Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2016:6696
2016-08-03
Civiel recht
C/04/125434 / HA ZA 13-279
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:RBLIM:2017:7709 → ECLI:NL:RBLIM:2016:6696
- tussenuitspraak ECLI:NL:RBLIM:2016:6696 → ECLI:NL:RBLIM:2015:10859
- tussenuitspraak ECLI:NL:RBLIM:2017:803 → ECLI:NL:RBLIM:2016:6696
- tussenuitspraak ECLI:NL:RBLIM:2017:1476 → ECLI:NL:RBLIM:2016:6696
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis; akte uitlating en aanhouding vrijwaringszaak.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.525 tekens)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 3 augustus 2016
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/04/125434 / HA ZA 13-279 van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te Beek,
eiseres,
advocaat mr. R.J. Kramer te Maastricht-Airport,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KOENEN & CO CORPORATE FINANCE B.V.,
gevestigd te Roermond,
gedaagde,
advocaat mr. H.A.J. Kalsbeek te Maastricht,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/03/188523 / HA ZA 14-109 van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KOENEN EN CO CORPORATE FINANCE B.V.,
gevestigd te Roermond,
eiseres,
advocaat mr. H.A.J. Kalsbeek te Maastricht,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DELOITTE ACCOUNTANTS B.V.,
gevestigd te Maastricht-Airport,
gedaagde,
advocaat mr. M.H.S. Verhoeven te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] , Koenen en Deloitte genoemd worden.
1De procedure in de hoofdzaak
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 29 april 2015
het tussenvonnis van 23 december 2015
het rapport van de deskundige van 17 mei 2016.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De procedure in de vrijwaringszaak
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 december 2015.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De verdere beoordeling
in de hoofdzaak
3.1.
De rechtbank verwijst vooreerst naar haar vonnis van 29 april 2015, bij de inhoud waarvan wordt volhard. In dat vonnis is geoordeeld dat voor de beoordeling van het geschil bepalend is het antwoord op de vraag of de redenering dat er geen sprake is van een operationele kasstroom maar investeringsstroom al dan niet juist is.
3.2.
Bij vonnis van 23 december 2015 is J.G. Groeneveld, verbonden aan Wingman Business Valuators BV (verder: de deskundige) als deskundige benoemd. De deskundige heeft zijn rapport ter griffie gedeponeerd. Bij rolbericht van 30 mei 2016 hebben beide partijen te kennen gegeven dat zij afzien van het nemen van een conclusie na deskundigenbericht.
3.3.
Aan de deskundige is opgedragen te rapporteren omtrent de navolgende vragen:
1. Is de redenering dat er met betrekking tot de in geding zijnde Maasgrondvorderingen geen sprake is van een operationele kasstroom maar investeringsstroom, vanuit het oogpunt van jaarrekeningsystematiek, juist of onjuist?
2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
3.4.
De deskundige heeft gerapporteerd dat het antwoord op vraag 1. is dat de redenering onjuist is. Op vraag 2. heeft de deskundige geantwoord dat de analyse duidelijk maakt, dat een boeking als voorgesteld - mits vanaf het begin toegepast - op zichzelf aanvaardbaar zou zijn geweest, maar dat het feit, dat sprake was van een Correctieboeking, aangeeft dat deze systematiek nooit zo is gevolgd.
3.5.
De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige en de daaraan ten grondslag liggende argumentatie, tegen welke conclusie en argumentatie door partijen niets is ingebracht, over en maakt deze tot de hare. Gezien het vorenstaande en hetgeen in het vonnis van 29 april 2015 onder 5.5.2. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het causale verband tussen het handelen van Koenen en de door [eiseres] gestelde schade in beginsel vaststaat.
3.6.
Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag over (de hoogte van) de schade. Zoals reeds overwogen in het vonnis van 29 april 2015 is thans aan de orde de vraag hoe partijen zouden zijn omgegaan met de mededeling dat de redenering (van [naam] , verbonden aan Deloitte) onjuist is én of en op welke wijze zij dan vervolgens tot een herberekening zouden zijn overgegaan. Zoals verder overwogen dienen partijen zich daarover - mede bezien in het licht van hetgeen de rechtbank reeds over (de hoogte van) de schade heeft overwogen - nader uit te laten.
3.7.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rol van 31 augustus 2016 voor akte uitlating zijdens beide partijen en vervolgens naar de rol van 4 weken nadien voor antwoordakte uitlating zijdens beide partijen.
3.8.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
in de vrijwaringszaak
3.9.
In afwachting van de nadere proceshandelingen in de hoofdzaak zal iedere (verdere) beslissing in de vrijwaringszaak worden aangehouden en wel tot een nader te bepalen roldatum, gelegen na de roldatum waarop in de hoofdzaak een vonnis inzake de eventuele schade zal worden gewezen. Gelet daarop zal de zaak vooralsnog worden verwezen naar de parkeerrol van 5 oktober 2016.
