Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:767
2026-08-18
Strafrecht
24/04135
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:1014 Rechtbank Midden-Nederland 18-03-2022
- ECLI:NL:HR:2023:40 Hoge Raad 24-01-2023
- ECLI:NL:HR:2025:489 Hoge Raad 01-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.760 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04135
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 31 oktober 2024 (parketnummer 21-001295-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens het onder 1 primair bewezen verklaarde "medeplegen van poging tot doodslag" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, waarbij als bijzondere voorwaarden een locatie- en een contactverbod zijn opgelegd, en met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 2.713,12 in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het hof de gijzeling heeft bepaald op ten hoogste zevenendertig dagen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.G. Vos, advocaat in Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Er bestaat samenhang met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (24/04133). In deze zaak, waarin M.G. Vos een op die medeverdachte toegesneden maar verder in essentie identiek middel heeft voorgesteld, zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het middel bevat een motiveringsklacht over het bewijs van het voorwaardelijk opzet, waarmee met name het bewijs van de ‘aanmerkelijke kans’ op de dood van het slachtoffer wordt aangevochten.
De zaak
4. De zaak heeft betrekking op geweldshandelingen die zich 14 juli 2021 tegen middernacht hebben voorgedaan in park [A] in [plaats]. Vast staat dat de verdachte samen met de medeverdachte geweldshandelingen heeft gepleegd tegen het slachtoffer. De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van het medeplegen van poging tot doodslag en de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en hem veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 primair bewezen verklaard dat:
“hij, op 14 juli 2021, te [plaats], tezamen en in vereniging, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- die [slachtoffer], meermalen, (met kracht) in/tegen/op het gezicht/hoofd, althans het lichaam, heeft getrapt en/of gestompt (terwijl die [slachtoffer] (weerloos) op de grond lag en werd (vast)gehouden) en
- die [slachtoffer], meermalen, (met kracht) in/tegen/op het gezicht/hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt (terwijl die [slachtoffer] (weerloos) op de grond lag en werd (vast)gehouden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.
6. Deze bewezenverklaring rust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van voetnoten):
“Het proces-verbaal van bevindingen, p. 30 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Op woensdag 14 juli 2021 omstreeks 23:04 uur ontvingen wij, verbalisanten, het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] naar aanleiding van een melding van een mishandeling. Ter plaatse troffen wij [slachtoffer] in de woning.
Ik zag dat [slachtoffer] bloedde vanuit sneden in het gezicht. Ik zag dat het gezicht van [slachtoffer] gezwollen was en meerdere bloeduitstortingen had. Ik hoorde [slachtoffer], onder andere, het volgende verklaren:
- Ik hoorde al enige tijd geschreeuw komen vanaf de ‘heuvel’ in het park, ik vermoedde dat dit wat jeugd was die daar rondhing;
- Dit gebeurd wel vaker en daarom pakte ik mijn zaklamp en liep ik naar de groep toe:
- Ik zag een groepje van 3 a 4 jongeren;
- Ik vermoed dat de jongens onder invloed waren;
- De sfeer was direct vijandelijk;
- 1 jongen in het bijzonder was opvallend agressief, ik kan hem als volgt omschrijven;
- Ongeveer 20 jaar oud, getint (mogelijk Marokkaans), beige shirt, ongeveer 1. 74 meter lang, slank postuur.- Deze jongen was de meest agressieve van de groep;
- Hij sloeg mij en werkte mij naar de grond;
- Ik heb mijzelf, als zelfverdediging proberen te verweren en sloeg terug;
- Hierna, toen ik op de grond lag, bleven meerdere jongens mij op en tegen mijn hoofd trappen.
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 20 t/m 22 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Ik ben gisteravond, dat was op woensdag 14 juli 2021 mishandeld door meerdere personen. Die avond liep ik omstreeks 23:00 uur richting de heuvel tegenover de woning van mij en mijn vrouw. Ik had mijn bril op en mijn zakklamp in de hand. Toen hoorde ik alleen maar geluid, de mensen schreeuwen en roepen en muziek. Vervolgens scheen ik die kant op en toen kwam er heel snel een jongeman op mij aflopen.
Die kwam vanaf boven de heuvel de trap aflopen. Ik noem dit jongen 1. Ik scheen hem vol in zijn gezicht. Ik kan jongen 1 als volgt omschrijven:
- Mijn gevoel zegt Marokkaanse afkomst. Gezien het uiterlijk en de manier waarop hij sprak;
- vaal wit of bruin t-shirt aan:
- donker gekleurde trainingsbroek. De stof zag er vlodderig en glanzend uit;
- kort zwart kapsel:
- smal gezicht met een wilde blik;
- zijn houding was erg intimiderend. Hij stond rechtop. Hij kwam niet als een schoothondje aanlopen.
Hij begon agressief te roepen: 'Wat is dat, wie ben jij, wat kom je doen, doe die zaklantaarn uit.’ Ik vroeg terug: ‘is het afgelopen nu met dat lawaai?’ Dat kwam niet binnen bij hem. Hij stormde de trap af en bleef roepen dat de zaklantaarn uit moest en bleef het riedeltje herhalen. Toen wilde ik nog zeggen: ‘dat bepaal ik wel’. Voordat ik ook maar iets kon zeggen, zag ik dat de jongen uithaalde met zijn linkerarm en mij vol op mijn kaak raakte. Toen was ik niet knok-out, en stond even perplex wat omsloeg in enorme boosheid. Ik had een flinke klap gehad maar had geen pijn.
