Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21802
2026-06-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.17999
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin, Duitsland, grondslag claimakkoord
Citeert (11)
- ECLI:NL:RVS:2017:2289 Raad van State 24-08-2017
- ECLI:EU:C:2019:218
- ECLI:NL:RVS:2023:4107 Raad van State 08-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:3661 Raad van State 11-09-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:588 Raad van State 14-02-2025
- ECLI:EU:C:2023:934
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
- ECLI:EU:C:2017:127
- ECLI:NL:RVS:2024:1860 Raad van State 02-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4941 Raad van State 02-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.552 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17999
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Demirtas),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. F.E.J. Evers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Grondslag van het claimakkoord
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het terugnameverzoek aan Duitsland heeft gebaseerd op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Dit artikel geldt, zo stelt eiser, voor vreemdelingen van wie het verzoek om internationale bescherming is afgewezen en die vervolgens een nieuw verzoek in een andere lidstaat hebben ingediend. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat de minister heeft vastgesteld dat eisers verzoek in Duitsland daadwerkelijk definitief is afgewezen. Als eisers aanvraag in Duitsland op het moment van het verzoek nog hangende was, had volgens eiser artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, moeten worden toegepast, omdat dit geldt bij terugname tijdens een lopende procedure. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd op basis van welke informatie van de Duitse autoriteiten is vastgesteld dat zijn verzoek om internationale bescherming in Duitsland definitief is afgewezen, zodat het maar de vraag is of de grondslag van het claimakkoord juist is.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Zelfs als wordt aangenomen dat het terugnameverzoek op een onjuiste juridische grondslag is gebaseerd, betekent dit niet automatisch dat er geen geldig claimakkoord tot stand kan zijn gekomen. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt namelijk dat het enkel noemen van een onjuiste claimgrond in het verzoek niet verhindert dat de betrokken autoriteiten over voldoende relevante informatie beschikken om een weloverwogen besluit te nemen. Een mogelijke procedurele fout in de keuze van de claimgrond tast daarom niet de geldigheid van het claimakkoord aan, noch de daarmee samenhangende verantwoordelijkheid van de betreffende lidstaat. In deze zaak staat vast dat Duitsland het terugnameverzoek van de minister heeft geaccepteerd op basis van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. De rechtbank stelt vast dat de minister in het verzoek alle relevante omstandigheden heeft vermeld die noodzakelijk zijn voor een correcte beoordeling. Dit betekent dat de Duitse autoriteiten van Nederland voldoende informatie hebben ontvangen om een weloverwogen besluit te kunnen nemen. Er zijn geen aanwijzingen dat Duitsland het terugnameverzoek heeft aanvaard op basis van onvolledige of onjuiste gegevens. Bovendien heeft de minister in zijn besluit expliciet betrokken dat de asielaanvraag van eiser in Duitsland is afgewezen. De minister mocht bij het uitdrukkelijke claimakkoord dan ook uitgaan van een juiste juridische grondslag bij de verantwoordelijke lidstaat. Daarnaast heeft eiser tijdens de zitting zelf verklaard dat hij al in 2014 een asielaanvraag heeft gedaan en dat hij Duitsland moest verlaten. Dit duidt er volgens de rechtbank op dat er geen lopende asielaanvraag is. Op grond hiervan is er dus geen reden om te twijfelen aan de geldigheid van het claimakkoord dat gebaseerd is op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt onder verwijzing naar het AIDA-rapport over Duitsland (update 2023), dat de minister voor Duitsland niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Zo wijst eiser niet alleen op het feit dat de opvang van asielzoekers in Duitsland niet goed is geregeld maar ook op het gebrek aan gefinancierde rechtshulp en het feit dat de behandeling van kwetsbare personen, waaronder personen met psychische problematiek, bijzondere aandacht verdient. Voor een psychisch kwetsbare vreemdeling kan niet zonder meer worden uitgegaan van adequate opvang. Zelf stelt eiser negatieve ervaringen te hebben met Duitsland. Daar heeft hij onder meer last gehad van jarenlange procedurele onzekerheid, psychische druk ervaren door de behandeling van de Duitse autoriteiten, werd hij van het kastje naar de muur gestuurd en heeft hij zich ook onwelkom gevoeld. Uiteindelijk moest hij het land verlaten, wat voor hem een grote schok was. Ook zijn er zonder zijn toestemming vingerafdrukken afgenomen. Tot slot voert eiser aan dat de minister de specifieke situatie van Eritreeërs in Duitsland niet heeft beoordeeld. De minister heeft slechts volstaan met een algemene verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zonder gemotiveerd in te gaan op de specifieke positie van Eritreeërs en het verschil in beschermingsniveau tussen Nederland en Duitsland. Zo worden Eritreeërs in Nederland in het algemeen aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag, terwijl aan Eritreeërs in Duitsland slechts subsidiaire bescherming wordt verleend. Dit verschil in beschermingsniveau is van belang bij de beoordeling of bij overdracht aan Duitsland een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Bij de beoordeling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling bij één van de lidstaten ingediend asielverzoek, gaat de minister uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij de overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de autoriteiten daar, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Eiser kan dit doen met landeninformatie en aan de hand van zijn eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Dit volgt uit het arrest Jawo.
