Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2023:5072

2023-04-07 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL23.8513

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2023-04-07
Publicatiedatum
2023-04-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL23.8513
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Dublin Italië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, circular letter, beroep ongegrond

Citeert (10)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.545 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL23.8513


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),



en


de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).




Procesverloop


Bij besluit van 20 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.8513, op 6 april 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Y. E-Rramdani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.





Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben. Op 11 oktober 2022 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 5 juli 2022 al een asielaanvraag had ingediend in Italië. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Italië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Omdat Italië niet binnen twee weken heeft gereageerd op dat verzoek staat met ingang van 6 december 2022 de verantwoordelijkheid van Italië vast op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ter onderbouwing wordt verwezen naar een rapport van VluchtelingenWerk Nederland, een rapport van de Swiss Refugee Council en borderline Europe, een AIDA-rapport en een nieuwsbericht van ECRE. Er is zijns inziens sprake van een ernstige systeemfout, nu er structurele tekortkomingen zijn in het opvangsysteem. Hierbij wordt verwezen naar de circular letter van de Dublin-Unit Italië van 5 december 2022 en een aantal uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank. De opschorting van overdrachten kan niet worden gezien als tijdelijke, feitelijke overdrachtsbeletsel, omdat het gaat om een structurele tekortkoming in de opvang. Tot slot wordt erop gewezen dat lidstaten zich niet schuldig mogen maken aan (indirect) refoulement. Dit blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020. Tot slot is eiser in detentie gezet, heeft geen tolk gehad en moest een document ondertekenen zonder uitleg over de asielprocedure. Van hem kan daarom niet worden verwacht dat hij bij voorkomende problemen gaat klagen bij de Italiaanse autoriteiten.


De rechtbank oordeelt als volgt.


4. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

5. In beginsel mag verweerder ten aanzien van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is ook recentelijk nog door de Afdeling bevestigd. Hierbij zijn de door eiser aangehaalde rapporten ook meegewogen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hier niet in geslaagd.

6. De verklaringen van eiser over de omstandigheden in Italië zijn hiervoor niet voldoende, nu hij deze ervaringen heeft gehad als illegale migrant, terwijl hij als Dublinclaimant zal terugkeren. Bovendien is hij in de gelegenheid gesteld een asielaanvraag in te dienen, maar heeft hij er voor gekozen hier geen gebruik van te maken. Eiser heeft verder niet onderbouwd dat hij niet kan klagen bij de Italiaanse autoriteiten als er bij terugkeer problemen zijn of dat de autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Nu van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, mag verwacht worden dat Italië zich houdt aan de internationale afspraken, waaronder het verbod op (indirect) refoulement.

7. Uit de circular letter volgt dat Italië de lidstaten heeft verzocht om een tijdelijke opschorting van overdrachten op grond van de Dublinverordening in verband met een probleem met de opvangfaciliteiten. Echter, daaruit volgt slechts dat zich een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel voordoet en niet dat sprake is van structurele en fundamentele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. De rechtbank ziet zich in dat oordeel gesteund door de Afdelingsuitspraak van 19 december 2022, die dateert van ná de circular letter. De Afdeling heeft blijkens die uitspraak in elk geval geen aanleiding gezien om vanwege de circular letter af te wijken van haar eerdere oordeel over Italië. Voorts wijst de rechtbank ter vergelijking op de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2020 en 30 oktober 2020 betreffende een circular letter met betrekking tot het coronavirus, wat eveneens een tijdelijk overdrachtsbeletsel betrof. Daarnaast heeft de Afdeling in haar uitspraak van 31 mei 2022 betreffende de opschorting van overdrachten door de Roemeense autoriteiten geoordeeld dat vanwege de bindende overdrachtstermijnen in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening gewaarborgd is dat onzekerheid over overdracht van een vreemdeling van beperkte duur is. Het enkele feit dat er al enige tijd geen overdrachten naar Italië plaatsvinden en dat onbekend is hoelang de opschorting nog zal duren maakt dus niet dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De opschorting van overdrachten maakt dan ook niet dat het overdrachtsbesluit onrechtmatig is. Dit betekent dat eiser kan worden overgedragen wanneer het overdrachtsbeletsel binnen de overdrachtstermijn wordt opgeheven. Wanneer eiser niet binnen de overdrachtstermijn kan worden overgedragen aan Italië wordt hij alsnog opgenomen in de nationale procedure. Verweerder heeft in de circular letter dan ook geen aanleiding hoeven zien toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De uitspraak is bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.



Vreemdelingenwet 2000.


Verordening nr. (EU) 604/2013.


Asylum Information Database, Country Report: Italy, Update 27 mei 2020.


European Council on Refugees and Exiles, “Cyprus Seeks Commission Approval of Asylum Procedure Suspension, Arrivals to Italy Continue, Deaths and Interceptions by Libya”, 19 november 2021.


Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 30 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:838; Uitspraak rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 3 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:1082; Uitspraak rechtbank Den haag, zittingsplaats Roermond van 13 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:1513; Uitspraak rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 22 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:3266; Uitspraak rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle van 24 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2205; Uitspraak rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 7 maart 2023, ECLI:N:RBDHA:2023:2828; Uitspraak rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 6 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3001; Uitspraak rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 20 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3612.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2020:2592.


ECLI:NL:RVS:2022:49; ECLI:NL:RVS:2022:2497; ECLI:NL:RVS:2022:3801.


ECLI:NL:RVS:2022:3801.


ECLI:NL:RVS:2020:1032.


ECLI:NL:RVS:2020:2580.


ECLI:NL:RVS:2022:1520.