Raad van State
ECLI:NL:RVS:2022:2497
2022-08-26
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202204821/1/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:RVS:2022:2497 → ECLI:NL:RBDHA:2022:8048 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2021:881 Raad van State 19-04-2021
Geciteerd door (168)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:759 Rechtbank Den Haag 02-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6175 Rechtbank Den Haag 25-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5972 Rechtbank Den Haag 25-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5971 Rechtbank Den Haag 25-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5810 Rechtbank Den Haag 21-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5656 Rechtbank Den Haag 20-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7251 Rechtbank Den Haag 17-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5642 Rechtbank Den Haag 14-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5645 Rechtbank Den Haag 14-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5439 Rechtbank Den Haag 12-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5397 Rechtbank Den Haag 11-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5387 Rechtbank Den Haag 11-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5072 Rechtbank Den Haag 07-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5354 Rechtbank Den Haag 06-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4892 Rechtbank Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4890 Rechtbank Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4703 Rechtbank Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4701 Rechtbank Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4816 Rechtbank Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7793 Rechtbank Den Haag 03-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5174 Rechtbank Den Haag 31-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4697 Rechtbank Den Haag 30-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4264 Rechtbank Den Haag 29-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7842 Rechtbank Den Haag 24-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3735 Rechtbank Den Haag 22-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3929 Rechtbank Den Haag 20-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3578 Rechtbank Den Haag 20-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3926 Rechtbank Den Haag 20-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3580 Rechtbank Den Haag 20-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3653 Rechtbank Den Haag 15-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3657 Rechtbank Den Haag 15-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3410 Rechtbank Den Haag 14-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3408 Rechtbank Den Haag 14-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7790 Rechtbank Den Haag 13-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3356 Rechtbank Den Haag 10-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2737 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3079 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2728 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3076 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2731 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3082 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3002 Rechtbank Den Haag 06-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2429 Rechtbank Den Haag 02-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2353 Rechtbank Den Haag 01-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4928 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3799 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4918 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4921 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3806 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2407 Rechtbank Den Haag 27-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2409 Rechtbank Den Haag 27-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4275 Rechtbank Den Haag 24-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4275 Rechtbank Den Haag 24-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19014 Rechtbank Den Haag 23-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4277 Rechtbank Den Haag 23-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2106 Rechtbank Den Haag 23-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2111 Rechtbank Den Haag 23-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3166 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3168 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3164 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (2.569 tekens)
202204821/1/V1.
Datum uitspraak: 26 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 augustus 2022 in zaak nr. NL22.14199 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juli 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 5 augustus 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881, over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten). Hieraan voegt de Afdeling toe dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het door de vreemdeling aangehaalde AIDA-rapport "Country Report: Italy 2021 Update" van de European Council on Refugees and Exiles (ECRE) van mei 2022 geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij de hiervoor genoemde uitspraak van 19 april 2021 is betrokken. Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Beerse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2022
382-966
Datum uitspraak: 26 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 augustus 2022 in zaak nr. NL22.14199 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juli 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 5 augustus 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881, over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten). Hieraan voegt de Afdeling toe dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het door de vreemdeling aangehaalde AIDA-rapport "Country Report: Italy 2021 Update" van de European Council on Refugees and Exiles (ECRE) van mei 2022 geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij de hiervoor genoemde uitspraak van 19 april 2021 is betrokken. Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Beerse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2022
382-966