4De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
4.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 31 augustus 2016 voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder 3.6., waarna beide partijen op de rol van 4 weken nadien een antwoordakte kunnen nemen,
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de zaak in vrijwaring
4.3.
houdt de beslissing in deze vrijwaringszaak aan,
4.4.
verwijst de zaak naar de parkeerrol van 5 oktober 2016.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2016.
type: MvA
coll:
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 3 augustus 2016
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/04/125434 / HA ZA 13-279 van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te Beek,
eiseres,
advocaat mr. R.J. Kramer te Maastricht-Airport,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KOENEN & CO CORPORATE FINANCE B.V.,
gevestigd te Roermond,
gedaagde,
advocaat mr. H.A.J. Kalsbeek te Maastricht,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/03/188523 / HA ZA 14-109 van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KOENEN EN CO CORPORATE FINANCE B.V.,
gevestigd te Roermond,
eiseres,
advocaat mr. H.A.J. Kalsbeek te Maastricht,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DELOITTE ACCOUNTANTS B.V.,
gevestigd te Maastricht-Airport,
gedaagde,
advocaat mr. M.H.S. Verhoeven te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] , Koenen en Deloitte genoemd worden.
1De procedure in de hoofdzaak
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 29 april 2015
het tussenvonnis van 23 december 2015
het rapport van de deskundige van 17 mei 2016.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De procedure in de vrijwaringszaak
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 december 2015.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De verdere beoordeling
in de hoofdzaak
3.1.
De rechtbank verwijst vooreerst naar haar vonnis van 29 april 2015, bij de inhoud waarvan wordt volhard. In dat vonnis is geoordeeld dat voor de beoordeling van het geschil bepalend is het antwoord op de vraag of de redenering dat er geen sprake is van een operationele kasstroom maar investeringsstroom al dan niet juist is.
3.2.
Bij vonnis van 23 december 2015 is J.G. Groeneveld, verbonden aan Wingman Business Valuators BV (verder: de deskundige) als deskundige benoemd. De deskundige heeft zijn rapport ter griffie gedeponeerd. Bij rolbericht van 30 mei 2016 hebben beide partijen te kennen gegeven dat zij afzien van het nemen van een conclusie na deskundigenbericht.
3.3.
Aan de deskundige is opgedragen te rapporteren omtrent de navolgende vragen:
1. Is de redenering dat er met betrekking tot de in geding zijnde Maasgrondvorderingen geen sprake is van een operationele kasstroom maar investeringsstroom, vanuit het oogpunt van jaarrekeningsystematiek, juist of onjuist?
2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
3.4.
De deskundige heeft gerapporteerd dat het antwoord op vraag 1. is dat de redenering onjuist is. Op vraag 2. heeft de deskundige geantwoord dat de analyse duidelijk maakt, dat een boeking als voorgesteld - mits vanaf het begin toegepast - op zichzelf aanvaardbaar zou zijn geweest, maar dat het feit, dat sprake was van een Correctieboeking, aangeeft dat deze systematiek nooit zo is gevolgd.
3.5.
De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige en de daaraan ten grondslag liggende argumentatie, tegen welke conclusie en argumentatie door partijen niets is ingebracht, over en maakt deze tot de hare. Gezien het vorenstaande en hetgeen in het vonnis van 29 april 2015 onder 5.5.2. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het causale verband tussen het handelen van Koenen en de door [eiseres] gestelde schade in beginsel vaststaat.
3.6.
Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag over (de hoogte van) de schade. Zoals reeds overwogen in het vonnis van 29 april 2015 is thans aan de orde de vraag hoe partijen zouden zijn omgegaan met de mededeling dat de redenering (van [naam] , verbonden aan Deloitte) onjuist is én of en op welke wijze zij dan vervolgens tot een herberekening zouden zijn overgegaan. Zoals verder overwogen dienen partijen zich daarover - mede bezien in het licht van hetgeen de rechtbank reeds over (de hoogte van) de schade heeft overwogen - nader uit te laten.
3.7.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rol van 31 augustus 2016 voor akte uitlating zijdens beide partijen en vervolgens naar de rol van 4 weken nadien voor antwoordakte uitlating zijdens beide partijen.
3.8.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
in de vrijwaringszaak
3.9.
In afwachting van de nadere proceshandelingen in de hoofdzaak zal iedere (verdere) beslissing in de vrijwaringszaak worden aangehouden en wel tot een nader te bepalen roldatum, gelegen na de roldatum waarop in de hoofdzaak een vonnis inzake de eventuele schade zal worden gewezen. Gelet daarop zal de zaak vooralsnog worden verwezen naar de parkeerrol van 5 oktober 2016.
4De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
4.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 31 augustus 2016 voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder 3.6., waarna beide partijen op de rol van 4 weken nadien een antwoordakte kunnen nemen,
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de zaak in vrijwaring
4.3.
houdt de beslissing in deze vrijwaringszaak aan,
4.4.
verwijst de zaak naar de parkeerrol van 5 oktober 2016.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2016.
type: MvA
coll: