat niet is gebleken dat de vreemdeling niet kan klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Dat het gezien zijn medische situatie wellicht moeilijker is om hulp te vragen, betekent niet dat dit onmogelijk is en niet van hem kan worden gevraagd. De staatssecretaris heeft verder terecht betrokken dat niet is gebleken dat de Bulgaarse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen.
1.2. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 maart 2024 in zaak nr. NL24.4593;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2024
918