Raad van State
ECLI:NL:RVS:2020:1032
2020-04-08
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202001915/1/V1
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 februari 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. In zijn grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat overdracht aan Italië op dit moment niet kan plaatsvinden niet afdoet aan de rechtmatigheid van het besluit.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (194)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5972 Rechtbank Den Haag 25-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5971 Rechtbank Den Haag 25-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6175 Rechtbank Den Haag 25-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5810 Rechtbank Den Haag 21-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5656 Rechtbank Den Haag 20-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5748 Rechtbank Den Haag 17-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5752 Rechtbank Den Haag 17-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5642 Rechtbank Den Haag 14-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5645 Rechtbank Den Haag 14-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5439 Rechtbank Den Haag 12-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5397 Rechtbank Den Haag 11-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5387 Rechtbank Den Haag 11-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5072 Rechtbank Den Haag 07-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5354 Rechtbank Den Haag 06-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4816 Rechtbank Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4890 Rechtbank Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4892 Rechtbank Den Haag 04-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5174 Rechtbank Den Haag 31-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4697 Rechtbank Den Haag 30-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4264 Rechtbank Den Haag 29-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3735 Rechtbank Den Haag 22-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3929 Rechtbank Den Haag 20-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3926 Rechtbank Den Haag 20-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4838 Rechtbank Den Haag 17-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3657 Rechtbank Den Haag 15-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3653 Rechtbank Den Haag 15-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3356 Rechtbank Den Haag 10-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2731 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2728 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2737 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3082 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3079 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3076 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3002 Rechtbank Den Haag 06-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2353 Rechtbank Den Haag 01-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3806 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3799 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2409 Rechtbank Den Haag 27-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2407 Rechtbank Den Haag 27-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19014 Rechtbank Den Haag 23-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3273 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3266 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3277 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3268 Rechtbank Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3275 Rechtbank Den Haag 17-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2025 Rechtbank Den Haag 16-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1947 Rechtbank Den Haag 15-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1958 Rechtbank Den Haag 15-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1955 Rechtbank Den Haag 15-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1719 Rechtbank Den Haag 13-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1717 Rechtbank Den Haag 13-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1719 Rechtbank Den Haag 13-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1781 Rechtbank Den Haag 13-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1474 Rechtbank Den Haag 07-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1476 Rechtbank Den Haag 07-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1473 Rechtbank Den Haag 07-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3464 Rechtbank Den Haag 03-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:868 Rechtbank Den Haag 31-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:870 Rechtbank Den Haag 31-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1113 Rechtbank Den Haag 31-01-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (3.352 tekens)
202001915/1/V1.
Datum uitspraak: 8 april 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 maart 2020 in zaak nr. NL20.4526 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 18 maart 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Erik, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft het asielverzoek van de vreemdeling niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling daarvan (artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening, PB 2013, L 180).
Deze uitspraak gaat over het feit dat op dit moment geen overdrachten naar Italië plaatsvinden vanwege de uitbraak van het coronavirus.
2. Wat de vreemdeling in de eerste, tweede, derde en vijfde grief heeft aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. In zijn vierde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat overdracht aan Italië op dit moment niet kan plaatsvinden niet afdoet aan de rechtmatigheid van het besluit. Hij wijst op een circular letter van de Italiaanse autoriteiten van 25 februari 2020, waaruit blijkt dat vanwege het coronavirus overdrachten aan Italië op dit moment niet worden uitgevoerd. Volgens hem valt ook niet te verwachten dat deze situatie op korte termijn zal veranderen. Omdat het besluit van de staatssecretaris dus niet kan worden uitgevoerd, kan het niet in stand blijven, zo stelt de vreemdeling.
3.1. De omstandigheid dat de overdracht op dit moment niet kan worden uitgevoerd is een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel. Dit maakt de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, de vreemdeling in beginsel alsnog kan worden overgedragen.
De grief faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Verheij w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2020
574.
Datum uitspraak: 8 april 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 maart 2020 in zaak nr. NL20.4526 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 18 maart 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Erik, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft het asielverzoek van de vreemdeling niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling daarvan (artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening, PB 2013, L 180).
Deze uitspraak gaat over het feit dat op dit moment geen overdrachten naar Italië plaatsvinden vanwege de uitbraak van het coronavirus.
2. Wat de vreemdeling in de eerste, tweede, derde en vijfde grief heeft aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. In zijn vierde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat overdracht aan Italië op dit moment niet kan plaatsvinden niet afdoet aan de rechtmatigheid van het besluit. Hij wijst op een circular letter van de Italiaanse autoriteiten van 25 februari 2020, waaruit blijkt dat vanwege het coronavirus overdrachten aan Italië op dit moment niet worden uitgevoerd. Volgens hem valt ook niet te verwachten dat deze situatie op korte termijn zal veranderen. Omdat het besluit van de staatssecretaris dus niet kan worden uitgevoerd, kan het niet in stand blijven, zo stelt de vreemdeling.
3.1. De omstandigheid dat de overdracht op dit moment niet kan worden uitgevoerd is een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel. Dit maakt de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, de vreemdeling in beginsel alsnog kan worden overgedragen.
De grief faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Verheij w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2020
574.