Toen ik op stond was ik zo boos dat ik een schop uitdeelde en hem op zijn buik raakte. Ik zag dat hij voorovergebogen stond en zijn handen op zijn buik hield. Hierna hoorde ik niet helemaal duidelijk wat hij zei, maar het was een roep in de richting van zijn vrienden zo van: ‘hé, kom helpen".
Hierna werd het erg rommelig. Er kwamen drie of vier mensen vanaf de heuvel op jongen 1 afgerend. Twee van hen, ik noem ze jongen 2 en jongen 3, hebben mij tegen de grond gewerkt en daar ook gehouden door op me te zitten terwijl jongen 1 steeds opnieuw terug kwam om een aanval te doen.
Terwijl ik op de grond werd gehouden heb ik ongeveer vijf minuten lang klappen gekregen van jongen 1, jongen 2, en jongen 3. Ik zag dat terwijl jongen 2 en 3 mij op de grond hielden, jongen 1 langs hen stapte om mij trappen te geven. Ik kon niet los komen en beschermde met mijn armen mijn hoofd. Ik riep wel 50 maal sorry maar daar werd niet naar geluisterd. Ik zag en ik voelde dat hij met kracht op mijn hoofd trapte. Ik voelde op dat moment geen pijn want ik was in een overlevingsmodus. Ik dacht dat ik doodgeschopt werd.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 250, 254, 257 t/m 259 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Ik was bij een openlijke geweldpleging, die op 14 juli 2021 omstreeks 23:00 uur in het Park [A] heeft plaatsgevonden, waarbij een man is mishandeld die daarbij gewond is geraakt. Ik was met een groep. Die oudere man kwam naar ons toe met een grote lamp. Wij dachten dat het een politieagent was. Iedereen was aan het schreeuwen en we wilden daar weg. Toen we doorhadden dat het geen politie was bleven we staan. Ik was degene die vooraan stond. Ik kreeg het licht van de zaklamp van de oudere man in mijn ogen geschenen en ik kon hem daardoor eerst niet goed zien. De oudere man sloeg mij op mijn borst en daardoor duwde ik hem van mij af. Hij kwam hierdoor ten val samen met zijn zaklamp. [verdachte] was aanwezig die avond. Ik kan naar hem hebben geroepen: ‘Ik heb jou nodig’ of ‘Kom naar mij toe [verdachte]’.
U houdt voor dat [verdachte] achteraf in de groep heeft verteld dat hij de aangever in zijn nek en op zijn kaak geschopt heeft. Dat hoorde ik niet dezelfde dag. Toen ik wakker ben geworden, de volgende dag, heeft hij dat verteld. [verdachte] liet toen een foto zien van die man. De moeder van [verdachte] zat in een whatsapp groepje van [A]. Die man had de volgende dag ergens een foto gestuurd. [verdachte] is toen via via aan die foto gekomen. [verdachte] zei toen nog: ‘Dat heb ik gedaan’ of ‘Dat hebben we gedaan’.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 201 en 210 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Het zou kunnen dat ik met het groepje in het park aanwezig was. Ik heb een foto van die man gezien. Mijn moeder zit in zo’n groepsapp. Zij had dit gezien. Zij woont in [A]. Ik heb dat bericht gezien op haar telefoon.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1], p. 137, 141 t/m 143, 147, 149 en 150 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
U houdt voor dat op 14 juli 2021 er omstreeks 23:00 uur in het Park [A] een openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden waarbij een man is mishandeld die daarbij gewond is geraakt. Ik weet er wel wat van. We zaten eventjes daar in het bos muziek te luisteren. We waren wel dronken maar ik had geen tijdsbesef. Er kwam vervolgens een man met een hele felle lamp en daar schrokken we van. Wij dachten dat het de politie was in eerste instantie. We hoorden toen een oudere mannenstem. Ik heb toen tegen de man gezegd dat ik werd verblind door de lamp en heb gevraagd of hij deze uit kon doen omdat ik last van mijn ogen had. De man luisterde hier niet naar. Hierop gingen 2 vrienden van mij op de man af en hebben hem toegetakeld. Ik heb toen geroepen dat geweld niets oplost. Ik heb een aantal keren geroepen naar de jongens dat ze de man moesten laten. Hierna heb ik geprobeerd de jongens van de man af te trekken en weg te sturen. Dit lukte niet gelijk maar uiteindelijk wel.
U houdt voor dat de aangever verklaard dat hij door de eerste jongen meerdere keren is geslagen en geschopt en vraagt of ik dat heb gezien. Ja, dat kwam omdat ik de eerste jongen die ik er eerst vanaf trok.
Ik heb wel gehoord dat de man sorry zei. Ik heb mij hierna alleen gefocust op de jongens om hen van de man af te trekken. Ik heb wel een zoiets heftigs gezien, maar niet zo erg als dit keer. Ik ben wel erg geschrokken en dacht: ‘dit is niet best’. Ik denk dat de men wel flink veel breuken heeft opgelopen. Ik kan me heel goed voorstellen dat de man dacht dat hij dood werd geschopt.