Dat wil zeggen dat een persoon buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat hij voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 geoordeeld dat voor Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Dit is bevestigd in de uitspraak van 11 september 2024 en van 14 februari 2025. De Afdeling heeft in die laatste uitspraak geoordeeld dat het AIDA-rapport over Duitsland (update 2022) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van Dublinclaimanten in Duitsland dan volgt uit eerdere rapporten die in eerdere uitspraken zijn betrokken. Bovendien komt de inhoud van dit rapport overeen met de inhoud van de 2023 Update, waar eiser naar verwijst. Verder stelt de minister zich op goede gronden op het standpunt dat eiser met wat hij heeft aangevoerd over zijn persoonlijke ervaringen in Duitsland niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, daadwerkelijk een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Hoewel eiser betoogt dat hij in Duitsland langdurig in onzekerheid verkeerde door procedures die daar lang duurden, hij zich daar onwelkom heeft gevoeld en ook psychische druk heeft ondervonden door de behandeling van de Duitse autoriteiten, heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser zijn gestelde ervaringen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en dat zijn verklaringen op zichzelf dus onvoldoende zijn voor de conclusie dat overdracht aan Duitsland zal leiden tot een reëel risico op een slechte behandeling.
5.3.
Voor zover eiser betoogt dat hij bij overdracht aan Duitsland heeft te vrezen voor indirect refoulement naar Ethiopië, overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024 kan de rechtbank binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid. Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Dat is in dit geval, zoals hiervoor overwogen, niet aan de orde. Bovendien hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen met inachtneming van de internationale verplichtingen. In dat kader zijn de Duitse autoriteiten gebonden aan de verplichting om eiser niet uit te zetten als dat strijdig zou zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Mocht eiser problemen ervaren, dan ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Duitse autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn.
5.4.
Voor wat betreft eisers betoog dat het beschermingsbeleid voor Eritreeërs in Nederland en Duitsland verschillend is, heeft de minister zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 terecht op het standpunt gesteld dat een mogelijk verschil in beschermingsbeleid van asielzoekers in Nederland en Duitsland bij de toepassing van de Dublinverordening niet relevant is.
Het arrest C.K.
6. Eiser doet verder een beroep op het arrest C.K. van het Hof van Justitie. Eiser wijst in dit verband op zijn kwetsbaarheid als gevolg van zijn ervaringen in Duitsland. Hij voert in dit verband aan dat hij bij het aanmeldgehoor uitdrukkelijk heeft verklaard psychische druk te hebben ondervonden als gevolg van zijn ervaringen in Duitsland. Eiser stelt dat de minister daarom had moeten onderzoeken of bij eiser sprake is van medische en/of psychische problematiek die bij overdracht aan Duitsland een risico oplevert. De minister had eiser nader moeten bevragen over zijn huidige psychische toestand en eventueel medicatiegebruik.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient de minister het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het Bureau Medische Advisering (BMA), zo volgt uit Werkinstructie 2021/3.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft zijn gestelde psychische klachten niet onderbouwd met objectieve gegevens of medische stukken. Ook heeft hij geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat de overdracht zelf tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand zou leiden. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank, voor zover eiser dit betoogt, ook geen aanknopingspunten dat de minister gehouden was een BMA-advies aan te vragen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers gemachtigde op zitting heeft verklaard dat eiser zich voor zijn gestelde psychische klachten niet onder behandeling heeft laten stellen en daar geen professionele hulp voor heeft gezocht. Dat eisers gemachtigde op zitting heeft gesteld dat eiser tijdens het aanmeldgehoor voldoende signalen heeft afgegeven waaruit kon worden afgeleid dat het psychisch niet goed ging met hem, maakt het vorenstaande niet anders. Eisers gemachtigde heeft namelijk niet geconcretiseerd welke signalen voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om te twijfelen aan eisers psychische gesteldheid. Hoewel uit het rapport aanmeldgehoor blijkt dat eiser heeft verklaard dat zijn leven in Duitsland een nachtmerrie was, dat hij daar in onzekerheid verkeerde, psychische druk heeft ervaren en geschokt was toen hem werd meegedeeld dat hij Duitsland moest verlaten, heeft eiser met deze verklaringen voornamelijk toegelicht hoe hij zijn eerder verblijf in Duitsland (in 2014 en 2015) heeft beleefd. Hieruit volgt niet zonder meer dat sprake is van psychische problematiek die aanleiding had moeten geven tot nader onderzoek. Verder blijkt uit het rapport aanmeldgehoor ook niet dat zich tijdens het gehoor omstandigheden hebben voorgedaan die voor de gehoormedewerker aanleiding hadden moeten zijn om te twijfelen aan het vermogen van eiser om te worden gehoord of om een nader medisch onderzoek te initiëren.
