Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:512

2026-06-02 Strafrecht 25/00870
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-06-02
Publicatiedatum
2026-05-22
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/00870
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Poging doodslag. Falend middel over motivering bewezenverklaring. Hof heeft onder meer vastgesteld dat verdachte aangever op grond heeft geduwd en meermaals tegen hoofd heeft geslagen/gestompt als gevolg waarvan aangever zijn nekwervel heeft gebroken, meervoudige breuken in rechterzijde van zijn schedel heeft opgelopen en potentieel dodelijke bloeding tussen schedelbot en harde hersenvlies heeft opgelopen, met epileptische toevallen en bewustzijnsdaling ten gevolge, waardoor medische spoedingrijpen hebben moeten plaatsvinden om overlijden door ingeklemde hersenen te voorkomen. Op basis daarvan kon hof kon oordelen dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Citeert (16)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.995 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN




Nummer 25/00870

Zitting 2 juni 2026



CONCLUSIE



D.J.M.W. Paridaens



In de zaak




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.





1Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 3 maart 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich tot en met 28 februari 2026 niet zal ophouden in een in het arrest nader omschreven gebied. Daarbij heeft het hof bevolen dat deze voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is. Verder heeft het hof de aftrek van voorarrest bevolen en beslist op de vordering van de benadeelde partij en in dit verband aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel in de zin van art. 36f Sr opgelegd.


1.2
Namens de verdachte heeft A.W. Syrier, advocaat in Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.





2Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof de bewezenverklaring van de poging tot doodslag ontoereikend heeft gemotiveerd.


2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:


“hij op 11 maart 2023 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven
- die [slachtoffer] op de grond heeft geduwd en
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermaals tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt en tegen het lichaam heeft getrapt/geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.



2.3
De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:


“1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 februari 2025:



De voorzitter merkt op:



Vanaf 18:11 komen twee personen aanlopen bij de grijze auto. Bent u een van die twee personen?



De verdachte verklaart:



Ja.



2. Het proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2023, genummerd 20230404.0737, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :



Op vrijdag 31 maart 2023 ontving ik per e-mail het volgende antwoordt vanuit het IRC: ' [verdachte] werd op 12/11/2019 opgesloten in de gevangenis van Douai (59) waar hij werd veroordeeld tot 1 jaar en 09 maanden gevangenisstraf voor het vervoeren en bezitten van drugs. Volgens onze database werd hij op 17/01/2021 vrijgelaten.'
Conclusie:
Uit de antwoorden die ik, verbalisant, heb ontvangen blijkt dat zowel het slachtoffer, [slachtoffer] , als de verdachte, [verdachte] , gedetineerd hebben gezeten in Frankrijk, Douai.



3. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 12 maart 2023, genummerd PL0600-2023109149-9, pagina’s 118 tot en met 120, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van aangever:



Ik kwam die zaterdag [verdachte] weer tegen. Ik heb met [verdachte] vastgezeten in Frankrijk. Die zaterdag kom ik hem tegen, hij zei tegen mij: ‘Hoe noemde je mij in Frankrijk’ Ik zei tegen hem dat ik al twee jaar buiten loop dus dat ik het niet meer weet. Toen wou hij mij slaan maar hij miste, wat ik weet. Ik ben nog bij een maatje van mij geweest. Dit maatje van mij vertelde dat ik bloed had. Hij heeft mijn hoofd nog schoongemaakt en toen ben ik ergens nokkie gegaan.



4. Het proces-verbaal van bevindingen van 12 maart 2023, genummerd 20230312.1336, pagina’s 80 en 81 voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ::