Het klopt dat ik heb geroepen: ‘Stoppen [naam 1], stoppen [naam 1]’.
Die jongen van Marokkaanse afkomst had wel geslagen, maar die andere jongen, die [naam 2] of [naam 2] begon gelijk te trappen en te slaan. Ik weet niet of dit trappen op zijn gezicht was, dat heb ik niet goed gezien. Het zou goed kunnen dat hij hem op zijn gezicht had getrapt.
Omdat ik hem op zijn hoofd zag trappen, werd ik boos op die jongens en heb ik ze er van af getrokken.
[naam 1] begon als eerste met slaan of trappen. Toen [naam 1] begon te slaan, begon de andere jongen, die [naam 2]/[naam 2] mee te doen.
Het klopt dat [verdachte] en [medeverdachte] degenen zijn die de man hebben mishandeld. Het klopt, dat [naam 1]/[naam 1] ‘[medeverdachte]’ is en [naam 2]/[naam 2] is ‘[verdachte]".
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2], p. 169, 172 en 173 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Ik was op 14 juli 2021 in het park [A] aanwezig met een groep. De aangever stond aan de onderkant van de berg met een hele felle zaklamp en scheen naar boven wie daar allemaal stonden. Ik heb gezien dat [medeverdachte] op de man af liep. De man met de zaklamp zei dat hij van de politie was. Daar werd [medeverdachte] lijp van en ging naar de man. De jongens die er waren gingen er meteen op af. Ik heb gehoord dat de aangever meerdere keren sorry had gezegd en dat [medeverdachte] en [verdachte] er niet naar geluisterd hebben. Ze bleven doorgaan en de jongens die erbij waren sprongen erbij. Ik heb niet gezien, maar je hoort gewoon dat die man klappen vangt.
[verdachte] had inderdaad verteld dat hij de man in zijn nek of kaak had geschopt. [verdachte] wees naar zijn nek en zei: ‘Kijk, ik heb hem hier geschopt.’
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 17 oktober 2024, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik die avond schoenen aan had.”
7. Op grond van deze bewijsmiddelen heeft het hof in zijn arrest het volgende vastgesteld:
“Op 14 juli 2021 ondervond [slachtoffer] ([slachtoffer]) hinder van rondhangende jeugd en hij ging naar de heuvel in het park toe. Eenmaal daar kwam (een door [slachtoffer] genoemde) jongen 1 op hem af. Jongen 1 betrof medeverdachte [medeverdachte]. Nadat [slachtoffer] tegen de grond was gewerkt, werd hij door de andere jongens tegen de grond gehouden en kreeg hij, gedurende meerdere minuten, klappen en trappen. Daarbij liep verdachte [medeverdachte] om de jongens heen om [slachtoffer] trappen te geven en voelde [slachtoffer] trappen tegen zijn hoofd. Ook verdachte heeft [slachtoffer] trappen tegen zijn nek/kaak gegeven. Beide verdachten droegen die avond schoenen. Getuige [getuige 1] heeft getracht de verdachten van [slachtoffer] af te krijgen, wat slechts met veel moeite lukte.
Het hof is van oordeel dat het handelen van verdachte, te weten het (samen met de medeverdachte) minutenlang mishandelen, waarbij zij meerdere keren met geschoeide voet tegen het hoofd dan wel nek/kaak van [slachtoffer] trappen, terwijl hij op de grond lag en werd gehouden, een aanmerkelijk kans op het dodelijk verwonden van [slachtoffer] met zich heeft gebracht. Uit de aard van het hiervoor vermelde handelen van de verdachten, waaronder ook het volharden in de geweldshandelingen terwijl een derde trachtte tussenbeide te komen, volgt, naar de uiterlijke verschijningsvormen, dat zij, tezamen en in vereniging, deze aanmerkelijke kans ook bewust hebben aanvaard.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat hieraan noch afdoet dat [slachtoffer] geen letsel aan zijn slapen had, noch dat hij uiteindelijk zijn hoofd heeft trachten te beschermen met zijn armen. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat verdachte getracht heeft het letsel te beperken. Integendeel, uit de verklaringen van [slachtoffer] zelf en van [getuige 2] blijkt dat verdachte(n) maar doorgingen ondanks het feit dat [slachtoffer] heel vaak sorry riep en dat [slachtoffer] het idee had dat hij zou worden doodgeschopt.
Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.”
Een nadere omschrijving van de klacht
8. Het middel is gericht tegen het oordeel dat de bewezen verklaarde gedragingen een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven hebben geroepen.
