Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20086
2026-07-14
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.24550
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin; ongegrond; Duitsland.
Citeert (9)
- ECLI:NL:RVS:2023:4107 Raad van State 08-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:3661 Raad van State 11-09-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:588 Raad van State 14-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:588 Raad van State 14-02-2025
- ECLI:EU:C:2023:934
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1860 Raad van State 02-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4941 Raad van State 02-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.923 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24550
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Demirtas),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen in stand kan blijven. De minister mag voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder hoefde de minister artikel 17 van de Dublinverordening niet toe te passen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 21 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 30 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.24551, op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Op grond van de Dublinverordening nam de minister een asielaanvraag niet in behandeling als werd vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van structurele tekortkomingen in de Duitse asielprocedure en opvangvoorzieningen, in het bijzonder in het geval van een opvolgend asielverzoek in het Folgeantrag-regime. Eiser betoogt als eerste dat de minister in het algemeen verwijst naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en naar uitspraken van rechtbanken, maar heeft nagelaten om in te gaan op actuele landeninformatie die ziet op over Dublinterugkeerders. Eiser betoogt verder dat zijn Duldung is verlopen, waardoor hij bij terugkeer naar Duitsland geen rechtmatig verblijfsrecht meer heeft. Hierdoor wordt eiser in een kwetsbare positie gebracht. Ook betoogt eiser dat hij bij terugkeer is aangewezen op een opvolgende aanvraag. Deze aanvraag is alleen ontvankelijk als eiser nieuwe feiten of omstandigheden aandraagt, die de kans op bescherming vergroten. In eisers geval bestaat een aanzienlijk risico dat zijn aanvraag wordt afgewezen, omdat hiervan geen sprake is. Het claimakkoord regelt enkel de overdracht. Dit is geen garantie dat eiser recht heeft op een inhoudelijke beoordeling van zijn aanvraag. Daarnaast betoogt eiser dat er aanknopingspunten zijn dat Duitsland hem niet zal beschermen tegen refoulement. Eiser heeft een Ordnungsverfügung van Kreis Viersen van 11 februari 2026 overgelegd, waaruit blijkt dat bij opheffing van het Duitse besluitmoratorium voor Iran – waardoor de uitzetting tijdelijk wordt opgeschort – deportatiedreiging zich voor eiser direct voordoet. Deze Ordnungsverfügung is door de minister niet bij de besluitvorming betrokken. Tot slot betoogt eiser dat Nederland en Duitsland een verschillend beschermingsbeleid hanteren voor Iran. De minister heeft niet betrokken hoe de rechterlijke procedure in Duitsland eiser in die situatie effectief beschermt tegen uitzetting naar Iran.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland. De minister heeft in dit kader terecht gewezen op de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) die dit bevestigt. De Afdeling heeft in de genoemde rechtspraak onder andere geoordeeld dat het AIDA-rapport over Duitsland (update 2022) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van terugkeerders in Duitsland dan volgt uit eerdere rapporten die in eerdere uitspraken zijn betrokken. De minister stelt terecht dat eiser met zijn verwijzing naar het AIDA-rapport over Duitsland (update 2024) niet aannemelijk heeft gemaakt dat op basis van de overlegde informatie blijkt dat sprake is van een (relevante) verslechtering van de omstandigheden (voor terugkeerders) in Duitsland ten opzichte van de situatie die al door de Afdeling is beoordeeld. Dat de minister onvoldoende is ingegaan op actuele landeninformatie volgt de rechtbank dan ook niet. De minister stelt verder terecht dat, nu eiser niet eerder als terugkeerder in het kader van de Dublinverordening is overgedragen, hij niet op basis van eigen verklaringen kan vaststellen of de behandeling van Duitsland van terugkeerders in strijd is met internationale verdragsverplichtingen. De enkele opmerking van eiser dat zijn Duldung is verlopen en dat hij bij terugkeer is aangewezen op een opvolgende aanvraag, is onvoldoende voor het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Hierbij is van belang dat de Duitse autoriteiten met het accepteren van het claimakkoord hebben gegarandeerd dat eiser daar asiel kan aanvragen en dat deze aanvraag wordt behandeld. Verder kan eiser zich bij eventuele problemen wenden tot de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten hem als terugkeerder niet kunnen of willen helpen en dat er geen mogelijkheid tot klagen zou bestaan.
