Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:780

2026-08-18 Strafrecht 25/00166
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-16
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/00166
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Schending art. 311.2 Sv: P-v zitting houdt niet in dat raadsman in gelegenheid is gesteld te reageren op requisitoir OM. Verzuim kan volgens AG voor gedekt worden gehouden nu (i) gemachtigd raadsman zich had moeten beroepen op zijn bevoegdheid om te reageren op requisitoir maar dat niet heeft gedaan en (ii) de wet geen uitdrukkelijke nietigheid stelt op dit verzuim. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.083 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL


BIJ DE


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN


Nummer 25/00166

Zitting 18 augustus 2026



CONCLUSIE



D.J.C. Aben




In de zaak




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte




Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 17 januari 2025 (parketnr. 20-001805-24) door het gerechtshof 'sHertogenbosch wegens “overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een geldboete van duizend euro, subsidiair twintig dagen hechtenis, te betalen in termijnen. Ook heeft het hof de verdachte voor de duur van negen maanden de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd.

2. Het cassatieberoep is op 20 januari 2025 ingesteld namens de verdachte. J.H.L. Antonides en M. Draaijers, beiden advocaat in Roermond, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.



Het eerste middel: processuele vormen van artikel 311 Sv

3. Het middel klaagt dat artikel 311 Sv is geschonden doordat (i) de raadsman niet heeft kunnen reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal, (ii) het hof niet de gelegenheid heeft gegeven voor re- (en du)pliek en (iii) “aan de verdachte (in dit geval de ex. art. 179 Sv gemachtigd raadsman)” niet het recht is gelaten om het laatst te spreken.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder (veel) meer het volgende in:


“De verdachte (…) is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen. De verdachte heeft, blijkens en door hem ondertekende verklaring d.d. 14 januari 2025, afstand gedaan van zijn recht om heden ter terechtzitting te verschijnen.




Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.H.L. Antonides, advocaat te Roermond, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. Het hof stemt daarmee in.





De raadsman voert het woord tot verdediging:


(…)

[volledig weergegeven bij de bespreking van het tweede middel, D.A.]




De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt:


(…)





De advocaat-generaal legt de schriftelijke vordering over aan het gerechtshof, welke vordering aan dit proces-verbaal wordt gehecht.





De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te


zullen doen.





De voorzitter spreekt vervolgens het arrest uit.”


5. Artikel 311 Sv luidt, voor zover van belang:


“1. Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad, de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord en het spreekrecht is uitgeoefend, kan de officier van justitie het woord voeren; hij legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over. (…)

2. De verdachte kan hierop antwoorden.


3. De officier van justitie kan daarna andermaal het woord voeren.


4. Aan de verdachte wordt op straffe van nietigheid het recht gelaten om het laatst te spreken.


(…).”


6. Voorop staat het volgende. Lid 2 van artikel 311 Sv dicteert dat de verdachte in staat wordt gesteld om “na de beschouwingen van het openbaar ministerie het woord te voeren” en “over de volle omvang van de strafzaak een beschouwing te geven”. Deze bevoegdheid komt, indien de verdachte ter terechtzitting afwezig is, op grond van artikel 331 lid 1 Sv ook toe aan zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman.

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt in dat de verdachte niet is verschenen, dat zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman wel aanwezig was en − uitvoerig − het woord tot verdediging heeft gevoerd, waarna de advocaat-generaal − in weerwil van de volgorde waarin artikel 311 Sv voorziet − zijn requisitoir heeft voorgedragen en de vordering heeft overgelegd. Het proces-verbaal houdt niet in dat de raadsman in de gelegenheid is gesteld te reageren op het requisitoir en de vordering van de advocaat-generaal, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dat niet is gebeurd.

8. De vraag is thans of dat verzuim ingevolge artikel 331 lid 1 Sv in samenhang met artikel 311 lid 2 Sv moet leiden tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het op grond daarvan gewezen arrest, zulks overeenkomstig HR 16 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0049, rov. 3.1 en 3.2. Meer recente rechtspraak hierover, vond ik niet.

9. Vanwege de ouderdom van laatstgenoemd arrest stel ik uw Raad thans een andere route voor. Het verzuim de raadsman de gelegenheid te geven voor een reactie op het requisitoir kan m.i. voor gedekt worden gehouden op de grond dat de gemachtigd raadsman zich ter zitting − als hij daarvan gebruik had willen maken − had moeten beroepen op zijn bevoegdheid (ex artikel 331 lid 1 jo 311 lid 2 Sv) om te reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal, terwijl de raadsman zo’n beroep kennelijk achterwege heeft gelaten. ‘Kennelijk’, omdat het proces-verbaal van de terechtzitting geen blijk geeft dat de raadsman een dergelijk beroep heeft gedaan. Hieruit kan worden afgeleid dat de raadsman van zijn bevoegdheid geen gebruik heeft willen maken. In zoverre zie ik dus een analogie met HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0820, NJ 1998/243 m.nt. J. de Hullu. Dit arrest betreft de bevoegdheid van de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman ‘om het laatst te spreken’.