9. Voor een dergelijk oordeel is volgens de steller van het middel onvoldoende dat (zoals het hof heeft overwogen) “meerdere keren met geschoeide voet tegen het hoofd dan wel nek/kaak van het slachtoffer is getrapt, terwijl hij op de grond lag en werd gehouden”. Uit het dossier blijkt met name niet, aldus de steller van het middel, dat de geweldshandelingen “van een dusdanige kracht was/waren dat daarmee een aanmerkelijke kans ontstond dat de schedel van het slachtoffer zou breken, dan wel zodanig beschadigd zou raken, dat de hersenen volledig zouden uitvallen of ander letsel zou worden veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] zou komen te overlijden”. Ook zijn er geen “camerabeelden, waaruit duidelijk blijkt hoe en met welke kracht zou zijn geschopt en ook is niet vast te stellen waar [het slachtoffer] precies is geraakt c.q. welk letsel dan door een trap/schop zou zijn veroorzaakt. Ook de beschikbare medische informatie kan daar geen uitsluitsel over geven. In ieder geval is niet op foto’s van de verwondingen te zien dat sprake is van letsel bij de slaap.” Het slachtoffer is “ook niet buiten bewustzijn geweest en/of heeft niet roerloos op de grond gelegen. Het is daarnaast, gelet op de beelden van de supermarkt, vrijwel zeker dat [de verdachte] en de anderen sportschoenen droegen en bijvoorbeeld geen werkschoenen of schoenen met stalen neuzen die per definitie veel ernstiger letsel veroorzaken als daarmee tegen het hoofd wordt getrapt.” Samengevat gaan de klachten over de kracht waarmee het slachtoffer is getrapt en het bij het slachtoffer geconstateerde letsel.
Beschouwingen over het begrip ‘aanmerkelijke kans’ in het kader van voorwaardelijk opzet
10. Voor beschouwingen over het begrip ‘aanmerkelijke kans’ in het kader van de eisen die aan het bewijs van voorwaardelijk opzet worden gesteld, verwijs ik naar mijn conclusie in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (24/04133), waarin ik vandaag ook concludeer.
De beoordeling van de klacht
11. Het hof heeft in deze zaak het volgende vastgesteld.
- De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] waren onderdeel van een groep van ten minste vier jongens die dronken waren en rond 23.00 uur ’s avonds bovenop de heuvel in park [A] geluidsoverlast veroorzaakten.
- De medeverdachte [medeverdachte] werd “lijp” nadat het slachtoffer, een man van toen 63 jaar, de groep jongens daarop aansprak.
- De verdachte heeft de fysieke confrontatie met het slachtoffer gezocht in navolging van de medeverdachte [medeverdachte] toen die tegen de verdachte had gezegd dat hij hem nodig had, en dit nadat de medeverdachte op het slachtoffer was afgelopen, hem een kaakslag had gegeven en hem omver had geduwd.
- Toen het slachtoffer op de grond lag, werd hij door andere jongens uit de groep op de grond gehouden.
- De medeverdachte [medeverdachte] is om het slachtoffer heen gaan lopen en om de jongens die het slachtoffer op de grond hielden, en heeft het slachtoffer “minutenlang” meerdere keren met geschoeide voet met kracht tegen het hoof dan wel de nek / kaak getrapt terwijl het slachtoffer zijn hoofd met zijn armen beschermde.
- De verdachte heeft het slachtoffer tijdens dezelfde fysieke confrontatie, meerdere keren tegen de nek / kaak getrapt.
- Beide verdachten hebben het slachtoffer “toegetakeld” zoals een getuige dat omschreef, ook nadat het slachtoffer “sorry” bleef zeggen.
- Een van de jongens kon niet zien wat er gebeurde maar hoorde de klappen die het slachtoffer kreeg.
- Een andere jongen van de groep waarvan de verdachte en de medeverdachte deel uitmaakten, werd boos toen hij zag dat de verdachte en de medeverdachte het slachtoffer op zijn gezicht trapten en heeft geprobeerd beide verdachten van het slachtoffer af te trekken wat niet onmiddellijk lukte. Deze jongen had wel eens “zoiets heftigs gezien, maar niet zo erg als dit”, en kon zich heel goed voorstellen dat het slachtoffer dacht dat hij werd doodgeschopt.
- Het slachtoffer dacht dat inderdaad.
- Het hof heeft vastgesteld dat aan het slachtoffer “veel letsel” is toegebracht als gevolg van het “zeer ernstig en lang aanhoudend op hem uitgeoefend geweld”.
- Na afloop bloedde het slachtoffer vanuit sneden in het gezicht. Zijn gezicht was gezwollen en had meerdere bloeduitstortingen.
12. In cassatie worden deze vaststellingen op zichzelf niet bestreden. Wel wordt bestreden dat deze vaststellingen toereikend zijn voor het bewijs van het bestaan van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van het mede door de verdachte uitgeoefende geweld om het leven zou komen.
13. Ik deel dat standpunt niet. Het oordeel dat de gedragingen van de verdachte en de medeverdachte een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel teweeg hebben gebracht, vind ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft hierbij acht kunnen slaan op de uiterlijke verschijningsvorm van het vertoonde geweld en op de aard en ernst van het vastgestelde letsel. Het gaat hier met name ook om de aard, lange duur en intensiteit van het gecoördineerde schoppen met geschoeide voet tegen kwetsbare lichaamsdelen als het hoofd en de nek van het slachtoffer. Tevens heeft het hof in ogenschouw kunnen nemen dat het hier ging om een op de grond vastgehouden en daarmee nagenoeg weerloos slachtoffer. Ten slotte heeft het hof in aanmerking kunnen nemen dat de leeftijd van het slachtoffer een verhoogde kwetsbaarheid meebrengt.
Slotsom
14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Rb. Midden-Nederland 18 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1014.
Van een situatie zoals omschreven in HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer, is in de voorliggende zaak geen sprake nu de verdachte voor het onder 1. primair ten laste gelegde in eerste aanleg weliswaar was vrijgesproken, maar was veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, waaraan dezelfde feitelijke gedragingen ten grondslag zijn gelegd. Zie idem HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:489 (art. 81 RO).