6.3.
Eisers gemachtigde heeft op zitting nog gewezen op het feit dat eiser (een deel van) zijn vinger heeft afgehakt. Hierover overweegt de rechtbank dat deze omstandigheid pas tijdens de zitting naar voren is gebracht. Niet is gebleken dat de minister ten tijde van het nemen van het bestreden besluit van dit incident op de hoogte was of had kunnen zijn. Integendeel, deze informatie bleek ook voor de minister nieuw te zijn. Reeds daarom kan hierin geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de minister voorafgaand aan het nemen van het besluit nader onderzoek had moeten verrichten. Voor zover eiser betoogt dat het besluit ex nunc moet worden getoetst, kan hij hierin evenmin worden gevolgd. Eiser heeft namelijk geen objectieve informatie overgelegd dat dit incident verband houdt met psychische problematiek, laat staan dat sprake is van psychische problematiek die bij overdracht aan Duitsland een risico voor eiser oplevert. Bovendien mag de minister erop vertrouwen dat als Duitsland ermee heeft ingestemd om eiser op grond van de Dublinverordening over te nemen, zij haar internationale verplichtingen ten opzichte van hem zal nakomen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij er van mag uitgaan dat de medische voorzieningen in Duitsland vergelijkbaar zijn met die in Nederland, dat Duitsland in staat moet worden geacht de (gestelde) medische klachten van eiser te kunnen behandelen en bovendien ook dat eiser na aankomst in Duitsland toegang heeft tot de nodige behandeling. Voor zover eiser na de overdracht klachten zou hebben over de medische zorg, mag de minister er van uitgaan dat eiser hierover kan klagen bij de Duitse autoriteiten. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft eiser dus onvoldoende aanknopingspunten naar voren gebracht voor de conclusie dat overdracht in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?
7. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling moet nemen. De cumulatie van individuele omstandigheden maken namelijk dat de overdracht van eiser aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt.
7.1.
Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van deze verordening. De minister maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. De minister gebruikt deze bevoegdheid indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank ziet de minister in dat wat eiser heeft aangevoerd, niet ten onrechte geen aanleiding om zijn asielaanvraag vanwege gestelde onevenredige hardheid onverplicht in behandeling te nemen. De door eiser in dit licht aangevoerde ervaringen in Duitsland en de overige door hem aangevoerde omstandigheden hebben namelijk betrekking op omstandigheden die door de minister al zijn betrokken bij de vraag of hij voor Duitsland uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister in het besluit dan ook deugdelijk gemotiveerd waarom de omstandigheden die eiser aanvoert, geen reden hoefden te zijn om van de overdracht aan Duitsland af te zien. Enkel de niet onderbouwde persoonlijke ervaringen van eiser tijdens een eerder verblijf in Duitsland rechtvaardigen niet de conclusie dat de overdracht naar Duitsland getuigt van onevenredige hardheid.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Omdat de asielaanvraag voor 12 juni 2026 is ingediend is de Dublinverordening van toepassing en niet de Asiel- en Migratiebeheerverordening
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie ABRvS 19 juli 2021, ECLI::NL:RVS:2021:1563 en ABRvS 24 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2289.
Zie pagina 5 van het bestreden besluit.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
ECLI:NL:RVS:2023:4107.
