Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2017:803
2017-02-01
Civiel recht
C/04/125434 / HA ZA 13-279
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:RBLIM:2017:803 → ECLI:NL:RBLIM:2016:6696
- tussenuitspraak ECLI:NL:RBLIM:2017:1476 → ECLI:NL:RBLIM:2017:803
- tussenuitspraak ECLI:NL:RBLIM:2017:803 → ECLI:NL:RBLIM:2015:10859
Inhoudsindicatie
Bijzondere overeenkomst - opdracht - verrichten diensten/werkzaamheden. Tussenvonnis; betaling schadevergoeding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.668 tekens)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
zaaknummer / rolnummer: C/04/125434 / HA ZA 13-279
Vonnis in hoofdzaak van 1 februari 2017
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te Beek,
eiseres,
advocaat mr. R.J. Kramer te Maastricht-Airport,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KOENEN & CO CORPORATE FINANCE B.V.,
gevestigd te Roermond,
gedaagde,
advocaat mr. H.A.J. Kalsbeek te Maastricht.
Partijen zullen hierna [eiseres] en Koenen & Co genoemd worden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 3 augustus 2016
de akte van [eiseres] en de akte van Koenen & Co
de antwoordakte van [eiseres] en de antwoordakte van Koenen & Co.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.
[eiseres] heeft van haar contractuele wederpartij aandelen gekocht welke in twee tranches voldaan zouden worden. Het geschil betreft de tweede tranche, waarvoor in de overeenkomst tussen [eiseres] en haar wederpartij een zogenoemde earnout-regeling was opgenomen. Overeenkomstig de afspraken tussen partijen heeft de wederpartij van [eiseres] Deloitte een berekening van de cumulatieve kasstroom laten maken, op grond waarvan geconcludeerd werd dat [eiseres] een earnoutvergoeding van € 450.000,00 verschuldigd was. [eiseres] heeft dit laten toetsen door Koenen en Co, bij welke toets geconcludeerd werd dat de beoordeling van Deloitte juist was. In de onderhavige procedure is na deskundigenonderzoek komen vast te staan dat de beoordeling/berekening van Deloitte vanuit het oogpunt van jaarrekeningssystematiek onjuist was en –daarmee- de toets van Koenen en Co eveneens onjuist was.
2.2
Dit bracht de rechtbank tot de hoogte van de schade. De vraag die daarbij speelt is hoe partijen zouden zijn omgegaan met de mededeling dat de redenering (van [naam] van Deloitte) onjuist is en of en op welke wijze zij dan vervolgens tot een herberekening zouden zijn overgegaan. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hieromtrent nader uit te laten.
2.3
Kort samengevat komt het standpunt van [eiseres] erop neer dat het signaal (dat afgegeven had moeten worden door Koenen en Co) dat de redenering van [naam] onjuist was zou hebben geleid tot een met in achtname van die wetenschap plaats laten vinden van een nieuwe berekening van de operationele kasstroom, die dan vervolgens tot een negatief resultaat zou hebben geleid en tot het niet betalen van de earnoutvergoeding. Haar schade is daarmee het ten onrechte betaalde bedrag aan earnoutvergoeding, € 100.000,00. [eiseres] wijst hierbij op een kennelijke misslag in het eerdere tussenvonnis waarin was overwogen dat de earnoutvergoeding minimaal € 37.064,00 zou hebben bedragen. [eiseres] stelt zich voorts op het standpunt dat - anders dan de rechtbank eerder overwoog- het terzake het advies van Koenen en co betaalde honorarium wel schade zouden vormen.
2.4
Koenen en co stelt zich op het standpunt dat de betaling uit hoofde van de ‘deelregeling’ niet causaal is aan haar fout maar het gevolg js van een voor haar niet zichtbaar en helder onderhandelingsproces van [eiseres] en haar wederpartij dat tot de deelregeling heeft geleid. Er zou daarmee sprake zijn van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] .
2.5
Kern van het debat tussen partijen is de vraag welke rol het aangaan van de deelregeling speelt bij de beoordeling van de schade.
