Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:353
2026-05-12
Strafrecht
25/02102
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:888 → ECLI:NL:PHR:2026:353
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Ontucht met 15-jarige meermalen gepleegd (art. 245 (oud)). Middel voldoet niet aan vereisten cassatiemiddel a.b.i. art. 437 lid 2 Sv en blijft derhalve onbesproken. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring verdachte (art. 80a RO).
Citeert (6)
- ECLI:NL:HR:2022:41 Hoge Raad 25-01-2022
- ECLI:NL:HR:2025:824 Hoge Raad 27-05-2025
- ECLI:NL:HR:2024:1840 Hoge Raad 10-12-2024
- ECLI:NL:HR:2005:AU1675 Hoge Raad 08-11-2005
- ECLI:NL:HR:2013:BZ1431 Hoge Raad 19-02-2013
- ECLI:NL:HR:2022:1897 Hoge Raad 20-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.807 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02102
Zitting 12 mei 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte
1Inleiding
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 28 mei 2025 (parketnr. 21-005991-23) het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 20 december 2023 (parketnr. 18-299034-22) bevestigd met overneming van gronden, behalve wat betreft de strafoplegging. Het hof heeft het vonnis in zoverre vernietigd en een gevangenisstraf opgelegd van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank had de verdachte bij het genoemde vonnis wegens “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.C.L. Crozier, advocaat in Sneek, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2Waar het in cassatie om gaat
2.1
De destijds 50 tot 51-jarige verdachte is in hoger beroep veroordeeld wegens ontucht met zijn toen 15-jarige vriendin. De aangeefster en de verdachte hebbend wisselend verklaard over aangeefsters leeftijd ten tijde van de seksuele gedragingen. In cassatie wordt geklaagd dat het hof ten onrechte de bij de politie afgelegde verklaring van de aangeefster dat zij 15 jaar was toen de seksuele handelingen plaatsvonden voor het bewijs heeft gebruikt.
2.2
Deze conclusie houdt in dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het beroep.
3Het middel
3.1
Hetgeen als middel is voorgesteld bevat allereerst de klacht dat de aangeefster onder invloed van een stoornis een valse aangifte heeft afgelegd en dat de verdachte ten onrechte in strijd met “art. 350, art. 359 Sv en art. 415 Sv” is veroordeeld op basis van de aangifte. De toelichting op het middel vermeldt dat aangeefster ter terechtzitting in eerste aanleg en bij het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op de aangifte is teruggekomen en dat zij heeft verklaard dat de handelingen na haar zestiende verjaardag hebben plaatsgevonden. Verder houdt de toelichting in dat aangeefster bij de behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat de handelingen wel voor haar zestiende verjaardag zouden hebben plaatsgevonden. Uit de in hoger beroep bij de memorie van grieven gevoegde screenshots, welke aan de cassatieschriftuur zijn gehecht, zou blijken dat de aangeefster lijdt aan een aandoening op grond waarvan zij onjuiste mededelingen heeft gedaan. Het hof zou geen aandacht hebben geschonken aan deze screenshots. Volgens de steller van het middel is er “geen enkele consequentie verbonden aan de leugenachtige opstelling van aangeefster”, is de verdediging beperkt in de mogelijkheden om vragen aan de vijandige getuige te stellen, omdat meerdere vragen werden afgekeurd als niet ter zake doende, en is hiermee de kans op een eerlijk proces teniet gedaan. Door de “verklaringen van aangeefster overwegend te laten meewegen in de beslisvorming en bewezenverklaring is er geen sprake van een rechtvaardig oordeel en is er sprake van verzuim van vormen dan wel schending van het recht.”
3.2
Als een middel van cassatie als bedoeld in art. 437 lid 2 Sv kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Het cassatiemiddel dient dus inzichtelijk te maken op welk punt en waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist zou zijn of in welk opzicht de motivering van die beslissing tekort zou schieten.
3.3
De klachten voldoen niet aan dat vereiste.
3.4
Dat geldt ten eerste voor de klacht dat “art. 350 Sv en art. 359 Sv en art. 415 Sv” zijn geschonden en dat de verdachte ten onrechte op basis van de aangifte is veroordeeld en dat er “geen enkele consequentie is verbonden aan de leugenachtige opstelling van aangeefster”. Het middel en de toelichting maken daarbij niet inzichtelijk met welke rechtsregel ontleend aan de wetsartikelen de veroordeling in strijd zou zijn en/of welke consequentie het hof zou moeten hebben verbinden – en op basis waarvan – aan de opstelling van de aangeefster. Slechts een algemene verwijzing naar de genoemde artikelen volstaat daartoe niet. Uit de toelichting op het middel blijkt ook niet waarom de gegeven beslissing onjuist zou zijn of in welk opzicht de motivering tekort zou schieten, nu de klacht er in de kern genomen slechts op neerkomt dat het hof geen waarde had moeten hechten aan de aangifte.
