Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:763

2026-09-01 Strafrecht 24/02051
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
24/02051
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Telkens bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging (art. 341 (oud) Sr); medeplegen valsheid in geschrift (art. 225 Sr); telkens: als bestuurder van een rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden weigeren de vereiste inlichtingen te geven (art. 194 Sr). M1: falende bewijsklachten feitelijk leidinggeven en opzet bedrieglijke bankbreuk. M2: falende bewijsklacht bedrieglijke bankbreuk. M3: falende bewijsklachten medeplegen valsheid in geschrift. M4: falende klacht nietig p-v ttz. M5: inzendtermijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 24/02050.

Citeert (10)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (88.560 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 24/02051

Zitting 1 september 2026




CONCLUSIE



P.H.P.H.M.C. van Kempen




In de zaak




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte





1Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem bij arrest van 15 mei 2024 (parketnr. 21-004130-19) veroordeeld wegens 2, 4, 5, 6, 8 en 10 “telkens: bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging”, 3. “medeplegen van valsheid in geschrift” en 7, 9 en 11 “telkens: als bestuurder van een rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden weigeren de vereiste inlichtingen te geven”. Het hof heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Ook heeft het hof de verdachte ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 5 jaren. Verder heeft het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.


1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/02050. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.


1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.




2Waar het in cassatie om gaat

2.1
Het eerste middel komt met twee deelklachten op tegen diverse bewezenverklaringen van bedrieglijke bankbreuk. De eerste deelklacht betreft het feitelijke leidinggeven en de tweede deelklacht het opzet. Het tweede middel bestrijdt de bewezenverklaring van een bedrieglijke bankbreuk op de grond dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat geen administratie werd gevoerd of dat geen administratie werd overgedragen aan opvolgende bestuurders. Het derde middel bevat bewijsklachten met betrekking tot een bewezenverklaring van medeplegen van valsheid in geschrift. Het vierde middel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting nietig is omdat het maar één handtekening bevat waarvan niet duidelijk is of deze van de rechter of van de griffier is. Het vijfde middel klaagt over de inzendtermijn in cassatie.


2.2
Deze conclusie houdt in dat het eerste, tweede, derde en vierde middel falen. Het vijfde middel is terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden.




3Het eerste middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onder 2, 4, 5, 6, 8 en 10 mede in het licht van door de verdediging gevoerde verweren ontoereikend is gemotiveerd. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht betreft het bewezenverklaarde feitelijke leidinggeven en de tweede deelklacht het bewezenverklaarde opzet.


3.2
Ten laste van de verdachte is onder 2, 4, 5, 6, 8 en 10 bewezenverklaard dat:


“2.
de besloten vennootschap [A] B.V., welke vennootschap op 14 januari 2014 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 10 juli 2013 tot en met 18 november 2014 in Nederland, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers,
3. niet voldaan heeft aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolgde artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,
immers hebbende [A] B.V.,
C. geen kasboek en/of(volledige) administratie bijgehouden en/of de administratie en/of het kasboek niet (volledig) aan de curator overlegd,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;



4.



de besloten vennootschap [B] B.V., welke vennootschap op 3 september 2013 failliet is verklaard, in de periode van 22 februari 2012 tot en met 19 november 2012 in Nederland,
tezamen en in vereniging met natuurlijke personen en rechtspersonen, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de vennootschap,
1. niet voldaan heeft aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolgde artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,
immers hebbende [B] B.V.
A. in de ten laste gelegde periode geen administratie bijgehouden en/of overgedragen aan een opvolgend bestuurder,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;



5.



de besloten vennootschap [C] B.V., welke vennootschap op 13 maart 2013 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 7 januari 2013 tot en met 18 november 2014, in Nederland, tezamen en in vereniging met natuurlijke personen en rechtspersonen, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers,
3. niet voldaan heeft aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolgde artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,
immers hebbende [C] B.V.
C. geen administratie overlegd aan de curator en/of geen administratie bijgehouden,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;



6.



de besloten vennootschap [D] B.V. (voorheen [E] B.V.), welke vennootschap op 24 april 2013 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 1 februari 2013 tot en met 18 november 2014, in Nederland, tezamen en in vereniging met natuurlijke personen en rechtspersonen, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers,
3. niet voldaan heeft aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolgde artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,
immers is/hebbende [D] B.V.
C. geen kasboek en/of(volledige) administratie bijgehouden,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;



8.



de besloten vennootschap [F] B.V., welke vennootschap op 21 augustus 2012 in staat van faillissement is verklaard, in of omstreeks de periode van 15 mei 2012 tot en met
18 november 2014, in Nederland, tezamen en in vereniging met natuurlijke personen en rechtspersonen, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers,
3. niet voldaan heeft aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolgde artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,
immers hebbende [F] B.V.,
H. geen kasboek en/of(volledige) administratie bijgehouden en
I. op verzoek van de curator niet de zwarte ordners en/of andere bestaande facturen/kwitanties, bankafschriften, uitgeleverd,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;



10.



de besloten vennootschap [G] B.V. (voorheen genaamd [H] B.V.), welke vennootschap op 28 oktober 2014 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 1 maart 2014 tot en met 18 november 2014, in Nederland, tezamen en in vereniging met natuurlijke personen en een rechtspersoon, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers,
2. niet voldaan heeft aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolgde artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,
immers hebbende [G] B.V.,
B. ondanks herhaaldelijk verzoek van de curator, op 30 oktober 2014 en 6 november 2014, geen administratie aangeleverd, terwijl tijdens de doorzoeking aan de [a-straat 1] te [plaats] en de [b-straat 1] te [geboorteplaats] , ordners en bescheiden zijn aangetroffen die niet aan de curator zijn overgelegd,
aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.”



3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv, waarnaar ik hier kortheidshalve verwijs.


3.4
Het door de raadsvrouw van de verdachte in hoger beroep gevoerde verweer is door het hof in het bestreden arrest als volgt samengevat:


“Er was sprake van passief bestuurderschap en verdacht[e] heeft geen opzet gehad op de strafbare gedragingen. Verdachte is alleen op papier bestuurder geweest, terwijl telkens een ander feitelijke leiding gaf aan de betreffende rechtspersoon. Hij hield zich niet bezig, met de bedrijfsvoering en had geen wetenschap van de strafbare feiten die werden gepleegd”.



3.5
Het bestreden arrest bevat voor zover van belang de volgende bewijsoverwegingen waarin het hof onder meer het door de raadsvrouw gevoerde verweer (onder 3.4) verwerpt:


“Overwegingen met betrekking tot het bewijs




Inleiding




Niet ter discussie staat dat:
− verdachte van alle ten laste gelegde vennootschappen – [A] BV ( [A] ), [B] B.V. ( [B] ), [C] BV ( [C] ), [D] BV ( [D] ), [F] BV ( [F] ) en [G] BV ( [G] ) – als middellijk bestuurder bij de Kamer van Koophandel was ingeschreven kort voor of op het moment dat deze vennootschappen failliet werden verklaard;
− tussen het moment dat [verdachte] (al dan niet met terugwerkende kracht) als bestuurder werd geregistreerd en het moment dat faillissement van de hiervoor genoemde vennootschappen werd uitgesproken een periode van 58 tot maximaal 189 dagen zat, met uitzondering van [B] ;
− geen van de curatoren in de betreffende faillissementen heeft − na daar herhaaldelijk om te hebben verzocht − de administratie van deze gefailleerde ondernemingen overgelegd gekregen;
− [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde perioden middellijk bestuurder was van [I] B.V. ( [I] ), handelend onder de namen [J] en [K] ;
− [J] zich op haar website afficheerde als onder meer bemiddelaar bij de handel in nieuwe en bestaande BV’s en deskundige op het gebied van (vlotte) liquidatie van BV’s;
− [medeverdachte 1] in die hoedanigheid en voorafgaand aan de registratie, van verdachte; als bestuurder contact heeft gehad met de toenmalige bestuurders van alle ten laste gelegde vennootschappen;
− de commanditaire vennootschap [L] ( [L] ), vertegenwoordigd door [medeverdachte 2] , van 6 oktober 2012 tot 6 oktober 2013 een algehele volmacht van [I] had;
− verdachte zichzelf herkent in de omschrijving van katvanger.



[…]




Oordeel van het hof




Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en niet ter discussie staande feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat [medeverdachte 1] zich bedrijfsmatig bezighield met advisering van bestuurders van bedrijven die in financiële nood verkeerden. Via [J] trok hij die bestuurders aan, schakelde vervolgens [medeverdachte 2] in voor de administratie en schoof hij verdachte [verdachte] naar voren als bestuurder om de oud-bestuurders van de noodlijdende vennootschappen voor de buitenwereld aan het zicht te onttrekken. Binnen twee tot (iets meer dan) zes maanden na het naar voren schuiven van [verdachte] zijn de bedrijven allemaal failliet verklaard, hebben in het zicht van die faillissementen onttrekkingen door de voormalige eigenaren/bestuurders plaatsgevonden en is nagelaten een (volledige) administratie bij te houden en over te leggen aan de curatoren. Het in alle gevallen niet voeren of achterhouden van een administratie was welbewust en dienstig aan het onttrekken van goederen en gelden door de voormalige eigenaren/bestuurders. Ook daarmee werden die onttrekkingen aan het zicht van de buitenwereld, en meer in het bijzonder de curatoren, onttrokken.



Het hof zal hieronder per ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk de gang van zaken weergeven en vervolgens gezamenlijk bespreken of de gedragingen zijn toe te rekenen aan de betreffende rechtspersoon en of verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. Daarna zullen de schendingen van de inlichtingenverplichting worden besproken.



