Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:768
2026-08-18
Strafrecht
24/04133
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (25)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:1015 Rechtbank Midden-Nederland 18-03-2022
- ECLI:NL:HR:2026:689 Hoge Raad 21-04-2026
- ECLI:NL:HR:2024:1407 Hoge Raad 15-10-2024
- ECLI:NL:HR:2023:1563 Hoge Raad 14-11-2023
- ECLI:NL:HR:2019:384 Hoge Raad 19-03-2019
- ECLI:NL:HR:2018:718 Hoge Raad 29-05-2018
- ECLI:NL:HR:2018:117 Hoge Raad 30-01-2018
- ECLI:NL:HR:2017:973 Hoge Raad 30-05-2017
- ECLI:NL:HR:2017:60 Hoge Raad 24-01-2017
- ECLI:NL:HR:2016:862 Hoge Raad 17-05-2016
- ECLI:NL:HR:2012:BX5396 Hoge Raad 30-10-2012
- ECLI:NL:HR:2011:BT7123 Hoge Raad 13-12-2011
- ECLI:NL:HR:2006:AV4871 Hoge Raad 18-04-2006
- ECLI:NL:HR:2005:AU3888 Hoge Raad 22-11-2005
- ECLI:NL:HR:2005:AR1860 Hoge Raad 18-01-2005
- ECLI:NL:HR:2003:AE9049 Hoge Raad 25-03-2003
- ECLI:NL:PHR:2023:555 Parket bij de Hoge Raad 06-06-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1303 Hoge Raad 26-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2025:239 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2025
- ECLI:NL:HR:2018:718 Hoge Raad 29-05-2018
- ECLI:NL:HR:2003:AE9049 Hoge Raad 25-03-2003
- ECLI:NL:HR:2022:982 Hoge Raad 12-07-2022
- ECLI:NL:HR:2006:AV4871 Hoge Raad 18-04-2006
- ECLI:NL:HR:2023:40 Hoge Raad 24-01-2023
- ECLI:NL:HR:2025:489 Hoge Raad 01-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (48.983 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04133
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 31 oktober 2024 (parketnummer 21-001296-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens het onder 1 primair bewezen verklaarde "medeplegen van poging tot doodslag" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, waarbij als bijzondere voorwaarden een locatie- en een contactverbod zijn opgelegd, en met aftrek van voorarrest. Het hof heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 9 september 2019 (parketnummer 16-103698-19) voorwaardelijk opgelegde taakstraf van vijftig uren afgewezen. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 2.713,12 in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het hof de gijzeling heeft bepaald op ten hoogste zevenendertig dagen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.G. Vos, advocaat in Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Er bestaat samenhang met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (24/04135). In deze zaak, waarin M.G. Vos een op die medeverdachte toegesneden maar verder in essentie identiek middel heeft voorgesteld, zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het middel bevat een motiveringsklacht over het bewijs van het voorwaardelijk opzet, waarmee met name het bewijs van de ‘aanmerkelijke kans’ op de dood van het slachtoffer wordt aangevochten.
De zaak
4. De zaak heeft betrekking op geweldshandelingen die zich 14 juli 2021 tegen middernacht hebben voorgedaan in park [A] in [plaats] . Vast staat dat de verdachte samen met de medeverdachte geweldshandelingen heeft gepleegd tegen het slachtoffer. De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van het medeplegen van poging tot doodslag en de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en hem veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 primair bewezen verklaard dat:
“hij, op 14 juli 2021, te [plaats] , tezamen en in vereniging, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- die [slachtoffer] , meermalen, (met kracht) in/tegen/op het gezicht/hoofd, althans het lichaam, heeft getrapt en/of geschopt (terwijl die [slachtoffer] (weerloos) op de grond lag en werd (vast)gehouden) en
- die [slachtoffer] , meermalen, (met kracht) in/tegen/op het gezicht/hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt (terwijl die [slachtoffer] (weerloos) op de grond lag en werd (vast)gehouden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.
6. Deze bewezenverklaring rust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van voetnoten):
“Het proces-verbaal van bevindingen, p. 30 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Op woensdag 14 juli 2021 omstreeks 23:04 uur ontvingen wij, verbalisanten, het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] naar aanleiding van een melding van een mishandeling. Ter plaatse troffen wij [slachtoffer] in de woning.
Ik zag dat [slachtoffer] bloedde vanuit sneden in het gezicht. Ik zag dat het gezicht van [slachtoffer] gezwollen was en meerdere bloeduitstortingen had. Ik hoorde [slachtoffer] , onder andere, het volgende verklaren:
- Ik hoorde al enige tijd geschreeuw komen vanaf de ‘heuvel’ in het park, ik vermoedde dat dit wat jeugd was die daar rondhing;
- Dit gebeurd wel vaker en daarom pakte ik mijn zaklamp en liep ik naar de groep toe:
- Ik zag een groepje van 3 a 4 jongeren;
- Ik vermoed dat de jongens onder invloed waren;
- De sfeer was direct vijandelijk;
- 1 jongen in het bijzonder was opvallend agressief, ik kan hem als volgt omschrijven;
- Ongeveer 20 jaar oud, getint (mogelijk Marokkaans), beige shirt, ongeveer 1.74 meter lang, slank postuur.
- Deze jongen was de meest agressieve van de groep;
- Hij sloeg mij en werkte mij naar de grond;
- Ik heb mijzelf, als zelfverdediging proberen te verweren en sloeg terug;
- Hierna, toen ik op de grond lag, bleven meerdere jongens mij op en tegen mijn hoofd trappen.
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 20 t/m 22 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Ik ben gisteravond, dat was op woensdag 14 juli 2021 mishandeld door meerdere personen. Die avond liep ik omstreeks 23:00 uur richting de heuvel tegenover de woning van mij en mijn vrouw. Ik had mijn bril op en mijn zakklamp in de hand. Toen hoorde ik alleen maar geluid, de mensen schreeuwen en roepen en muziek. Vervolgens scheen ik die kant op en toen kwam er heel snel een jongeman op mij aflopen.
Die kwam vanaf boven de heuvel de trap aflopen. Ik noem dit jongen 1. Ik scheen hem vol in zijn gezicht. Ik kan jongen 1 als volgt omschrijven:
- Mijn gevoel zegt Marokkaanse afkomst. Gezien het uiterlijk en de manier waarop hij sprak;
- vaal wit of bruin t-shirt aan:
- donker gekleurde trainingsbroek. De stof zag er vlodderig en glanzend uit;
- kort zwart kapsel:
- smal gezicht met een wilde blik;
- zijn houding was erg intimiderend. Hij stond rechtop. Hij kwam niet als een schoothondje aanlopen.
Hij begon agressief te roepen: 'Wat is dat, wie ben jij, wat kom je doen, doe die zaklantaarn uit.’ Ik vroeg terug: ‘is het afgelopen nu met dat lawaai?’ Dat kwam niet binnen bij hem. Hij stormde de trap af en bleef roepen dat de zaklantaarn uit moest en bleef het riedeltje herhalen. Toen wilde ik nog zeggen: ‘dat bepaal ik wel’. Voordat ik ook maar iets kon zeggen, zag ik dat de jongen uithaalde met zijn linkerarm en mij vol op mijn kaak raakte. Toen was ik niet knok-out, en stond even perplex wat omsloeg in enorme boosheid. Ik had een flinke klap gehad maar had geen pijn.
Toen ik op stond was ik zo boos dat ik een schop uitdeelde en hem op zijn buik raakte. Ik zag dat hij voorovergebogen stond en zijn handen op zijn buik hield. Hierna hoorde ik niet helemaal duidelijk wat hij zei, maar het was een roep in de richting van zijn vrienden zo van: ‘hé, kom helpen".
Hierna werd het erg rommelig. Er kwamen drie of vier mensen vanaf de heuvel op jongen 1 afgerend. Twee van hen, ik noem ze jongen 2 en jongen 3, hebben mij tegen de grond gewerkt en daar ook gehouden door op me te zitten terwijl jongen 1 steeds opnieuw terug kwam om een aanval te doen.
Terwijl ik op de grond werd gehouden heb ik ongeveer vijf minuten lang klappen gekregen van jongen 1, jongen 2, en jongen 3. Ik zag dat terwijl jongen 2 en 3 mij op de grond hielden, jongen 1 langs hen stapte om mij trappen te geven. Ik kon niet los komen en beschermde met mijn armen mijn hoofd. Ik riep wel 50 maal sorry maar daar werd niet naar geluisterd. Ik zag en ik voelde dat hij met kracht op mijn hoofd trapte. Ik voelde op dat moment geen pijn want ik was in een overlevingsmodus. Ik dacht dat ik doodgeschopt werd.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 250, 254, 257 t/m 259 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Ik was bij een openlijke geweldpleging, die op 14 juli 2021 omstreeks 23:00 uur in het Park [A] heeft plaatsgevonden, waarbij een man is mishandeld die daarbij gewond is geraakt. Ik was met een groep. Die oudere man kwam naar ons toe met een grote lamp. Wij dachten dat het een politieagent was. Iedereen was aan het schreeuwen en we wilden daar weg. Toen we doorhadden dat het geen politie was bleven we staan. Ik was degene die vooraan stond. Ik kreeg het licht van de zaklamp van de oudere man in mijn ogen geschenen en ik kon hem daardoor eerst niet goed zien. De oudere man sloeg mij op mijn borst en daardoor duwde ik hem van mij af. Hij kwam hierdoor ten val samen met zijn zaklamp. [medeverdachte] was aanwezig die avond. Ik kan naar hem hebben geroepen: ‘Ik heb jou nodig’ of ‘Kom naar mij toe [medeverdachte] ’.
U houdt voor dat [medeverdachte] achteraf in de groep heeft verteld dat hij de aangever in zijn nek en op zijn kaak geschopt heeft. Dat hoorde ik niet dezelfde dag. Toen ik wakker ben geworden, de volgende dag, heeft hij dat verteld. [medeverdachte] liet toen een foto zien van die man. De moeder van [medeverdachte] zat in een whatsapp groepje van [A] . Die man had de volgende dag ergens een foto gestuurd. [medeverdachte] is toen via via aan die foto gekomen. [medeverdachte] zei toen nog: ‘Dat heb ik gedaan’ of ‘Dat hebben we gedaan’.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 201 en 210 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Het zou kunnen dat ik met het groepje in het park aanwezig was. Ik heb een foto van die man gezien. Mijn moeder zit in zo’n groepsapp. Zij had dit gezien. Zij woont in [A] . Ik heb dat bericht gezien op haar telefoon.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] , p. 137, 141 t/m 143, 147, 149 en 150 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
U houdt voor dat op 14 juli 2021 er omstreeks 23:00 uur in het Park [A] een openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden waarbij een man is mishandeld die daarbij gewond is geraakt. Ik weet er wel wat van. We zaten eventjes daar in het bos muziek te luisteren. We waren wel dronken maar ik had geen tijdsbesef. Er kwam vervolgens een man met een hele felle lamp en daar schrokken we van. Wij dachten dat het de politie was in eerste instantie. We hoorden toen een oudere mannenstem. Ik heb toen tegen de man gezegd dat ik werd verblind door de lamp en heb gevraagd of hij deze uit kon doen omdat ik last van mijn ogen had. De man luisterde hier niet naar. Hierop gingen 2 vrienden van mij op de man af en hebben hem toegetakeld. Ik heb toen geroepen dat geweld niets oplost. Ik heb een aantal keren geroepen naar de jongens dat ze de man moesten laten. Hierna heb ik geprobeerd de jongens van de man af te trekken en weg te sturen. Dit lukte niet gelijk maar uiteindelijk wel.
