Raad van State
ECLI:NL:RVS:2022:1520
2022-05-31
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202202356/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2017:2223 Raad van State 17-08-2017
- ECLI:EU:C:2019:218
Geciteerd door (70)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6175 Rechtbank Den Haag 25-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5810 Rechtbank Den Haag 21-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5656 Rechtbank Den Haag 20-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5752 Rechtbank Den Haag 17-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5748 Rechtbank Den Haag 17-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5645 Rechtbank Den Haag 14-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5642 Rechtbank Den Haag 14-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5439 Rechtbank Den Haag 12-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5397 Rechtbank Den Haag 11-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5387 Rechtbank Den Haag 11-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5072 Rechtbank Den Haag 07-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5354 Rechtbank Den Haag 06-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4890 Rechtbank Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4892 Rechtbank Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4816 Rechtbank Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5174 Rechtbank Den Haag 31-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4697 Rechtbank Den Haag 30-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5191 Rechtbank Den Haag 22-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3964 Rechtbank Den Haag 22-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3929 Rechtbank Den Haag 20-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3612 Rechtbank Den Haag 20-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3926 Rechtbank Den Haag 20-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4838 Rechtbank Den Haag 17-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3657 Rechtbank Den Haag 15-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3653 Rechtbank Den Haag 15-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3410 Rechtbank Den Haag 14-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3408 Rechtbank Den Haag 14-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7790 Rechtbank Den Haag 13-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3356 Rechtbank Den Haag 10-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3076 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3082 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3079 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4928 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3799 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3806 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4921 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4921 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4928 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2409 Rechtbank Den Haag 27-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2407 Rechtbank Den Haag 27-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3104 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3168 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3273 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3268 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3266 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3166 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3164 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3162 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3277 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1938 Rechtbank Den Haag 20-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3275 Rechtbank Den Haag 17-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2025 Rechtbank Den Haag 16-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1958 Rechtbank Den Haag 15-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1955 Rechtbank Den Haag 15-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1954 Rechtbank Den Haag 15-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1685 Rechtbank Den Haag 14-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1880 Rechtbank Den Haag 14-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1859 Rechtbank Den Haag 14-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1865 Rechtbank Den Haag 14-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1594 Rechtbank Den Haag 08-02-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (5.841 tekens)
202202356/1/V3.
Datum uitspraak: 31 mei 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 april 2022 in zaak nr. NL22.4338 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 11 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft de Syrische nationaliteit en heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft die asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat volgens hem Roemenië daarvoor verantwoordelijk is. De Roemeense autoriteiten hebben het overnameverzoek van de staatssecretaris op 4 maart 2022 geaccepteerd. Deze uitspraak gaat onder meer over de vraag of voor de staatssecretaris aanleiding bestond om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken, omdat de Roemeense autoriteiten hebben aangekondigd alle inkomende Dublinoverdrachten op te schorten in verband met de grote instroom van vluchtelingen door de oorlog in Oekraïne (Kamerbrief van 17 maart 2022, Kamerstukken 2021/22, 19 637, nr. 2834, p. 12).
2. Wat de vreemdeling in de eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Deze grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 17 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2223, onder 3.1, over de bevoegdheid van de staatssecretaris om na het houden van een nader gehoor alsnog de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen). Deze grief biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
3. De vreemdeling klaagt in de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de staatssecretaris heeft gevolgd dat de opschorting door Roemenië van inkomende Dublinoverdrachten als gevolg van de oorlog in Oekraïne en de toestroom van vluchtelingen uit dat land, er niet toe leidt dat Nederland verplicht is de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de opschorting van de overdrachten door Roemenië moet worden gezien als een tijdelijke feitelijke belemmering.
3.1. Anders dan bij personen die door de oorlog in Oekraïne ontheemd zijn geraakt en onder de Richtlijn Tijdelijke bescherming (richtlijn 2001/55/EG; PB 2001 L 212) vallen, is de Dublinverordening nog steeds van toepassing op personen uit andere landen die internationale bescherming zoeken. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is daarbij het uitgangspunt en de Roemeense autoriteiten hebben door het overnameverzoek te accepteren toegezegd de asielaanvraag van de vreemdeling in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen.
3.2. De rechtbank heeft in de informatie in de Kamerbrief terecht geen aanleiding gezien om van dat uitgangspunt af te wijken. In de brief staat namelijk in de eerste plaats alleen dat Roemenië heeft aangekondigd Dublinoverdrachten op te schorten en niet dat Roemenië claimverzoeken weigert. Dat duidt al op een tijdelijkheid en ook duidt dat erop dat Roemenië meent uiteindelijk de verantwoordelijke lidstaat te zijn die de asielaanvraag moet beoordelen. In de brief staat in de tweede plaats dat urgente zaken wel nog door de Dienst Terugkeer en Vertrek kunnen worden voorgelegd voor overdracht aan Roemenië. Van een urgente zaak is volgens de brief onder meer sprake als het gaat om een overdracht vanuit bewaring of om een overdracht met een korte uiterste resterende overdrachtstermijn.
3.3. Op zichzelf klopt het betoog van de vreemdeling dat nu nog onbekend is hoe lang de vluchtelingenstroom uit Oekraïne voortduurt en daarmee ook hoe lang de situatie voortduurt dat Roemenië feitelijk zijn verantwoordelijkheden op grond van de Dublinverordening opschort. Toch moet worden geoordeeld dat er geen reden voor de staatssecretaris is de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken of om voorafgaand aan het overdrachtsbesluit contact op te nemen met de Roemeense autoriteiten, zoals de vreemdeling ook betoogt. Met de bindende overdrachtstermijnen in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening wordt namelijk al gewaarborgd dat onzekerheid over overdracht van een vreemdeling van beperkte duur is. De Afdeling verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punt 59. De rechtbank heeft er dus terecht op gewezen dat als een eventuele opschorting van de Dublinoverdracht door Roemenië vanwege de toestroom van vluchtelingen uit Oekraïne langer duurt dan de overdrachtstermijn, de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling alsnog inhoudelijk zal moeten behandelen.
3.4. De grief faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Annen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2022
638-907
Datum uitspraak: 31 mei 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 april 2022 in zaak nr. NL22.4338 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 11 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft de Syrische nationaliteit en heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft die asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat volgens hem Roemenië daarvoor verantwoordelijk is. De Roemeense autoriteiten hebben het overnameverzoek van de staatssecretaris op 4 maart 2022 geaccepteerd. Deze uitspraak gaat onder meer over de vraag of voor de staatssecretaris aanleiding bestond om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken, omdat de Roemeense autoriteiten hebben aangekondigd alle inkomende Dublinoverdrachten op te schorten in verband met de grote instroom van vluchtelingen door de oorlog in Oekraïne (Kamerbrief van 17 maart 2022, Kamerstukken 2021/22, 19 637, nr. 2834, p. 12).
2. Wat de vreemdeling in de eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Deze grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 17 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2223, onder 3.1, over de bevoegdheid van de staatssecretaris om na het houden van een nader gehoor alsnog de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen). Deze grief biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
3. De vreemdeling klaagt in de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de staatssecretaris heeft gevolgd dat de opschorting door Roemenië van inkomende Dublinoverdrachten als gevolg van de oorlog in Oekraïne en de toestroom van vluchtelingen uit dat land, er niet toe leidt dat Nederland verplicht is de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de opschorting van de overdrachten door Roemenië moet worden gezien als een tijdelijke feitelijke belemmering.
3.1. Anders dan bij personen die door de oorlog in Oekraïne ontheemd zijn geraakt en onder de Richtlijn Tijdelijke bescherming (richtlijn 2001/55/EG; PB 2001 L 212) vallen, is de Dublinverordening nog steeds van toepassing op personen uit andere landen die internationale bescherming zoeken. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is daarbij het uitgangspunt en de Roemeense autoriteiten hebben door het overnameverzoek te accepteren toegezegd de asielaanvraag van de vreemdeling in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen.
3.2. De rechtbank heeft in de informatie in de Kamerbrief terecht geen aanleiding gezien om van dat uitgangspunt af te wijken. In de brief staat namelijk in de eerste plaats alleen dat Roemenië heeft aangekondigd Dublinoverdrachten op te schorten en niet dat Roemenië claimverzoeken weigert. Dat duidt al op een tijdelijkheid en ook duidt dat erop dat Roemenië meent uiteindelijk de verantwoordelijke lidstaat te zijn die de asielaanvraag moet beoordelen. In de brief staat in de tweede plaats dat urgente zaken wel nog door de Dienst Terugkeer en Vertrek kunnen worden voorgelegd voor overdracht aan Roemenië. Van een urgente zaak is volgens de brief onder meer sprake als het gaat om een overdracht vanuit bewaring of om een overdracht met een korte uiterste resterende overdrachtstermijn.
3.3. Op zichzelf klopt het betoog van de vreemdeling dat nu nog onbekend is hoe lang de vluchtelingenstroom uit Oekraïne voortduurt en daarmee ook hoe lang de situatie voortduurt dat Roemenië feitelijk zijn verantwoordelijkheden op grond van de Dublinverordening opschort. Toch moet worden geoordeeld dat er geen reden voor de staatssecretaris is de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken of om voorafgaand aan het overdrachtsbesluit contact op te nemen met de Roemeense autoriteiten, zoals de vreemdeling ook betoogt. Met de bindende overdrachtstermijnen in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening wordt namelijk al gewaarborgd dat onzekerheid over overdracht van een vreemdeling van beperkte duur is. De Afdeling verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punt 59. De rechtbank heeft er dus terecht op gewezen dat als een eventuele opschorting van de Dublinoverdracht door Roemenië vanwege de toestroom van vluchtelingen uit Oekraïne langer duurt dan de overdrachtstermijn, de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling alsnog inhoudelijk zal moeten behandelen.
3.4. De grief faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Annen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2022
638-907