Vervolgens zal het hof de onder 3 ten laste gelegde valsheid in geschrift bespreken en tot slot de criminele organisatie zoals onder 1 ten laste is gelegd.




Feit 2: bedrieglijke bankbreuk [A]

is een bedrijf waarvan [betrokkene 1] bestuurder was. Op enig moment vroeg [betrokkene 1] hulp aan [medeverdachte 2] , die toen fungeerde als boekhouder van [A] BV. [medeverdachte 2] is zich toen actief als schuldbemiddelaar met het bedrijf bezig gaan houden.



Terwijl de financiële problemen zich aan het opstapelen waren werd op 20 juni 2013 op de naam van de dochter van [betrokkene 1] , [betrokkene 1] , [M] opgericht. [betrokkene 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] haar hadden geïnstrueerd vooral haar mond te houden en te knikken bij de KvK en de bank. [medeverdachte 2] is met haar mee geweest naar de bank.



Na bemiddeling door [medeverdachte 2] werd [verdachte] middels [N] vanaf 10 juli 2013 bestuurder van [A] BV. [betrokkene 1] had de administratie overgedragen aan [medeverdachte 2] . Op 14 januari 2014 werd [A] BV failliet verklaard op verzoek van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Verdachte heeft verklaard geen werkzaamheden voor [A] BV te hebben verricht.



(C) De curator heeft aangifte gedaan van het niet tevoorschijn brengen van de administratie. De curator heeft uit de bestuursperiode van [verdachte] geen enkel stuk uit de administratie ontvangen.




Feit 4: bedrieglijke bankbreuk [B]

is op 3 september 2013 failliet verklaard. De curator heeft aangifte gedaan van bedrieglijke: bankbreuk, omdat de administratie hem niet ter hand werd gesteld. Daartoe heeft hij twee brieven gestuurd, waarvan één gericht aan [B] en één aan [verdachte] , met het verzoek contact op te nemen en inlichtingen te verstrekken. Er zijn geen stukken aan de curator verstrekt. Verdachte was van 22 februari 2012 tot 19 november 2012 middellijk bestuurder van [B] BV. Het adres van [B] is per 27 februari 2012 bij de Kamer van Koophandel (KvK) gewijzigd in het zakenadres van [medeverdachte 1] .




Feit 5: bedrieglijke bankbreuk [C]

Op 1 juni 2011 werd [O] enig aandeelhouder en bestuurder van [C] . [betrokkene 2] werd op 1 oktober 2011 middellijk bestuurder van [O] hij werd op 22 maart 2012 opgevolgd door [betrokkene 3] . Vervolgens werd [medeverdachte 2] op december 2012 bestuurder van [O] en uiteindelijk werd per 7 januari 2013 verdachte als bestuurder geregistreerd. [betrokkene 2] heeft over de overdracht van [C] onder meer verklaard dat “ [medeverdachte 1] de hele pleurisbende kreeg” en “ik gaf hem nog geld toe”.
Op 13 maart 2013 werd [C] failliet verklaard.



(C) [betrokkene 3] heeft de administratie van [C] overgedragen aan [medeverdachte 1] , verdachte gaf alle brieven die hij kreeg direct aan [medeverdachte 1] . De curator heeft verschillende oproepen gedaan om de administratie aan hem uit te leveren, maar dit is niet gebeurd. Bij een doorzoeking van het kantoor van [medeverdachte 1] op 18 november 2014 zijn echter wel administratieve stukken van [C] aangetroffen.




Feit 6: bedrieglijke bankbreuk [D]

Tot 3 januari 2013 was [betrokkene 4] via [P] BV ( [P] ) middellijk bestuurder van [E] BV ( [E] ). Op 3 januari 2013 werd [medeverdachte 1] via [Q] BV ( [Q] ) middellijk bestuurder van [P] daarmee van [E] . Per diezelfde datum veranderde hij de naam van [P] in [D] BV ( [D] ) en die van [E] in [D] . Op 26 februari 2023 werd met terugwerkende kracht per 1 februari 2013 verdachte middellijk bestuurder door [C] bestuurder van [D] te maken. Verdachte heeft niets voor [D] betaald en hij heeft geen bankpas noch een volmacht ontvangen.
Volgens [medeverdachte 1] was [E] een zinkend schip.
Op 24 april 2013 werd [D] failliet verklaard.



(C) Na het faillissement deed de curator een verzoek aan [verdachte] tot uitlevering van de administratie. Verdachte wist niets van enige administratie en was in de veronderstelling dat sprake was van een schone BV. De administratie is tijdens een doorzoeking bij [betrokkene 4] thuis aangetroffen.




Feit 8: bedrieglelijke bankbreuk [F]

Op 15 mei 2012 werd verdachte bestuurder van [R] , die op dat moment bestuurder van [F] was. Op 21 augustus 2012 is, [F] failliet gegaan.



(H) Verdachte heeft in zijn periode als bestuurder geen administratie bijgehouden.



(I) De curator heeft verdachte tot vier keer toe schriftelijk verzocht om bij hem op kantoor te verschijnen en inlichtingen te verstrekken. Op die schriftelijke verzoeken, waarvan de curator er een persoonlijk heeft afgegeven aan de echtgenote op het huisadres van verdachte, is niet gereageerd. De curator heeft telefonisch contact gehad met [medeverdachte 1] , die zich als boekhouder van. verdachte presenteerde. Toen verdachte ook daarop niet reageerde, heeft de curator de rechter-commissaris verzocht hem te laten oproepen voor verhoor. Tijdens het verhoor kwam [medeverdachte 1] met verdachte mee en voerde het woord. Bij de doorzoeking in het zakelijke pand van [medeverdachte 1] is een zwarte map met daarin documenten over [F] aangetroffen. De curator heeft geen enkele boekhouding of administratie ontvangen.




Feit 10: bedrieglijke bankbreuk [G]

Op 21 juli 2014 is bij de Kamer van Koophandel (KvK) geregistreerd dat [O] , waarvan verdachte sinds 7 januari 2013 bestuurder was, met terugwerkende kracht per 1 maart 2014 bestuurder van [G] werd. Op 28 oktober 2014 is [G] failliet verklaard. Voordat verdachte middellijk bestuurder van [G] werd, was [betrokkene 5] bestuurder. [betrokkene 5] heeft per e-mailbericht van 3 juli 2014 aan [J] ter attentie van [medeverdachte 1] om advies gevraagd inzake [G] .



(B) De curator heeft eerst [betrokkene 5] en vervolgens tot twee keer toe verdachte de uitlevering van de volledige administratie gevorderd. [medeverdachte 1] was op de hoogte van het feit dat de curator om uitlevering van de administratie had verzocht. De curator heeft nooit enig stuk ontvangen. Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] werden zeven ordners met administratieve bescheiden van [G] aangetroffen. Bij de doorzoeking van de woning van verdachte werden eveneens administratieve bescheiden niet betrekking tot [G] aangetroffen.



[…]




Bewijsoverweging feit 2, onderdeel C, feit 4, onderdeel A, feit 5, onderdeel C, feit 6, onderdeel C, feit 8, onderdeel H en I, en feit 10, onderdeel B

Gelet op alle weergegeven feiten en omstandigheden staat voor het hof buiten redelijke twijfel vast dat het steeds een vooropgezet plan van [medeverdachte 1] is geweest om met hulp van [medeverdachte 2] en verdachte vermogensrechten en zaken te laten onttrekken aan noodlijdende ondernemingen en daarbij de afwikkeling van het faillissement te traineren. Die modus operandi is telkens hetzelfde. [medeverdachte 1] werd immers door bestuurders van noodlijdende bedrijven benaderd voor een oplossing om van hun in financiële nood verkerende onderneming af te komen. Wetende van de financiële nood van de bedrijven zorgde [medeverdachte 1] ervoor dat de bestuurders werden uitgeschreven en dat een nieuwe bestuurder, in de persoon van verdachte, werd ingeschreven. Verdachte heeft geen enkele inhoudelijke ervaring met of kennis van het besturen van ondernemingen, althans daarvan is niet gebleken. Gelet op zijn opleiding, achtergrond en (financiële) beweegredenen om zich telkens te doen inschrijven als bestuurder van rechtspersonen, voldoet hij naar het oordeel van het hof aan de omschrijving van een katvanger; een kwalificatie waarin hij zichzelf ook heeft herkend. [medeverdachte 1] was de persoon die het meest in contact stond met de oud- bestuurders en grotendeels de adviezen gaf. Hoewel het gebruikelijk is bij de overname van een BV inzicht te krijgen in de administratie en bedrijfsvoering van die betreffende BV, hielden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte bewust geen administratie bij. Kort voor de faillietverklaring werd verdachte als bestuurder ingeschreven. Ondertussen werden er (mede door oud-bestuurders) vermogensbestanddelen aan de onderneming onttrokken. Voor de BV’s vermeld onder de feiten 2, 4, 5, 8 en 10 geldt dat telkens door de curator om de administratie en om inlichtingen werd verzocht. Aan die verzoeken van de curatoren werd door verdachte noch medeverdachten geen enkele keer voldaan.



Het hof is van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van de ondernemingen is voldaan, aangezien de ondernemingen geadresseerden van de betreffende norm zijn en de verboden gedragingen aan de ondernemingen kunnen worden toegerekend, omdat deze bij uitstek gelden als gedragingen verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Het hof acht het opzet van de ondernemingen op de ten laste gelegde gedragingen, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, ook wettig en overtuigend bewezen, gelet op de feitelijke gang van zaken binnen de ondernemingen en het gevoerde beleid door de (feitelijke) directie, zoals hiervoor beschreven.