U houdt voor dat de aangever verklaard dat hij door de eerste jongen meerdere keren is geslagen en geschopt en vraagt of ik dat heb gezien. Ja, dat kwam omdat ik de eerste jongen die ik er eerst vanaf trok.
Ik heb wel gehoord dat de man sorry zei. Ik heb mij hierna alleen gefocust op de jongens om hen van de man af te trekken. Ik heb wel een zoiets heftigs gezien, maar niet zo erg als dit keer. Ik ben wel erg geschrokken en dacht: ‘dit is niet best’. Ik denk dat de men wel flink veel breuken heeft opgelopen. Ik kan me heel goed voorstellen dat de man dacht dat hij dood werd geschopt.
Het klopt dat ik heb geroepen: ‘Stoppen [naam 1] , stoppen [naam 1] ’.
Die jongen van Marokkaanse afkomst had wel geslagen, maar die andere jongen, die [naam 2] of [naam 2] begon gelijk te trappen en te slaan. Ik weet niet of dit trappen op zijn gezicht was, dat heb ik niet goed gezien. Het zou goed kunnen dat hij hem op zijn gezicht had getrapt.
Omdat ik hem op zijn hoofd zag trappen, werd ik boos op die jongens en heb ik ze er van af getrokken.
[naam 1] begon als eerste met slaan of trappen. Toen [naam 1] begon te slaan, begon de andere jongen, die [naam 2] / [naam 2] mee te doen.
Het klopt dat [medeverdachte] en [verdachte] degenen zijn die de man hebben mishandeld. Het klopt, dat [naam 1] / [naam 1] ‘ [verdachte] ’ is en [naam 2] / [naam 2] is ‘ [medeverdachte] ".
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] , p. 169, 172 en 173 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Ik was op 14 juli 2021 in het park [A] aanwezig met een groep. De aangever stond aan de onderkant van de berg met een hele felle zaklamp en scheen naar boven wie daar allemaal stonden. Ik heb gezien dat [verdachte] op de man af liep. De man met de zaklamp zei dat hij van de politie was. Daar werd [verdachte] lijp van en ging naar de man. De jongens die er waren gingen er meteen op af. Ik heb gehoord dat de aangever meerdere keren sorry had gezegd en dat [verdachte] en [medeverdachte] er niet naar geluisterd hebben. Ze bleven doorgaan en de jongens die erbij waren sprongen erbij. Ik heb niet gezien, maar je hoort gewoon dat die man klappen vangt.
[medeverdachte] had inderdaad verteld dat hij de man in zijn nek of kaak had geschopt. [medeverdachte] wees naar zijn nek en zei: ‘Kijk, ik heb hem hier geschopt.’
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 17 oktober 2024, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik die avond schoenen aan had.”
7. Op grond van deze bewijsmiddelen heeft het hof in zijn arrest het volgende vastgesteld:
“Op 14 juli 2021 ondervond [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) hinder van rondhangende jeugd en hij ging naar de heuvel in het park toe. Eenmaal daar kwam (een door [slachtoffer] genoemde) jongen 1 op hem af. Jongen 1 betrof verdachte. Nadat [slachtoffer] tegen de grond was gewerkt, werd hij door de andere jongens tegen de grond gehouden en kreeg hij, gedurende meerdere minuten, klappen en trappen. Daarbij liep verdachte om de jongens heen om [slachtoffer] trappen te geven en voelde [slachtoffer] trappen tegen zijn hoofd. Ook de verdachte [medeverdachte] heeft [slachtoffer] trappen tegen zijn nek/kaak gegeven. Beide verdachten droegen die avond schoenen. Getuige [getuige 1] heeft getracht de verdachten van [slachtoffer] af te krijgen, wat slechts met veel moeite lukte.
Het hof is van oordeel dat het handelen van verdachte, te weten het (samen met de medeverdachte) minutenlang mishandelen, waarbij zij meerdere keren met geschoeide voet tegen het hoofd dan wel nek/kaak van [slachtoffer] trappen, terwijl hij op de grond lag en werd gehouden, een aanmerkelijk kans op het dodelijk verwonden van [slachtoffer] met zich heeft gebracht. Uit de aard van het hiervoor vermelde handelen van de verdachten, waaronder ook het volharden in de geweldshandelingen terwijl een derde trachtte tussenbeide te komen, volgt, naar de uiterlijke verschijningsvormen, dat zij, tezamen en in vereniging, deze aanmerkelijke kans ook bewust hebben aanvaard.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat hieraan noch afdoet dat [slachtoffer] geen letsel aan zijn slapen had, noch dat hij uiteindelijk zijn hoofd heeft trachten te beschermen met zijn armen. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat verdachte getracht heeft het letsel te beperken. Integendeel, uit de verklaringen van [slachtoffer] zelf en van [getuige 2] blijkt dat verdachte(n) maar doorgingen ondanks het feit dat [slachtoffer] heel vaak sorry riep en dat [slachtoffer] het idee had dat hij zou worden doodgeschopt.
Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.”
Een nadere omschrijving van de klacht
8. Het middel is gericht tegen het oordeel dat de bewezen verklaarde gedragingen een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven hebben geroepen.
9. Voor een dergelijk oordeel is volgens de steller van het middel onvoldoende dat (zoals het hof heeft overwogen) “meerdere keren met geschoeide voet tegen het hoofd dan wel nek/kaak van het slachtoffer is getrapt, terwijl hij op de grond lag en werd gehouden”. Uit het dossier blijkt met name niet, aldus de steller van het middel, dat de geweldshandelingen “van een dusdanige kracht was/waren dat daarmee een aanmerkelijke kans ontstond dat de schedel van het slachtoffer zou breken, dan wel zodanig beschadigd zou raken, dat de hersenen volledig zouden uitvallen of ander letsel zou worden veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] zou komen te overlijden”. Ook zijn er geen “camerabeelden, waaruit duidelijk blijkt hoe en met welke kracht zou zijn geschopt en ook is niet vast te stellen waar [het slachtoffer] precies is geraakt c.q. welk letsel dan door een trap/schop zou zijn veroorzaakt. Ook de beschikbare medische informatie kan daar geen uitsluitsel over geven. In ieder geval is niet op foto’s van de verwondingen te zien dat sprake is van letsel bij de slaap.” Het slachtoffer is “ook niet buiten bewustzijn geweest en/of heeft niet roerloos op de grond gelegen. Het is daarnaast, gelet op de beelden van de supermarkt, vrijwel zeker dat [de verdachte] en de anderen sportschoenen droegen en bijvoorbeeld geen werkschoenen of schoenen met stalen neuzen die per definitie veel ernstiger letsel veroorzaken als daarmee tegen het hoofd wordt getrapt.” Samengevat gaan de klachten over de kracht waarmee het slachtoffer is getrapt en het bij het slachtoffer geconstateerde letsel.
Beschouwingen over het begrip ‘aanmerkelijke kans’ in het kader van voorwaardelijk opzet
De eisen die de Hoge Raad stelt aan het aannemen van voorwaardelijk opzet
10. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van een ander – aanwezig wanneer de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Uit die rechtspraak kan worden afgeleid dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg drie condities moeten zijn vervuld. Dat zijn:
(1) de ten laste gelegde gedraging heeft een aanmerkelijke kans op het gevolg in het leven geroepen;
(2) de verdachte heeft tijdens de gedraging weet gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg door zijn gedraging zal intreden. Met andere woorden, de verdachte is zich van die aanmerkelijke kans bewust geweest;
(3) de verdachte heeft die aanmerkelijke kans ten tijde van de gedraging aanvaard, c.q. op de koop toe genomen.
11. Conditie 2 betreft het kenniselement van voorwaardelijk opzet, en conditie 3 het wilselement van voorwaardelijk opzet, tezamen het ‘willens en wetens’. Conditie 3 heeft naast conditie 2 zelfstandige betekenis. Dat de verdachte weet heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, betekent niet zonder meer dat hij die aanmerkelijke kans op het gevolg ook aanvaart. Er kan immers sprake zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan uitgaat dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid of roekeloos handelt, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg is gericht.
12. Of de verdachte in een concreet geval heeft gehandeld met bewuste schuld dan wel met voorwaardelijk opzet, zal – wanneer verklaringen van de verdachte of van eventuele getuigen géén inzicht geven in wat er tijdens de gedraging in de verdachte is omgegaan – afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – mag worden aangenomen dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard.
Conditie 1: het ‘kanselement’ van voorwaardelijk opzet
13. Onder een ‘aanmerkelijke kans’ op een bepaald gevolg verstaat de Hoge Raad: een (onder de gegeven omstandigheden) reële, nietonwaarschijnlijke mogelijkheid dat dit gevolg zal intreden. Met ‘aanmerkelijke kans’ wordt naar het oordeel van de Hoge Raad geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’, die in oudere rechtspraak nog werd gebruikt. Zeven opmerkingen over het vaststellen van de – op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen – kans.
(1). De context
on
afhankelijkheid van de op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen kans
14. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er geen grond is om de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. De ernst van het gevolg, zelfs als dat de dood van meer mensen betreft, heeft dus naar het oordeel van de Hoge Raad geen invloed op de hoogte die een kans minimaal moet bedragen wil zij nog als ‘aanmerkelijk’ kunnen worden betiteld. De drempelwaarde (het minimum) van ‘aanmerkelijkheid’ betreft zodoende een vaste waarde, die niet varieert naargelang de aard en ernst van het gevolg.
(2). De drempelwaarde van ‘aanmerkelijkheid’
15. Daardoor rijst de vraag naar de minimale hoogte van de kans die de Hoge Raad bij het begrip ‘aanmerkelijk’ voor ogen staat. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat hij zich niet kan uitlaten over de exacte grootte van de kans die minimaal vereist is. De reden hiervoor is deels pragmatisch van aard: de strafrechtspraak moet niet worden opgezadeld met weinig vruchtbare, oeverloze discussies over frequenties en statistieken. Met gemillimeter achter de komma is niemand gebaat. Maar de reden is m.i. óók principieel van karakter. Dit komt hierna (randnummers 17 t/m 19) meer uit de verf: de grootte van de te beoordelen kans hangt af van de hoeveelheid en aard van de informatie die bij de beoordeling van die kans in aanmerking wordt genomen. Voor die informatieselectie bestaat geen logisch dwingende, eenduidige maatstaf. Een exact percentage veronderstelt echter een eenduidig bepaalde kans. Die is er niet. In veruit de meeste gevallen is de grootte van de kans op het intreden van een bepaald gevolg dan ook niet wetenschappelijk verantwoord te calculeren, terwijl tegelijkertijd op basis van algemene ervaringsregels wél redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de kans op het intreden van dat gevolg ‘geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen’ is, of dat het intreden van een bepaald gevolg onder de gegeven omstandigheden ‘een reële mogelijkheid betreft die niet onwaarschijnlijk is’.
16. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de drempelwaarde voor 'aanmerkelijkheid' betrekkelijk laag ligt: een reële, niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid. Wie dit begrip − bij wijze van benadering, want taalkundige precisie is hier niet te bereiken − opvat als de logische ontkenning van 'onwaarschijnlijk', komt uit bij alle kansen die groter zijn dan een kleine kans. Daarbij verdient opmerking dat de begrippen waarmee de Hoge Raad die drempel omschrijft in het gewone taalgebruik vermoedelijk uiteenlopende kansschattingen oproepen: een 'geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans' zal door de gemiddelde taalgebruiker als (aanzienlijk) kleiner worden ingeschat dan een 'niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid', terwijl de Hoge Raad beide formuleringen als synoniem behandelt. Hier ligt een potentiële bron van misverstand over de vraag in welke richting de oude drempel van de ‘geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’ zou zijn verschoven, terwijl er naar het oordeel van de Hoge Raad juist niets is verschoven. Hoe dan ook spreekt het bepaald niet voor zich dat een aanmerkelijke kans – die immers betrekkelijk klein kán zijn – zich in de praktijk ook verwezenlijkt.
(3). Kansen drukken onzekerheid uit
17. De hoogte van de hier besproken kansen vormt een afspiegeling van onze onzekerheid over de toestand van de fysieke werkelijkheid. Ik licht dit toe. Het gebrekkige karakter van onze kennis van de werkelijkheid brengen we tot uitdrukking door over die werkelijkheid waarschijnlijkheidsuitspraken te doen. Als er daarna meer informatie tot ons komt, kunnen we onze kansinschattingen zo nodig aanpassen, hoewel er aan de werkelijkheid zelf niets is veranderd. De grootte van een kans hangt dus af van het kennisniveau van degene die een schatting van die kans maakt. Als we bijvoorbeeld zeggen dat er 50% kans is dat het nu in Stockholm regent, willen we niet zeggen dat het in exact één helft van Stockholm regent, maar alleen dat we niet weten of het daar regent. Als een bezoeker van Stockholm ons daarna appt over de weersomstandigheden aldaar, zullen we die regenkansen daarentegen meer nauwkeurig kunnen inschatten en met een hogere graad van waarschijnlijkheid accurate uitspraken kunnen doen (‘5% regenkans’). Het weer zelf verandert er niet door.
18. Zo werkt het ook bij het kanselement van voorwaardelijk opzet. Bij het bepalen van de kans op de aantasting van het beschermde rechtsgoed (bijvoorbeeld het leven of de gezondheid van anderen) zijn we onbekend met allerlei detailkennis over de gedraging die de aantasting van het beschermde rechtsgoed tot gevolg kan hebben en over de omstandigheden waaronder die gedraging plaatsvindt. Als bij het bepalen van de kans op het intreden van een bepaald gevolg alle details van de fysieke werkelijkheid tot in de finesses bekend zouden zijn, was achteraf bezien iedere poging tot de voltooiing van een delict gedoemd te mislukken, en stond de ongelukkige afloop van een met voorwaardelijk opzet voltooid delict al bij voorbaat vast. Dergelijke bovenmenselijke kennis speelt in het strafrecht geen rol.
(4). Een rechtspolitieke keuze: welke informatie wordt wel of niet in aanmerking genomen
19. In wezen gaat het bij de beoordeling van het kanselement van voorwaardelijk opzet dus om een rechtspolitieke keuze. Bepaald moet worden welke informatie bij de beoordeling van de kans op het kwalijke gevolg wel en welke informatie hierbij niet in aanmerking wordt genomen. In de kansrekening staat dit keuzevraagstuk bekend als het ‘referentieklasseprobleem’. Juridisch verdedigbaar is m.i. dat het bij het bepalen van de grootte van de kans op de aantasting van een rechtsgoed in het algemeen slechts gaat om informatie over de gedraging en haar mogelijke gevolgen, beoordeeld naar de kenbare, ‘uiterlijke verschijningsvorm’ van die gedraging. Kortom, het bepalen van de grootte van de – op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen – kans vindt in dat geval plaats op basis van (i) slechts globale – menselijkerwijs te bevatten – kennis van de gedraging, bezien naar haar aard en tegen de achtergrond van de omstandigheden van het geval, en (ii) algemene ervaringsregels (generalisaties) omtrent het optreden van causale verbanden tussen een dergelijke gedraging en de potentiële gevolgen ervan.
(5). ‘Objectieve maatstaven’: kansinschatting door een geïnformeerde buitenstaander
20. Leidend bij de beoordeling van de aanmerkelijkheid van de kans op het gevolg is de vraag of die kans naar objectieve maatstaven aanwezig kon worden geacht. ‘Objectief' betekent hier niet: onafhankelijk van het kennisniveau – dat zou zich slecht verdragen met wat ik onder randnummers 17 en 18 over het (subjectieve) kansbegrip heb opgemerkt – maar: onafhankelijk van de subjectieve inschatting van de verdachte. Het gaat om de kansinschatting van een geïnformeerde buitenstaander, zoals de rechter, die de gedraging naar haar uiterlijke verschijningsvorm beziet en daarop algemene ervaringsregels toepast. De kansinschatting door de verdachte komt pas aan bod bij de tweede conditie voor het bewijs van voorwaardelijk opzet, te weten de eis dat de verdachte zich tijdens zijn gedraging bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op het intreden van een bepaald gevolg (het kenniselement).,
(6). Het temporele perspectief van de kansinschatting
21. De te beoordelen kans is de kans zoals die zich ten tijde van de gedraging — ex ante — liet inschatten. Dat de rechter noodgedwongen achteraf oordeelt, staat daaraan niet in de weg, maar vergt wel onderscheid tussen twee functies van achteraf beschikbare informatie. Het ingetreden letsel bijvoorbeeld kan dienen als bewijs van ex ante relevante factoren, zoals de kracht waarmee is geslagen; in zoverre mag de rechter daarop acht slaan. Daarentegen zegt het al dan niet intreden van het gevolg in het concrete geval weinig tot niets over de grootte van de ex ante bestaande kans op dat gevolg: een aanmerkelijke kans blijft vaak onverwezenlijkt (zie randnummer 16), en omgekeerd kan ook een zeer geringe kans zich toch verwezenlijken.
(7). Kritiek uit forensisch-medische hoek
22. Tegen ervaringsregels van het type dat het hof in deze zaak heeft gehanteerd — kort gezegd: dat ernstig geweld tegen het hoofd de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven roept — is vanuit forensisch-medische hoek ingebracht dat een letale afloop van geweld tegen het hoofd zich volgens de beschikbare gegevens slechts zelden verwezenlijkt. Die kritiek verdient serieuze aandacht, maar zij vloert de door het hof omarmde ervaringsregel niet. Frequentiegegevens hebben steeds betrekking op een klasse van gevallen, en hun zeggingskracht voor het voorliggende geval staat of valt met de vraag of dat geval voor die klasse representatief is. Cijfers over 'geweld tegen het hoofd' bestrijken een breed spectrum: van een enkele vuistslag in een uitgaansruzie tot het gedurende geruime tijd, met de geschoeide voet en met kracht schoppen tegen het hoofd van een slachtoffer dat geen kant op kan. Naarmate de gedraging specifieker wordt beschreven, wijzigt – zoals in randnummer 19 uiteengezet – de referentieklasse en daarmee de kans, terwijl voor zeer specifieke beschrijvingen betrouwbare frequentiegegevens veelal geheel ontbreken. Juist dan is de rechter aangewezen op ervaringsregels, toegespitst op de globale, kenbare kenmerken van het geval. De forensisch-medische kritiek dwingt de rechter dus wel tot precisie: de ervaringsregel mag niet worden opgerekt tot een automatisme dat iedere klap tegen het hoofd een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. De rechter zal in zijn motivering de concrete, kansverhogende omstandigheden moeten benoemen: het gebruikte voorwerp, de kracht, de duur, de herhaling, de weerloosheid van het slachtoffer. Maar zij dwingt niet tot de slotsom dat bij geweld van de hier aan de orde zijnde aard en intensiteit geen aanmerkelijke kans op de dood kan worden aangenomen.
Tot slot
23. Zoals Knigge al eens benadrukte, is met name de onder randnummer 20 bedoelde objectieve maatstaf van belang ingeval het gaat om een poging. Voor een strafbare poging mag worden geëist dat – hoewel het gevolg niet is ingetreden – het beschermde rechtsgoed daadwerkelijk in gevaar is gebracht. Deze eis van daadwerkelijke gevaarzetting moet in het licht van het voorgaande niet worden verstaan als een verwijzing naar een van ieder kennisniveau onafhankelijk, 'in de werkelijkheid zelf' besloten gevaar. Een dergelijk gevaarbegrip zou op dezelfde bezwaren stuiten als hiervoor besproken. Ook hier gaat het om het gevaar zoals dat zich, beoordeeld naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging en aan de hand van algemene ervaringsregels, ex ante liet vaststellen.
De beoordeling van de klacht
24. Het hof heeft in deze zaak het volgende vastgesteld.
- De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] waren onderdeel van een groep van ten minste vier jongens die dronken waren en rond 23.00 uur ’s avonds bovenop de heuvel in park [A] geluidsoverlast veroorzaakten.
- De verdachte werd “lijp” nadat het slachtoffer, een man van toen 63 jaar, de groep jongens daarop aansprak.
- De verdachte heeft de fysieke confrontatie met het slachtoffer gezocht door op hem af te lopen en hem een kaakslag te geven en, nadat het slachtoffer hem in reactie daarop een schop had gegeven, omver te duwen.
- Toen het slachtoffer op de grond lag, werd hij door andere jongens uit de groep op de grond gehouden.
- De verdachte is om het slachtoffer heen gaan lopen en om de jongens die het slachtoffer op de grond hielden, en heeft het slachtoffer “minutenlang” meerdere keren met geschoeide voet met kracht tegen het hoof dan wel de nek / kaak getrapt terwijl het slachtoffer zijn hoofd met zijn armen beschermde.
- De medeverdachte [medeverdachte] heeft het slachtoffer tijdens dezelfde fysieke confrontatie, meerdere keren tegen de nek / kaak getrapt.
- Beide verdachten hebben het slachtoffer “toegetakeld” zoals een getuige dat omschreef, ook nadat het slachtoffer “sorry” bleef zeggen.
- Een van de jongens kon niet zien wat er gebeurde maar hoorde de klappen die het slachtoffer kreeg.
- Een andere jongen van de groep waarvan de verdachte en de medeverdachte deel uitmaakten, werd boos toen hij zag dat de verdachte en de medeverdachte het slachtoffer op zijn gezicht trapten en heeft geprobeerd beide verdachten van het slachtoffer af te trekken wat niet onmiddellijk lukte. Deze jongen had wel eens “zoiets heftigs gezien, maar niet zo erg als dit”, en kon zich heel goed voorstellen dat het slachtoffer dacht dat hij werd doodgeschopt.
- Het slachtoffer dacht dat inderdaad.
- Het hof heeft vastgesteld dat aan het slachtoffer “veel letsel” is toegebracht als gevolg van het “zeer ernstig en lang aanhoudend op hem uitgeoefend geweld”.
- Na afloop bloedde het slachtoffer vanuit sneden in het gezicht. Zijn gezicht was gezwollen en had meerdere bloeduitstortingen.