De rechtbank stelt voorop dat het Deloitte-advies het uitgangspunt vormt waarmee uitvoering werd gegeven aan de afspraken over de earn-outregeling. Op basis van het Deloitte-advies was voldaan aan de voorwaarden om een earn-outvergoeding van € 450.000,00 verschuldigd te zijn. De toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen zijdens Koenen en Co leidde tot de onjuiste conclusie dat de € 450.000,00 (terecht) verschuldigd waren.
Hiermee verkeerden [eiseres] en zijn wederpartij in de situatie waarin [eiseres] € 450.000,00 diende te betalen. In het licht hiervan moet het aangaan van een deelregeling met een uiteindelijk lager bedrag opgevat worden als het uitvoering geven door [eiseres] aan een op hem rustende schadebeperkende plicht. Dat [eiseres] –nádat zowel Deloitte als de door [eiseres] zelf ingeschakelde deskundige Koenen en Co de betalingsplicht op € 450.000,00 hadden beoordeeld- in overleg met haar contractuele wederpartij ruimte heeft gevonden voor een herberekening tegen het overeenkomen van een minimale betalingsverplichting moet onder omstandigheden als voldoende nakoming van die schadebeperkingsplicht gezien worden. Voorzover het betoog van Koenen en Co opgevat moet worden als het door [eiseres] tekortschieten in een op hem rustende schadebeperkende plicht is dat –gezien het voorgaande- onvoldoende onderbouwd.
Een beroep op eigen schuld aan de zijde van [eiseres] gaat om dezelfde redenen mank. Er is geen sprake van schade die mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [eiseres] toe te rekenen valt, althans is het bestaan van dergelijke schade en een dergelijke omstandigheid door Koenen en Co onvoldoende onderbouwd.
2.6
Dit brengt de rechtbank tot de nadere beoordeling van haar eerdere overweging dat minimaal € 37.064,00 betaald had dienen te worden. De stelling van [eiseres] dat die overweging is gebaseerd op een onjuiste lezing van het bindend advies van BDO is –gelet op pagina 26 van dat advies- correct. Uit het bindend advies volgt dat in beginsel geen earn-outvergoeding verschuldigd zou zijn. Daarmee is de gehele € 100.000,00 aan te merken als schade.
2.7
[eiseres] vordert naast de earn-outvergoeding als schadepost ook het door haar betaalde bedrag terzake de kosten bindend advies, te weten € 11.000,00. De hoogte van het bedrag is niet betwist. Koenen en Co betwist verschuldigdheid met dezelfde redenering die verschuldigdheid van de hoofdsom tracht te voorkomen. Gezien al het vorenstaande slaagt die betwisting niet, zodat ook deze schadepost toewijsbaar is.
2.8
[eiseres] vordert –na wijzigingen van eis- rente. Bij eerste wijzing van eis werd de wettelijke rente over de beide deelbetalingen aan Bre-Ad (eerst € 20.000,00, daarna € 80.000,00) telkens vanaf de valutadatum van de respectievelijke bancaire betaling. De rechtbank begrijpt de laatste eiswijziging aldus dat over de laatste betaling niet de wettelijke rente maar een contractueel met Bre-Ad overeengekomen rente van 3,5% vanaf 1 juni 2008 gevorderd wordt, hetgeen becijferd is als € 9.800,00. Dat dat laatste bedrag juist is berekend, is door Koenen en Co niet betwist. Koenen en Co betwist wel verschuldigdheid op grond van dezelfde argumenten die in haar optiek (ook) zouden moeten leiden tot afwijzing van de hoofdvordering. Die argumenten, zo is hiervoor reeds overwogen, slagen niet.
2.9
De rechtbank blijft voor het overige bij haar beoordelingen en overwegingen in de eerdere tussenvonnissen, ook waar het afwijzen van de als schade gevorderde kosten van het advies van Koenen en Co betreft.
2.10
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiseres] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten –althans in relatie tot Koenen en Co- daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.