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04135
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 31 oktober 2024 (parketnummer 21-001295-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens het onder 1 primair bewezen verklaarde "medeplegen van poging tot doodslag" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, waarbij als bijzondere voorwaarden een locatie- en een contactverbod zijn opgelegd, en met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 2.713,12 in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het hof de gijzeling heeft bepaald op ten hoogste zevenendertig dagen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.G. Vos, advocaat in Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Er bestaat samenhang met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (24/04133). In deze zaak, waarin M.G. Vos een op die medeverdachte toegesneden maar verder in essentie identiek middel heeft voorgesteld, zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het middel bevat een motiveringsklacht over het bewijs van het voorwaardelijk opzet, waarmee met name het bewijs van de ‘aanmerkelijke kans’ op de dood van het slachtoffer wordt aangevochten.
De zaak
4. De zaak heeft betrekking op geweldshandelingen die zich 14 juli 2021 tegen middernacht hebben voorgedaan in park [A] in [plaats]. Vast staat dat de verdachte samen met de medeverdachte geweldshandelingen heeft gepleegd tegen het slachtoffer. De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van het medeplegen van poging tot doodslag en de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en hem veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 primair bewezen verklaard dat:
“hij, op 14 juli 2021, te [plaats], tezamen en in vereniging, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- die [slachtoffer], meermalen, (met kracht) in/tegen/op het gezicht/hoofd, althans het lichaam, heeft getrapt en/of gestompt (terwijl die [slachtoffer] (weerloos) op de grond lag en werd (vast)gehouden) en
- die [slachtoffer], meermalen, (met kracht) in/tegen/op het gezicht/hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt (terwijl die [slachtoffer] (weerloos) op de grond lag en werd (vast)gehouden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.
6. Deze bewezenverklaring rust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van voetnoten):
“Het proces-verbaal van bevindingen, p. 30 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Op woensdag 14 juli 2021 omstreeks 23:04 uur ontvingen wij, verbalisanten, het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] naar aanleiding van een melding van een mishandeling. Ter plaatse troffen wij [slachtoffer] in de woning.
Ik zag dat [slachtoffer] bloedde vanuit sneden in het gezicht. Ik zag dat het gezicht van [slachtoffer] gezwollen was en meerdere bloeduitstortingen had. Ik hoorde [slachtoffer], onder andere, het volgende verklaren:
- Ik hoorde al enige tijd geschreeuw komen vanaf de ‘heuvel’ in het park, ik vermoedde dat dit wat jeugd was die daar rondhing;
- Dit gebeurd wel vaker en daarom pakte ik mijn zaklamp en liep ik naar de groep toe:
- Ik zag een groepje van 3 a 4 jongeren;
- Ik vermoed dat de jongens onder invloed waren;
- De sfeer was direct vijandelijk;
- 1 jongen in het bijzonder was opvallend agressief, ik kan hem als volgt omschrijven;
- Ongeveer 20 jaar oud, getint (mogelijk Marokkaans), beige shirt, ongeveer 1. 74 meter lang, slank postuur.- Deze jongen was de meest agressieve van de groep;
- Hij sloeg mij en werkte mij naar de grond;
- Ik heb mijzelf, als zelfverdediging proberen te verweren en sloeg terug;
- Hierna, toen ik op de grond lag, bleven meerdere jongens mij op en tegen mijn hoofd trappen.
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 20 t/m 22 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Ik ben gisteravond, dat was op woensdag 14 juli 2021 mishandeld door meerdere personen. Die avond liep ik omstreeks 23:00 uur richting de heuvel tegenover de woning van mij en mijn vrouw. Ik had mijn bril op en mijn zakklamp in de hand. Toen hoorde ik alleen maar geluid, de mensen schreeuwen en roepen en muziek. Vervolgens scheen ik die kant op en toen kwam er heel snel een jongeman op mij aflopen.
Die kwam vanaf boven de heuvel de trap aflopen. Ik noem dit jongen 1. Ik scheen hem vol in zijn gezicht. Ik kan jongen 1 als volgt omschrijven:
- Mijn gevoel zegt Marokkaanse afkomst. Gezien het uiterlijk en de manier waarop hij sprak;
- vaal wit of bruin t-shirt aan:
- donker gekleurde trainingsbroek. De stof zag er vlodderig en glanzend uit;
- kort zwart kapsel:
- smal gezicht met een wilde blik;
- zijn houding was erg intimiderend. Hij stond rechtop. Hij kwam niet als een schoothondje aanlopen.
Hij begon agressief te roepen: 'Wat is dat, wie ben jij, wat kom je doen, doe die zaklantaarn uit.’ Ik vroeg terug: ‘is het afgelopen nu met dat lawaai?’ Dat kwam niet binnen bij hem. Hij stormde de trap af en bleef roepen dat de zaklantaarn uit moest en bleef het riedeltje herhalen. Toen wilde ik nog zeggen: ‘dat bepaal ik wel’. Voordat ik ook maar iets kon zeggen, zag ik dat de jongen uithaalde met zijn linkerarm en mij vol op mijn kaak raakte. Toen was ik niet knok-out, en stond even perplex wat omsloeg in enorme boosheid. Ik had een flinke klap gehad maar had geen pijn.