Op zondag 12 maart 2023 waren wij belast met een buurtonderzoek naar aanleiding van een zware mishandeling gepleegd op 11 maart 2023 omstreeks 18:30 uur ter hoogte van de [a-straat 1] te [plaats] . Wij spraken telefonisch met zoon van de bewoner van de [a-straat 2] te [plaats] . De zoon heette [getuige 1] en stond ten tijde van de mishandeling op een paar meter afstand van het slachtoffer. Hij verklaarde aan ons dat:
- Hij het slachtoffer kende
- Hij die avond met het slachtoffer onderaan de trap stond op de stoep voor perceel [2]
- Op nummer [2] zijn ouders woonden
- Hij op een gegeven moment 2 personen de [a-straat] in zag lopen
- Deze beide mannen uit de richting kwamen van de [b-straat]
- Hij zag dat het slachtoffer een beetje in shock raakte toen hij die mannen aan zag komen lopen
- Hij hoorde dat 1 van de mannen het slachtoffer riep en zei dat hij bij hem moest komen
- Hij zag dat de andere man niets deed en weg liep
- Hij zag dat het slachtoffer met de man aan de overkant van de weg gingen praten
- Hij op een paar meter afstand van slachtoffer en de man stond
- Hij hoorde de man zeggen: 'Wat zei je vorige keer over mij'.
- Hij niet goed kon horen waar het gesprek over ging
- Hij de man niet kende waarmee het slachtoffer in gesprek was
- Hij zag dat het slachtoffer weg van de man liep
- Hij zag dat deze man ineens het slachtoffer op de grond gooide
- Hij zag dat het slachtoffer op het bovenste deel van zijn lichaam werd geschopt en geslagen
- Hij en nog een buurman vervolgens de man van het slachtoffer hebben afgehaald
- Hij zag dat deze man vervolgens in de richting van de [c-straat] weg was gelopen
- Hij niet had gezien waar de man naar toe was gelopen
- Hij de man die het slachtoffer had geslagen als volgt kon omschrijven:



- Antilliaanse / Surinaamse man
- Rond de 40 jaar
- 160-170 lang
- Dik postuur/ niet gespierd
- Droeg een zwarte joggingsbroek
- Droeg zwarte bovenkleding / onbekend jas of trui of capuchon
- Weinig haar op zijn hoofd en gezicht



5. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris van 21 juni 2023, pagina’s 224 en 225 voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van getuige:



Ik zag ineens twee jongens de bult op komen lopen. Eén jongen was wat donker en wat forser en de andere had een lichtere huidskleur. Zij riepen [slachtoffer] bij hen. Voordat ik weer naar rechts keek, zag ik [slachtoffer] wegrennen en hij viel in de struiken. Ik zag dat de verdachte naar rechts rende en [slachtoffer] in de struiken duwde. Toen [slachtoffer] in de struiken lag, heb ik samen met een andere jongen de donkere man van [slachtoffer] afgetrokken. Ik zag de man een vuist geven op het bovenlichaam van [slachtoffer] , daarna hebben wij de donkere jongen van [slachtoffer] afgetrokken. (..)
Hij kreeg een klap op zijn bovenlichaam. Ik weet niet hoeveel klappen hij heeft gehad. Ik schrok ervan, dus ik denk wel dat het hard ging. Ik stond een joint te roken en ineens lag er iemand knock-out naast mij op de grond. Hier schrok ik wel van. Zoiets maak je niet dagelijks mee. (...)
Ik heb hem horen zeggen: "Wat zei je de vorige keer over mij", dat was op het moment dat de verdachte [slachtoffer] bij hem riep, voordat het uit de hand liep.



6. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 11 maart 2023, genummerd PL0600-2023109149-8, pagina’s 70 en 71 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van getuige:



Plots zag ik dat er een manspersoon op de grond werd geduwd. Dit gebeurd ter hoogte van de vuilniscontainer tegenover mijn woning. Deze persoon werd op de grond geslagen door een andere manspersoon. Ik zag dat de man tegen de voeten van het slachtoffer trapte. Ik zag ook dat hij vuistslagen gaf in het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat hij dit deed met zijn rechterhand. Ik zag meerdere mensen om deze twee mannen heen staan.
Ik kan de man die sloeg als volgt omschrijven:
- man
- ongeveer 40 jaar;
- ongeveer 170;
- donkere huidskleur, mogelijk Surinaams/ Antilliaans
- kaal
- stevig postuur:
- geen gezichtsbeharing
- donkerblauwe jas met capuchon.



Ik zag dat mijn buurman deze man van het slachtoffer af trok en duwde de man weg. De man is vervolgens weggelopen in de richting van de [c-straat]. Het slachtoffer bleef liggen op de grond.