3.5
Overigens miskent het middel dat de rechter die over de feiten oordeelt beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behalve in bijzondere gevallen. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan de Hoge Raad onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn. Verder geldt dat geen rechtsregel de feitenrechter verplicht te beslissen omtrent enig verweer dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen.
3.6
In cassatie is niet geklaagd dat in hoger beroep sprake zou zijn geweest van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid van de aangifte en dat het hof daarop onvoldoende zou hebben gerespondeerd. Niettemin merk ik op dat het hof mede gelet op hetgeen onder 3.5 is vooropgesteld niet gehouden was tot een nadere motivering van het gebruik van de aangifte voor het bewijs dan waarin door het hof is voorzien. Daarbij neem ik in aanmerking dat de door het hof overgenomen bewijsoverweging van de rechtbank een uitgebreide gemotiveerde verwerping inhoudt van het verweer dat niet moet worden uitgegaan van de verklaringen van de aangeefster (en de verdachte) bij de politie.
3.7
Als middel van cassatie kan evenmin worden aangemerkt de klacht dat de verdediging werd beperkt in de mogelijkheden om vragen te stellen tijdens het getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris, dat hiermee de kans op een eerlijk proces voor de verdachte teniet is gedaan en dat er daarmee geen sprake is van een rechtvaardig oordeel en sprake is van verzuim van vormen dan wel schending van het recht.
3.8
Deze klacht voldoet evenmin aan de vereisten van art. 437 lid 2 Sv, omdat onduidelijk is welke rechtsregel is geschonden, waarin die schending zou bestaan en/of welk toepasselijk vormvoorschrift is verzuimd door het hof en waarin dat verzuim dan zou bestaan.
3.9
Ten overvloede merk ik op dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2025 blijkt dat de raadsman, nadat de voorzitter de verdachte de inhoud van de verklaring van de aangeefster bij de raadsheer-commissaris heeft voorgehouden, over een mogelijk gebrekkige gang van zaken tijdens het getuigenverhoor niets heeft aangevoerd.
3.10
Gelet op het voorgaande is van een middel van cassatie geen sprake en dienen de klachten derhalve onbesproken te blijven.
3.11
De Hoge Raad kan de verdachte niet-ontvankelijk verklaren op grond van art. 80a RO.
4Afronding
4.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Uit de stukken die in cassatie zijn toegezonden blijkt dat de raadsman van de verdachte op 26 februari 2026 een document heeft ingediend met de naam “Schriftelijke toelichting in cass.”. Dit betreft een brief van de aangeefster aan de raadsman d.d. 24 februari 2026. Op dit stuk kan in cassatie geen acht worden geslagen. A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 72, 232-234, 235-236.
Zie bijv. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:41, r.o. 2.1 en nog recenter HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:824.
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 270.
Zie o.a. HR 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1840, r.o. 2.3.
HR 8 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1675, NJ 2006/82 m.nt. Reijntjes, r.o. 3.3, HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1431, r.o. 2.3 en HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1897, NJ 2023/35, r.o. 2.3.
Uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2025 blijkt dat de voorzitter het volgende heeft medegedeeld: “Tijdens haar slachtofferverklaring ter terechtzitting in hoger beroep op 9 december 2024 verklaarde [slachtoffer] dat zij wel nog maar 15 jaar was toen de relatie begon en er seksuele handelingen plaatsvonden. Naar aanleiding daarvan is de zaak aangehouden en is [slachtoffer] gehoord door de raadsheer-commissaris. Ook daar verklaarde zij dat zij 15 jaar was toen haar relatie met u begon. Kort samengevat gaf zij aan dat zij had gelogen over het moment waarop de relatie begon. Deze zou echt zijn begonnen in november 2021 in plaats van in juli 2022. Ze zou eerder hebben gelogen omdat zij u niet in de problemen wilde brengen. Ook verklaarde [slachtoffer] dat er één a twee keer per week seksueel contact was en dat het initiatief daartoe van u uit zou zijn gegaan. Tot slot verklaarde [slachtoffer] dat zij de relatie op 3 november 2024 heeft beëindigd wegens het vele geweld. Er zit nog een aanvullende mail en andere bijlagen bij het proces-verbaal van het verhoor bij de raadsheer-commissaris.”