10. Verder wijs ik erop dat − anders dan in lid 4 van artikel 311 Sv voor wat betreft het laatste woord van de verdachte zelf −, géén uitdrukkelijke nietigheid is gesteld op het verzuim de raadsman de gelegenheid te geven voor een reactie op het requisitoir (lid 2 van artikel 311 Sv jo. artikel 331 lid 1 Sv).

11. Voor zover met het middel wordt beoogd te klagen dat de raadsman niet in de gelegenheid is gesteld voor dupliek, merk ik op dat de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting niet heeft gerepliceerd. In dat geval is er geen aanleiding voor dupliek, en hoeft de rechter de raadsman daartoe ook niet in de gelegenheid te stellen.

12. Voor zover het middel de klacht bevat dat de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman in strijd met artikel 311 lid 4 Sv jo artikel 331 lid 1 Sv niet de bevoegdheid is gegeven om het laatst te spreken, faalt het om de redenen die ik hiervoor in verband met de gelegenheid voor de reactie op het requisitoir al aanvoerde. De stellers van het middel merken in paragraaf 1.3 van de schriftuur immers zelf reeds terecht op dat als de raadsman van die bevoegdheid gebruik wil maken, hij zelf zal moeten bewaken dat hem daartoe de gelegenheid wordt geboden. Anders dan de stellers van het middel betogen, meen ik dat die voorwaarde ook geldt in een geval waarin niet de raadsman maar de advocaat-generaal “reeds als laatste” heeft gesproken. Het recht op het laatste woord als bedoeld in het vierde lid van artikel 311 Sv dient namelijk niet uitsluitend om “(nog eens) op het door het openbaar ministerie (bij vordering en requisitoir en/of repliek) naar voren gebrachte te reageren”. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat de raadsman om het laatste woord heeft gevraagd.

13. Het middel faalt.



Het tweede middel: de onvoorwaardelijke rijontzegging

14. Het middel behelst de klacht dat de strafmotivering in strijd met artikel 359 lid 2 Sv geen respons bevat op het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen moet worden opgelegd, maar een geheel voorwaardelijke.

15. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting heeft de raadsman aldaar bij pleidooi het volgende aangevoerd (ik geef het pleidooi volledig weer):

“Het hoger beroep is in de onderhavige zaak gericht tegen de strafmaat. Ten tijde van het instellen van het hoger beroep ging het cliënt voornamelijk om de opgelegde OBM. Mijn cliënt had een beslissing gekregen van de officier van justitie omtrent de invordering van het rijbewijs. De officier van justitie heeft uiteindelijk, buiten de termijn van vijf dagen, besloten om het rijbewijs aan mijn cliënt terug te geven. De voornoemde termijn van vijf dagen is mij niet bekend, maar wellicht heeft de advocaat-generaal daar meer informatie over. Het rijbewijs van cliënt is destijds niet strafrechtelijk ingehouden. Mijn cliënt ontving echter wel een bericht van het CBR en hij moest kosten maken voor een onderzoek. Mijn cliënt had zijn rijbewijs initieel nodig voor zijn werk. Inmiddels zijn er drie jaren verstreken sinds de pleegdatum en de situatie waarin mijn cliënt zich bevindt is veranderd. Gelet op de grieven wil ik een ander voorstel aan uw hof voorleggen. In de andere zaak, die ik zojuist aanhaalde, is een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden geëist. Er is nog geen uitspraak gedaan in die zaak. Ik meen dat de medeverdachte in een eerder stadium reeds een gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen voor de duur van vier jaren. Het is mogelijk dat mijn cliënt een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd zal gaan krijgen. Aan de andere kant bestaat de mogelijkheid dat mijn cliënt wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde.



We hebben in de onderhavige zaak te maken met een verdachte die is aangehouden en medewerking heeft verleend aan de speekseltest. Mijn cliënt heeft een verklaring afgelegd. Het betekent niet dat mijn cliënt zich heeft gedragen zoals we dat graag zouden zien, omdat hij het bloedonderzoek heeft geweigerd. De reden daarvoor is dat mijn cliënt prikangst heeft. Uit de jurisprudentie blijkt dat prikangst geen goede reden is om het bloedonderzoek te weigeren. Echter, mijn cliënt heeft wel meegewerkt aan de speekseltest en een bekennende verklaring afgelegd bij de politie. Dat is een andere situatie dan een verdachte die nergens aan mee wil werken en zich op zijn zwijgrecht beroept.