25. In cassatie worden deze vaststellingen op zichzelf niet bestreden. Wel wordt bestreden dat deze vaststellingen toereikend zijn voor het bewijs van het bestaan van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van het mede door de verdachte uitgeoefende geweld om het leven zou komen.
26. Ik deel dat standpunt niet. Het oordeel dat de gedragingen van de verdachte en de medeverdachte een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel teweeg hebben gebracht, vind ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft hierbij acht kunnen slaan op de uiterlijke verschijningsvorm van het vertoonde geweld en op de aard en ernst van het vastgestelde letsel. Het gaat hier met name ook om de aard, lange duur en intensiteit van het gecoördineerde schoppen met geschoeide voet tegen kwetsbare lichaamsdelen als het hoofd en de nek van het slachtoffer. Tevens heeft het hof in ogenschouw kunnen nemen dat het hier ging om een op de grond vastgehouden en daarmee nagenoeg weerloos slachtoffer. Ten slotte heeft het hof in aanmerking kunnen nemen dat de leeftijd van het slachtoffer een verhoogde kwetsbaarheid meebrengt.
Slotsom
27. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
28. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Rb. Midden-Nederland 18 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1015.
De laatste tijd heeft de Hoge Raad zijn standaardoverwegingen taalkundig enigszins geüpdatet (maar daarbij zijn géén inhoudelijke wijzigingen beoogd): HR 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:689, en HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1407, NJ 2025/74. Zie verder: HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1563, NJ 2023/345; HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:384, NJ 2019/150; HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. Wolswijk; HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:117; HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250; HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60, NJ 2017/375 m.nt. Keulen; HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, NJ 2017/67 m.nt. Mevis; HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111 m.nt. Keijzer; HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12; HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871; HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123; HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154 m.nt. De Jong, en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma.
Die hiernavolgende bespreking van het kanselement van het voorwaardelijk opzet betreft een aangepaste versie van de bespreking van dit onderwerp in mijn conclusies van 6 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:555, vóór HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303 ([…].), en van 18 februari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:239. Graag verwijs ik in algemene zin naar: J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 262-267.
HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103, met daaraan voorafgaande conclusie van Keulen. Ik citeer uit het arrest (rov. 5.3.2): “De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. (…). Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans". De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.”
Dit oordeel is voor het eerst tot uitdrukking gebracht in: HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma, rov 3.6 (Hiv I).
Met de overweging dat de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ niet afhankelijk is van de aard van het gevolg, nam de Hoge Raad in het hiv I-arrest uitdrukkelijk afstand van de opvatting van verscheidene van de advocaten-generaal in het parket bij de Hoge Raad. Die advocaten-generaal hadden namelijk in de aan dat arrest voorafgaande periode betoogd (uitgedrukt in mijn woorden) dat de – op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen – kans gelijkstaat aan het product van ‘de kans op een bepaald gevolg’ en ‘de maatschappelijk kosten c.q. de aard en ernst van dat gevolg’, oftewel tezamen: het risico. Als er bijvoorbeeld 3% kans is dat ik voor een gesloten winkeldeur kom te staan wanneer ik voor een boodschap naar de stad fiets, dan vind ik die kans verwaarloosbaar klein, terwijl ik voor geen goud in een vliegtuig stap als ik weet dat de kans op een crash 3% bedraagt. Of ik die kans (in deze voorbeelden: van 3%) ‘in aanmerking’ neem, hangt dus af van de aard en ernst van het potentiële gevolg. Het begrip ‘aanmerkelijke kans’ is aldus bezien ‘contextgevoelig’.
De Hoge Raad oordeelde echter anders: het gaat bij het begrip ‘aanmerkelijke kans’ louter om de feitelijke kans op het intreden van een bepaald gevolg, ongeacht de aard en ernst van dat gevolg. Ik vermoed dat de Hoge Raad hiermee het ongebreidelde gebruik van het leerstuk van ‘voorwaardelijk opzet’ in de feitenrechtspraak heeft willen beteugelen.
In de literatuur is overigens betoogd dat de feitenrechtspraak – wat er ook zij van de ‘officiële leer’ van de Hoge Raad − de facto met delictsafhankelijke drempels zou werken: vergelijk bijvoorbeeld de hiv-rechtspraak, waarin betrekkelijk kleine besmettingskansen niet als aanmerkelijk werden aangemerkt, met de geweldsrechtspraak, waarin de aanmerkelijke kans op de dood ook zonder frequentistische onderbouwing pleegt te worden aangenomen.
M.i. dwingt deze observatie niet tot de conclusie dat de drempelwaarde in werkelijkheid varieert. Het verschil laat zich ook verklaren doordat in de ene categorie zaken de kans aan de hand van beschikbare frequentiegegevens over een welomschreven klasse van gevallen kan worden geschat, terwijl in de andere categorie de kansinschatting berust op ervaringsregels over een naar zijn uiterlijke verschijningsvorm omschreven gedraging. Niet de drempel verschilt, maar de informatie aan de hand waarvan de kans wordt bepaald. Zie daarover randnummer 19.
Zie verder over de 'contextgevoeligheid' van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ met name: D.H. de Jong, ‘De aanmerkelijke kans’, in: M.S. Groenhuijsen & J.B.H.M. Simmelink (red.), Glijdende schalen (Liber amicorum J. de Hullu), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 217-224, in het bijzonder p. 224.
Zie over het verloop en de achtergronden van de discussie over de contextafhankelijkheid: J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 263, en zie: D.J.C. Aben, ‘Gif, het verkeer, hiv en de dood: voorwaardelijk opzet’, in: G.J.M. Corstens, Lord Mance, C.W.A. Timmermans, D.J.C. Aben, G. de Groot & J.W. Fokkens, 175 jaar Hoge Raad der Nederlanden. Bijdragen aan de samenleving, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 69-84.
Zie over de stelling dat de feitenrechtspraak in weerwil van de officiële leer van de Hoge Raad tóch werkt met delict-afhankelijke drempelwaarden voor ‘aanmerkelijkheid’: N. Rozemond, 'Hoe groot moet de kans zijn? Over HIV-besmetting, voorwaardelijk opzet en roekeloosheid in het strafrecht', NJB 2007, afl. 18, p. 1103-1109; A.A. van Dijk, Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen. Over opzet, schuld, schulduitsluitingsgronden en straf (diss. Groningen), Apeldoorn/Antwerpen: Maklu 2008, en A.A. van Dijk, Opzet, kans en keuzes. Een analyse van doodslag in het verkeer, Zutphen: Paris 2017.
Met die woorden breng ik de volgende gedachtegang tot uitdrukking. Het begrip ‘waarschijnlijk’ is in de Nederlandse taal niet nauwkeurig gedefinieerd, dus ik sla er een slag naar. Mogelijk vallen onder het begrip ‘waarschijnlijk’ kansen van grofweg minimaal 60 à minimaal 90% (afhankelijk van wie je het vraagt). Laten we voor het rekengemak echter uitgaan van alle kansen van ten minste 80% (dus: p ≥ 80%). 80% is in dat geval de drempelwaarde van het begrip ‘waarschijnlijk’, oftewel een gebeurtenis is ‘waarschijnlijk’ als de kans daarop 80% of meer bedraagt.
Onder het spiegelbeeldige begrip ‘onwaarschijnlijk’ vallen in dat geval alle kansen kleiner dan of gelijk aan 20% (p ≤ 20%). Een gebeurtenis is ‘onwaarschijnlijk’ als de kans daarop 20% of minder bedraagt. Het aan ‘onwaarschijnlijk’ complementaire begrip ‘niet-onwaarschijnlijk’ beslaat aldus bezien alle kansen groter dan 20% (p > 20%). Een gebeurtenis is ‘niet-onwaarschijnlijk’ als de kans daarop méér dan 20% bedraagt. 20% is dan de drempelwaarde van een ‘niet-onwaarschijnlijke’ kans.
Hierbij past de kanttekening dat de begrippen 'waarschijnlijk', 'onwaarschijnlijk' en ‘niet-onwaarschijnlijk’ in het dagelijkse taalgebruik niet noodzakelijk symmetrisch, resp. complementair zijn. Empirisch onderzoek naar verbale kansuitdrukkingen laat zien dat de numerieke interpretatie van zulke termen aanzienlijk uiteenloopt en zelfs asymmetrieën vertoont. De hier gehanteerde symmetrie en complementariteit is dus een modelmatige vereenvoudiging. Zie o.m. S.J.W. Willems, C.J. Albers & I. Smeets, ‘Variability in the interpretation of probability phrases used in Dutch news articles—a risk for miscommunication’, Journal of Science Communication 2020, afl. 2, A03.
Voor de goede orde: met deze getallen beoog ik niet alsnog een precieze drempelwaarde voor ‘aanmerkelijkheid’ te introduceren. Dat zou haaks staan op het oordeel van de Hoge Raad dat over de exacte grootte van de vereiste kans geen algemene regels kunnen worden gegeven, en op wat ik in randnummer 15 opmerkte over de principiële onbepaaldheid van een kans.
Statistici spreken in dit verband van een ‘subjectief’ kansbegrip.
Het ‘referentieklasseprobleem’ houdt in dat de grootte van de kans op een gevolg afhangt van de klasse van gevallen waartoe men de te beoordelen gedraging rekent, en daarmee van de mate van detail waarin die gedraging wordt beschreven. Hoe specifieker de beschrijving, hoe kleiner de klasse, en hoe minder frequentiegegevens over die klasse voorhanden zijn. Een canonieke, door de werkelijkheid zelf gedicteerde beschrijving bestaat niet; de keuze van het beschrijvingsniveau is onvermijdelijk.
Ik realiseer me dat Arendse heeft betoogd dat de ‘uiterlijke verschijningsvorm’ als maatstaf in de rechtspraak van de Hoge Raad geen (duidelijke) rol speelt bij het bepalen van de grootte van de – op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen – kans. Zie S.S. Arendse, De uiterlijke verschijningsvorm in het strafrecht. Een analyse van de jurisprudentie van de Hoge Raad, Den Haag: Boom Juridisch 2020, p. 158-160. Niettemin meen ik dat het (op ‘logische’ gronden) niet anders kan zijn dan dat de grootte van de besproken kans wordt bepaald aan de hand van slechts globale, voor mensen kenbare facetten van de werkelijkheid. In het antwoord op de vraag ‘welke facetten dan precies?’ liggen, zoals besproken in de vorige voetnoot, onvermijdelijk keuzemomenten besloten. De ‘uiterlijke verschijningsvorm’ is m.i. niet alleen bij conditie 3 (het wilselement), maar ook in verband met conditie 1 (het kanselement) een bruikbare maatstaf.
Zie ook J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 264-265.
Zie bijv. de bespreking van dit aspect in J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 264-265, met een bespreking van HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:982.
Daarmee is niet gezegd dat voor het kenniselement is vereist dat de verdachte de grootte van de kans zelf correct heeft getaxeerd, laat staan gekwantificeerd. Voldoende is dat de verdachte zich ten tijde van de gedraging bewust is geweest van de kans die – naar de in de hoofdtekst bedoelde objectieve maatstaven beoordeeld – als aanmerkelijk heeft te gelden.