ECLI:NL:RVS:2024:3661.
ECLI:NL:RVS:2025:588.
Dit is eisers geboorteland.
ECLI:EU:C:2023:934.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.
HvJEU 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127.
Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Zie de uitspraken van de afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en van 2 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4941.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17999
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Demirtas),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. F.E.J. Evers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Grondslag van het claimakkoord
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het terugnameverzoek aan Duitsland heeft gebaseerd op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Dit artikel geldt, zo stelt eiser, voor vreemdelingen van wie het verzoek om internationale bescherming is afgewezen en die vervolgens een nieuw verzoek in een andere lidstaat hebben ingediend. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat de minister heeft vastgesteld dat eisers verzoek in Duitsland daadwerkelijk definitief is afgewezen. Als eisers aanvraag in Duitsland op het moment van het verzoek nog hangende was, had volgens eiser artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, moeten worden toegepast, omdat dit geldt bij terugname tijdens een lopende procedure. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd op basis van welke informatie van de Duitse autoriteiten is vastgesteld dat zijn verzoek om internationale bescherming in Duitsland definitief is afgewezen, zodat het maar de vraag is of de grondslag van het claimakkoord juist is.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Zelfs als wordt aangenomen dat het terugnameverzoek op een onjuiste juridische grondslag is gebaseerd, betekent dit niet automatisch dat er geen geldig claimakkoord tot stand kan zijn gekomen. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt namelijk dat het enkel noemen van een onjuiste claimgrond in het verzoek niet verhindert dat de betrokken autoriteiten over voldoende relevante informatie beschikken om een weloverwogen besluit te nemen. Een mogelijke procedurele fout in de keuze van de claimgrond tast daarom niet de geldigheid van het claimakkoord aan, noch de daarmee samenhangende verantwoordelijkheid van de betreffende lidstaat. In deze zaak staat vast dat Duitsland het terugnameverzoek van de minister heeft geaccepteerd op basis van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. De rechtbank stelt vast dat de minister in het verzoek alle relevante omstandigheden heeft vermeld die noodzakelijk zijn voor een correcte beoordeling. Dit betekent dat de Duitse autoriteiten van Nederland voldoende informatie hebben ontvangen om een weloverwogen besluit te kunnen nemen. Er zijn geen aanwijzingen dat Duitsland het terugnameverzoek heeft aanvaard op basis van onvolledige of onjuiste gegevens. Bovendien heeft de minister in zijn besluit expliciet betrokken dat de asielaanvraag van eiser in Duitsland is afgewezen. De minister mocht bij het uitdrukkelijke claimakkoord dan ook uitgaan van een juiste juridische grondslag bij de verantwoordelijke lidstaat. Daarnaast heeft eiser tijdens de zitting zelf verklaard dat hij al in 2014 een asielaanvraag heeft gedaan en dat hij Duitsland moest verlaten. Dit duidt er volgens de rechtbank op dat er geen lopende asielaanvraag is. Op grond hiervan is er dus geen reden om te twijfelen aan de geldigheid van het claimakkoord dat gebaseerd is op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt onder verwijzing naar het AIDA-rapport over Duitsland (update 2023), dat de minister voor Duitsland niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Zo wijst eiser niet alleen op het feit dat de opvang van asielzoekers in Duitsland niet goed is geregeld maar ook op het gebrek aan gefinancierde rechtshulp en het feit dat de behandeling van kwetsbare personen, waaronder personen met psychische problematiek, bijzondere aandacht verdient. Voor een psychisch kwetsbare vreemdeling kan niet zonder meer worden uitgegaan van adequate opvang. Zelf stelt eiser negatieve ervaringen te hebben met Duitsland. Daar heeft hij onder meer last gehad van jarenlange procedurele onzekerheid, psychische druk ervaren door de behandeling van de Duitse autoriteiten, werd hij van het kastje naar de muur gestuurd en heeft hij zich ook onwelkom gevoeld. Uiteindelijk moest hij het land verlaten, wat voor hem een grote schok was. Ook zijn er zonder zijn toestemming vingerafdrukken afgenomen. Tot slot voert eiser aan dat de minister de specifieke situatie van Eritreeërs in Duitsland niet heeft beoordeeld. De minister heeft slechts volstaan met een algemene verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zonder gemotiveerd in te gaan op de specifieke positie van Eritreeërs en het verschil in beschermingsniveau tussen Nederland en Duitsland. Zo worden Eritreeërs in Nederland in het algemeen aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag, terwijl aan Eritreeërs in Duitsland slechts subsidiaire bescherming wordt verleend. Dit verschil in beschermingsniveau is van belang bij de beoordeling of bij overdracht aan Duitsland een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Bij de beoordeling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling bij één van de lidstaten ingediend asielverzoek, gaat de minister uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij de overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de autoriteiten daar, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Eiser kan dit doen met landeninformatie en aan de hand van zijn eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Dit volgt uit het arrest Jawo.
