Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:17072

2026-06-23 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.13435
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-23
Publicatiedatum
2026-06-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.13435
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin; Letland; interstatelijk vertrouwensbeginsel; arrest Tarakhel; arrest C.K.; artikel 17 DVO; beroep ongegrond.

Citeert (10)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.947 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummer: NL26.13435


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen



[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),


en




de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. F.E.J. Evers).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Letland verantwoordelijk is voor de aanvraag.



1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.





Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.



2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Totstandkoming van het besluit


3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Letland een verzoek om terugname gedaan. Letland heeft dit verzoek aanvaard.



Mag de minister voor Letland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?


4. Eiser betoogt dat hij bij de grensovergang van Letland en tijdens detentie in Letland fysiek en psychisch is mishandeld. Zo hebben grensbewakers eiser mishandeld bij een poging tot terugzending naar Rusland. Ook heeft een bewaarder eiser in detentie gemarteld met een elektriciteitskabel. Eiser stelt dat hij hieraan blijvend letsel heeft overgehouden en dat hij hiervoor in Letland geen medische behandeling heeft gekregen. In de inleiding van zijn beroepschrift merkt eiser op dat hij zijn littekens aan de Nederlandse autoriteiten heeft laten zien om zijn verklaring te onderbouwen. Verder voert eiser aan dat hij in de opvanglocatie met tien andere vreemdelingen in een kleine, onhygiënische kamer moest verblijven met onvoldoende voedsel. Tot slot betoogt eiser dat medegevangenen hem seksueel hebben aangerand en geïntimideerd. Klachten bij de opvangleiding leverden echter niets op. Volgens eiser volgt hieruit dat Letland haar verdragsverplichtingen heeft geschonden en dat overdracht aan Letland zal leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest.



4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat in Dublinzaken het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Dit houdt in dat de minister er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt daarom op de weg van eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Letland, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Letse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvan kan pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.



4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat voor Letland mag worden uitgegaan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 20 december 2023 en de uitspraak van 15 april 2024. In dit geval heeft eiser met wat hij heeft aangevoerd over zijn persoonlijke ervaringen in Letland niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Letland, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Letse autoriteiten, daadwerkelijk een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Hoewel eiser betoogt dat hij in Letland is blootgesteld aan een racistische en gewelddadige bejegening, waaronder mishandeling / marteling en intimidatie, slechte leefomstandigheden en het ontbreken van adequate medische zorg in Letland, heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser zijn gestelde ervaringen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en dat zijn verklaringen op zichzelf dus onvoldoende zijn voor de conclusie dat overdracht aan Letland zal leiden tot een reëel risico op een slechte behandeling. De inleidende opmerking in het beroepschrift dat eiser zijn littekens aan de Nederlandse autoriteiten heeft laten zien om zijn verklaringen te ondersteunen, leidt niet tot een ander oordeel. Omdat eiser en zijn gemachtigde niet op zitting zijn verschenen en geen nadere toelichting op dit punt hebben gegeven, is de rechtbank niet gebleken dat eiser vindt dat de minister de aanwezigheid van littekens onvoldoende of onjuist in zijn beoordeling heeft betrokken. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser geen objectieve nieuwe informatie heeft aangeleverd waaruit kan worden afgeleid dat Letland zich in de situatie van eiser niet aan de internationale regels houdt. De minister mag er van uitgaan dat Letland de Europese regelgeving toepast, die een goede behandeling en opvang waarborgen. De minister heeft er verder terecht op gewezen dat de Letse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd hebben dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen met inachtneming van de Europese regelgeving. Indien eiser na overdracht aan Letland tekortkomingen constateert in de opvang of in de asielprocedure, kan hij hierover klagen bij de Letse autoriteiten.



4.3.
Voor zover in de stellingen van eiser moet worden gelezen dat hij zich (mede) beroept op het arrest Tarakhel, slaagt de beroepsgrond niet. In het arrest Tarakhel heeft het EHRM overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. In dit arrest ging het om een echtpaar met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van de betreffende bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling.



4.4.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd waarom hij als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel moet worden aangemerkt. Eiser heeft niet (met stukken) aannemelijk gemaakt dat hij zonder aanvullende garanties geen afdoende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen in Letland.



Het arrest C.K.

5. Eiser doet verder nog een beroep op het arrest C.K. Eiser wijst in dit verband op zijn kwetsbaarheid als gevolg van zijn ervaringen in Letland. Eiser betoogt dat de minister had moeten onderzoeken of Letland voldoende bescherming biedt aan kwetsbare asielzoekers.




5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient de minister het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het Bureau Medische Advisering (BMA), zo volgt uit Werkinstructie 2021/3.



5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat de overdracht zelf tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand zou leiden. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank, voor zover eiser dit betoogt, ook geen aanknopingspunten dat de minister gehouden was een BMA-advies aan te vragen. Bovendien mag de minister er in beginsel op vertrouwen dat als Letland ermee heeft ingestemd om eiser op grond van de Dublinverordening over te nemen, zij haar internationale verplichtingen zal nakomen. Letland is namelijk gebonden aan dezelfde internationale verplichtingen als Nederland en er is geen reden om aan te nemen dat Letland zich daar niet aan zal houden. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er van mag worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Letland vergelijkbaar zijn met die in Nederland, dat Letland in staat moet worden geacht de medische klachten van eiser te kunnen behandelen en bovendien ook dat eiser na aankomst in Letland toegang heeft tot de nodige behandeling. De minister heeft er terecht op gewezen dat niet is gebleken dat eiser uitsluitend in Nederland de benodigde medische zorg kan krijgen. Voor zover eiser na de overdracht klachten zou hebben over de medische zorg, kan hij volgens de minister hierover klagen bij de Letse autoriteiten. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft eiser dus onvoldoende aanknopingspunten naar voren gebracht voor de conclusie dat overdracht in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest.



Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?

6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling moet nemen. De bijzondere individuele omstandigheden maken namelijk dat de overdracht van eiser aan Letland van een onevenredige hardheid getuigt.




6.1.
Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van deze verordening. De minister maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. De minister gebruikt deze bevoegdheid indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.



6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank ziet de minister in dat wat eiser heeft aangevoerd, niet ten onrechte geen aanleiding om zijn asielaanvraag vanwege gestelde onevenredige hardheid onverplicht in behandeling te nemen. De door eiser in dit licht aangevoerde eerdere ervaringen hebben namelijk betrekking op omstandigheden die door de minister al zijn betrokken bij de vraag of hij voor Letland uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft in het besluit dan ook deugdelijk gemotiveerd waarom de omstandigheden die eiser aanvoert, geen reden hoefden te zijn om van de overdracht aan Letland af te zien. Enkel de niet onderbouwde persoonlijke ervaringen van eiser tijdens een eerder verblijf in Letland rechtvaardigen niet de conclusie dat de overdracht naar Letland getuigt van onevenredige hardheid.





Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.







Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Met zaaknummer NL26.13436.


Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.


Hof van Justitie 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.


Afdeling 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4732.


Afdeling 15 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1556. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Groningen) van 28 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1411.


Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.


ECLI:NL:RVS:2015:3806.


ECLI:NL:RVS:2020:223.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127.


Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.


Zie de uitspraken van de afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en van 2 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4941.