Het hof acht gelet op het hiervoor overwogene en het feit dat verdachte zich telkens opnieuw liet inschrijven als bestuurder en zich daarmee de geadresseerde van de vorderingen van de curatoren maakte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk feitelijke leiding heeft gegeven aan de gedragingen van de ondernemingen zoals ten laste gelegd onder 2, 4, 5, 8 en 10.



Hoewel [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in dit geheel een belangrijke rol hebben gespeeld, biedt het dossier onvoldoende bewijs dat er tussen hen sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking om met betrekking tot deze verdachten te kunnen spreken van medeplegen.
Omdat, zoals het hof hiervoor heeft overwogen, wel sprake is van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de oud-bestuurders/eigenaren/de betreffende ondernemingen is het hof van oordeel dat tussen hen wel sprake is geweest van medeplegen.”

Eerste deelklacht (feitelijk leidinggeven)




3.6
De eerste deelklacht houdt in de kern in dat het onder 2, 4, 5, 6, 8 en 10 bewezenverklaarde feitelijk leidinggeven ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte slechts een passieve rol vervulde, maar niet blijkt dat de verdachte “zowel de bevoegdheid had, als er redelijkerwijs toe gehouden was, om maatregelen ter voorkoming van strafbare gedragingen te nemen”.


3.7
Bij de bespreking van de deelklacht is het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijk van belang. In dit arrest heeft de Hoge Raad met betrekking tot strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens feitelijk leidinggeven onder meer het volgende vooropgesteld:


“3.5.1. (...) [N]adat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt aan de orde of iemand als feitelijke leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.
Aan hetzelfde strafbare feit kan door meer personen - al dan niet gezamenlijk - feitelijke leiding worden gegeven. Ook een rechtspersoon kan een feitelijke leidinggever zijn.



3.5.2.

Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.
Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.”




3.8
In het bestreden arrest onder “Overwegingen met betrekking tot het bewijs” stelt het hof ten eerste vast dat niet ter discussie staat dat [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde perioden middellijk bestuurder was van [I] handelend onder de namen [J] en [K] , dat [J] zich op haar website afficheerde als onder meer bemiddelaar bij de handel in nieuwe en bestaande bv’s en deskundige op het gebied van (vlotte) liquidatie van bv’s, dat de verdachte, die zich herkent in de omschrijving van katvanger, van alle ten laste gelegde vennootschappen (het hof noemt er zes, PHvK) als middellijk bestuurder bij de KvK was ingeschreven kort voor of op het moment dat deze vennootschappen failliet werden verklaard, dat [medeverdachte 1] (in zijn hoedanigheid van middellijk bestuurder van [I] / [J] , PHvK) voorafgaand aan de registratie van de verdachte als bestuurder, contact heeft gehad met de toenmalige bestuurders van alle ten laste gelegde vennootschappen, en dat geen van de curatoren in de betreffende faillissementen na daar herhaaldelijk om te hebben verzocht de administratie van deze gefailleerde ondernemingen overlegd heeft gekregen.


3.9
Op grond van de bewijsmiddelen en de vaststellingen onder 3.8 overweegt het hof onder het kopje “Oordeel van het hof” (zie onder 3.5) dat [medeverdachte 1] zich bedrijfsmatig bezighield met advisering van bestuurders van noodlijdende bedrijven, dat hij deze bestuurders aantrok via [J] , dat [medeverdachte 1] door bestuurders van noodlijdende bedrijven werd benaderd voor een oplossing om van hun in financiële nood verkerende onderneming af te komen, dat hij [medeverdachte 2] inschakelde voor de administratie en de verdachte als bestuurder om de oud-bestuurders aan het zicht te onttrekken, dat in alle gevallen het niet voeren of achterhouden van een administratie welbewust was en dienstig aan het onttrekken van goederen en gelden door de voormalige eigenaren/bestuurders en dat daarmee die onttrekkingen aan het zicht van de curatoren werden onttrokken.


3.10
Ook overweegt het hof onder het tussenkopje “Bewijsoverweging feit 2, onderdeel C, feit 4, onderdeel A, feit 5, onderdeel C, feit 6 onderdeel C, feit, onderdeel H en I, en feit 10, onderdeel B” dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat het “steeds een vooropgezet plan van [medeverdachte 1] is geweest om met hulp van [medeverdachte 2] en verdachte vermogensrechten en zaken te laten onttrekken aan noodlijdende ondernemingen en daarbij de afwikkeling van het faillissement te traineren”. De modus operandi is daarbij volgens het hof steeds hetzelfde. Bestuurders van noodlijdende bedrijven benaderden [medeverdachte 1] voor een oplossing om van hun in financiële nood verkerende onderneming af te komen. [medeverdachte 1] schreef de bestuurders uit en zorgde ervoor dat een katvanger, de verdachte, vlak voor het faillissement van de betreffende onderneming werd ingeschreven zodat oud-bestuurders aan het zicht werden onttrokken. Ondertussen werden onder meer door oud-bestuurders en eigenaren vermogensbestanddelen aan de ondernemingen onttrokken en is door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte bewust nagelaten een (volledige) administratie bij te houden en over te leggen aan de curator.


3.11
Met betrekking tot het feitelijk leidinggeven oordeelt het hof dat de verdachte opzettelijk feitelijke leiding heeft gegeven aan de gedragingen van de ondernemingen zoals ten laste gelegd onder 2, 4, 5, 8 en 10. Het hof slaat daarbij acht op “het hiervoor overwogene” en “het feit dat verdachte zich telkens opnieuw liet inschrijven als bestuurder en zich daarmee de geadresseerde van de vorderingen van de curatoren maakte”.


3.12
De klacht gaat ervan uit dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte “slechts een passieve rol vervulde”. In zoverre berust de klacht op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft bij het bestreden oordeel onder meer acht geslagen op “het hiervoor overwogene”. Daaruit volgt onder meer dat de verdachte aandeel heeft gehad in [medeverdachte 1] vooropgezette plan om (met hulp van [medeverdachte 2] ) telkens vermogensrechten en zaken te laten onttrekken aan noodlijdende ondernemingen en daarbij de afwikkeling van het faillissement te traineren. De verdachte liet zich welbewust en stelselmatig als middellijk bestuurder bij de KvK inschrijven kort voor of op het moment dat de vennootschappen failliet werden verklaard. De verdachte fungeerde daarmee als katvanger. In tegenstelling tot hetgeen in de toelichting op het middel is aangevoerd omvatte het aandeel van de verdachte niet enkel het zich telkens laten inschrijven als middellijk bestuurder, hetgeen overigens ook medewerking van de verdachte vereiste, maar behelsde ook het door de verdachte – als onderdeel van [medeverdachte 1] plan – ‘zijn’ van katvanger/middellijk bestuurder. Dit maakte immers (mede) mogelijk dat in het zicht van aanstaande faillissementen onttrekkingen door de voormalige eigenaren/bestuurders hebben plaatsgevonden en dat geen administratie aan de curator werd overgelegd. Aan het voorafgaande doet de omstandigheid dat het plan uit de koker van [medeverdachte 1] kwam en dat de verdachte zich door [medeverdachte 1] liet inschrijven niet af.


3.13
Tot slot merk ik nog op dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte steeds als bestuurder van de rechtspersonen werd ingeschreven en dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte dit wist. Als bestuurder van de verschillende rechtspersonen was voor hem steeds art. 2:10 lid 1 BW relevant. Deze bepaling luidt: “Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.” In hoger beroep en ook in cassatie is niet bestreden dat deze bepaling voor de verdachte van betekenis was. Deze verplichting vereist een handelen en dat geldt ook voor de soortgelijke verplichting van de rechtspersoon (die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent) op grond van art. 3:15i lid 1 BW. Schending van deze verplichtingen is dus zeer wel mogelijk door juist na te laten. Wanneer het bestuur c.q. een verantwoordelijke bestuurder nalaat te voldoen aan zijn verplichting onder 2:10 lid 1 BW, betekent dit dat hij er ook niet voor zorgt dat de rechtspersoon voldoet aan de verplichting onder art. 3:15i lid 1 BW. Anders dan de klacht kennelijk wil, zijn dan ook geen actieve gedragingen vereist voor het feitelijk leidinggeven aan het niet door de rechtspersoon voldoen aan de op haar rustende administratieve verplichting ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de vennootschap.


3.14

De eerste deelklacht faalt.

Tweede deelklacht (opzet)




3.15
De tweede deelklacht houdt in de kern in dat het onder 2, 4, 5, 6, 8 en 10 bewezenverklaarde opzet ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte kort gezegd de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers bewust heeft aanvaard. De verdachte is, aldus de stellers van het middel, slechts veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan het niet voldoen aan de administratieplicht.


3.16
Allereerst verdient opmerking dat de cassatieklacht feitelijke grondslag mist voor zover die berust op de veronderstelling dat de bewijsvoering voor onder 2, 4, 5, 6, 8 en 10 bewezenverklaarde op een voorwaardelijk-opzetconstructie berust. Het hof spreekt in het arrest geheel niet van voorwaardelijk opzet en concludeert in de bewijsoverwegingen nu juist dat het gelet op alle weergegeven feiten en omstandigheden voor het hof buiten redelijke twijfel vaststaat dat het steeds een vooropgezet plan van [medeverdachte 1] is geweest om met hulp van [medeverdachte 2] en de verdachte vermogensrechten en zaken te laten onttrekken aan noodlijdende ondernemingen en daarbij de afwikkeling van het faillissement te traineren, en dat die modus operandi telkens hetzelfde is. Daarmee ligt in de bewijsvoering besloten dat het hof bij de bewezenverklaring van vol opzet is uitgegaan.