Toen ik op stond was ik zo boos dat ik een schop uitdeelde en hem op zijn buik raakte. Ik zag dat hij voorovergebogen stond en zijn handen op zijn buik hield. Hierna hoorde ik niet helemaal duidelijk wat hij zei, maar het was een roep in de richting van zijn vrienden zo van: ‘hé, kom helpen".
Hierna werd het erg rommelig. Er kwamen drie of vier mensen vanaf de heuvel op jongen 1 afgerend. Twee van hen, ik noem ze jongen 2 en jongen 3, hebben mij tegen de grond gewerkt en daar ook gehouden door op me te zitten terwijl jongen 1 steeds opnieuw terug kwam om een aanval te doen.
Terwijl ik op de grond werd gehouden heb ik ongeveer vijf minuten lang klappen gekregen van jongen 1, jongen 2, en jongen 3. Ik zag dat terwijl jongen 2 en 3 mij op de grond hielden, jongen 1 langs hen stapte om mij trappen te geven. Ik kon niet los komen en beschermde met mijn armen mijn hoofd. Ik riep wel 50 maal sorry maar daar werd niet naar geluisterd. Ik zag en ik voelde dat hij met kracht op mijn hoofd trapte. Ik voelde op dat moment geen pijn want ik was in een overlevingsmodus. Ik dacht dat ik doodgeschopt werd.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 250, 254, 257 t/m 259 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Ik was bij een openlijke geweldpleging, die op 14 juli 2021 omstreeks 23:00 uur in het Park [A] heeft plaatsgevonden, waarbij een man is mishandeld die daarbij gewond is geraakt. Ik was met een groep. Die oudere man kwam naar ons toe met een grote lamp. Wij dachten dat het een politieagent was. Iedereen was aan het schreeuwen en we wilden daar weg. Toen we doorhadden dat het geen politie was bleven we staan. Ik was degene die vooraan stond. Ik kreeg het licht van de zaklamp van de oudere man in mijn ogen geschenen en ik kon hem daardoor eerst niet goed zien. De oudere man sloeg mij op mijn borst en daardoor duwde ik hem van mij af. Hij kwam hierdoor ten val samen met zijn zaklamp. [verdachte] was aanwezig die avond. Ik kan naar hem hebben geroepen: ‘Ik heb jou nodig’ of ‘Kom naar mij toe [verdachte]’.
U houdt voor dat [verdachte] achteraf in de groep heeft verteld dat hij de aangever in zijn nek en op zijn kaak geschopt heeft. Dat hoorde ik niet dezelfde dag. Toen ik wakker ben geworden, de volgende dag, heeft hij dat verteld. [verdachte] liet toen een foto zien van die man. De moeder van [verdachte] zat in een whatsapp groepje van [A]. Die man had de volgende dag ergens een foto gestuurd. [verdachte] is toen via via aan die foto gekomen. [verdachte] zei toen nog: ‘Dat heb ik gedaan’ of ‘Dat hebben we gedaan’.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 201 en 210 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Het zou kunnen dat ik met het groepje in het park aanwezig was. Ik heb een foto van die man gezien. Mijn moeder zit in zo’n groepsapp. Zij had dit gezien. Zij woont in [A]. Ik heb dat bericht gezien op haar telefoon.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1], p. 137, 141 t/m 143, 147, 149 en 150 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
U houdt voor dat op 14 juli 2021 er omstreeks 23:00 uur in het Park [A] een openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden waarbij een man is mishandeld die daarbij gewond is geraakt. Ik weet er wel wat van. We zaten eventjes daar in het bos muziek te luisteren. We waren wel dronken maar ik had geen tijdsbesef. Er kwam vervolgens een man met een hele felle lamp en daar schrokken we van. Wij dachten dat het de politie was in eerste instantie. We hoorden toen een oudere mannenstem. Ik heb toen tegen de man gezegd dat ik werd verblind door de lamp en heb gevraagd of hij deze uit kon doen omdat ik last van mijn ogen had. De man luisterde hier niet naar. Hierop gingen 2 vrienden van mij op de man af en hebben hem toegetakeld. Ik heb toen geroepen dat geweld niets oplost. Ik heb een aantal keren geroepen naar de jongens dat ze de man moesten laten. Hierna heb ik geprobeerd de jongens van de man af te trekken en weg te sturen. Dit lukte niet gelijk maar uiteindelijk wel.
U houdt voor dat de aangever verklaard dat hij door de eerste jongen meerdere keren is geslagen en geschopt en vraagt of ik dat heb gezien. Ja, dat kwam omdat ik de eerste jongen die ik er eerst vanaf trok.
Ik heb wel gehoord dat de man sorry zei. Ik heb mij hierna alleen gefocust op de jongens om hen van de man af te trekken. Ik heb wel een zoiets heftigs gezien, maar niet zo erg als dit keer. Ik ben wel erg geschrokken en dacht: ‘dit is niet best’. Ik denk dat de men wel flink veel breuken heeft opgelopen. Ik kan me heel goed voorstellen dat de man dacht dat hij dood werd geschopt.
Het klopt dat ik heb geroepen: ‘Stoppen [naam 1], stoppen [naam 1]’.