Dat wil zeggen dat een persoon buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat hij voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 geoordeeld dat voor Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Dit is bevestigd in de uitspraak van 11 september 2024 en van 14 februari 2025. De Afdeling heeft in die laatste uitspraak geoordeeld dat het AIDA-rapport over Duitsland (update 2022) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van Dublinclaimanten in Duitsland dan volgt uit eerdere rapporten die in eerdere uitspraken zijn betrokken. Bovendien komt de inhoud van dit rapport overeen met de inhoud van de 2023 Update, waar eiser naar verwijst. Verder stelt de minister zich op goede gronden op het standpunt dat eiser met wat hij heeft aangevoerd over zijn persoonlijke ervaringen in Duitsland niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, daadwerkelijk een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Hoewel eiser betoogt dat hij in Duitsland langdurig in onzekerheid verkeerde door procedures die daar lang duurden, hij zich daar onwelkom heeft gevoeld en ook psychische druk heeft ondervonden door de behandeling van de Duitse autoriteiten, heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser zijn gestelde ervaringen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en dat zijn verklaringen op zichzelf dus onvoldoende zijn voor de conclusie dat overdracht aan Duitsland zal leiden tot een reëel risico op een slechte behandeling.
5.3.
Voor zover eiser betoogt dat hij bij overdracht aan Duitsland heeft te vrezen voor indirect refoulement naar Ethiopië, overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024 kan de rechtbank binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid. Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Dat is in dit geval, zoals hiervoor overwogen, niet aan de orde. Bovendien hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen met inachtneming van de internationale verplichtingen. In dat kader zijn de Duitse autoriteiten gebonden aan de verplichting om eiser niet uit te zetten als dat strijdig zou zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Mocht eiser problemen ervaren, dan ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Duitse autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn.
5.4.
Voor wat betreft eisers betoog dat het beschermingsbeleid voor Eritreeërs in Nederland en Duitsland verschillend is, heeft de minister zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 terecht op het standpunt gesteld dat een mogelijk verschil in beschermingsbeleid van asielzoekers in Nederland en Duitsland bij de toepassing van de Dublinverordening niet relevant is.
Het arrest C.K.
6. Eiser doet verder een beroep op het arrest C.K. van het Hof van Justitie. Eiser wijst in dit verband op zijn kwetsbaarheid als gevolg van zijn ervaringen in Duitsland. Hij voert in dit verband aan dat hij bij het aanmeldgehoor uitdrukkelijk heeft verklaard psychische druk te hebben ondervonden als gevolg van zijn ervaringen in Duitsland. Eiser stelt dat de minister daarom had moeten onderzoeken of bij eiser sprake is van medische en/of psychische problematiek die bij overdracht aan Duitsland een risico oplevert. De minister had eiser nader moeten bevragen over zijn huidige psychische toestand en eventueel medicatiegebruik.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient de minister het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het Bureau Medische Advisering (BMA), zo volgt uit Werkinstructie 2021/3.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft zijn gestelde psychische klachten niet onderbouwd met objectieve gegevens of medische stukken. Ook heeft hij geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat de overdracht zelf tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand zou leiden. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank, voor zover eiser dit betoogt, ook geen aanknopingspunten dat de minister gehouden was een BMA-advies aan te vragen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers gemachtigde op zitting heeft verklaard dat eiser zich voor zijn gestelde psychische klachten niet onder behandeling heeft laten stellen en daar geen professionele hulp voor heeft gezocht. Dat eisers gemachtigde op zitting heeft gesteld dat eiser tijdens het aanmeldgehoor voldoende signalen heeft afgegeven waaruit kon worden afgeleid dat het psychisch niet goed ging met hem, maakt het vorenstaande niet anders. Eisers gemachtigde heeft namelijk niet geconcretiseerd welke signalen voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om te twijfelen aan eisers psychische gesteldheid. Hoewel uit het rapport aanmeldgehoor blijkt dat eiser heeft verklaard dat zijn leven in Duitsland een nachtmerrie was, dat hij daar in onzekerheid verkeerde, psychische druk heeft ervaren en geschokt was toen hem werd meegedeeld dat hij Duitsland moest verlaten, heeft eiser met deze verklaringen voornamelijk toegelicht hoe hij zijn eerder verblijf in Duitsland (in 2014 en 2015) heeft beleefd. Hieruit volgt niet zonder meer dat sprake is van psychische problematiek die aanleiding had moeten geven tot nader onderzoek. Verder blijkt uit het rapport aanmeldgehoor ook niet dat zich tijdens het gehoor omstandigheden hebben voorgedaan die voor de gehoormedewerker aanleiding hadden moeten zijn om te twijfelen aan het vermogen van eiser om te worden gehoord of om een nader medisch onderzoek te initiëren.
