Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:489
2025-04-01
Strafrecht
23/02742
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:489 → ECLI:NL:GHAMS:2023:1587
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:489 → ECLI:NL:PHR:2025:239
Inhoudsindicatie
Medeplegen poging tot doodslag op 2 personen door hen met honkbalknuppel te slaan en met kracht met gebalde vuist tegen hun hoofden en lichamen te slaan, nadat gestolen bromfiets van dochter van verdachte door 1 van hen te koop is aangeboden (art. 287 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg van medeplegen poging tot doodslag en veroordeling voor medeplegen poging tot zware mishandeling. Bewijsklacht voorwaardelijk opzet op dood, art. 287 Sr. HR: art. 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (4)
- ECLI:NL:PHR:2026:767 Parket bij de Hoge Raad 18-08-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:768 Parket bij de Hoge Raad 18-08-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:512 Parket bij de Hoge Raad 02-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:302 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (1.620 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02742
Datum 1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juli 2023, nummer 23-002040-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Bektesevic, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.
STRAFKAMER
Nummer 23/02742
Datum 1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juli 2023, nummer 23-002040-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Bektesevic, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.