4.2.
Voor zover eiser betoogt dat hij een risico loopt op indirect refoulement, omdat hij vreest te worden teruggestuurd naar Iran, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de uitspraken van het Hof van Justitie en de Afdeling volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. Zoals de rechtbank hiervoor onder heeft geoordeeld, is hiervan geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement inhoudt. De vrees voor dit risico kan eiser in Duitsland aankaarten. Het betoog van eisers dat Duitsland een ander beschermingsbeleid zou hebben dan Nederland, betekent niet dat de minister niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland. Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een verschil in beschermingsbeleid geen reden is om geen overdrachtsbesluit te nemen. De rechtbank mag bij de beoordeling geen rekening houden met zulke verschillen. Wie vreest voor (indirect) refoulement door het beschermingsbeleid in de aangezochte lidstaat, moet dat risico daar zelf melden of aantonen dat dat door systeemfouten niet mogelijk is.
Had de minister de asielaanvragen van eiser onverplicht in behandeling moeten nemen?
5. Eiser betoogt dat de minister de door eiser aangevoerde omstandigheden – die zien op het interstatelijk vertrouwensbeginsel – ten onrechte niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Al deze omstandigheden samen leiden er volgens eiser toe dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank ziet de minister in dat wat eiser heeft aangevoerd, niet ten onrechte geen aanleiding om zijn asielaanvraag vanwege gestelde onevenredige hardheid onverplicht in behandeling te nemen. De door eiser in dit licht aangevoerde punten zien namelijk op omstandigheden die door de minister al zijn betrokken bij de vraag of hij voor Duitsland uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister had daarin ook geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Sinds 12 juni 2026 staat deze regelgeving in de Asiel- en Migratiebeheerverordening.
Waar de rechtbank in dit geval aan toetst.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).
Eiser verwijst hiervoor naar het AIDA Counrty Report: Germany (update 2024).
ABRvS, 3 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107, ABRvS, 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661 en ABRvS, 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
Dit volgt uit ABRvS, 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
HvJEU 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, onder 6.4.
ABRvS 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en ABRvS 2 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4941.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24550
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Demirtas),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen in stand kan blijven. De minister mag voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder hoefde de minister artikel 17 van de Dublinverordening niet toe te passen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 21 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 30 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.24551, op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Op grond van de Dublinverordening nam de minister een asielaanvraag niet in behandeling als werd vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van structurele tekortkomingen in de Duitse asielprocedure en opvangvoorzieningen, in het bijzonder in het geval van een opvolgend asielverzoek in het Folgeantrag-regime. Eiser betoogt als eerste dat de minister in het algemeen verwijst naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en naar uitspraken van rechtbanken, maar heeft nagelaten om in te gaan op actuele landeninformatie die ziet op over Dublinterugkeerders. Eiser betoogt verder dat zijn Duldung is verlopen, waardoor hij bij terugkeer naar Duitsland geen rechtmatig verblijfsrecht meer heeft. Hierdoor wordt eiser in een kwetsbare positie gebracht. Ook betoogt eiser dat hij bij terugkeer is aangewezen op een opvolgende aanvraag. Deze aanvraag is alleen ontvankelijk als eiser nieuwe feiten of omstandigheden aandraagt, die de kans op bescherming vergroten. In eisers geval bestaat een aanzienlijk risico dat zijn aanvraag wordt afgewezen, omdat hiervan geen sprake is. Het claimakkoord regelt enkel de overdracht. Dit is geen garantie dat eiser recht heeft op een inhoudelijke beoordeling van zijn aanvraag. Daarnaast betoogt eiser dat er aanknopingspunten zijn dat Duitsland hem niet zal beschermen tegen refoulement. Eiser heeft een Ordnungsverfügung van Kreis Viersen van 11 februari 2026 overgelegd, waaruit blijkt dat bij opheffing van het Duitse besluitmoratorium voor Iran – waardoor de uitzetting tijdelijk wordt opgeschort – deportatiedreiging zich voor eiser direct voordoet. Deze Ordnungsverfügung is door de minister niet bij de besluitvorming betrokken. Tot slot betoogt eiser dat Nederland en Duitsland een verschillend beschermingsbeleid hanteren voor Iran. De minister heeft niet betrokken hoe de rechterlijke procedure in Duitsland eiser in die situatie effectief beschermt tegen uitzetting naar Iran.