6.3.
Eisers gemachtigde heeft op zitting nog gewezen op het feit dat eiser (een deel van) zijn vinger heeft afgehakt. Hierover overweegt de rechtbank dat deze omstandigheid pas tijdens de zitting naar voren is gebracht. Niet is gebleken dat de minister ten tijde van het nemen van het bestreden besluit van dit incident op de hoogte was of had kunnen zijn. Integendeel, deze informatie bleek ook voor de minister nieuw te zijn. Reeds daarom kan hierin geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de minister voorafgaand aan het nemen van het besluit nader onderzoek had moeten verrichten. Voor zover eiser betoogt dat het besluit ex nunc moet worden getoetst, kan hij hierin evenmin worden gevolgd. Eiser heeft namelijk geen objectieve informatie overgelegd dat dit incident verband houdt met psychische problematiek, laat staan dat sprake is van psychische problematiek die bij overdracht aan Duitsland een risico voor eiser oplevert. Bovendien mag de minister erop vertrouwen dat als Duitsland ermee heeft ingestemd om eiser op grond van de Dublinverordening over te nemen, zij haar internationale verplichtingen ten opzichte van hem zal nakomen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij er van mag uitgaan dat de medische voorzieningen in Duitsland vergelijkbaar zijn met die in Nederland, dat Duitsland in staat moet worden geacht de (gestelde) medische klachten van eiser te kunnen behandelen en bovendien ook dat eiser na aankomst in Duitsland toegang heeft tot de nodige behandeling. Voor zover eiser na de overdracht klachten zou hebben over de medische zorg, mag de minister er van uitgaan dat eiser hierover kan klagen bij de Duitse autoriteiten. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft eiser dus onvoldoende aanknopingspunten naar voren gebracht voor de conclusie dat overdracht in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?
7. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling moet nemen. De cumulatie van individuele omstandigheden maken namelijk dat de overdracht van eiser aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt.
7.1.
Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van deze verordening. De minister maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. De minister gebruikt deze bevoegdheid indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank ziet de minister in dat wat eiser heeft aangevoerd, niet ten onrechte geen aanleiding om zijn asielaanvraag vanwege gestelde onevenredige hardheid onverplicht in behandeling te nemen. De door eiser in dit licht aangevoerde ervaringen in Duitsland en de overige door hem aangevoerde omstandigheden hebben namelijk betrekking op omstandigheden die door de minister al zijn betrokken bij de vraag of hij voor Duitsland uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister in het besluit dan ook deugdelijk gemotiveerd waarom de omstandigheden die eiser aanvoert, geen reden hoefden te zijn om van de overdracht aan Duitsland af te zien. Enkel de niet onderbouwde persoonlijke ervaringen van eiser tijdens een eerder verblijf in Duitsland rechtvaardigen niet de conclusie dat de overdracht naar Duitsland getuigt van onevenredige hardheid.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Omdat de asielaanvraag voor 12 juni 2026 is ingediend is de Dublinverordening van toepassing en niet de Asiel- en Migratiebeheerverordening
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie ABRvS 19 juli 2021, ECLI::NL:RVS:2021:1563 en ABRvS 24 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2289.
Zie pagina 5 van het bestreden besluit.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
ECLI:NL:RVS:2023:4107.
ECLI:NL:RVS:2024:3661.
ECLI:NL:RVS:2025:588.
Dit is eisers geboorteland.
ECLI:EU:C:2023:934.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.
HvJEU 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127.
Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Zie de uitspraken van de afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en van 2 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4941.