3.17
Het hof heeft overwogen dat de modus operandi steeds hetzelfde was in het vooropgezette plan om vermogensrechten en zaken te laten onttrekken aan noodlijdende ondernemingen en daarbij de afwikkeling van het faillissement te traineren. Die bestond er onder meer uit dat in het zicht van aanstaande faillissementen de bestuurders werden uitgeschreven en dat de verdachte werd ingeschreven. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte “[g]elet op zijn opleiding, achtergrond en (financiële) beweegredenen om zich telkens te doen inschrijven als bestuurder van rechtspersonen” voldoet aan de omschrijving van een katvanger. Het hof heeft daartoe overwogen dat de verdachte geen enkele inhoudelijke ervaring met of kennis van het besturen van ondernemingen heeft, althans dat daarvan niet is gebleken (zie daartoe bewijsmiddel 8). Het hof heeft ook overwogen dat de verdachte zichzelf herkend in de kwalificatie “katvanger” (zie daartoe bewijsmiddel 43). Gedurende zijn tijd als bestuurder werden onder meer door oud-bestuurders en eigenaren vermogensbestanddelen aan de ondernemingen onttrokken en is onder meer door de verdachte bewust nagelaten een (volledige) administratie bij te houden en over te leggen aan de curator. Bovendien heeft het hof vastgesteld dat de bedrijven binnen twee tot (iets meer dan) zes maanden na het naar voren schuiven van de verdachte allemaal failliet zijn verklaard.


3.18
Uit de overwegingen van het hof volgt dat de verdachte wist van de inhoud en strekking van het vooropgezette plan, dat hij wist welke rol hij telkens te spelen had in dat plan, te weten de rol van katvanger, dat de verdachte bewust heeft nagelaten de administratie bij te houden en over te leggen aan de curator, en dat de bedrijven steeds vrij kort na het aantreden van de verdachte als bestuurder failliet gingen. Gelet op het voorgaande ligt in de overwegingen van het hof besloten dat de verdachte wist dat een faillissement dreigde van de ondernemingen waarvan hij middellijk bestuurder was en dat het daar juist ook om ging.


3.19
Dat de verdachte is vrijgesproken van het “onttrekken van vermogensbestanddelen” en het met [medeverdachte 1] “medeplegen” van kort gezegd het niet bijhouden en overleggen van de administratie, zoals door de stellers van het middel is aangevoerd, doet aan het voorgaande niet af. Daarbij is van belang dat, zoals het hof ook heeft overwogen, het niet voldoen aan de administratieplicht – het niet bijhouden van de administratie en het niet overleggen daarvan aan de curator op diens verzoek – dienstig was “aan het onttrekken van goederen en gelden door de voormalige eigenaren/bestuurders en dat daarmee die onttrekkingen aan het zicht van de curatoren werden onttrokken”. Dat de verdachte geen actieve betrokkenheid bij de rechtspersonen zou hebben gehad, staat daaraan niet in de weg. Dat is bovendien evenmin een beletsel voor de bewezenverklaring van het opzet op het niet bijhouden van een administratie ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, nu de passiviteit van de verdachte – als katvanger – die verkorting juist mogelijk maakte. Gelet hierop is het hof voor alle bewezenverklaarde feiten – mede gezien hetgeen daarover wat betreft het opzet in hoger beroep is aangevoerd – toereikend ingegaan op verdachtes opzet op de verkorting van rechten van schuldeisers.


3.20
Voorts zou de vaststelling door het hof bij feit 6 dat de verdachte “niet wist van enige administratie en in de veronderstelling was dat sprake was van een schone BV” volgens de stellers van het middel een contra-indicatie opleveren voor het onder 6 bewezenverklaarde opzet.


3.21
Het hof overweegt onder het kopje “Feit 6: bedrieglijke bankbreuk [D] ” dat de curator na het faillissement de verdachte verzocht de administratie uit te leveren. Het hof overweegt voorts dat de verdachte niets wist van enige administratie en in de veronderstelling was dat sprake was van een “schone BV”. De administratie is tijdens een doorzoeking bij [betrokkene 4] thuis aangetroffen.


3.22
Uit de overwegingen van het hof volgt dat de verdachte niet heeft voldaan aan het verzoek van de curator om de administratie uit te leveren, omdat de verdachte de administratie niet onder zich had (deze was bij [betrokkene 4] ) en hij geen weet van de administratie had. Deze omstandigheden leveren, mede gelet op het hierboven omschreven vooropgezette plan en verdachtes rol daarin, niet een contra-indicatie op, maar staven juist het onder 6 bewezenverklaarde opzet op het niet bijhouden van een administratie ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon. De overweging van het hof omtrent de verklaring van de verdachte dat hij dacht dat hij “een schone BV had” maakt dat niet anders. Hoewel dit deel van de overweging misverstanden kan opwekken, ligt ook daarin geen contra-indicatie besloten. De strekking van die verklaring is dat volgens de verdachte alles in orde was. Ik begrijp de overwegingen van het hof zo dat het hof hierop heeft gewezen omdat deze verklaring in strijd is met zijn wetenschap over de gang van zaken met betrekking tot de onderhavige en andere rechtspersonen en met zijn verklaring dat hij geen weet had van de administratie van de onderhavige rechtspersoon. Niet alleen kan een rechtspersoon waarvan voor de bestuurder geen administratie beschikbaar is immers moeilijk als “schoon” worden aangemerkt, ook van belang is dat wanneer hij niet in de gelegenheid was om kennis te nemen van de administratie, hij gezien het kennisgebrek dat hij daarmee had onmogelijk te goeder trouw kon verklaren dat de BV “schoon” was. In de overweging van het hof ligt daarmee besloten dat ook de verklaring dat de BV “schoon” was, juist ondersteunt dat de verdachte de verkorting van de rechten van schuldeisers bewust heeft aanvaard.


3.23
Ook de tweede deelklacht faalt.


3.24
Daarmee faalt het middel.




4Het tweede middel

4.1
Het middel bestrijdt de bewezenverklaring onder 4 (inzake vennootschap [B] B.V.) op de grond dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat geen administratie werd gevoerd of dat geen administratie werd overgedragen aan opvolgende bestuurders.


4.2
De pleitnota voor de terechtzitting van 17 april 2024 houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten):


“I. Passief bestuurderschap
26. Ook ten aanzien van feit 4 volgt uit het dossier niet dat cliënt enige betrokkenheid had bij de bedrijfsvoering van deze onderneming. Cliënt heeft verklaard dat hij geen werkzaamheden heeft verricht voor de BV. Zo is cliënt niet op de werkvloer aanwezig geweest en had hij geen beschikking over de bankpas. Sterker nog, [verdachte] wist niet eens dat hij enige tijd bestuurder is geweest van [B] BV en was dan ook niet op de hoogte van enig strafbaar feit. Administratie van deze onderneming heeft hij ook nooit in zijn bezit gehad. Bovendien betwijfelt hij of zijn handtekening wel echt is op het wijzigingsformulier



27. De Rechtbank heeft vastgesteld dat het adres van de BV is gewijzigd naar het zakenadres van [medeverdachte 1] . [verdachte] is nooit op dat adres geweest. De post die op dat adres binnenkomt, leest hij dan ook niet. Post dat naar zijn huisadres werd gezonden of naar zijn mailadres met betrekking tot de BV’s, bracht hij altijd naar [medeverdachte 1] zonder hiervan kennis te nemen.



28. Ook ten aanzien van deze onderneming volgt dan ook niet uit het dossier dat sprake is geweest van meer dan een passief bestuurder. Dit geldt zeker nu op basis van het dossier blijkt dat hij slechts een korte tijd bestuurder is geweest en uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat de administratie op enig moment aan cliënt is overgedragen of dat hij wetenschap had dat er geen administratie werd bijgehouden of dat deze niet zou worden uitgeleverd.



29. Anders dan de Rechtbank stelt, volgt geenszins uit het dossier dat cliënt naar de buitenwereld toe alle bestuurdersverantwoordelijkheid op zich nam. De Rechtbank heeft ten aanzien van dit oordeel aan geen enkele feitenvaststelling gedaan die in de richting zou wijzen van cliënt.



30. Kortom, van de situatie dat [verdachte] bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen, is geen sprake, nu het enkele feit dat [verdachte] bestuurder is geweest volgens de heersende jurisprudentie gewoonweg niet genoeg is om hem aan te merken als feitelijk leidinggever aan de bedrieglijke bankbreuk (uitleveren administratie). Er moet meer zijn dan het enkele vervullen van deze functie waardoor hij daartoe gehouden zou zijn en daarvan is geenszins sprake. Vrijspraak dient dan ook te volgen.




II. Geen sprake van opzet

31. Bovendien blijkt het opzet op de verboden gedraging ook niet uit de bewijsmiddelen, noch uit het dossier. Daartoe is het enkel niet reageren op de curator onvoldoende, nu uit de gemaakte afspraken blijkt dat [verdachte] geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de administratie en ook geen wetenschap hiervan had. Ook op grond hiervan dient vrijspraak te volgen.”



4.3
De stellers van het middel voeren aan dat uit de bewijsmiddelen weliswaar volgt dat de verplichtingen jegens de curator geschonden zijn, de verdachte heeft geweigerd de curator te woord te staan en dat (medeverdachte, PHvK) [medeverdachte 1] en ((voormalig) bestuurder, PHvK) [betrokkene 6] tegen de curator hebben gezegd dat zij niet wisten waar de administratie was, maar niet dat geen administratie is gevoerd of is overgedragen. De verklaringen van [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] dat zij “niet weten” waar de administratie zich bevindt zouden niet redengevend zijn nu niet blijkt dat zij de waarheid spreken, terwijl ook niet helder is op welke wijze het de verdachte zou regarderen dat andere personen niet weten waar de administratie is.