Zie hierover o.a. W.L.J.M. Duijst, ‘Feiten van algemene bekendheid betreffende geweldhandelingen tegen het hoofd’, NTS 2022/06; D. Botter, P.M.I. Van Driessche & C.E.H. Berger, ‘Reactie op Duijst (NTS 2022/06): Geweldhandelingen tegen het hoofd’, NTS 2023/04; W.L.J.M. Duijst, ‘Naschrift bij ‘Reactie op Duijst (NTS 2022/06): Geweldhandelingen tegen het hoofd’’, NTS 2023/05, en R. ter Haar & S.E. van den Brink, ‘Kansgrootte en ervaringsregels bij voorwaardelijk opzet’, NTS 2023/06.
Zie zijn conclusie voorafgaand aan HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, onder 12, 14 en 19.
Van een situatie zoals omschreven in HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer, is in de voorliggende zaak geen sprake nu de verdachte voor het onder 1. primair ten laste gelegde in eerste aanleg weliswaar was vrijgesproken, maar was veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, waaraan dezelfde feitelijke gedragingen ten grondslag zijn gelegd. Zie idem HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:489 (art. 81 RO).
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04133
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 31 oktober 2024 (parketnummer 21-001296-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens het onder 1 primair bewezen verklaarde "medeplegen van poging tot doodslag" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, waarbij als bijzondere voorwaarden een locatie- en een contactverbod zijn opgelegd, en met aftrek van voorarrest. Het hof heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 9 september 2019 (parketnummer 16-103698-19) voorwaardelijk opgelegde taakstraf van vijftig uren afgewezen. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 2.713,12 in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het hof de gijzeling heeft bepaald op ten hoogste zevenendertig dagen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.G. Vos, advocaat in Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Er bestaat samenhang met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (24/04135). In deze zaak, waarin M.G. Vos een op die medeverdachte toegesneden maar verder in essentie identiek middel heeft voorgesteld, zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het middel bevat een motiveringsklacht over het bewijs van het voorwaardelijk opzet, waarmee met name het bewijs van de ‘aanmerkelijke kans’ op de dood van het slachtoffer wordt aangevochten.
De zaak
4. De zaak heeft betrekking op geweldshandelingen die zich 14 juli 2021 tegen middernacht hebben voorgedaan in park [A] in [plaats] . Vast staat dat de verdachte samen met de medeverdachte geweldshandelingen heeft gepleegd tegen het slachtoffer. De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van het medeplegen van poging tot doodslag en de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en hem veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 primair bewezen verklaard dat:
“hij, op 14 juli 2021, te [plaats] , tezamen en in vereniging, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- die [slachtoffer] , meermalen, (met kracht) in/tegen/op het gezicht/hoofd, althans het lichaam, heeft getrapt en/of geschopt (terwijl die [slachtoffer] (weerloos) op de grond lag en werd (vast)gehouden) en
- die [slachtoffer] , meermalen, (met kracht) in/tegen/op het gezicht/hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt (terwijl die [slachtoffer] (weerloos) op de grond lag en werd (vast)gehouden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.
6. Deze bewezenverklaring rust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van voetnoten):
“Het proces-verbaal van bevindingen, p. 30 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Op woensdag 14 juli 2021 omstreeks 23:04 uur ontvingen wij, verbalisanten, het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] naar aanleiding van een melding van een mishandeling. Ter plaatse troffen wij [slachtoffer] in de woning.
Ik zag dat [slachtoffer] bloedde vanuit sneden in het gezicht. Ik zag dat het gezicht van [slachtoffer] gezwollen was en meerdere bloeduitstortingen had. Ik hoorde [slachtoffer] , onder andere, het volgende verklaren:
- Ik hoorde al enige tijd geschreeuw komen vanaf de ‘heuvel’ in het park, ik vermoedde dat dit wat jeugd was die daar rondhing;
- Dit gebeurd wel vaker en daarom pakte ik mijn zaklamp en liep ik naar de groep toe:
- Ik zag een groepje van 3 a 4 jongeren;
- Ik vermoed dat de jongens onder invloed waren;
- De sfeer was direct vijandelijk;
- 1 jongen in het bijzonder was opvallend agressief, ik kan hem als volgt omschrijven;
- Ongeveer 20 jaar oud, getint (mogelijk Marokkaans), beige shirt, ongeveer 1.74 meter lang, slank postuur.
- Deze jongen was de meest agressieve van de groep;
- Hij sloeg mij en werkte mij naar de grond;
- Ik heb mijzelf, als zelfverdediging proberen te verweren en sloeg terug;
- Hierna, toen ik op de grond lag, bleven meerdere jongens mij op en tegen mijn hoofd trappen.
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 20 t/m 22 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Ik ben gisteravond, dat was op woensdag 14 juli 2021 mishandeld door meerdere personen. Die avond liep ik omstreeks 23:00 uur richting de heuvel tegenover de woning van mij en mijn vrouw. Ik had mijn bril op en mijn zakklamp in de hand. Toen hoorde ik alleen maar geluid, de mensen schreeuwen en roepen en muziek. Vervolgens scheen ik die kant op en toen kwam er heel snel een jongeman op mij aflopen.
Die kwam vanaf boven de heuvel de trap aflopen. Ik noem dit jongen 1. Ik scheen hem vol in zijn gezicht. Ik kan jongen 1 als volgt omschrijven:
- Mijn gevoel zegt Marokkaanse afkomst. Gezien het uiterlijk en de manier waarop hij sprak;
- vaal wit of bruin t-shirt aan:
- donker gekleurde trainingsbroek. De stof zag er vlodderig en glanzend uit;
- kort zwart kapsel:
- smal gezicht met een wilde blik;
- zijn houding was erg intimiderend. Hij stond rechtop. Hij kwam niet als een schoothondje aanlopen.
Hij begon agressief te roepen: 'Wat is dat, wie ben jij, wat kom je doen, doe die zaklantaarn uit.’ Ik vroeg terug: ‘is het afgelopen nu met dat lawaai?’ Dat kwam niet binnen bij hem. Hij stormde de trap af en bleef roepen dat de zaklantaarn uit moest en bleef het riedeltje herhalen. Toen wilde ik nog zeggen: ‘dat bepaal ik wel’. Voordat ik ook maar iets kon zeggen, zag ik dat de jongen uithaalde met zijn linkerarm en mij vol op mijn kaak raakte. Toen was ik niet knok-out, en stond even perplex wat omsloeg in enorme boosheid. Ik had een flinke klap gehad maar had geen pijn.
Toen ik op stond was ik zo boos dat ik een schop uitdeelde en hem op zijn buik raakte. Ik zag dat hij voorovergebogen stond en zijn handen op zijn buik hield. Hierna hoorde ik niet helemaal duidelijk wat hij zei, maar het was een roep in de richting van zijn vrienden zo van: ‘hé, kom helpen".
Hierna werd het erg rommelig. Er kwamen drie of vier mensen vanaf de heuvel op jongen 1 afgerend. Twee van hen, ik noem ze jongen 2 en jongen 3, hebben mij tegen de grond gewerkt en daar ook gehouden door op me te zitten terwijl jongen 1 steeds opnieuw terug kwam om een aanval te doen.
Terwijl ik op de grond werd gehouden heb ik ongeveer vijf minuten lang klappen gekregen van jongen 1, jongen 2, en jongen 3. Ik zag dat terwijl jongen 2 en 3 mij op de grond hielden, jongen 1 langs hen stapte om mij trappen te geven. Ik kon niet los komen en beschermde met mijn armen mijn hoofd. Ik riep wel 50 maal sorry maar daar werd niet naar geluisterd. Ik zag en ik voelde dat hij met kracht op mijn hoofd trapte. Ik voelde op dat moment geen pijn want ik was in een overlevingsmodus. Ik dacht dat ik doodgeschopt werd.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 250, 254, 257 t/m 259 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Ik was bij een openlijke geweldpleging, die op 14 juli 2021 omstreeks 23:00 uur in het Park [A] heeft plaatsgevonden, waarbij een man is mishandeld die daarbij gewond is geraakt. Ik was met een groep. Die oudere man kwam naar ons toe met een grote lamp. Wij dachten dat het een politieagent was. Iedereen was aan het schreeuwen en we wilden daar weg. Toen we doorhadden dat het geen politie was bleven we staan. Ik was degene die vooraan stond. Ik kreeg het licht van de zaklamp van de oudere man in mijn ogen geschenen en ik kon hem daardoor eerst niet goed zien. De oudere man sloeg mij op mijn borst en daardoor duwde ik hem van mij af. Hij kwam hierdoor ten val samen met zijn zaklamp. [medeverdachte] was aanwezig die avond. Ik kan naar hem hebben geroepen: ‘Ik heb jou nodig’ of ‘Kom naar mij toe [medeverdachte] ’.
U houdt voor dat [medeverdachte] achteraf in de groep heeft verteld dat hij de aangever in zijn nek en op zijn kaak geschopt heeft. Dat hoorde ik niet dezelfde dag. Toen ik wakker ben geworden, de volgende dag, heeft hij dat verteld. [medeverdachte] liet toen een foto zien van die man. De moeder van [medeverdachte] zat in een whatsapp groepje van [A] . Die man had de volgende dag ergens een foto gestuurd. [medeverdachte] is toen via via aan die foto gekomen. [medeverdachte] zei toen nog: ‘Dat heb ik gedaan’ of ‘Dat hebben we gedaan’.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 201 en 210 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Het zou kunnen dat ik met het groepje in het park aanwezig was. Ik heb een foto van die man gezien. Mijn moeder zit in zo’n groepsapp. Zij had dit gezien. Zij woont in [A] . Ik heb dat bericht gezien op haar telefoon.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] , p. 137, 141 t/m 143, 147, 149 en 150 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
U houdt voor dat op 14 juli 2021 er omstreeks 23:00 uur in het Park [A] een openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden waarbij een man is mishandeld die daarbij gewond is geraakt. Ik weet er wel wat van. We zaten eventjes daar in het bos muziek te luisteren. We waren wel dronken maar ik had geen tijdsbesef. Er kwam vervolgens een man met een hele felle lamp en daar schrokken we van. Wij dachten dat het de politie was in eerste instantie. We hoorden toen een oudere mannenstem. Ik heb toen tegen de man gezegd dat ik werd verblind door de lamp en heb gevraagd of hij deze uit kon doen omdat ik last van mijn ogen had. De man luisterde hier niet naar. Hierop gingen 2 vrienden van mij op de man af en hebben hem toegetakeld. Ik heb toen geroepen dat geweld niets oplost. Ik heb een aantal keren geroepen naar de jongens dat ze de man moesten laten. Hierna heb ik geprobeerd de jongens van de man af te trekken en weg te sturen. Dit lukte niet gelijk maar uiteindelijk wel.
U houdt voor dat de aangever verklaard dat hij door de eerste jongen meerdere keren is geslagen en geschopt en vraagt of ik dat heb gezien. Ja, dat kwam omdat ik de eerste jongen die ik er eerst vanaf trok.
Ik heb wel gehoord dat de man sorry zei. Ik heb mij hierna alleen gefocust op de jongens om hen van de man af te trekken. Ik heb wel een zoiets heftigs gezien, maar niet zo erg als dit keer. Ik ben wel erg geschrokken en dacht: ‘dit is niet best’. Ik denk dat de men wel flink veel breuken heeft opgelopen. Ik kan me heel goed voorstellen dat de man dacht dat hij dood werd geschopt.