2.11
Koenen & Co zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 82,71
- griffierecht 3.715,00
- salaris advocaat 4.973,50 (3,5 punt × tarief € 1.421,00)
Totaal € 8.771,21
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
veroordeelt Koenen & Co tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding van € 111.000,00 (éénhonderdelfduizend euro), vermeerderd met € 9.800,00 en vermeerderd met de wettelijke rente over € 20.000,00 vanaf de valutadatum van die bancaire betaling, over € 89.800,00 vanaf 2 december 2011 en over € 11.000,00 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt Koenen & Co in de kosten van de hoofdzaak en het incident aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 8.771,21,
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2017.
type: AP
coll:
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
zaaknummer / rolnummer: C/04/125434 / HA ZA 13-279
Vonnis in hoofdzaak van 1 februari 2017
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te Beek,
eiseres,
advocaat mr. R.J. Kramer te Maastricht-Airport,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KOENEN & CO CORPORATE FINANCE B.V.,
gevestigd te Roermond,
gedaagde,
advocaat mr. H.A.J. Kalsbeek te Maastricht.
Partijen zullen hierna [eiseres] en Koenen & Co genoemd worden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 3 augustus 2016
de akte van [eiseres] en de akte van Koenen & Co
de antwoordakte van [eiseres] en de antwoordakte van Koenen & Co.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.
[eiseres] heeft van haar contractuele wederpartij aandelen gekocht welke in twee tranches voldaan zouden worden. Het geschil betreft de tweede tranche, waarvoor in de overeenkomst tussen [eiseres] en haar wederpartij een zogenoemde earnout-regeling was opgenomen. Overeenkomstig de afspraken tussen partijen heeft de wederpartij van [eiseres] Deloitte een berekening van de cumulatieve kasstroom laten maken, op grond waarvan geconcludeerd werd dat [eiseres] een earnoutvergoeding van € 450.000,00 verschuldigd was. [eiseres] heeft dit laten toetsen door Koenen en Co, bij welke toets geconcludeerd werd dat de beoordeling van Deloitte juist was. In de onderhavige procedure is na deskundigenonderzoek komen vast te staan dat de beoordeling/berekening van Deloitte vanuit het oogpunt van jaarrekeningssystematiek onjuist was en –daarmee- de toets van Koenen en Co eveneens onjuist was.
2.2
Dit bracht de rechtbank tot de hoogte van de schade. De vraag die daarbij speelt is hoe partijen zouden zijn omgegaan met de mededeling dat de redenering (van [naam] van Deloitte) onjuist is en of en op welke wijze zij dan vervolgens tot een herberekening zouden zijn overgegaan. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hieromtrent nader uit te laten.
2.3
Kort samengevat komt het standpunt van [eiseres] erop neer dat het signaal (dat afgegeven had moeten worden door Koenen en Co) dat de redenering van [naam] onjuist was zou hebben geleid tot een met in achtname van die wetenschap plaats laten vinden van een nieuwe berekening van de operationele kasstroom, die dan vervolgens tot een negatief resultaat zou hebben geleid en tot het niet betalen van de earnoutvergoeding. Haar schade is daarmee het ten onrechte betaalde bedrag aan earnoutvergoeding, € 100.000,00. [eiseres] wijst hierbij op een kennelijke misslag in het eerdere tussenvonnis waarin was overwogen dat de earnoutvergoeding minimaal € 37.064,00 zou hebben bedragen. [eiseres] stelt zich voorts op het standpunt dat - anders dan de rechtbank eerder overwoog- het terzake het advies van Koenen en co betaalde honorarium wel schade zouden vormen.
2.4
Koenen en co stelt zich op het standpunt dat de betaling uit hoofde van de ‘deelregeling’ niet causaal is aan haar fout maar het gevolg js van een voor haar niet zichtbaar en helder onderhandelingsproces van [eiseres] en haar wederpartij dat tot de deelregeling heeft geleid. Er zou daarmee sprake zijn van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] .
2.5
Kern van het debat tussen partijen is de vraag welke rol het aangaan van de deelregeling speelt bij de beoordeling van de schade.
De rechtbank stelt voorop dat het Deloitte-advies het uitgangspunt vormt waarmee uitvoering werd gegeven aan de afspraken over de earn-outregeling. Op basis van het Deloitte-advies was voldaan aan de voorwaarden om een earn-outvergoeding van € 450.000,00 verschuldigd te zijn. De toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen zijdens Koenen en Co leidde tot de onjuiste conclusie dat de € 450.000,00 (terecht) verschuldigd waren.