4.4
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit voor het onder 4 tenlastegelegde en aangevoerd dat het feit dat de verdachte bestuurder is geweest niet genoeg is om hem aan te merken als feitelijk leidinggever aan de bedrieglijke bankbreuk nu uit het dossier niet volgt dat hij feitelijk enige betrokkenheid had bij de bedrijfsvoering van deze onderneming en meer is geweest dan een passief bestuurder. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat het opzet niet uit de bewijsmiddelen volgt nu de verdachte geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de administratie, geen wetenschap hiervan had en het enkel niet reageren op de curator voor een bewezenverklaring van het opzet onvoldoende is (zie onder 4.2).


4.5
Uit de bewezenverklaring blijkt onder 4 dat de (door vennootschap [B] B.V. gepleegde) bedrieglijke bankbreuk volgens het hof bestond uit het niet bijhouden van een administratie en/of het niet overdragen aan een opvolgend bestuurder van die administratie en uit de bewezenverklaring blijkt voorts dat het hof ten laste van de verdachte 5 andere bedrieglijke bankbreuken bewezen heeft verklaard die eveneens bestonden uit het niet (volledig) voeren en/of overdragen van een administratie (feiten 2, 5, 6, 8 en 10).


4.6
Onder het kopje “Feit 4: bedrieglijke bankbreuk [B] ” stelt het hof vast dat [B] op 3 september 2013 failliet is verklaard, dat de curator aangifte heeft gedaan van bedrieglijke bankbreuk omdat de administratie hem niet ter hand werd gesteld, dat hij daartoe een brief heeft gestuurd aan [B] en een brief aan de verdachte met het verzoek contact op te nemen en inlichtingen te verstrekken, dat geen stukken aan de curator zijn verstrekt, dat de verdachte van 22 februari 2012 tot 19 november 2012 middellijk bestuurder was en dat het adres van de bv per 27 februari 2012 bij de KvK is gewijzigd in het zakenadres van [medeverdachte 1] .


4.7
In het bestreden arrest onder het kopje “Oordeel van het hof” (reeds weergegeven onder 3.5) overweegt het hof dat [medeverdachte 1] zich bedrijfsmatig bezighield met advisering van bestuurders van bedrijven die in financiële nood verkeerden, dat [medeverdachte 1] via [J] die bestuurders aantrok, dat [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] inschakelde voor de administratie en de verdachte als bestuurder naar voren schoof om de oud-bestuurders aan het zicht te onttrekken, dat binnen twee tot zes maanden na het naar voren schuiven van de verdachte de bedrijven failliet zijn verklaard, dat in het zicht van die faillissementen onttrekkingen door de voormalige eigenaren/bestuurders plaatsvonden en dat is nagelaten een administratie bij te houden en over te leggen aan de curatoren. Het hof vervolgt dat het in alle gevallen niet voeren of achterhouden van een administratie welbewust was en dienstig aan het onttrekken van goederen en gelden door de voormalige eigenaren/bestuurders en dat daarmee die onttrekkingen aan het zicht van de curatoren werden onttrokken. Bij “Bewijsoverweging feit 2, onderdeel C, feit 4, onderdeel A, feit 5 onderdeel C, feit 6, onderdeel C, feit 8, onderdeel H en I, en feit 10, onderdeel B” oordeelt het hof – kort samengevat − dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat het steeds een vooropgezet plan van [medeverdachte 1] is geweest om met hulp van [medeverdachte 2] en de verdachte, vermogensrechten en zaken te laten onttrekken aan noodlijdende ondernemingen en daarbij de afwikkeling van het faillissement te traineren, dat de modus operandi telkens hetzelfde was en dat “[h]oewel het gebruikelijk is bij de overname van een BV inzicht te krijgen in de administratie en de bedrijfsvoering van die betreffende BV” [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte bewust geen administratie bijhielden. Uiteindelijk overweegt het hof ook nog dat de verdachte zich telkens opnieuw liet inschrijven als bestuurder en zich daarmee de geadresseerde van de vorderingen van de curatoren maakte.


4.8
Dat het hof uit de in de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden heeft afgeleid dat sprake is van het niet bijhouden en aan de opvolgende bestuurders overgedragen van de administratie van [B] is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik allereest in aanmerking dat het hof de bewezenverklaring van het niet bijhouden van een administratie en/of het niet overdragen van de administratie mede heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de verdachte – ten tijde van de tenlastegelegde periode middellijk bestuurder van [B] − heeft geweigerd om de curator te woord te staan over de vraag of hij kan aantonen dat hij de administratie heeft overgedragen aan de opvolgend bestuurder en dat [medeverdachte 1] en de opvolgend bestuurder ( [betrokkene 6] ) hebben verklaard dat zij niet weten waar de administratie is (bewijsmiddel 28). Uit deze verklaringen blijkt dat niet een administratie is overgedragen aan een opvolgend bestuurder, terwijl die verklaringen er sterk op wijzen op dat ook geen administratie is bijgehouden. Dat op geen enkele wijze is gebleken dat wel een administratie is bijgehouden, versterkt die aanwijzingen nog.


4.9
Daarbij komt dat de onder 4.7 besproken bewijsvoering blijkens de bewijsoverweging van het hof voor feit 2, 4, 5, 6, 8 en 10 ook in het licht moeten worden geplaatst van het door het hof beschreven vooropgezette plan en de modus operandi. Deze kwam er op neer dat [medeverdachte 1] via [J] bestuurders van noodlijdende ondernemingen aantrok, dat hij de verdachte als bestuurder inschreef, dat binnen korte tijd de bedrijven failliet zijn verklaard, dat in het zicht van die faillissementen onttrekkingen plaatsvonden, en dat ten aanzien van alle bv’s − welbewust en dienstig aan het onttrekken van goederen en gelden − is nagelaten een administratie bij te houden en over te leggen. Wat betreft de bovendien in de bewijsvoering opgenomen overweging van het hof dat de verdachte zich telkens opnieuw liet inschrijven als bestuurder en zich daarmee de geadresseerde van de vorderingen van de curatoren maakte, merk ik op dat het hof kennelijk van oordeel is geweest dat aan die overweging niet in de weg staat dat in de pleitnota over feit 4 is opgemerkt dat de verdachte “betwijfelt […] of zijn handtekening wel echt is op het wijzigingsformulier”. Dat is niet onbegrijpelijk erop gelet dat deze opmerking niet is onderbouwd en overigens ook weinig stellig is.


4.10
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof op basis van het geheel van de onder 4.8 en 4.9 besproken omstandigheden tot het oordeel is gekomen dat sprake is van het niet bijhouden en aan de opvolgende bestuurders overdragen van de administratie van [B] en dat de verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven, en bovendien dat dit oordeel ook niet ontoereikend is gemotiveerd.


4.11
Het middel faalt.




5Het derde middel

5.1
Het middel verzet zich tegen de bewezenverklaring onder 3 en valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het onder 3 bewezenverklaarde voor zover inhoudende dat de verdachte “brieven afkomstig van [A] B.V. en gericht aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ” valselijk heeft opgemaakt, onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd. De tweede deelklacht is gericht tegen het onder 3 bewezen verklaarde medeplegen op de grond dat die bewezenverklaring, mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.


5.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaard dat:


“hij, op in de periode 21 juni 2013 tot en met 10 februari 2014, in Nederland, tezamen en in vereniging met een rechtspersoon en met natuurlijke personen



1. arbeidsovereenkomsten en
2. salarisspecificaties over de maanden juli 2013, augustus 2013, september 2013 en oktober 2013 en
3. brieven afkomstig van [A] B.V. en gericht aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]
- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk hebben opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande die valsheid hierin,



1. dat in de arbeidsovereenkomst in strijd met de waarheid staat vermeld dat de datum van indiensttreding 1 juli 2013 en/of 1 augustus 2013 is, wetende dat er toen geen dienstbetrekking was en
2. dat de in de arbeidsovereenkomst weergegeven datum van ondertekening niet juist is en
3. dat verdachte ten aanzien van D-110 onbevoegd was om tot ondertekening over te gaan om dat hij toen nog geen bestuurder was en
4. dat de salarisspecificaties zijn opgemaakt, wetende dat er hiervoor geen werkzaamheden zijn verricht en/of dat er allemaal fictieve loongegevens zijn toegepast en
5. dat in de brieven aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een onjuiste inhoud is opgenomen, wetende dat de loonvordering niet bestond”



5.3
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv, waarnaar ik hier kortheidshalve verwijs.


5.4

De pleitnota voor de terechtzitting van 17 april 2024 houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten):

“51. De rechtbank heeft geconcludeerd dat cliënt de arbeidsovereenkomsten en de salarisspecificaties van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] valselijk heeft opgemaakt, nu er geen arbeidsovereenkomsten met hen bestonden en cliënt dit wist.



52. Ten aanzien hiervan dient te worden opgemerkt dat [verdachte] de arbeidscontracten en salarisspecificaties niet zelf heeft opgemaakt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat dit [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zelf zouden zijn geweest. Bovendien was [betrokkene 1] , zoals eerder betoogd, de feitelijk leidinggevende en had [verdachte] niets met de hele bedrijfsvoering te maken. [verdachte] kan derhalve hooguit worden verweten dat hij hoogst onoplettend en onzorgvuldig en misschien zelfs wel naïef is geweest door zijn handtekening op de papieren te zetten, maar hij heeft niet de opdracht gegeven tot het valselijk opmaken van deze stukken en uit het dossier volgt eveneens niet dat hij wist dat deze arbeidscontracten werden opgemaakt zonder dat sprake was van enig dienstverband. Nogmaals: [verdachte] had geen enkele betrokkenheid bij [A] anders dan dat hij op papier bestuurder was., Opzet op het benadelen van de schuldeiser heeft hij dan ook niet gehad. Vrijspraak dient dan ook te volgen.”