[…]




8. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten de Forensisch Medische Letselrapportage opgesteld door [naam 1] ,



[DP: Hier is een tabel weergegeven waarin gegevens omtrent de letselrapportage worden opgesomd, zoals de naam en het NRGD-nummer van de deskundige, het parketnummer van de zaak, de benoemingsdatum en de naam van de OvJ die de deskundige heeft benoemd. Voor de bewijsvoering is dit verder niet van belang]



Hierbij heeft betrokkene schedel- en hersenletsel rechts opgelopen gepaard gaand met epileptische insulten en een comateuze toestand, waarvoor betrokkene een spoedoperatie heeft ondergaan.



Samenvattend was er bij betrokkene sprake van schedel- en hersenletsel rechts op basis van een meervoudige breuk in de rechterzijde van de schedel (indeuking) en delen van de rechterzijde van het aangezicht, met bloedingshaarden in de rechter hersenhelft en een bloeding tussen het schedelbot en het harde hersenvlies (epiduraal hematoom) aan de rechterzijde, alsmede een breuk in de nek ter hoogte van de 6e en 7e nekwervel, waarop betrokkene last kreeg van epileptische toevallen en een bewustzijnsdaling, waarvoor een medische spoedingreep heeft plaatsvonden om overlijden t.g.v. ingeklemde hersenen te voorkomen.



Het totale letselbeeld zoals bij betrokkene in het ziekenhuis vastgesteld kan zonder gerede twijfel als levensbedreigend worden gekwalificeerd (AIS-score van 4 of hoger). Zonder medische interventie was de kans op overlijden groot geweest.”



2.4
Verder heeft het hof de volgende bewijsoverwegingen in het arrest opgenomen:


“Standpunt van de advocaat-generaal



De advocaat-generaal heeft gevorderd – kort en zakelijk weergegeven – dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.




Standpunt van de verdediging




De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte niet degene is geweest die aangever [slachtoffer] heeft mishandeld. Het door de getuigen opgegeven signalement is onvoldoende specifiek en verdachte is niet te herkennen op de camerabeelden rond het tijdstip van de mishandeling. Daarbij heeft verdachte geen motief gehad om op aangever geweld uit te oefenen.
Voor zover het hof daar anders over zou oordelen, heeft de raadsman het (voorwaardelijk) opzet betwist, nu geen aanmerkelijke kans bestond op het intreden van de dood of op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel.
Wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.




Oordeel van het hof




Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.



Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.




Geweldshandelingen




Op 11 maart 2023 omstreeks 18:30 uur zijn tegen aangever [slachtoffer] geweldshandelingen verricht, waarbij aangever zwaar letsel is toegebracht. Volgens aangever heeft verdachte dat gedaan. Hij verklaart daarover dat hij met verdachte in Frankrijk heeft vastgezeten en dat toen hij verdachte tegenkwam op 11 maart 2023 verdachte zei: ‘Hoe noemde je mij in Frankrijk’. Verdachte wilde aangever toen slaan, maar hij miste. Verdachte heeft verklaard dat hij daarna ‘een stuk film’ kwijt is.



Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij met aangever onderaan de trap stond op de stoep voor perceel [2] aan de [a-straat] in [plaats] . Hij zag twee mannen uit de richting van de [b-straat] komen lopen. Een van de mannen riep naar verdachte dat hij bij hem moest komen. De andere man is doorgelopen. [getuige 1] hoorde de man zeggen: ‘Wat zei je vorige keer over mij?’. Aangever liep hierna bij de man weg. Kort daarna werd aangever door de man op de grond gegooid. [getuige 1] zag dat aangever op het bovenste deel van zijn lichaam werd geschopt en geslagen. Samen met een buurman heeft [getuige 1] de man van aangever afgehaald. Hij omschreef de man als Antilliaans of Surinaams, rond de 40 jaar, met een lengte van 160 tot 170 cm, een dik postuur en niet gespierd. De man droeg een zwarte joggingbroek en zwarte bovenkleding. Volgens [getuige 1] had de man weinig haar op zijn hoofd en gezicht. Bij de rechter-commissaris verklaarde [getuige 1] dat aangever buiten bewustzijn (‘knock out’) was; hij reageerde niet meer. [getuige 1] verklaarde verder dat hij van het geweld schrok en dacht dat het hard ging.



Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat aangever op de grond werd geduwd. [getuige 2] heeft gezien dat de man tegen de voeten van aangever trapte en dat hij met zijn rechterhand vuistslagen in zijn gezicht gaf. Na de mishandeling bleef aangever op de grond liggen. [getuige 2] zag dat haar buurman deze man van aangever wegtrok. [getuige 2] omschreef verdachte als een man van ongeveer 40 jaar oud en een lichaamslengte van ongeveer 170 cm. Hij had een donkere huidskleur en was mogelijk van Surinaamse of Antilliaanse afkomst. De man was kaal, zonder gezichtsbeharing en had een stevig postuur. Hij droeg een donkerblauwe jas met capuchon.



Na analyse van camerabeelden afkomstig van de [c-straat 1] in [plaats] zag verbalisant omstreeks 18.11 uur een man lopen die overeenkwam met het signalement van verdachte. De [c-straat] is niet ver verwijderd van de plaats delict. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof ook erkend dat hij de persoon is op deze camerabeelden. Daaruit blijkt dat hij vlak voor het geweldsdelict in de buurt van de plaats delict is geweest. Het hof ziet dan ook geen redenen om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat het verdachte is geweest die hem heeft aangevallen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat aangever en verdachte elkaar kennen.




Betrokkenheid verdachte




Het hof acht op grond van de bovenstaande feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is die zich schuldig heeft gemaakt aan de geweldshandelingen tegen aangever.




Letsel




Als gevolg van het geweld is aangever enkele minuten buiten bewustzijn geraakt. Nadat aangever bij bewustzijn was gekomen, leek het letsel in eerste instantie mee te vallen, maar in het ziekenhuis daalde het bewustzijn van de aangever en werd geconstateerd dat hij ernstig letsel had opgelopen en in levensgevaar verkeerde, waardoor een spoedoperatie noodzakelijk was.



Uit de letselrapportage opgesteld op 30 juni 2023 door forensisch arts [naam 1] volgt kort samengevat dat het letsel bij de aangever bestond uit schedel- en hersenletsel rechts op basis van een meervoudige breuk in de rechterzijde van de schedel (indeuking) en delen van de rechterzijde van het aangezicht, met bloedingshaarden in de rechter hersenhelft en een bloeding tussen het schedelbot en het harde hersenvlies (epiduraal hematoom) aan de rechterzijde, alsmede een breuk in de nek ter hoogte van de 6e en 7e nekwervel, met epileptische toevallen en een bewustzijnsdaling ten gevolge, waarvoor een medische spoedingreep heeft moeten plaatsvinden om overlijden t.g.v. ingeklemde hersenen te voorkomen. Het letsel wordt zonder gerede twijfel als levensbedreigend gekwalificeerd (AIS- score van 4 of hoger). Zonder medische interventie was de kans op overlijden groot geweest. Gelet op de ernst van het hersenletsel is aangever in coma gebracht.




Aanmerkelijke kans op de dood




Het hof ziet zich voor de vraag gesteld hoe de door verdachte uitgeoefende geweldshandelingen jegens aangever juridisch gekwalificeerd moeten worden. Om tot een bewezenverklaring van poging doodslag te komen, dient het hof vast te stellen dat het opzet van verdachte op de dood van aangever was gericht, waarbij voorwaardelijk opzet voldoende is. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.



Uit op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat aangever eerst op de grond is geduwd en vervolgens, terwijl hij op de grond lag, meermalen met kracht op het hoofd is geslagen. Getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij is geschrokken van de klappen die aangever heeft gekregen. Het geweld tegen aangever is enkel gestopt doordat [getuige 1] en zijn buurman verdachte van aangever hebben afgetrokken. Daarnaast heeft [getuige 1] verklaard dat aangever buiten bewustzijn is geraakt (‘knock-out’). Uit de verklaring van de getuige blijkt niet van enige terughoudendheid van verdachte bij het slaan/stompen van aangever, noch in de plaats waar hij hem raakte, noch in de kracht van zijn inzet. Het hof leidt daaruit af dat het slaan/stompen in het gezicht met grote kracht is gebeurd, terwijl aangever weerloos (met zijn hoofd) op een harde (onder)grond lag.



Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel is. Als gevolg van het met grote kracht op het hoofd slaan/stompen zijn de schedel en twee nekwervels gebroken en bloedingen in de hersenen en tussen het schedelbot en het harde hersenvlies ontstaan. Hierdoor heeft aangever dusdanig zwaar (hersen-)letsel opgelopen dat de kans op overlijden, zelfs met medisch ingrijpen, groot was.



De hiervoor beschreven geweldshandelingen van verdachte moeten naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de dood van aangever dat het naar het oordeel van het gerechtshof niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Het hof concludeert hieruit dat verdachte voorwaardelijke opzet heeft gehad op de dood van aangever en daarmee acht het hof het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.”



2.5
In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte zonder enige terughoudendheid de aangever heeft geslagen dan wel heeft gestompt en ook niet dat het slaan dan wel stompen in het gezicht met grote kracht is gebeurd, terwijl de aangever weerloos met zijn hoofd op een harde ondergrond lag. In dit verband voert de steller van het middel aan dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de aangever in de struiken was geduwd, hetgeen indiceert dat de ondergrond niet hard was. Ten tweede wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat het letsel het gevolg is van het slaan dan wel stompen tegen het hoofd, nu blijkt dat de aangever op de grond is geduwd en daadwerkelijk op de grond is gekomen. Ik begrijp de steller van het middel ten aanzien van dit tweede punt zo dat hij meent dat de bewijsmiddelen de mogelijkheid openlaten dat het letsel door de val is ontstaan, hetgeen van belang is, omdat het op de grond duwen van de aangever niet zonder meer de aanmerkelijke kans op de dood in het leven roept noch kan worden gezegd dat het op de grond duwen een handeling is waaruit blijkt dat de verdachte de kans op de dood heeft aanvaard.


2.6
Het inmiddels welbekende juridisch kader inzake voorwaardelijk opzet komt er in de kern op neer dat bij beantwoording van de vraag of de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans (dat wil zeggen een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid) heeft aanvaard dat een bepaald gevolg zou intreden afhankelijk is van de omstandigheden van het geval waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Hierbij is van belang dat sommige gedragingen naar hun aard zozeer gericht zijn op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.


2.7

Wat betreft geweldshandelingen tegen het hoofd geldt dat deze onder omstandigheden voldoende kunnen zijn voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Of van een geweldsuitoefening tegen het hoofd kan worden gezegd dat dit de aanmerkelijke kans op de dood in het leven roept en dat de verdachte deze ook heeft aanvaard, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen de volgende omstandigheden maatgevend zijn:
i) de kracht waarmee de geweldshandelingen zijn toegepast (waarbij het lichaamsgewicht en de geoefendheid van de dader een rol kunnen spelen; ook het opgelopen letsel kan in beginsel een indicatie vormen van de kracht van het geweld);
ii) de precieze plek op het hoofd van het slachtoffer waarop het geweld is uitgeoefend;
iii) het gebruik van eventuele slagwapens (waarbij ik wel meteen de kanttekening plaats dat het gebruik van een wapen niet is vereist voor een veroordeling voor poging tot doodslag);
iv) de duur en frequentie van de geweldhandelingen en
v) de toestand van het slachtoffer voordat het geweld werd toegepast (denk aan een reeds bestaande aandoening of een gevorderde leeftijd; deze kunnen de a priori kans op overlijden bij het toepassen van geweld vergroten).



2.9
Toegepast op de onderhavige zaak leidt het voorgaande ertoe dat het oordeel van het hof wat mij betreft in stand kan blijven. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de aangever op de grond heeft geduwd en vervolgens vuistslagen in (onder meer) zijn gezicht heeft gegeven als gevolg waarvan de aangever knock-out is gegaan. De geweldsuitoefening is kennelijk zo ernstig geweest dat de aangever, zo blijkt uit de tot het bewijs gebezigde letselbeschrijving, zijn nekwervel heeft gebroken, meervoudige breuken in de rechterzijde van zijn schedel heeft opgelopen en een potentieel dodelijke bloeding tussen het schedelbot en het harde hersenvlies heeft opgelopen, dit alles met epileptische toevallen en een bewustzijnsdaling ten gevolge, waardoor een medische spoedingreep heeft moeten plaatsvinden om overlijden door ingeklemde hersenen (ik begrijp door de epidurale bloeding) te voorkomen. Dit alles maakt dat het hof kon oordelen dat de verdachte de aangever, nadat hij deze op de grond had geduwd, meerdere malen en met kracht op het hoofd heeft geslagen en dat de verdachte, gezien deze naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer op de dood van de aangever gerichte handelingen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever als gevolg hiervan zou komen te overlijden. Ik merk in dit verband ten overvloede op dat het geweld pas ten einde is gekomen niet als een gevolg verdachtes beslissing om te stoppen met slaan, maar door ingrijpen van omstanders.