Hiermee verkeerden [eiseres] en zijn wederpartij in de situatie waarin [eiseres] € 450.000,00 diende te betalen. In het licht hiervan moet het aangaan van een deelregeling met een uiteindelijk lager bedrag opgevat worden als het uitvoering geven door [eiseres] aan een op hem rustende schadebeperkende plicht. Dat [eiseres] –nádat zowel Deloitte als de door [eiseres] zelf ingeschakelde deskundige Koenen en Co de betalingsplicht op € 450.000,00 hadden beoordeeld- in overleg met haar contractuele wederpartij ruimte heeft gevonden voor een herberekening tegen het overeenkomen van een minimale betalingsverplichting moet onder omstandigheden als voldoende nakoming van die schadebeperkingsplicht gezien worden. Voorzover het betoog van Koenen en Co opgevat moet worden als het door [eiseres] tekortschieten in een op hem rustende schadebeperkende plicht is dat –gezien het voorgaande- onvoldoende onderbouwd.
Een beroep op eigen schuld aan de zijde van [eiseres] gaat om dezelfde redenen mank. Er is geen sprake van schade die mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [eiseres] toe te rekenen valt, althans is het bestaan van dergelijke schade en een dergelijke omstandigheid door Koenen en Co onvoldoende onderbouwd.
2.6
Dit brengt de rechtbank tot de nadere beoordeling van haar eerdere overweging dat minimaal € 37.064,00 betaald had dienen te worden. De stelling van [eiseres] dat die overweging is gebaseerd op een onjuiste lezing van het bindend advies van BDO is –gelet op pagina 26 van dat advies- correct. Uit het bindend advies volgt dat in beginsel geen earn-outvergoeding verschuldigd zou zijn. Daarmee is de gehele € 100.000,00 aan te merken als schade.
2.7
[eiseres] vordert naast de earn-outvergoeding als schadepost ook het door haar betaalde bedrag terzake de kosten bindend advies, te weten € 11.000,00. De hoogte van het bedrag is niet betwist. Koenen en Co betwist verschuldigdheid met dezelfde redenering die verschuldigdheid van de hoofdsom tracht te voorkomen. Gezien al het vorenstaande slaagt die betwisting niet, zodat ook deze schadepost toewijsbaar is.
2.8
[eiseres] vordert –na wijzigingen van eis- rente. Bij eerste wijzing van eis werd de wettelijke rente over de beide deelbetalingen aan Bre-Ad (eerst € 20.000,00, daarna € 80.000,00) telkens vanaf de valutadatum van de respectievelijke bancaire betaling. De rechtbank begrijpt de laatste eiswijziging aldus dat over de laatste betaling niet de wettelijke rente maar een contractueel met Bre-Ad overeengekomen rente van 3,5% vanaf 1 juni 2008 gevorderd wordt, hetgeen becijferd is als € 9.800,00. Dat dat laatste bedrag juist is berekend, is door Koenen en Co niet betwist. Koenen en Co betwist wel verschuldigdheid op grond van dezelfde argumenten die in haar optiek (ook) zouden moeten leiden tot afwijzing van de hoofdvordering. Die argumenten, zo is hiervoor reeds overwogen, slagen niet.
2.9
De rechtbank blijft voor het overige bij haar beoordelingen en overwegingen in de eerdere tussenvonnissen, ook waar het afwijzen van de als schade gevorderde kosten van het advies van Koenen en Co betreft.
2.10
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiseres] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten –althans in relatie tot Koenen en Co- daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.
2.11
Koenen & Co zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 82,71
- griffierecht 3.715,00
- salaris advocaat 4.973,50 (3,5 punt × tarief € 1.421,00)
Totaal € 8.771,21
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
veroordeelt Koenen & Co tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding van € 111.000,00 (éénhonderdelfduizend euro), vermeerderd met € 9.800,00 en vermeerderd met de wettelijke rente over € 20.000,00 vanaf de valutadatum van die bancaire betaling, over € 89.800,00 vanaf 2 december 2011 en over € 11.000,00 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt Koenen & Co in de kosten van de hoofdzaak en het incident aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 8.771,21,
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2017.
type: AP
coll: