Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:887

2026-09-22 Strafrecht 25/02766
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-22
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/02766
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beslissing wrakingskamer hof tot niet-ontvankelijkverklaring van hoger beroep tegen beslissing Rb op verzoek tot wraking. Ontvankelijkheid cassatieberoep, beroep op doorbreking van rechtsmiddelenverbod. Op grond van art. 515 lid 5 Sv staat tegen beslissing op verzoek tot wraking geen rechtsmiddel open zodat cassatieberoep n-o is. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker in het beroep.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.566 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 25/02766

Zitting 22 september 2026




CONCLUSIE



P.T.C. van Kampen




In de zaak




[verzoeker] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verzoeker





1Inleiding

1.1
De wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam heeft de verzoeker bij beslissing van 17 juni 2025 (zaaknummer 200.354.565.01) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een beslissing van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2025 op een schriftelijk verzoek tot wraking als bedoeld in art. 512 Sv van een rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam.


1.2
Het cassatieberoep is ingesteld door de klager. Bij bericht van 4 september 2025 heeft advocaat T. Meevis verzocht om een eerder door de verzoeker opgesteld en bij de Hoge Raad ingediend schrijven als een door hem ingediend stuk te beschouwen. Een dergelijk door een advocaat ingediend verzoek/schrijven voldoet niet aan het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv, zodat het cassatieberoep reeds om die reden niet-ontvankelijk is.


1.3
Daar komt bij dat ingevolge art. 515 lid 5 Sv tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel openstaat. Een cassatieberoep dat is ingesteld tegen een beslissing van de wrakingskamer leidt dan ook tot niet-ontvankelijkheid van dat beroep. De steller van het middel voert aan dat het rechtsmiddelenverbod in dit geval moet worden doorbroken. Voordat ik – volledigheidshalve – nader inga op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, geef ik eerst het relevante procesverloop weer.




2Het procesverloop

2.1
De rechtbank Amsterdam heeft op 9 mei 2025 een wrakingsverzoek ontvangen, strekkende tot wraking van een rechter-commissaris. De rechtbank Amsterdam heeft dit verzoek tot wraking bij beslissing van 13 mei 2025 als kennelijk ongegrond afgewezen.


2.2
Tegen deze beslissing heeft de verzoeker tot cassatie op 13 mei 2025 hoger beroep ingesteld. De verzoeker heeft daarbij gemotiveerd dat en waarom in dit geval een doorbreking van het appelverbod is aangewezen.


2.3
De mondelinge behandeling van dit hoger beroep heeft op 3 juni 2025 bij de wrakingskamer plaatsgevonden, in aanwezigheid van de verzoeker. Bij beslissing van 17 juni 2025 heeft de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam als volgt beslist:


“2. De beoordeling



Artikel 515, vijfde lid Sv bepaalt dat tegen de beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel openstaat. Het standpunt van verzoeker dat hij in het onderhavige geval ontvankelijk is in het hoger beroep vindt geen steun in het recht (vgl. HR 21 juni 2024 ECLI:NL:HR:2024:918). Verzoeker zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.






3De beslissing


De wrakingskamer verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”




3De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1
Als opgemerkt staat ingevolge art. 515 lid 5 Sv tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel open. Een cassatieberoep dat is ingesteld tegen een beslissing van de wrakingskamer leidt in de regel dan ook tot niet-ontvankelijkheid van dat beroep. Eenzelfde rechtsmiddelenverbod is voor het bestuursrecht neergelegd in art. 8:18 lid 6 Algemene wet bestuursrecht en voor het civiele recht in art. 39 lid 6 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.


3.2
De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige geval het rechtsmiddelenverbod moet worden doorbroken. Daartoe wordt aangevoerd dat de beslissing van 13 mei 2025 van de wrakingskamer finaal is en dat de verzoeker tot wraking in dit geval niet de gronden waarop het verzoek tot wraking berustte aan een hogere instantie kan voorleggen, omdat de gewraakte rechter-commissaris geen beschikking heeft afgegeven waartegen bezwaar zou kunnen worden gemaakt in de zin van art. 182 lid 5 en 6 Sv. De verzoeker zou derhalve geen gebruik kunnen maken van de herstelfunctie van het hoger beroep of bezwaar, waarop de uitspraak van de Hoge Raad van 21 juni 2024 geënt zou zijn.


3.3
De civiele kamer van de Hoge Raad heeft in eerdere jurisprudentie aanvaard dat een rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken als de rechter (a) het desbetreffende wetsartikel ten onrechte heeft toegepast, (b) het desbetreffende wetsartikel ten onrechte niet heeft toegepast, of (c) zo fundamentele rechtsbeginselen heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. In het hiervoor reeds genoemde arrest van 21 juni 2024 is de civiele kamer van de Hoge Raad evenwel teruggekomen op de doorbreking van het rechtsmiddelenverbod inzake wraking. Daartoe heeft de civiele kamer onder meer overwogen dat de partij die een verzoek tot wraking heeft gedaan dat is afgewezen of ten onrechte niet in behandeling is genomen, de mogelijkheid heeft in de hoofdprocedure in een hogere instantie aan te voeren dat de aangevochten rechterlijke beslissing niet in stand kan blijven omdat wegens het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter(s) geen sprake is geweest van een eerlijke procedure (fair trial) als bedoeld in art. 6 EVRM. Daarnaast noopt ook art. 6 EVRM volgens de civiele kamer niet tot het handhaven van een buitenwettelijk rechtsmiddel. De vraag of sprake is van een eerlijk proces moet immers worden beantwoord ten aanzien van de hoofdprocedure als geheel.


3.4
De desbetreffende beslissing heeft geen verandering gebracht in de jurisprudentie van de strafkamer van de Hoge Raad, wiens vaste jurisprudentie luidt dat op grond van art. 515 lid 5 Sv tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel openstaat, zodat cassatieberoep – dat is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek tot wraking – niet ontvankelijk is. Een beroep om art. 6 EVRM (of art. 14 lid 5 IVPBR) maakt dat niet anders.


3.5
Het voorgaande brengt mee dat het cassatieberoep tegen de beslissing van de wrakingskamer van het hof Amsterdam niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.




4Conclusie

4.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.


De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden



AG




Vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7904.


Vgl. HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2439.


HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918, NJ 2026/119 m.nt. H.J. Snijders.


Vgl. HR 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2824, rov. 3.3; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3633, rov. 3.4 en HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2263, rov. 4.1.


HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:45. Zie ook A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 14. Naar het oordeel van de (strafkamer van) de Hoge Raad valt het openstellen van rechtsmiddelen buiten de rechtsvormende taak van de rechter. Vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6526, rov. 3.3.