Die jongen van Marokkaanse afkomst had wel geslagen, maar die andere jongen, die [naam 2] of [naam 2] begon gelijk te trappen en te slaan. Ik weet niet of dit trappen op zijn gezicht was, dat heb ik niet goed gezien. Het zou goed kunnen dat hij hem op zijn gezicht had getrapt.
Omdat ik hem op zijn hoofd zag trappen, werd ik boos op die jongens en heb ik ze er van af getrokken.
[naam 1] begon als eerste met slaan of trappen. Toen [naam 1] begon te slaan, begon de andere jongen, die [naam 2]/[naam 2] mee te doen.
Het klopt dat [verdachte] en [medeverdachte] degenen zijn die de man hebben mishandeld. Het klopt, dat [naam 1]/[naam 1] ‘[medeverdachte]’ is en [naam 2]/[naam 2] is ‘[verdachte]".
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2], p. 169, 172 en 173 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Ik was op 14 juli 2021 in het park [A] aanwezig met een groep. De aangever stond aan de onderkant van de berg met een hele felle zaklamp en scheen naar boven wie daar allemaal stonden. Ik heb gezien dat [medeverdachte] op de man af liep. De man met de zaklamp zei dat hij van de politie was. Daar werd [medeverdachte] lijp van en ging naar de man. De jongens die er waren gingen er meteen op af. Ik heb gehoord dat de aangever meerdere keren sorry had gezegd en dat [medeverdachte] en [verdachte] er niet naar geluisterd hebben. Ze bleven doorgaan en de jongens die erbij waren sprongen erbij. Ik heb niet gezien, maar je hoort gewoon dat die man klappen vangt.
[verdachte] had inderdaad verteld dat hij de man in zijn nek of kaak had geschopt. [verdachte] wees naar zijn nek en zei: ‘Kijk, ik heb hem hier geschopt.’
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 17 oktober 2024, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik die avond schoenen aan had.”
7. Op grond van deze bewijsmiddelen heeft het hof in zijn arrest het volgende vastgesteld:
“Op 14 juli 2021 ondervond [slachtoffer] ([slachtoffer]) hinder van rondhangende jeugd en hij ging naar de heuvel in het park toe. Eenmaal daar kwam (een door [slachtoffer] genoemde) jongen 1 op hem af. Jongen 1 betrof medeverdachte [medeverdachte]. Nadat [slachtoffer] tegen de grond was gewerkt, werd hij door de andere jongens tegen de grond gehouden en kreeg hij, gedurende meerdere minuten, klappen en trappen. Daarbij liep verdachte [medeverdachte] om de jongens heen om [slachtoffer] trappen te geven en voelde [slachtoffer] trappen tegen zijn hoofd. Ook verdachte heeft [slachtoffer] trappen tegen zijn nek/kaak gegeven. Beide verdachten droegen die avond schoenen. Getuige [getuige 1] heeft getracht de verdachten van [slachtoffer] af te krijgen, wat slechts met veel moeite lukte.
Het hof is van oordeel dat het handelen van verdachte, te weten het (samen met de medeverdachte) minutenlang mishandelen, waarbij zij meerdere keren met geschoeide voet tegen het hoofd dan wel nek/kaak van [slachtoffer] trappen, terwijl hij op de grond lag en werd gehouden, een aanmerkelijk kans op het dodelijk verwonden van [slachtoffer] met zich heeft gebracht. Uit de aard van het hiervoor vermelde handelen van de verdachten, waaronder ook het volharden in de geweldshandelingen terwijl een derde trachtte tussenbeide te komen, volgt, naar de uiterlijke verschijningsvormen, dat zij, tezamen en in vereniging, deze aanmerkelijke kans ook bewust hebben aanvaard.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat hieraan noch afdoet dat [slachtoffer] geen letsel aan zijn slapen had, noch dat hij uiteindelijk zijn hoofd heeft trachten te beschermen met zijn armen. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat verdachte getracht heeft het letsel te beperken. Integendeel, uit de verklaringen van [slachtoffer] zelf en van [getuige 2] blijkt dat verdachte(n) maar doorgingen ondanks het feit dat [slachtoffer] heel vaak sorry riep en dat [slachtoffer] het idee had dat hij zou worden doodgeschopt.
Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.”
Een nadere omschrijving van de klacht
8. Het middel is gericht tegen het oordeel dat de bewezen verklaarde gedragingen een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven hebben geroepen.
9. Voor een dergelijk oordeel is volgens de steller van het middel onvoldoende dat (zoals het hof heeft overwogen) “meerdere keren met geschoeide voet tegen het hoofd dan wel nek/kaak van het slachtoffer is getrapt, terwijl hij op de grond lag en werd gehouden”. Uit het dossier blijkt met name niet, aldus de steller van het middel, dat de geweldshandelingen “van een dusdanige kracht was/waren dat daarmee een aanmerkelijke kans ontstond dat de schedel van het slachtoffer zou breken, dan wel zodanig beschadigd zou raken, dat de hersenen volledig zouden uitvallen of ander letsel zou worden veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] zou komen te overlijden”. Ook zijn er geen “camerabeelden, waaruit duidelijk blijkt hoe en met welke kracht zou zijn geschopt en ook is niet vast te stellen waar [het slachtoffer] precies is geraakt c.q. welk letsel dan door een trap/schop zou zijn veroorzaakt. Ook de beschikbare medische informatie kan daar geen uitsluitsel over geven. In ieder geval is niet op foto’s van de verwondingen te zien dat sprake is van letsel bij de slaap.” Het slachtoffer is “ook niet buiten bewustzijn geweest en/of heeft niet roerloos op de grond gelegen. Het is daarnaast, gelet op de beelden van de supermarkt, vrijwel zeker dat [de verdachte] en de anderen sportschoenen droegen en bijvoorbeeld geen werkschoenen of schoenen met stalen neuzen die per definitie veel ernstiger letsel veroorzaken als daarmee tegen het hoofd wordt getrapt.” Samengevat gaan de klachten over de kracht waarmee het slachtoffer is getrapt en het bij het slachtoffer geconstateerde letsel.
