Raad van State
ECLI:NL:RVS:2021:881
2021-04-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202101833/1/V1 en 202101833/2/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 1 februari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Het beroep gaat over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten).
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2020:986 Raad van State 08-04-2020
Geciteerd door (90)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7251 Rechtbank Den Haag 17-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4264 Rechtbank Den Haag 29-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3410 Rechtbank Den Haag 14-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3408 Rechtbank Den Haag 14-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2731 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2737 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2728 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1721 Rechtbank Den Haag 16-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1685 Rechtbank Den Haag 14-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4883 Rechtbank Den Haag 08-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:870 Rechtbank Den Haag 31-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:868 Rechtbank Den Haag 31-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:789 Rechtbank Den Haag 30-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:533 Rechtbank Den Haag 19-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:563 Rechtbank Den Haag 18-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:657 Rechtbank Den Haag 10-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:444 Rechtbank Den Haag 06-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14626 Rechtbank Den Haag 29-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15497 Rechtbank Den Haag 21-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13901 Rechtbank Den Haag 21-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15498 Rechtbank Den Haag 21-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15203 Rechtbank Den Haag 20-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15448 Rechtbank Den Haag 07-12-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15246 Rechtbank Den Haag 24-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:12311 Rechtbank Den Haag 17-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15443 Rechtbank Den Haag 15-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13270 Rechtbank Den Haag 09-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15249 Rechtbank Den Haag 21-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15243 Rechtbank Den Haag 21-10-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2892 Raad van State 07-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11139 Rechtbank Den Haag 06-10-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2846 Raad van State 04-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10132 Rechtbank Den Haag 03-10-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10218 Rechtbank Den Haag 30-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15027 Rechtbank Den Haag 28-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13134 Rechtbank Den Haag 28-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15027 Rechtbank Den Haag 28-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14793 Rechtbank Den Haag 15-09-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2497 Raad van State 26-08-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13793 Rechtbank Den Haag 21-06-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:5698 Rechtbank Den Haag 08-06-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:5300 Rechtbank Den Haag 27-05-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:4028 Rechtbank Den Haag 26-04-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:918 Raad van State 28-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:1744 Rechtbank Den Haag 01-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:1633 Rechtbank Den Haag 24-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:1057 Rechtbank Den Haag 09-02-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:365 Raad van State 07-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:2660 Rechtbank Den Haag 07-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:2703 Rechtbank Den Haag 31-01-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:49 Raad van State 10-01-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:38 Raad van State 06-01-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:17021 Rechtbank Den Haag 30-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14737 Rechtbank Den Haag 27-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14710 Rechtbank Den Haag 24-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14421 Rechtbank Den Haag 20-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16948 Rechtbank Den Haag 16-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16009 Rechtbank Den Haag 07-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16904 Rechtbank Den Haag 02-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16892 Rechtbank Den Haag 01-12-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (3.780 tekens)
202101833/1/V1 en 202101833/2/V1.
Datum uitspraak: 19 april 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 12 maart 2021 in zaak nr. NL21.1959 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 12 maart 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. In de grieven klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hoewel het beroep één dag te laat is ingediend, heeft de rechtbank in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden ten onrechte geen aanleiding gezien voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de vreemdeling in verzuim is geweest.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De voorzieningenrechter beoordeelt het beroep.
3. Het beroep gaat over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten). Het beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. De vreemdeling doet een beroep op passages in het AIDA-rapport "Country Report: Italy 2019 Update" van de European Council on Refugees and Exiles van 27 mei 2020 en op het in januari 2020 verschenen rapport ‘Reception condition in Italy’ van SFH/OSAR. Uit die rapporten komt geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten naar voren dan volgt uit de landeninformatie die reeds bij voornoemde uitspraak van 8 april 2020 is betrokken. Verder is niet gebleken dat de uitbraak van het coronavirus op dit moment maakt dat de zorg- en opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Italië niet aan de eisen voldoen of dat Italië als gevolg van de uitbraak van het coronavirus zijn internationale verplichtingen niet langer zal nakomen. De vreemdeling voert verder geen omstandigheden aan die het oordeel rechtvaardigen dat overdacht aan Italië van bijzondere hardheid getuigt.
4. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 12 maart 2021 in zaak nr. NL21.1959;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2021
210
Datum uitspraak: 19 april 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 12 maart 2021 in zaak nr. NL21.1959 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 12 maart 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. In de grieven klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hoewel het beroep één dag te laat is ingediend, heeft de rechtbank in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden ten onrechte geen aanleiding gezien voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de vreemdeling in verzuim is geweest.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De voorzieningenrechter beoordeelt het beroep.
3. Het beroep gaat over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten). Het beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. De vreemdeling doet een beroep op passages in het AIDA-rapport "Country Report: Italy 2019 Update" van de European Council on Refugees and Exiles van 27 mei 2020 en op het in januari 2020 verschenen rapport ‘Reception condition in Italy’ van SFH/OSAR. Uit die rapporten komt geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten naar voren dan volgt uit de landeninformatie die reeds bij voornoemde uitspraak van 8 april 2020 is betrokken. Verder is niet gebleken dat de uitbraak van het coronavirus op dit moment maakt dat de zorg- en opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Italië niet aan de eisen voldoen of dat Italië als gevolg van de uitbraak van het coronavirus zijn internationale verplichtingen niet langer zal nakomen. De vreemdeling voert verder geen omstandigheden aan die het oordeel rechtvaardigen dat overdacht aan Italië van bijzondere hardheid getuigt.
4. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 12 maart 2021 in zaak nr. NL21.1959;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2021
210