In eerste aanleg is de redelijke termijn geschonden. Mijn cliënt heeft al een procedure bij het CBR doorlopen. Het is de vraag, nu er inmiddels drie jaren zijn verstreken, wat een passende straf is om in de onderhavige zaak op te leggen. Mijn cliënt voelt niets van een OBM voor de duur van 10 maanden zoals door de politierechter is opgelegd in eerste aanleg, gelet op een eventueel op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de andere zaak. Indien mijn cliënt wordt vrijgesproken in de andere zaak dan voelt hij de OBM wel. Derhalve wil ik uw hof verzoeken om een voorwaardelijke OBM op te leggen voor de duur van 10 maanden. Mogelijk kan daar een langere proeftijd aan worden gekoppeld, bijvoorbeeld een proeftijd voor de duur van drie jaren in plaats van twee jaren. Normaliter zou ik dat niet passend achten, omdat het feit reeds van drie jaar geleden dateert. In de onderhavige zaak is echter sprake van een bijzondere situatie. Ingeval mijn cliënt wordt vrijgesproken in de andere zaak dan zal de proeftijd ingaan op het moment dat hij in vrijheid wordt gesteld.





Daarnaast heb ik met mijn cliënt overleg gehad over de geldboete die in eerste aanleg door de politierechter is opgelegd. Het is lastig voor mijn cliënt, omdat hij op dit moment gedetineerd zit en geen taakstraf kan uitvoeren. Mijn cliënt is wel bereid om een geldboete te betalen. Dan rijst de vraag wat in deze situatie een passende geldboete zou zijn. Normaliter zou de geldboete zoals opgelegd door de politierechter in eerste aanleg een passende geldboete zijn. Echter verzoek ik uw hof om de hoogte van de geldboete iets te matigen. Ik verzoek uw hof om een geldboete op te leggen ter hoogte van € 800,- die mijn cliënt in 10 termijnen kan betalen. Dan heeft mijn cliënt toch de mogelijkheid om de geldboete te kunnen voldoen. Dat is in mijn optiek een passende straf gelet op de situatie.





In deze situatie is mijn cliënt meer gebaat bij een voorwaardelijke OBM dan een onvoorwaardelijke OBM, nu de mogelijkheid bestaat dat mijn cliënt over twee weken een langdurige gevangenisstraf opgelegd zal krijgen. Indien mijn cliënt wordt vrijgesproken in de andere zaak dan kan hij direct aan de slag met werken en het maken van afspraken. Mijn cliënt heeft ook al kosten gemaakt met betrekking tot de procedure bij het CBR.”


16. Het middel faalt op de grond dat het hof in het strafmaatpleidooi geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de oplegging van de rijontzegging heeft hoeven ontwaren waarop het hof bij afwijking op straffe van nietigheid gehouden was te responderen, althans niet met méér dan alleen de verwijzing naar de LOVS-oriëntatiepunten én de overweging: “Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof (terzake van het bewezenverklaarde) aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor een duur als hieronder vermeld.”



Slotsom

17. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.


De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden




AG



Aldus P.H.P.H.M.C. van Kempen in Melai/Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering, art. 311 Sv, aant. 5.1 (online, actueel t/m 1 februari 2004). Geheel terzijde merk ik over het taalgebruik in dit citaat op dat “openbaar ministerie” een eigennaam betreft en geen soortnaam, en dus met beginhoofdletters moet worden geschreven (Openbaar Ministerie), ook al realiseer ik me dat (ook) de wetgever dat niet altijd dienovereenkomstig doet.


Ten overvloede merk ik op dat de artikelen 311 en 331 Sv op de voet van art. 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn.


Ik citeer uit dit arrest (onderstreping mijnerzijds): “5.2. Door of namens de verdachte is in cassatie — terecht — niet de klacht opgeworpen dat de artikelen 331, eerste lid, en art. 311, vierde lid, Sv zijn geschonden op de grond dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat, nadat de Officier van Justitie andermaal het woord had gevoerd, ook aan de raadsman het recht is gelaten het laatst te spreken. Anders dan de Hoge Raad tot nu toe heeft geoordeeld houden die bepalingen niet in dat aan de raadsman, evenals aan de verdachte het laatste woord moet worden gelaten, doch vloeit uit die bepalingen slechts voort dat aan de raadsman de bevoegdheid toekomt om het laatst te spreken. Het moet er in het onderhavige geval dan ook voor worden gehouden dat de raadsman van die bevoegdheid geen gebruik heeft willen maken.”


Het geval waarin de verdachte zelf niet in de gelegenheid wordt gesteld om als laatste het woord te voeren, leidt volgens vaste rechtspraak en overeenkomstig art. 311 lid 4 Sv tot nietigheid. Zie HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:364; HR 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1475.


Paragraaf 1.3 van de cassatieschriftuur is letterlijk en mét voetnootverwijzingen overgenomen uit de conclusie van advocaat-generaal Frielink van 25 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:380, randnr. 2.4. Een verwijzing naar zijn conclusie kon ik in de cassatieschriftuur echter niet vinden.


Vgl. HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0820, NJ 1998/243 m.nt. J. de Hullu.


Aldus P.H.P.H.M.C. van Kempen in Melai/Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering, art. 311 Sv, aant. 7.3 (online, actueel t/m 1 februari 2004).