Het klopt dat ik heb geroepen: ‘Stoppen [naam 1] , stoppen [naam 1] ’.
Die jongen van Marokkaanse afkomst had wel geslagen, maar die andere jongen, die [naam 2] of [naam 2] begon gelijk te trappen en te slaan. Ik weet niet of dit trappen op zijn gezicht was, dat heb ik niet goed gezien. Het zou goed kunnen dat hij hem op zijn gezicht had getrapt.
Omdat ik hem op zijn hoofd zag trappen, werd ik boos op die jongens en heb ik ze er van af getrokken.
[naam 1] begon als eerste met slaan of trappen. Toen [naam 1] begon te slaan, begon de andere jongen, die [naam 2] / [naam 2] mee te doen.
Het klopt dat [medeverdachte] en [verdachte] degenen zijn die de man hebben mishandeld. Het klopt, dat [naam 1] / [naam 1] ‘ [verdachte] ’ is en [naam 2] / [naam 2] is ‘ [medeverdachte] ".
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] , p. 169, 172 en 173 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Ik was op 14 juli 2021 in het park [A] aanwezig met een groep. De aangever stond aan de onderkant van de berg met een hele felle zaklamp en scheen naar boven wie daar allemaal stonden. Ik heb gezien dat [verdachte] op de man af liep. De man met de zaklamp zei dat hij van de politie was. Daar werd [verdachte] lijp van en ging naar de man. De jongens die er waren gingen er meteen op af. Ik heb gehoord dat de aangever meerdere keren sorry had gezegd en dat [verdachte] en [medeverdachte] er niet naar geluisterd hebben. Ze bleven doorgaan en de jongens die erbij waren sprongen erbij. Ik heb niet gezien, maar je hoort gewoon dat die man klappen vangt.
[medeverdachte] had inderdaad verteld dat hij de man in zijn nek of kaak had geschopt. [medeverdachte] wees naar zijn nek en zei: ‘Kijk, ik heb hem hier geschopt.’
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 17 oktober 2024, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik die avond schoenen aan had.”
7. Op grond van deze bewijsmiddelen heeft het hof in zijn arrest het volgende vastgesteld:
“Op 14 juli 2021 ondervond [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) hinder van rondhangende jeugd en hij ging naar de heuvel in het park toe. Eenmaal daar kwam (een door [slachtoffer] genoemde) jongen 1 op hem af. Jongen 1 betrof verdachte. Nadat [slachtoffer] tegen de grond was gewerkt, werd hij door de andere jongens tegen de grond gehouden en kreeg hij, gedurende meerdere minuten, klappen en trappen. Daarbij liep verdachte om de jongens heen om [slachtoffer] trappen te geven en voelde [slachtoffer] trappen tegen zijn hoofd. Ook de verdachte [medeverdachte] heeft [slachtoffer] trappen tegen zijn nek/kaak gegeven. Beide verdachten droegen die avond schoenen. Getuige [getuige 1] heeft getracht de verdachten van [slachtoffer] af te krijgen, wat slechts met veel moeite lukte.
Het hof is van oordeel dat het handelen van verdachte, te weten het (samen met de medeverdachte) minutenlang mishandelen, waarbij zij meerdere keren met geschoeide voet tegen het hoofd dan wel nek/kaak van [slachtoffer] trappen, terwijl hij op de grond lag en werd gehouden, een aanmerkelijk kans op het dodelijk verwonden van [slachtoffer] met zich heeft gebracht. Uit de aard van het hiervoor vermelde handelen van de verdachten, waaronder ook het volharden in de geweldshandelingen terwijl een derde trachtte tussenbeide te komen, volgt, naar de uiterlijke verschijningsvormen, dat zij, tezamen en in vereniging, deze aanmerkelijke kans ook bewust hebben aanvaard.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat hieraan noch afdoet dat [slachtoffer] geen letsel aan zijn slapen had, noch dat hij uiteindelijk zijn hoofd heeft trachten te beschermen met zijn armen. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat verdachte getracht heeft het letsel te beperken. Integendeel, uit de verklaringen van [slachtoffer] zelf en van [getuige 2] blijkt dat verdachte(n) maar doorgingen ondanks het feit dat [slachtoffer] heel vaak sorry riep en dat [slachtoffer] het idee had dat hij zou worden doodgeschopt.
Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.”
Een nadere omschrijving van de klacht
8. Het middel is gericht tegen het oordeel dat de bewezen verklaarde gedragingen een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven hebben geroepen.
9. Voor een dergelijk oordeel is volgens de steller van het middel onvoldoende dat (zoals het hof heeft overwogen) “meerdere keren met geschoeide voet tegen het hoofd dan wel nek/kaak van het slachtoffer is getrapt, terwijl hij op de grond lag en werd gehouden”. Uit het dossier blijkt met name niet, aldus de steller van het middel, dat de geweldshandelingen “van een dusdanige kracht was/waren dat daarmee een aanmerkelijke kans ontstond dat de schedel van het slachtoffer zou breken, dan wel zodanig beschadigd zou raken, dat de hersenen volledig zouden uitvallen of ander letsel zou worden veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] zou komen te overlijden”. Ook zijn er geen “camerabeelden, waaruit duidelijk blijkt hoe en met welke kracht zou zijn geschopt en ook is niet vast te stellen waar [het slachtoffer] precies is geraakt c.q. welk letsel dan door een trap/schop zou zijn veroorzaakt. Ook de beschikbare medische informatie kan daar geen uitsluitsel over geven. In ieder geval is niet op foto’s van de verwondingen te zien dat sprake is van letsel bij de slaap.” Het slachtoffer is “ook niet buiten bewustzijn geweest en/of heeft niet roerloos op de grond gelegen. Het is daarnaast, gelet op de beelden van de supermarkt, vrijwel zeker dat [de verdachte] en de anderen sportschoenen droegen en bijvoorbeeld geen werkschoenen of schoenen met stalen neuzen die per definitie veel ernstiger letsel veroorzaken als daarmee tegen het hoofd wordt getrapt.” Samengevat gaan de klachten over de kracht waarmee het slachtoffer is getrapt en het bij het slachtoffer geconstateerde letsel.
Beschouwingen over het begrip ‘aanmerkelijke kans’ in het kader van voorwaardelijk opzet
De eisen die de Hoge Raad stelt aan het aannemen van voorwaardelijk opzet
10. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van een ander – aanwezig wanneer de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Uit die rechtspraak kan worden afgeleid dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg drie condities moeten zijn vervuld. Dat zijn:
(1) de ten laste gelegde gedraging heeft een aanmerkelijke kans op het gevolg in het leven geroepen;
(2) de verdachte heeft tijdens de gedraging weet gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg door zijn gedraging zal intreden. Met andere woorden, de verdachte is zich van die aanmerkelijke kans bewust geweest;
(3) de verdachte heeft die aanmerkelijke kans ten tijde van de gedraging aanvaard, c.q. op de koop toe genomen.
11. Conditie 2 betreft het kenniselement van voorwaardelijk opzet, en conditie 3 het wilselement van voorwaardelijk opzet, tezamen het ‘willens en wetens’. Conditie 3 heeft naast conditie 2 zelfstandige betekenis. Dat de verdachte weet heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, betekent niet zonder meer dat hij die aanmerkelijke kans op het gevolg ook aanvaart. Er kan immers sprake zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan uitgaat dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid of roekeloos handelt, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg is gericht.
12. Of de verdachte in een concreet geval heeft gehandeld met bewuste schuld dan wel met voorwaardelijk opzet, zal – wanneer verklaringen van de verdachte of van eventuele getuigen géén inzicht geven in wat er tijdens de gedraging in de verdachte is omgegaan – afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – mag worden aangenomen dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard.
Conditie 1: het ‘kanselement’ van voorwaardelijk opzet
13. Onder een ‘aanmerkelijke kans’ op een bepaald gevolg verstaat de Hoge Raad: een (onder de gegeven omstandigheden) reële, nietonwaarschijnlijke mogelijkheid dat dit gevolg zal intreden. Met ‘aanmerkelijke kans’ wordt naar het oordeel van de Hoge Raad geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’, die in oudere rechtspraak nog werd gebruikt. Zeven opmerkingen over het vaststellen van de – op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen – kans.
(1). De context
on
afhankelijkheid van de op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen kans
14. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er geen grond is om de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. De ernst van het gevolg, zelfs als dat de dood van meer mensen betreft, heeft dus naar het oordeel van de Hoge Raad geen invloed op de hoogte die een kans minimaal moet bedragen wil zij nog als ‘aanmerkelijk’ kunnen worden betiteld. De drempelwaarde (het minimum) van ‘aanmerkelijkheid’ betreft zodoende een vaste waarde, die niet varieert naargelang de aard en ernst van het gevolg.
(2). De drempelwaarde van ‘aanmerkelijkheid’
15. Daardoor rijst de vraag naar de minimale hoogte van de kans die de Hoge Raad bij het begrip ‘aanmerkelijk’ voor ogen staat. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat hij zich niet kan uitlaten over de exacte grootte van de kans die minimaal vereist is. De reden hiervoor is deels pragmatisch van aard: de strafrechtspraak moet niet worden opgezadeld met weinig vruchtbare, oeverloze discussies over frequenties en statistieken. Met gemillimeter achter de komma is niemand gebaat. Maar de reden is m.i. óók principieel van karakter. Dit komt hierna (randnummers 17 t/m 19) meer uit de verf: de grootte van de te beoordelen kans hangt af van de hoeveelheid en aard van de informatie die bij de beoordeling van die kans in aanmerking wordt genomen. Voor die informatieselectie bestaat geen logisch dwingende, eenduidige maatstaf. Een exact percentage veronderstelt echter een eenduidig bepaalde kans. Die is er niet. In veruit de meeste gevallen is de grootte van de kans op het intreden van een bepaald gevolg dan ook niet wetenschappelijk verantwoord te calculeren, terwijl tegelijkertijd op basis van algemene ervaringsregels wél redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de kans op het intreden van dat gevolg ‘geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen’ is, of dat het intreden van een bepaald gevolg onder de gegeven omstandigheden ‘een reële mogelijkheid betreft die niet onwaarschijnlijk is’.
16. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de drempelwaarde voor 'aanmerkelijkheid' betrekkelijk laag ligt: een reële, niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid. Wie dit begrip − bij wijze van benadering, want taalkundige precisie is hier niet te bereiken − opvat als de logische ontkenning van 'onwaarschijnlijk', komt uit bij alle kansen die groter zijn dan een kleine kans. Daarbij verdient opmerking dat de begrippen waarmee de Hoge Raad die drempel omschrijft in het gewone taalgebruik vermoedelijk uiteenlopende kansschattingen oproepen: een 'geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans' zal door de gemiddelde taalgebruiker als (aanzienlijk) kleiner worden ingeschat dan een 'niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid', terwijl de Hoge Raad beide formuleringen als synoniem behandelt. Hier ligt een potentiële bron van misverstand over de vraag in welke richting de oude drempel van de ‘geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’ zou zijn verschoven, terwijl er naar het oordeel van de Hoge Raad juist niets is verschoven. Hoe dan ook spreekt het bepaald niet voor zich dat een aanmerkelijke kans – die immers betrekkelijk klein kán zijn – zich in de praktijk ook verwezenlijkt.