2.10
Hetgeen in de schriftuur wordt aangevoerd doet daar niet aan af. Gezien de tot het bewijs gebezigde getuigenverklaring van [getuige 1] die inhoudt dat hij “schrok” van het geweld en dat het “hard ging” alsmede de voornoemde letselbeschrijving kon het hof oordelen dat de verdachte zonder enige terughoudendheid de aangever heeft geslagen en gestompt en dat dit met grote kracht is gebeurd. De feitelijke vaststelling omtrent de hardheid van de ondergrond is voorbehouden aan het hof en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Nu zelfs als de grond bedekt was met struikgewas, de ondergrond hard kan zijn, acht ik deze vaststelling niet onbegrijpelijk. Tot slot lijkt het mij op basis van de bewijsmiddelen evident dat het letsel niet zozeer is ontstaan door de duw en de val, maar door het geweld dat de verdachte daarna op de aangever in een kwetsbare positie heeft uitgeoefend. Het hof kon dus zo oordelen. Ik wijs erop dat ter terechtzitting geen verweer is gevoerd over de hardheid van de ondergrond van het struikgewas noch een alternatief scenario naar voren is gebracht waarin de aangever als gevolg van de duw op ongelukkige wijze ten val is gekomen en dat daardoor, en niet door het stompen door de verdachte, het letsel bij de aangever is ontstaan.


2.11
Het middel faalt in al zijn onderdelen.





3Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.


3.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.


3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.


De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden



AG




Het parketnummer van deze zaak is 21-005279-23.


HR 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:51, r.o. 2.3.1-2.3.3.


In beginsel, want het is niet uitgesloten dat het slachtoffer door een ongelukkige samenloop van omstandigheden veel ernstiger letsel oploopt dan aan de hand van het toegepaste geweld was te verwachten.


Het lijkt me dat mag worden aangenomen dat (forse) geweldsuitoefening tegen de slaap, hetgeen een zeer kwetsbaar deel van het hoofd is, een aanmerkelijke kans op de dood in het leven roept. Vgl. HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2487 (het tegen de grond duwen en meermalen met geschoeide voet tegen het hoofd (in de buurt van de slaap) van het slachtoffer schoppen en met kracht en meermalen met gebalde vuist tegen diens hoofd slaan; HR: art. 80a RO).


Zie bijvoorbeeld HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1234, r.o. 3.2 (met koevoet meermalen hard op hoofd slachtoffer slaan); HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1961 (meermalen met een revolver tegen hoofd slachtoffer slaan; HR: art. 80a RO); HR 14 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2866 (tweemaal met klauwhamer op hoofd slachtoffer slaan; HR: art. 81 RO); HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1084 (met ijzeren stang op het hoofd slaan; HR: art. 80a RO) HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2001 (met steel van een bijl op hoofd slachtoffer slaan; HR: art. 80a RO); HR 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1784 (met tas met blikjes bier en met zijn vuist tegen hoofd van slachtoffer slaan en vervolgens op diens hoofd stampen; HR: art. 80a RO); HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:489 (met kracht met gebalde vuist en met honkbalknuppel tegen hoofden en lichamen van slachtoffers slaan; HR: art. 81 RO); HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:822 (met breekijzer tegen het hoofd slaan; HR: art. 80a RO).


Zie wederom HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2487 (het tegen de grond duwen en meermalen met geschoeide voet tegen het hoofd (in de buurt van de slaap) van het slachtoffer schoppen en met kracht en meermalen met gebalde vuist tegen diens hoofd slaan; HR: art. 80a RO). Zie ook HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3638 (onder meer meermalen als een razende met vuisten op het hoofd slaan en vervolgens met geschoeide voet meermalen tegen het hoofd schoppen, terwijl slachtoffer na eerste schop zijn bewustzijn had verloren; HR: art. 81 RO); HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:216 (meerdere malen tegen hoofd trappen en slaan; HR: art. 80a RO); HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:603 (meermalen met kracht tegen hoofd schoppen en tegen lichaam slachtoffer slaan; HR: art. 81 RO) en HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1113 (met kracht tegen gezicht trappen en slaan, terwijl die ander op de grond ligt; HR: art. 80a RO).


HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, r.o. 3.3.