5.5

Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:

“Feit 3: valsheid in geschrift [A]
Nadat verdachte op 10 juli 2013 middellijk bestuurder van [A] werd, is het bedrijf op 14 januari 2014 failliet verklaard. Bij de aanvraag van het faillissement zijn arbeidsovereenkomsten tussen [A] BV en [medeverdachte 1] , respectievelijk [A] BV en [medeverdachte 2] en daarmee samenhangende salarisspecificaties overgelegd.
In het huis van [medeverdachte 2] is een harde schrijf aangetroffen met daarop de bij aanvraag overname betalingsverplichting overgelegde arbeidsovereenkomsten. Beide overeenkomsten hadden als aanmaakdatum 18 november 2013, terwijl in die overeenkomsten staat dat deze op 21 juni 2013 respectievelijk 22 juli 2013 zijn opgemaakt. De overeenkomst tussen [medeverdachte 1] en [A] is bovendien door verdachte ondertekend, terwijl hij daartoe op 21 juni 2013 niet bevoegd was, omdat hij pas vanaf 10 juli 2013 bestuurder werd. Op 22 juli 2013 heeft verdachte de arbeidsovereenkomst van [medeverdachte 2] ondertekend. Hij was op dat moment wel (middellijk) bestuurder van [A] . [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgemaakt en dat hij door [betrokkene 1] in dienst is genomen. Dit terwijl [betrokkene 1] op 22 juli 2013 geen bestuurder meer was, en zij heeft verklaard dat zij [medeverdachte 1] niet kende en dat zij ook geen personeel in dienst heeft willen nemen.



Gelet op de vastgestelde datum van opmaak van de arbeidsovereenkomsten tussen [A] BV en [medeverdachte 1] , respectievelijk [A] BV en [medeverdachte 2] en de daarmee niet in overeenstemming te brengen data die op die overeenkomsten zijn vermeld acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze arbeidsovereenkomsten tezamen en in vereniging valselijk heeft opgemaakt. Nu er geen arbeidsovereenkomsten met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bestonden en alle partijen dit ook wisten, staat daarmee vast dat de salarisspecificaties eveneens vals zijn opgemaakt.
Dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werkzaamheden hebben verricht voor [A] mag wellicht waar zijn, maar niet uit hoofde van de in geding zijnde arbeidsovereenkomsten.



Het hof overweegt voorts dat de in de tenlastelegging onder punt 3 genoemde ontvangstbevestigingsbrieven eveneens zijn aangetroffen op de gegevensdrager van [medeverdachte 2] . Nu verdachte wist dat er geen arbeidsovereenkomsten bestonden, wist hij daarmee ook dat de door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ingediende loonvorderingen vals waren, zodat daarmee vast staat dat hij ook de ontvangstbevestigingsbrieven valselijk heeft opgemaakt.



Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 2] opzettelijk arbeidsovereenkomsten, salarisspecificaties en brieven valselijk heeft opgemaakt.”

Eerste deelklacht (valselijk opmaken ontvangstbevestigingsbrieven)




5.6
Art. 225 lid 1 Sr stelt strafbaar het valselijk opmaken of vervalsen van een geschift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. “Valselijk opmaken” zoals bedoeld in dit artikel omvat twee soorten van valsheid: het opmaken van een geschrift dat niet de waarheid bevat, de intellectuele valsheid, en het onbevoegd opmaken van een geschrift, voorwendende dat men de bevoegde is, de materiële valsheid. Bij gevallen van intellectuele valsheid gaat het om echte geschriften opgemaakt door daartoe bevoegde personen waarvan alleen de inhoud van het geschrift vals is. Volgens Bakker gaat het bij die inhoud om “de ruime strekking van de mededeling die wordt gedaan”.


5.7
Onder een geschrift dat “bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen” moet worden verstaan een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van een geschrift dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr. Het gaat daarbij om de vraag of “een gemiddelde burger in het algemeen vertrouwen zal stellen in het betreffende stuk, dan wel bepaalde maatschappelijke instanties in het stuk vertrouwen plegen te schenken”. Het belang van het geschrift voor de maatschappij is daarin gelegen, dat men op de in het geschrift gerelateerde feiten af gaat en daarop zijn eigen plannen en handelingen baseert. Of een geschrift bewijsbestemming heeft hangt daarmee af van de aard van dat geschrift en van de functie die een dergelijk geschrift in het maatschappelijk verkeer pleegt te vervullen, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de inhoud van dat geschrift.


5.8
De stellers van het middel voeren aan dat het kennelijke oordeel van het hof dat sprake is van intellectuele valsheid omdat de brieven niet overeenstemmen met de werkelijkheid onbegrijpelijk is. De geschriften zijn volgens de stellers van het middel niets meer dan een ontvangstbevestiging van een “schrijven inzake loonvordering”. Of de loonvorderingen vals zijn en of de verdachte daarvan op de hoogte was zou weinig betekenis hebben voor de vraag of de verdachte dat schrijven inderdaad ontvangen heeft. Om die reden zou de bewijsbeslissing van feit 3 aan nietigheid lijden.


5.9
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen uitdrukkelijke opmerkingen gemaakt over de brieven c.q. ontvangstbevestigingen maar enkel over de arbeidscontracten en salarisspecificaties aangevoerd dat de verdachte deze stukken niet zelf heeft opgemaakt en niet de opdracht heeft gegeven tot het valselijk opmaken, dat hij niet wist dat de arbeidscontracten werden opgemaakt, dat hem hooguit kan worden verweten dat hij “hoogst onoplettend en onzorgvuldig en misschien zelfs naïef is geweest” door zijn handtekening op de papieren te zetten.


5.10
Het hof overweegt onder het kopje “Feit 3: valsheid in geschrift [A] ” dat bij de aanvraag van het faillissement van [A] overeenkomsten tussen [A] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en daarmee samenhangende salarisspecificaties zijn overgelegd. Gelet op de vastgestelde datum van opmaak van de arbeidsovereenkomsten en de daarmee niet in overeenstemming te brengen data die op die overeenkomsten zijn vermeld, acht het hof het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de arbeidsovereenkomsten tezamen en in vereniging valselijk heeft opgemaakt en dat daaruit volgt dat de salarisspecificaties eveneens vals zijn opgemaakt. De ontvangstbevestigingen zijn daarmee ook vals volgens het hof nu de verdachte wist dat er geen arbeidsovereenkomsten bestonden en dus ook wist dat de ingediende loonvorderingen vals waren.


5.11
De formulering van de bewezenverklaring (“dat in de brieven […] een onjuiste inhoud is opgenomen”, zie onder 5.2) veronderstelt dat sprake is van intellectuele valsheid. In hoger beroep en in cassatie is niet betwist dat de arbeidsovereenkomsten, salarisspecificaties en loonvorderingen vals zijn, terwijl in cassatie ook niet wordt betwist dat de verdachte dit wist.


5.12
Het hof is van oordeel dat de brieven niet overeenstemmen met de werkelijkheid omdat de verdachte wist dat de loonvorderingen niet bestonden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat de verdachte wist dat de loonvorderingen vals waren, terwijl de strekking van de ontvangstbevestigingsbrieven is dat bonafide loonvorderingen zijn toegestuurd en ontvangen en dat die loonvorderingen dus bestaan. Daarmee staat de valsheid van het geschrift mijns inziens reeds vast. De stelling van de stellers van het middel, die aanvoeren dat de brieven niets meer inhouden dan een ontvangstbevestiging en dat voor de beoordeling van de intellectuele valsheid van belang is of de verdachte de loonvorderingen daadwerkelijk heeft ontvangen, kan mijns inziens reeds daarom niet slagen. Daar komt het volgende dan nog bij. Als de brieven in samenhang worden bezien met het onder 2 bewezenverklaarde feit, de bedrieglijke bankbreuk ten aanzien van [A] B.V., dan blijkt dat de arbeidsovereenkomsten, salarisspecificaties en de loonvorderingen zijn gebruikt ter onderbouwing van het beeld dat [A] B.V. noodlijdend was en uiteindelijk ook voor het faillissementsverzoek (bewijsmiddel 20) en de “overname betalingsverplichting” (bewijsmiddelen 21 en 22). De brieven met daarin de ontvangstbevestigingen van de loonvorderingen droegen dus bij aan het beeld dat er vorderingen openstonden. Ook om die reden kan niet gezegd worden dat de brieven slechts een ontvangstbevestiging inhouden. Overigens laat zowel de bewijsvoering als hetgeen door de raadsvrouw in hoger beroep naar voren is gebracht in het midden of de verdachte de (malafide) loonvorderingen daadwerkelijk heeft ontvangen, dus staat – anders dan de stellers van het middel lijken te impliceren − ook niet vast dat de ontvangstbevestigingsbrieven in die zin overeenstemmen met de werkelijkheid dat daadwerkelijk gegevens zijn ontvangen die door de verzender ervan als loonvorderingen zijn aangemerkt.


5.13

De eerste deelklacht faalt.

Tweede deelklacht (medeplegen)




5.14
Bij de bespreking van het middel moet voorop worden gesteld dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Verder kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen.