(3). Kansen drukken onzekerheid uit
17. De hoogte van de hier besproken kansen vormt een afspiegeling van onze onzekerheid over de toestand van de fysieke werkelijkheid. Ik licht dit toe. Het gebrekkige karakter van onze kennis van de werkelijkheid brengen we tot uitdrukking door over die werkelijkheid waarschijnlijkheidsuitspraken te doen. Als er daarna meer informatie tot ons komt, kunnen we onze kansinschattingen zo nodig aanpassen, hoewel er aan de werkelijkheid zelf niets is veranderd. De grootte van een kans hangt dus af van het kennisniveau van degene die een schatting van die kans maakt. Als we bijvoorbeeld zeggen dat er 50% kans is dat het nu in Stockholm regent, willen we niet zeggen dat het in exact één helft van Stockholm regent, maar alleen dat we niet weten of het daar regent. Als een bezoeker van Stockholm ons daarna appt over de weersomstandigheden aldaar, zullen we die regenkansen daarentegen meer nauwkeurig kunnen inschatten en met een hogere graad van waarschijnlijkheid accurate uitspraken kunnen doen (‘5% regenkans’). Het weer zelf verandert er niet door.
18. Zo werkt het ook bij het kanselement van voorwaardelijk opzet. Bij het bepalen van de kans op de aantasting van het beschermde rechtsgoed (bijvoorbeeld het leven of de gezondheid van anderen) zijn we onbekend met allerlei detailkennis over de gedraging die de aantasting van het beschermde rechtsgoed tot gevolg kan hebben en over de omstandigheden waaronder die gedraging plaatsvindt. Als bij het bepalen van de kans op het intreden van een bepaald gevolg alle details van de fysieke werkelijkheid tot in de finesses bekend zouden zijn, was achteraf bezien iedere poging tot de voltooiing van een delict gedoemd te mislukken, en stond de ongelukkige afloop van een met voorwaardelijk opzet voltooid delict al bij voorbaat vast. Dergelijke bovenmenselijke kennis speelt in het strafrecht geen rol.
(4). Een rechtspolitieke keuze: welke informatie wordt wel of niet in aanmerking genomen
19. In wezen gaat het bij de beoordeling van het kanselement van voorwaardelijk opzet dus om een rechtspolitieke keuze. Bepaald moet worden welke informatie bij de beoordeling van de kans op het kwalijke gevolg wel en welke informatie hierbij niet in aanmerking wordt genomen. In de kansrekening staat dit keuzevraagstuk bekend als het ‘referentieklasseprobleem’. Juridisch verdedigbaar is m.i. dat het bij het bepalen van de grootte van de kans op de aantasting van een rechtsgoed in het algemeen slechts gaat om informatie over de gedraging en haar mogelijke gevolgen, beoordeeld naar de kenbare, ‘uiterlijke verschijningsvorm’ van die gedraging. Kortom, het bepalen van de grootte van de – op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen – kans vindt in dat geval plaats op basis van (i) slechts globale – menselijkerwijs te bevatten – kennis van de gedraging, bezien naar haar aard en tegen de achtergrond van de omstandigheden van het geval, en (ii) algemene ervaringsregels (generalisaties) omtrent het optreden van causale verbanden tussen een dergelijke gedraging en de potentiële gevolgen ervan.
(5). ‘Objectieve maatstaven’: kansinschatting door een geïnformeerde buitenstaander
20. Leidend bij de beoordeling van de aanmerkelijkheid van de kans op het gevolg is de vraag of die kans naar objectieve maatstaven aanwezig kon worden geacht. ‘Objectief' betekent hier niet: onafhankelijk van het kennisniveau – dat zou zich slecht verdragen met wat ik onder randnummers 17 en 18 over het (subjectieve) kansbegrip heb opgemerkt – maar: onafhankelijk van de subjectieve inschatting van de verdachte. Het gaat om de kansinschatting van een geïnformeerde buitenstaander, zoals de rechter, die de gedraging naar haar uiterlijke verschijningsvorm beziet en daarop algemene ervaringsregels toepast. De kansinschatting door de verdachte komt pas aan bod bij de tweede conditie voor het bewijs van voorwaardelijk opzet, te weten de eis dat de verdachte zich tijdens zijn gedraging bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op het intreden van een bepaald gevolg (het kenniselement).,
(6). Het temporele perspectief van de kansinschatting
21. De te beoordelen kans is de kans zoals die zich ten tijde van de gedraging — ex ante — liet inschatten. Dat de rechter noodgedwongen achteraf oordeelt, staat daaraan niet in de weg, maar vergt wel onderscheid tussen twee functies van achteraf beschikbare informatie. Het ingetreden letsel bijvoorbeeld kan dienen als bewijs van ex ante relevante factoren, zoals de kracht waarmee is geslagen; in zoverre mag de rechter daarop acht slaan. Daarentegen zegt het al dan niet intreden van het gevolg in het concrete geval weinig tot niets over de grootte van de ex ante bestaande kans op dat gevolg: een aanmerkelijke kans blijft vaak onverwezenlijkt (zie randnummer 16), en omgekeerd kan ook een zeer geringe kans zich toch verwezenlijken.
(7). Kritiek uit forensisch-medische hoek
22. Tegen ervaringsregels van het type dat het hof in deze zaak heeft gehanteerd — kort gezegd: dat ernstig geweld tegen het hoofd de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven roept — is vanuit forensisch-medische hoek ingebracht dat een letale afloop van geweld tegen het hoofd zich volgens de beschikbare gegevens slechts zelden verwezenlijkt. Die kritiek verdient serieuze aandacht, maar zij vloert de door het hof omarmde ervaringsregel niet. Frequentiegegevens hebben steeds betrekking op een klasse van gevallen, en hun zeggingskracht voor het voorliggende geval staat of valt met de vraag of dat geval voor die klasse representatief is. Cijfers over 'geweld tegen het hoofd' bestrijken een breed spectrum: van een enkele vuistslag in een uitgaansruzie tot het gedurende geruime tijd, met de geschoeide voet en met kracht schoppen tegen het hoofd van een slachtoffer dat geen kant op kan. Naarmate de gedraging specifieker wordt beschreven, wijzigt – zoals in randnummer 19 uiteengezet – de referentieklasse en daarmee de kans, terwijl voor zeer specifieke beschrijvingen betrouwbare frequentiegegevens veelal geheel ontbreken. Juist dan is de rechter aangewezen op ervaringsregels, toegespitst op de globale, kenbare kenmerken van het geval. De forensisch-medische kritiek dwingt de rechter dus wel tot precisie: de ervaringsregel mag niet worden opgerekt tot een automatisme dat iedere klap tegen het hoofd een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. De rechter zal in zijn motivering de concrete, kansverhogende omstandigheden moeten benoemen: het gebruikte voorwerp, de kracht, de duur, de herhaling, de weerloosheid van het slachtoffer. Maar zij dwingt niet tot de slotsom dat bij geweld van de hier aan de orde zijnde aard en intensiteit geen aanmerkelijke kans op de dood kan worden aangenomen.
Tot slot
23. Zoals Knigge al eens benadrukte, is met name de onder randnummer 20 bedoelde objectieve maatstaf van belang ingeval het gaat om een poging. Voor een strafbare poging mag worden geëist dat – hoewel het gevolg niet is ingetreden – het beschermde rechtsgoed daadwerkelijk in gevaar is gebracht. Deze eis van daadwerkelijke gevaarzetting moet in het licht van het voorgaande niet worden verstaan als een verwijzing naar een van ieder kennisniveau onafhankelijk, 'in de werkelijkheid zelf' besloten gevaar. Een dergelijk gevaarbegrip zou op dezelfde bezwaren stuiten als hiervoor besproken. Ook hier gaat het om het gevaar zoals dat zich, beoordeeld naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging en aan de hand van algemene ervaringsregels, ex ante liet vaststellen.
De beoordeling van de klacht
24. Het hof heeft in deze zaak het volgende vastgesteld.
- De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] waren onderdeel van een groep van ten minste vier jongens die dronken waren en rond 23.00 uur ’s avonds bovenop de heuvel in park [A] geluidsoverlast veroorzaakten.
- De verdachte werd “lijp” nadat het slachtoffer, een man van toen 63 jaar, de groep jongens daarop aansprak.
- De verdachte heeft de fysieke confrontatie met het slachtoffer gezocht door op hem af te lopen en hem een kaakslag te geven en, nadat het slachtoffer hem in reactie daarop een schop had gegeven, omver te duwen.
- Toen het slachtoffer op de grond lag, werd hij door andere jongens uit de groep op de grond gehouden.
- De verdachte is om het slachtoffer heen gaan lopen en om de jongens die het slachtoffer op de grond hielden, en heeft het slachtoffer “minutenlang” meerdere keren met geschoeide voet met kracht tegen het hoof dan wel de nek / kaak getrapt terwijl het slachtoffer zijn hoofd met zijn armen beschermde.
- De medeverdachte [medeverdachte] heeft het slachtoffer tijdens dezelfde fysieke confrontatie, meerdere keren tegen de nek / kaak getrapt.
- Beide verdachten hebben het slachtoffer “toegetakeld” zoals een getuige dat omschreef, ook nadat het slachtoffer “sorry” bleef zeggen.
- Een van de jongens kon niet zien wat er gebeurde maar hoorde de klappen die het slachtoffer kreeg.
- Een andere jongen van de groep waarvan de verdachte en de medeverdachte deel uitmaakten, werd boos toen hij zag dat de verdachte en de medeverdachte het slachtoffer op zijn gezicht trapten en heeft geprobeerd beide verdachten van het slachtoffer af te trekken wat niet onmiddellijk lukte. Deze jongen had wel eens “zoiets heftigs gezien, maar niet zo erg als dit”, en kon zich heel goed voorstellen dat het slachtoffer dacht dat hij werd doodgeschopt.
- Het slachtoffer dacht dat inderdaad.
- Het hof heeft vastgesteld dat aan het slachtoffer “veel letsel” is toegebracht als gevolg van het “zeer ernstig en lang aanhoudend op hem uitgeoefend geweld”.
- Na afloop bloedde het slachtoffer vanuit sneden in het gezicht. Zijn gezicht was gezwollen en had meerdere bloeduitstortingen.
25. In cassatie worden deze vaststellingen op zichzelf niet bestreden. Wel wordt bestreden dat deze vaststellingen toereikend zijn voor het bewijs van het bestaan van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van het mede door de verdachte uitgeoefende geweld om het leven zou komen.
26. Ik deel dat standpunt niet. Het oordeel dat de gedragingen van de verdachte en de medeverdachte een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel teweeg hebben gebracht, vind ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft hierbij acht kunnen slaan op de uiterlijke verschijningsvorm van het vertoonde geweld en op de aard en ernst van het vastgestelde letsel. Het gaat hier met name ook om de aard, lange duur en intensiteit van het gecoördineerde schoppen met geschoeide voet tegen kwetsbare lichaamsdelen als het hoofd en de nek van het slachtoffer. Tevens heeft het hof in ogenschouw kunnen nemen dat het hier ging om een op de grond vastgehouden en daarmee nagenoeg weerloos slachtoffer. Ten slotte heeft het hof in aanmerking kunnen nemen dat de leeftijd van het slachtoffer een verhoogde kwetsbaarheid meebrengt.