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland. De minister heeft in dit kader terecht gewezen op de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) die dit bevestigt. De Afdeling heeft in de genoemde rechtspraak onder andere geoordeeld dat het AIDA-rapport over Duitsland (update 2022) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van terugkeerders in Duitsland dan volgt uit eerdere rapporten die in eerdere uitspraken zijn betrokken. De minister stelt terecht dat eiser met zijn verwijzing naar het AIDA-rapport over Duitsland (update 2024) niet aannemelijk heeft gemaakt dat op basis van de overlegde informatie blijkt dat sprake is van een (relevante) verslechtering van de omstandigheden (voor terugkeerders) in Duitsland ten opzichte van de situatie die al door de Afdeling is beoordeeld. Dat de minister onvoldoende is ingegaan op actuele landeninformatie volgt de rechtbank dan ook niet. De minister stelt verder terecht dat, nu eiser niet eerder als terugkeerder in het kader van de Dublinverordening is overgedragen, hij niet op basis van eigen verklaringen kan vaststellen of de behandeling van Duitsland van terugkeerders in strijd is met internationale verdragsverplichtingen. De enkele opmerking van eiser dat zijn Duldung is verlopen en dat hij bij terugkeer is aangewezen op een opvolgende aanvraag, is onvoldoende voor het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Hierbij is van belang dat de Duitse autoriteiten met het accepteren van het claimakkoord hebben gegarandeerd dat eiser daar asiel kan aanvragen en dat deze aanvraag wordt behandeld. Verder kan eiser zich bij eventuele problemen wenden tot de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten hem als terugkeerder niet kunnen of willen helpen en dat er geen mogelijkheid tot klagen zou bestaan.
4.2.
Voor zover eiser betoogt dat hij een risico loopt op indirect refoulement, omdat hij vreest te worden teruggestuurd naar Iran, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de uitspraken van het Hof van Justitie en de Afdeling volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. Zoals de rechtbank hiervoor onder heeft geoordeeld, is hiervan geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement inhoudt. De vrees voor dit risico kan eiser in Duitsland aankaarten. Het betoog van eisers dat Duitsland een ander beschermingsbeleid zou hebben dan Nederland, betekent niet dat de minister niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland. Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een verschil in beschermingsbeleid geen reden is om geen overdrachtsbesluit te nemen. De rechtbank mag bij de beoordeling geen rekening houden met zulke verschillen. Wie vreest voor (indirect) refoulement door het beschermingsbeleid in de aangezochte lidstaat, moet dat risico daar zelf melden of aantonen dat dat door systeemfouten niet mogelijk is.
Had de minister de asielaanvragen van eiser onverplicht in behandeling moeten nemen?
5. Eiser betoogt dat de minister de door eiser aangevoerde omstandigheden – die zien op het interstatelijk vertrouwensbeginsel – ten onrechte niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Al deze omstandigheden samen leiden er volgens eiser toe dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank ziet de minister in dat wat eiser heeft aangevoerd, niet ten onrechte geen aanleiding om zijn asielaanvraag vanwege gestelde onevenredige hardheid onverplicht in behandeling te nemen. De door eiser in dit licht aangevoerde punten zien namelijk op omstandigheden die door de minister al zijn betrokken bij de vraag of hij voor Duitsland uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister had daarin ook geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Sinds 12 juni 2026 staat deze regelgeving in de Asiel- en Migratiebeheerverordening.
Waar de rechtbank in dit geval aan toetst.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).
Eiser verwijst hiervoor naar het AIDA Counrty Report: Germany (update 2024).
ABRvS, 3 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107, ABRvS, 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661 en ABRvS, 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
Dit volgt uit ABRvS, 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
HvJEU 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, onder 6.4.
ABRvS 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en ABRvS 2 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4941.