5.15
Daarnaast is het volgende van belang. Volgens Bakker wordt door het enkele ondertekenen van een geschrift door iemand die weet daartoe onbevoegd te zijn, het geschrift materieel vals opgemaakt nu de handtekening essentieel is voor de relatie schrift-schrijver. Ook bij het intellectueel vals opmaken kan ondertekening van groot gewicht zijn. Men wordt niet geacht “blindelings” te tekenen, maar het geschrevene te hebben gelezen voordat de inhoud door ondertekening wordt bekrachtigd. Ondertekening is echter niet altijd vereist voor het intellectueel vals opmaken, aangezien een geschrift ook zonder handtekening bewijsbestemming kan hebben. Van belang is dus de betekenis van de ondertekening voor de bewijsbestemming van het geschrift.


5.16
De tweede deelklacht verzet zich tegen het bewezenverklaarde medeplegen van de valsheid in geschrift. Het middel betreft enkel de arbeidsovereenkomsten en de salarisspecificaties, maar in de toelichting gaan de stellers van het middel ook in op de brieven met daarin de ontvangstbevestigingen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de stukken in elkaars verlengde liggen, vat ik het middel zo op dat wordt geklaagd over de bewezenverklaring van het medeplegen van de valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van de arbeidsovereenkomsten, salarisspecificaties en de brieven.


5.17
Volgens de stellers van het middel is de bewezenverklaring van het medeplegen onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd. Over de valse arbeidsovereenkomsten voeren de stellers van het middel kort samengevat primair aan dat de bijdrage van de verdachte – het zetten van een handtekening – geen voor medeplegen vereiste intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht behelst maar hoogstens een medeplichtigheidshandeling impliceert nu het valselijk opmaken al was voltooid voordat de handtekening werd gezet, subsidiair dat sprake is van een bijdrage ná het feit en dat ingeval dit als medeplegen wordt aangemerkt een zwaardere motiveringsplicht geldt waaraan het hof niet heeft voldaan, en tot slot dat het niet gaat om een bijdrage van voldoende gewicht zelfs als wordt aangenomen dat het feit door ondertekening een nieuw c.q. ander feit is geworden. Over de ontvangstbevestigingen houdt de toelichting op de deelklacht in dat hoogstens sprake is van handelen ná het feit, waarbij het hof niet heeft voldaan aan de zwaardere motiveringsplicht, en evenmin de functie van die ontvangstbevestigingen voor de bewijsbestemming of bruikbaarheid van andere stukken heeft verduidelijkt. Over de salarisspecificaties voeren de stellers van het middel aan dat het hof niets heeft overwogen over wie deze salarisspecificaties heeft opgemaakt en dat loutere wetenschap van de valsheid van de salarisspecificaties niet voldoende is om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het valselijk opmaken daarvan te komen.


5.18
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep over de arbeidscontracten en salarisspecificaties aangevoerd dat de verdachte deze stukken niet zelf heeft opgemaakt en niet de opdracht heeft gegeven tot het valselijk opmaken, dat hij niet wist dat de arbeidscontracten werden opgemaakt zonder dat sprake was van enig dienstverband, dat hem hooguit kan worden verweten dat hij “hoogst onoplettend en onzorgvuldig en misschien zelfs naïef is geweest” door zijn handtekening op de papieren te zetten.


5.19
Uit de bewezenverklaring volgt dat volgens het hof sprake is van vijf valsheden, kort samengevat: foutieve data van indiensttreding en foutieve data van ondertekening in de arbeidsovereenkomsten, het opmaken van salarisspecificaties terwijl er geen werkzaamheden zijn verricht, het verzenden van ontvangstbevestigingsbrieven met onjuiste inhoud en een onbevoegde ondertekening van de arbeidsovereenkomst met [medeverdachte 1] .


5.20
In het bestreden arrest heeft het hof onder meer overwogen dat de verdachte op 10 juli 2013 middellijk bestuurder van [A] werd, dat het bedrijf op 14 januari 2014 failliet is verklaard, dat bij de faillissementsaanvraag arbeidsovereenkomsten tussen [A] en [medeverdachte 1] en tussen [A] en [medeverdachte 2] zijn overgelegd alsmede daarmee samenhangende salarisspecificaties, dat in het huis van [medeverdachte 2] een harde schijf is aangetroffen met daarop de bij aanvraag overname betalingsverplichting overgelegde arbeidsovereenkomsten, dat beide overeenkomsten als aanmaakdatum 18 november 2013 hebben, terwijl in die overeenkomsten staat dat deze op 21 juni 2013 respectievelijk 22 juli 2013 zijn opgemaakt, dat de overeenkomsten zijn ondertekend door de verdachte die ten tijde van de opmaakdatum van de overeenkomst met [medeverdachte 1] niet bevoegd was om te ondertekenen en ten tijde van de opmaakdatum van de overeenkomst met [medeverdachte 2] wel bestuurder was, dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgemaakt en dat hij door [betrokkene 1] in dienst is genomen terwijl [betrokkene 1] op 22 juli 2013 geen bestuurder meer was en heeft verklaard dat zij [medeverdachte 1] niet kende en geen personeel in dienst heeft willen nemen. Het hof acht het vervolgens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de arbeidsovereenkomsten in vereniging valselijk heeft opgemaakt, dat nu er geen arbeidsovereenkomsten bestonden en alle partijen dit ook wisten, vaststaat dat de salarisspecificaties en de ontvangstbevestigingsbrieven ook vals zijn opgemaakt. Nu verdachte wist dat er geen arbeidsovereenkomsten bestonden, wist hij daarmee volgens het hof ook dat de door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ingediende loonvorderingen vals waren, zodat daarmee vaststaat dat hij ook de ontvangstbevestigingsbrieven valselijk heeft opgemaakt.


5.21
In cassatie staat niet ter discussie dat de verdachte de arbeidsovereenkomsten heeft ondertekend en ook is niet betwist dat de verdachte wist dat de arbeidsovereenkomsten en daarmee de salarisspecificaties en loonvorderingen vals waren.


5.22
Uit bewijsmiddel 8 (in het bestreden arrest opgenomen onder het kopje “Algemeen”) blijkt dat de verdachte heeft verklaard dat hij “in de BV handel” heeft gezeten, dat het hem niet gelukt was te stoppen met de BV-handel omdat “de verleiding te groot was” en dat hij doorgegaan is “vanwege financiële keuze”. Over de BV-handel heeft hij voorts verklaard: “ [medeverdachte 1] of [betrokkene 7] nemen dan contact met mij op. Ik kan dan via hen een BV overnemen. Zij zeggen dat er soms nog wat in de BV zit. Hiermee bedoel ik dat er nog schuld In zitten dan wel rekeningen te vorderen en als ik denk daar kan ik iets mee dan neem ik die BV over. Ik krijg deze B.V,’s gratis, dat kost mij niets. Ik ga dan naar de notaris en de BV’s worden dan overgenomen door mijn [S] . Ik ben van de [S] de bestuurder en verder zit daar niemand in.”


5.23
Dat het hof op grond van uit de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden kennelijk van oordeel is dat de rol van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om als medepleger van de valsheid in geschrift te kunnen worden aangemerkt, acht ik niet onbegrijpelijk. Daartoe is het volgende van belang. Uit de vaststellingen door het hof volgt dat de verdachte de arbeidsovereenkomsten tussen [A] en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft ondertekend, dat deze arbeidsovereenkomsten geantedateerd waren en dat de verdachte ten tijde van het tekenen van de arbeidsovereenkomst van [medeverdachte 1] geen middellijk bestuurder en dus onbevoegd was, en ten tijde van de ondertekening van de arbeidsovereenkomst van [medeverdachte 2] middellijk bestuurder was. De verdachte heeft door de arbeidsovereenkomst met [medeverdachte 2] te ondertekenen een rol in de uitvoering gehad die bovendien van voldoende gewicht is nu hij de handtekening als middellijk bestuurder heeft geplaatst en aan die handtekening een belangrijke betekenis toekomt. Weliswaar kan onder omstandigheden ook zonder ondertekening een arbeidsovereenkomst tot stand zijn gekomen, maar omdat vaak lastig aantoonbaar is dat dit het geval is en wat daarbij definitief is overeengekomen, heeft een handtekening onder een schriftelijke overeenkomst een sterke bewijswaarde. Daarnaast geldt bijvoorbeeld dat voor werkgevers een lage AWf-premie (welke tot financiering van werkeloosheidsuitkeringen strekt) kan gelden indien zij opgave kunnen doen van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die door beide partijen is ondertekend. Het onbevoegd ondertekenen van de arbeidsovereenkomst met [medeverdachte 1] levert op zichzelf al het (materieel) valselijk opmaken op.


5.24
Daar komt bij dat de bijdrage van de verdachte blijkens de bewijsvoering van het hof niet alleen gezocht moet worden in het zetten van een handtekening en het versturen van brieven, maar ook in de “algemene” rolverdeling tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte zoals beschreven in de overwegingen van het hof onder het cursiefkopje “Oordeel van het hof” (zie onder 3.5). Tezamen met de verklaring van de verdachte zelf dat hij in de “BV-handel” zat, dat hij in dat verband werd benaderd om een bv over te nemen waar nog “schuld in zit” dan wel “rekeningen te vorderen” (bewijsmiddel 8), is het niet onbegrijpelijk dat het hof van oordeel is dat de verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de valsheid in geschrift. Evenmin onbegrijpelijk is de redenering van het hof dat nu de verdachte wist dat er geen arbeidsovereenkomsten bestonden, hij ook wist dat de door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ingediende loonvorderingen vals waren. Bovendien kon het hof oordelen dat daarmee ook vaststaat dat hij brieven stuurde ter ontvangstbevestiging van loonvorderingen als ware deze bonafide terwijl hij wist dat dit niet het geval was, zodat die brieven valselijk door hem zijn opgemaakt (zie wat betreft dit laatste ook de bespreking van de eerste deelklacht).