Slotsom
27. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
28. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Rb. Midden-Nederland 18 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1015.
De laatste tijd heeft de Hoge Raad zijn standaardoverwegingen taalkundig enigszins geüpdatet (maar daarbij zijn géén inhoudelijke wijzigingen beoogd): HR 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:689, en HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1407, NJ 2025/74. Zie verder: HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1563, NJ 2023/345; HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:384, NJ 2019/150; HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. Wolswijk; HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:117; HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250; HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60, NJ 2017/375 m.nt. Keulen; HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, NJ 2017/67 m.nt. Mevis; HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111 m.nt. Keijzer; HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12; HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871; HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123; HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154 m.nt. De Jong, en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma.
Die hiernavolgende bespreking van het kanselement van het voorwaardelijk opzet betreft een aangepaste versie van de bespreking van dit onderwerp in mijn conclusies van 6 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:555, vóór HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303 ([…].), en van 18 februari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:239. Graag verwijs ik in algemene zin naar: J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 262-267.
HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103, met daaraan voorafgaande conclusie van Keulen. Ik citeer uit het arrest (rov. 5.3.2): “De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. (…). Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans". De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.”
Dit oordeel is voor het eerst tot uitdrukking gebracht in: HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma, rov 3.6 (Hiv I).
Met de overweging dat de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ niet afhankelijk is van de aard van het gevolg, nam de Hoge Raad in het hiv I-arrest uitdrukkelijk afstand van de opvatting van verscheidene van de advocaten-generaal in het parket bij de Hoge Raad. Die advocaten-generaal hadden namelijk in de aan dat arrest voorafgaande periode betoogd (uitgedrukt in mijn woorden) dat de – op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen – kans gelijkstaat aan het product van ‘de kans op een bepaald gevolg’ en ‘de maatschappelijk kosten c.q. de aard en ernst van dat gevolg’, oftewel tezamen: het risico. Als er bijvoorbeeld 3% kans is dat ik voor een gesloten winkeldeur kom te staan wanneer ik voor een boodschap naar de stad fiets, dan vind ik die kans verwaarloosbaar klein, terwijl ik voor geen goud in een vliegtuig stap als ik weet dat de kans op een crash 3% bedraagt. Of ik die kans (in deze voorbeelden: van 3%) ‘in aanmerking’ neem, hangt dus af van de aard en ernst van het potentiële gevolg. Het begrip ‘aanmerkelijke kans’ is aldus bezien ‘contextgevoelig’.
De Hoge Raad oordeelde echter anders: het gaat bij het begrip ‘aanmerkelijke kans’ louter om de feitelijke kans op het intreden van een bepaald gevolg, ongeacht de aard en ernst van dat gevolg. Ik vermoed dat de Hoge Raad hiermee het ongebreidelde gebruik van het leerstuk van ‘voorwaardelijk opzet’ in de feitenrechtspraak heeft willen beteugelen.
In de literatuur is overigens betoogd dat de feitenrechtspraak – wat er ook zij van de ‘officiële leer’ van de Hoge Raad − de facto met delictsafhankelijke drempels zou werken: vergelijk bijvoorbeeld de hiv-rechtspraak, waarin betrekkelijk kleine besmettingskansen niet als aanmerkelijk werden aangemerkt, met de geweldsrechtspraak, waarin de aanmerkelijke kans op de dood ook zonder frequentistische onderbouwing pleegt te worden aangenomen.
M.i. dwingt deze observatie niet tot de conclusie dat de drempelwaarde in werkelijkheid varieert. Het verschil laat zich ook verklaren doordat in de ene categorie zaken de kans aan de hand van beschikbare frequentiegegevens over een welomschreven klasse van gevallen kan worden geschat, terwijl in de andere categorie de kansinschatting berust op ervaringsregels over een naar zijn uiterlijke verschijningsvorm omschreven gedraging. Niet de drempel verschilt, maar de informatie aan de hand waarvan de kans wordt bepaald. Zie daarover randnummer 19.
Zie verder over de 'contextgevoeligheid' van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ met name: D.H. de Jong, ‘De aanmerkelijke kans’, in: M.S. Groenhuijsen & J.B.H.M. Simmelink (red.), Glijdende schalen (Liber amicorum J. de Hullu), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 217-224, in het bijzonder p. 224.
Zie over het verloop en de achtergronden van de discussie over de contextafhankelijkheid: J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 263, en zie: D.J.C. Aben, ‘Gif, het verkeer, hiv en de dood: voorwaardelijk opzet’, in: G.J.M. Corstens, Lord Mance, C.W.A. Timmermans, D.J.C. Aben, G. de Groot & J.W. Fokkens, 175 jaar Hoge Raad der Nederlanden. Bijdragen aan de samenleving, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 69-84.
Zie over de stelling dat de feitenrechtspraak in weerwil van de officiële leer van de Hoge Raad tóch werkt met delict-afhankelijke drempelwaarden voor ‘aanmerkelijkheid’: N. Rozemond, 'Hoe groot moet de kans zijn? Over HIV-besmetting, voorwaardelijk opzet en roekeloosheid in het strafrecht', NJB 2007, afl. 18, p. 1103-1109; A.A. van Dijk, Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen. Over opzet, schuld, schulduitsluitingsgronden en straf (diss. Groningen), Apeldoorn/Antwerpen: Maklu 2008, en A.A. van Dijk, Opzet, kans en keuzes. Een analyse van doodslag in het verkeer, Zutphen: Paris 2017.
Met die woorden breng ik de volgende gedachtegang tot uitdrukking. Het begrip ‘waarschijnlijk’ is in de Nederlandse taal niet nauwkeurig gedefinieerd, dus ik sla er een slag naar. Mogelijk vallen onder het begrip ‘waarschijnlijk’ kansen van grofweg minimaal 60 à minimaal 90% (afhankelijk van wie je het vraagt). Laten we voor het rekengemak echter uitgaan van alle kansen van ten minste 80% (dus: p ≥ 80%). 80% is in dat geval de drempelwaarde van het begrip ‘waarschijnlijk’, oftewel een gebeurtenis is ‘waarschijnlijk’ als de kans daarop 80% of meer bedraagt.
Onder het spiegelbeeldige begrip ‘onwaarschijnlijk’ vallen in dat geval alle kansen kleiner dan of gelijk aan 20% (p ≤ 20%). Een gebeurtenis is ‘onwaarschijnlijk’ als de kans daarop 20% of minder bedraagt. Het aan ‘onwaarschijnlijk’ complementaire begrip ‘niet-onwaarschijnlijk’ beslaat aldus bezien alle kansen groter dan 20% (p > 20%). Een gebeurtenis is ‘niet-onwaarschijnlijk’ als de kans daarop méér dan 20% bedraagt. 20% is dan de drempelwaarde van een ‘niet-onwaarschijnlijke’ kans.
Hierbij past de kanttekening dat de begrippen 'waarschijnlijk', 'onwaarschijnlijk' en ‘niet-onwaarschijnlijk’ in het dagelijkse taalgebruik niet noodzakelijk symmetrisch, resp. complementair zijn. Empirisch onderzoek naar verbale kansuitdrukkingen laat zien dat de numerieke interpretatie van zulke termen aanzienlijk uiteenloopt en zelfs asymmetrieën vertoont. De hier gehanteerde symmetrie en complementariteit is dus een modelmatige vereenvoudiging. Zie o.m. S.J.W. Willems, C.J. Albers & I. Smeets, ‘Variability in the interpretation of probability phrases used in Dutch news articles—a risk for miscommunication’, Journal of Science Communication 2020, afl. 2, A03.
Voor de goede orde: met deze getallen beoog ik niet alsnog een precieze drempelwaarde voor ‘aanmerkelijkheid’ te introduceren. Dat zou haaks staan op het oordeel van de Hoge Raad dat over de exacte grootte van de vereiste kans geen algemene regels kunnen worden gegeven, en op wat ik in randnummer 15 opmerkte over de principiële onbepaaldheid van een kans.
Statistici spreken in dit verband van een ‘subjectief’ kansbegrip.
Het ‘referentieklasseprobleem’ houdt in dat de grootte van de kans op een gevolg afhangt van de klasse van gevallen waartoe men de te beoordelen gedraging rekent, en daarmee van de mate van detail waarin die gedraging wordt beschreven. Hoe specifieker de beschrijving, hoe kleiner de klasse, en hoe minder frequentiegegevens over die klasse voorhanden zijn. Een canonieke, door de werkelijkheid zelf gedicteerde beschrijving bestaat niet; de keuze van het beschrijvingsniveau is onvermijdelijk.
Ik realiseer me dat Arendse heeft betoogd dat de ‘uiterlijke verschijningsvorm’ als maatstaf in de rechtspraak van de Hoge Raad geen (duidelijke) rol speelt bij het bepalen van de grootte van de – op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen – kans. Zie S.S. Arendse, De uiterlijke verschijningsvorm in het strafrecht. Een analyse van de jurisprudentie van de Hoge Raad, Den Haag: Boom Juridisch 2020, p. 158-160. Niettemin meen ik dat het (op ‘logische’ gronden) niet anders kan zijn dan dat de grootte van de besproken kans wordt bepaald aan de hand van slechts globale, voor mensen kenbare facetten van de werkelijkheid. In het antwoord op de vraag ‘welke facetten dan precies?’ liggen, zoals besproken in de vorige voetnoot, onvermijdelijk keuzemomenten besloten. De ‘uiterlijke verschijningsvorm’ is m.i. niet alleen bij conditie 3 (het wilselement), maar ook in verband met conditie 1 (het kanselement) een bruikbare maatstaf.
Zie ook J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 264-265.
Zie bijv. de bespreking van dit aspect in J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 264-265, met een bespreking van HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:982.
Daarmee is niet gezegd dat voor het kenniselement is vereist dat de verdachte de grootte van de kans zelf correct heeft getaxeerd, laat staan gekwantificeerd. Voldoende is dat de verdachte zich ten tijde van de gedraging bewust is geweest van de kans die – naar de in de hoofdtekst bedoelde objectieve maatstaven beoordeeld – als aanmerkelijk heeft te gelden.
Zie hierover o.a. W.L.J.M. Duijst, ‘Feiten van algemene bekendheid betreffende geweldhandelingen tegen het hoofd’, NTS 2022/06; D. Botter, P.M.I. Van Driessche & C.E.H. Berger, ‘Reactie op Duijst (NTS 2022/06): Geweldhandelingen tegen het hoofd’, NTS 2023/04; W.L.J.M. Duijst, ‘Naschrift bij ‘Reactie op Duijst (NTS 2022/06): Geweldhandelingen tegen het hoofd’’, NTS 2023/05, en R. ter Haar & S.E. van den Brink, ‘Kansgrootte en ervaringsregels bij voorwaardelijk opzet’, NTS 2023/06.
Zie zijn conclusie voorafgaand aan HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, onder 12, 14 en 19.
Van een situatie zoals omschreven in HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer, is in de voorliggende zaak geen sprake nu de verdachte voor het onder 1. primair ten laste gelegde in eerste aanleg weliswaar was vrijgesproken, maar was veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, waaraan dezelfde feitelijke gedragingen ten grondslag zijn gelegd. Zie idem HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:489 (art. 81 RO).