Beschouwingen over het begrip ‘aanmerkelijke kans’ in het kader van voorwaardelijk opzet
10. Voor beschouwingen over het begrip ‘aanmerkelijke kans’ in het kader van de eisen die aan het bewijs van voorwaardelijk opzet worden gesteld, verwijs ik naar mijn conclusie in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (24/04133), waarin ik vandaag ook concludeer.
De beoordeling van de klacht
11. Het hof heeft in deze zaak het volgende vastgesteld.
- De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] waren onderdeel van een groep van ten minste vier jongens die dronken waren en rond 23.00 uur ’s avonds bovenop de heuvel in park [A] geluidsoverlast veroorzaakten.
- De medeverdachte [medeverdachte] werd “lijp” nadat het slachtoffer, een man van toen 63 jaar, de groep jongens daarop aansprak.
- De verdachte heeft de fysieke confrontatie met het slachtoffer gezocht in navolging van de medeverdachte [medeverdachte] toen die tegen de verdachte had gezegd dat hij hem nodig had, en dit nadat de medeverdachte op het slachtoffer was afgelopen, hem een kaakslag had gegeven en hem omver had geduwd.
- Toen het slachtoffer op de grond lag, werd hij door andere jongens uit de groep op de grond gehouden.
- De medeverdachte [medeverdachte] is om het slachtoffer heen gaan lopen en om de jongens die het slachtoffer op de grond hielden, en heeft het slachtoffer “minutenlang” meerdere keren met geschoeide voet met kracht tegen het hoof dan wel de nek / kaak getrapt terwijl het slachtoffer zijn hoofd met zijn armen beschermde.
- De verdachte heeft het slachtoffer tijdens dezelfde fysieke confrontatie, meerdere keren tegen de nek / kaak getrapt.
- Beide verdachten hebben het slachtoffer “toegetakeld” zoals een getuige dat omschreef, ook nadat het slachtoffer “sorry” bleef zeggen.
- Een van de jongens kon niet zien wat er gebeurde maar hoorde de klappen die het slachtoffer kreeg.
- Een andere jongen van de groep waarvan de verdachte en de medeverdachte deel uitmaakten, werd boos toen hij zag dat de verdachte en de medeverdachte het slachtoffer op zijn gezicht trapten en heeft geprobeerd beide verdachten van het slachtoffer af te trekken wat niet onmiddellijk lukte. Deze jongen had wel eens “zoiets heftigs gezien, maar niet zo erg als dit”, en kon zich heel goed voorstellen dat het slachtoffer dacht dat hij werd doodgeschopt.
- Het slachtoffer dacht dat inderdaad.
- Het hof heeft vastgesteld dat aan het slachtoffer “veel letsel” is toegebracht als gevolg van het “zeer ernstig en lang aanhoudend op hem uitgeoefend geweld”.
- Na afloop bloedde het slachtoffer vanuit sneden in het gezicht. Zijn gezicht was gezwollen en had meerdere bloeduitstortingen.
12. In cassatie worden deze vaststellingen op zichzelf niet bestreden. Wel wordt bestreden dat deze vaststellingen toereikend zijn voor het bewijs van het bestaan van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van het mede door de verdachte uitgeoefende geweld om het leven zou komen.
13. Ik deel dat standpunt niet. Het oordeel dat de gedragingen van de verdachte en de medeverdachte een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel teweeg hebben gebracht, vind ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft hierbij acht kunnen slaan op de uiterlijke verschijningsvorm van het vertoonde geweld en op de aard en ernst van het vastgestelde letsel. Het gaat hier met name ook om de aard, lange duur en intensiteit van het gecoördineerde schoppen met geschoeide voet tegen kwetsbare lichaamsdelen als het hoofd en de nek van het slachtoffer. Tevens heeft het hof in ogenschouw kunnen nemen dat het hier ging om een op de grond vastgehouden en daarmee nagenoeg weerloos slachtoffer. Ten slotte heeft het hof in aanmerking kunnen nemen dat de leeftijd van het slachtoffer een verhoogde kwetsbaarheid meebrengt.
Slotsom
14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Rb. Midden-Nederland 18 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1014.
Van een situatie zoals omschreven in HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer, is in de voorliggende zaak geen sprake nu de verdachte voor het onder 1. primair ten laste gelegde in eerste aanleg weliswaar was vrijgesproken, maar was veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, waaraan dezelfde feitelijke gedragingen ten grondslag zijn gelegd. Zie idem HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:489 (art. 81 RO).