5.25
De tweede deelklacht strandt eveneens.


5.26
Het middel faalt.




6Het vierde middel

6.1
Het middel houdt in dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2024 op grond van art. 327 Sr nietig is nu het maar één handtekening bevat waarvan niet duidelijk is of deze van de rechter of van de griffier is. Uit het arrest van 15 mei 2024 − dat wel twee keer is ondertekend − zou niet blijken welke ondertekening van de griffier is en welke van de raadsheer.


6.2
Bij de bespreking van het middel is van belang dat volgens art. 327 Sv het proces-verbaal van de terechtzitting wordt vastgesteld en ondertekend door de voorzitter of één van de rechters die over de zaak heeft geoordeeld, en door de griffier. De wet eist niet dat bij die ondertekening uitdrukkelijk de namen worden vermeld of de hoedanigheid van degenen die het proces-verbaal hebben ondertekend. Als de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijn medewerking en wordt van zijn verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt. Het enkele feit dat in het proces-verbaal van de verhindering van de griffier geen melding is gemaakt, ontneemt niet de bewijskracht aan dat proces-verbaal.


6.3

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 april 2024 houdt het volgende in:

“Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 17 april 2024.



Tegenwoordig:
mr. [betrokkene 8] , voorzitter,
mr. [betrokkene 9] en mr. [betrokkene 10] , raadsheren,
mr. [betrokkene 11] , griffier.



[…]



Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.



[één ondertekening]”.



6.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 april 2024 is inderdaad voorzien van één handtekening. Het arrest van 15 mei 2024 is voorzien van drie handtekeningen − raadsheer [betrokkene 9] was buiten staat te ondertekenen − waarvan één handtekening herkenbaar als die van de griffier, te weten [betrokkene 11] . Diezelfde handtekening staat eveneens onder de processen-verbaal van de terechtzittingen van 11 mei 2022 en 25 oktober 2023, waarbij [betrokkene 11] de griffier was. Dit is niet de ondertekening die onder het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 april 2024 staat, waarbij [betrokkene 11] eveneens de griffier was. De handtekening onder het proces-verbaal van de terechtzitting moet dus van één van de raadsheren zijn, te meer nu deze ondertekening overeenkomt met één van de handtekeningen van de raadsheren onder het arrest van 15 mei 2024. Bij een vergelijking van de handtekeningen onder het arrest met de ondertekening van de processen-verbaal van de terechtzittingen van 11 mei 2022 en 25 oktober 2023 – waarop de handtekeningen van de raadsheer identiek zijn zodat die alleen van [betrokkene 12] afkomstig kan zijn aangezien hij de enige van de bij de zittingen betrokken raadsheren was die op beide zittingen zat – kan worden vastgesteld welke handtekening onder het arrest van [betrokkene 12] is, zodat de enige nog overblijvende handtekening onder het arrest wel van [betrokkene 10] moet zijn. Die handtekening vertoont duidelijk overeenkomst met de handtekening onder het proces-verbaal van 17 april 2024, zodat kan worden geconcludeerd dat die ondertekening afkomstig is van [betrokkene 10] .


6.5
Uit navraag bij het hof is gebleken dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 april 2024 abusievelijk niet is ondertekend door de griffier.


6.6
Uit het bovenstaande volgt dat niet is voldaan aan het voorschrift van art. 327 Sv, nu het proces-verbaal niet is ondertekenend door de griffier en in het proces-verbaal geen melding is gemaakt van de verhindering. Het middel klaagt daarover terecht. Gelet op het onder 6.2 vooropgestelde en in het licht van hetgeen bij het hof is nagevraagd leidt dat echter niet tot cassatie. Gelet op de ingewonnen inlichtingen moet immers worden aangenomen dat de zittingsgriffier buiten staat was het proces-verbaal vast te stellen en te ondertekenen. In het licht daarvan en in aanmerking genomen dat het proces-verbaal wel is ondertekend door een raadsheer, ontneemt het enkele feit dat in het proces-verbaal van de verhindering van de griffier geen melding is gedaan niet de bewijskracht aan dat proces-verbaal.




7Het vijfde middel

7.1
Het middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.


7.2
Namens de verdachte is op 27 mei 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 januari 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden met 2 dagen, terwijl een voortvarende afdoening in cassatie niet meer mogelijk is. Het middel klaagt daarover terecht. Erop gelet dat de overschrijding minder dan één maand beloopt, kan de Hoge Raad volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM.




8Afronding

8.1
Het eerste, tweede, derde en vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het vijfde middel is terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden.


8.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de instelling van het cassatieberoep op 27 mei 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden. Dat moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.


8.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.


De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden




AG




R. Verheul, in: T&C Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer, comm. art. 341 (oud) Sr, aant. 18 (online, actueel t/m 1 juli 2016), C.M. Hilverda, De bestrijding van faillissementsfraude: waar een wil is, .. … .., Kluwer: Deventer 2012, p. 25 e.v, C.M. Hilverda, Faillissementsfraude. Een studie naar de strafrechtelijke handhaving van faillissementsrechtelijke normen, Kluwer: Deventer 2009, par. 10.4 t/m 10.6. Zie ook conclusie A-G Machielse voor HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:430, NJ 2017/150, randnr. 3.5.


Uit de bewijsmiddelen volgt dat de curator de verdachte “eenmaal kort telefonisch” heeft gesproken, dat de verdachte hem weigerde te woord te staan omdat hij als oud-bestuurder van [S] “niets te maken had” met de curator, dat de curator hem schriftelijk heeft gevraagd mee te delen of hij kan aantonen dat hij de administratie aan een opvolgend bestuurder heeft overgedragen en als dat niet het geval is dat hij mogelijk zou kunnen worden aangesproken over het tekort in de boedel, en dat de verdachte de curator hier ook niet over wilde spreken (bewijsmiddel 28). Ook blijkt dat de curator met [betrokkene 6] heeft gesproken en dat zij verklaarde dat ze niet wist waar de administratie van [B] was en dat ook [medeverdachte 1] had verklaard dit niet te weten (bewijsmiddel 28).


Uit de bewijsmiddelen volgt dat [S] met ingang van 22 februari 2012 enig aandeelhouder (bewijsmiddel 33) en algemeen directeur (bewijsmiddel 31) van [B] was, dat de verdachte van 28 augustus 2009 tot 19 november 2012 voorzitter, secretaris en penningmeester was van [S] (bewijsmiddel 32), dat vanaf 19 december 2012 [T] middellijk bestuurder van [B] was (bewijsmiddel 28) en dat [betrokkene 6] van 28 september 2021 tot en met 1 april 2013 de bestuurder van [T] was.



Kamerstukken II 1988-89, 21186, nr. 3, p. 11.


F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, Arnhem: Gouda Quint BV 1985, p. 97.


HR 14 mei 1957, ECLI:NL:HR:1957:212, NJ 1957/472 m.nt. Röling en HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3286, NJ 2009/56, r.o. 3.4.


F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, Arnhem: Gouda Quint BV 1985, p. 54.


F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, Arnhem: Gouda Quint BV 1985, p. 57.


Zie A-G Knigge, conclusie voor HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2958, NJ 2018/36 m.nt. Mevis, randnr. 3.8.


Vgl. HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:4, r.o. 2.3.1.


F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, Arnhem: Gouda Quint BV 1985, p. 89. E.J. Hofstee in: Noyon/Langemeijer/ Remmelink Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer, art. 225 Sr, aant. 4.3 (online, bijgewerkt t/m 14 januari 2017).


F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, Arnhem: Gouda Quint BV 1985, p. 94.


Zie art. 2.4 Besluit Wfsv (nadere voorwaarden voor toepassing van het lage percentage van de AWf-premie) en de toelichting in Kennisdocument Premiedifferentiatie WW, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, versie 1.8, februari 2025, par. 2.7, 2.9.


HR 27 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0442, NJ 1989/404, r.o. 4.


Ingevolge de laatste zin van art. 327 Sv. Zie ook HR 29 november 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4698, NJ 1967/116 m.nt. Pompe.


In HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2651, NJ 2010/45 was het proces-verbaal van de terechtzitting niet ondertekend door de zittingsgriffier, maar wel door de voorzitter en door een gerechtssecretaris die, zo bleek uit navraag bij het hof, “vanwege werkdruk” van de zittingsgriffier het proces-verbaal had uitgewerkt en ondertekend. De Hoge Raad oordeelde in r.o. 3.4 dat het middel terecht klaagde dat niet aan het voorschrift van art. 327 Sv was voldaan, maar dat dit niet tot cassatie behoefde te leiden. Gelet op de ingewonnen inlichtingen moest aangenomen worden dat de zittingsgriffier buiten staat was het proces-verbaal vast te stellen en te ondertekenen. A-G Vegter merkt in zijn conclusie voor het arrest het volgende − onder verwijzing naar onder meer HR 7 juni 1988, NJ 1989/166 en A.J. Blok en L.Ch. Besier, Het Nederlands strafproces (Tweede Deel), Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1925, p. 107 − op: “De gedachte achter het voorschrift dat als de griffier is verhinderd dat wordt vermeld aan het slot van het proces-verbaal is dat duidelijk wordt dat de handtekening van de griffier niet ontbreekt omdat de griffier de inhoud van het proces-verbaal niet voor zijn verantwoording wil nemen” (randnr. 14).


In deze handtekening is zichtbaar een “ [voorletter betrokkene 11] ” en “ [achternaam betrokkene 11] ” te zien.


HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, r.o. 3.2.