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02102
Zitting 12 mei 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte
1Inleiding
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 28 mei 2025 (parketnr. 21-005991-23) het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 20 december 2023 (parketnr. 18-299034-22) bevestigd met overneming van gronden, behalve wat betreft de strafoplegging. Het hof heeft het vonnis in zoverre vernietigd en een gevangenisstraf opgelegd van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank had de verdachte bij het genoemde vonnis wegens “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.C.L. Crozier, advocaat in Sneek, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2Waar het in cassatie om gaat
2.1
De destijds 50 tot 51-jarige verdachte is in hoger beroep veroordeeld wegens ontucht met zijn toen 15-jarige vriendin. De aangeefster en de verdachte hebbend wisselend verklaard over aangeefsters leeftijd ten tijde van de seksuele gedragingen. In cassatie wordt geklaagd dat het hof ten onrechte de bij de politie afgelegde verklaring van de aangeefster dat zij 15 jaar was toen de seksuele handelingen plaatsvonden voor het bewijs heeft gebruikt.
2.2
Deze conclusie houdt in dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het beroep.
3Het middel
3.1
Hetgeen als middel is voorgesteld bevat allereerst de klacht dat de aangeefster onder invloed van een stoornis een valse aangifte heeft afgelegd en dat de verdachte ten onrechte in strijd met “art. 350, art. 359 Sv en art. 415 Sv” is veroordeeld op basis van de aangifte. De toelichting op het middel vermeldt dat aangeefster ter terechtzitting in eerste aanleg en bij het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op de aangifte is teruggekomen en dat zij heeft verklaard dat de handelingen na haar zestiende verjaardag hebben plaatsgevonden. Verder houdt de toelichting in dat aangeefster bij de behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat de handelingen wel voor haar zestiende verjaardag zouden hebben plaatsgevonden. Uit de in hoger beroep bij de memorie van grieven gevoegde screenshots, welke aan de cassatieschriftuur zijn gehecht, zou blijken dat de aangeefster lijdt aan een aandoening op grond waarvan zij onjuiste mededelingen heeft gedaan. Het hof zou geen aandacht hebben geschonken aan deze screenshots. Volgens de steller van het middel is er “geen enkele consequentie verbonden aan de leugenachtige opstelling van aangeefster”, is de verdediging beperkt in de mogelijkheden om vragen aan de vijandige getuige te stellen, omdat meerdere vragen werden afgekeurd als niet ter zake doende, en is hiermee de kans op een eerlijk proces teniet gedaan. Door de “verklaringen van aangeefster overwegend te laten meewegen in de beslisvorming en bewezenverklaring is er geen sprake van een rechtvaardig oordeel en is er sprake van verzuim van vormen dan wel schending van het recht.”
3.2
Als een middel van cassatie als bedoeld in art. 437 lid 2 Sv kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Het cassatiemiddel dient dus inzichtelijk te maken op welk punt en waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist zou zijn of in welk opzicht de motivering van die beslissing tekort zou schieten.
3.3
De klachten voldoen niet aan dat vereiste.
3.4
Dat geldt ten eerste voor de klacht dat “art. 350 Sv en art. 359 Sv en art. 415 Sv” zijn geschonden en dat de verdachte ten onrechte op basis van de aangifte is veroordeeld en dat er “geen enkele consequentie is verbonden aan de leugenachtige opstelling van aangeefster”. Het middel en de toelichting maken daarbij niet inzichtelijk met welke rechtsregel ontleend aan de wetsartikelen de veroordeling in strijd zou zijn en/of welke consequentie het hof zou moeten hebben verbinden – en op basis waarvan – aan de opstelling van de aangeefster. Slechts een algemene verwijzing naar de genoemde artikelen volstaat daartoe niet. Uit de toelichting op het middel blijkt ook niet waarom de gegeven beslissing onjuist zou zijn of in welk opzicht de motivering tekort zou schieten, nu de klacht er in de kern genomen slechts op neerkomt dat het hof geen waarde had moeten hechten aan de aangifte.
3.5
Overigens miskent het middel dat de rechter die over de feiten oordeelt beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behalve in bijzondere gevallen. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan de Hoge Raad onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn. Verder geldt dat geen rechtsregel de feitenrechter verplicht te beslissen omtrent enig verweer dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen.
3.6
In cassatie is niet geklaagd dat in hoger beroep sprake zou zijn geweest van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid van de aangifte en dat het hof daarop onvoldoende zou hebben gerespondeerd. Niettemin merk ik op dat het hof mede gelet op hetgeen onder 3.5 is vooropgesteld niet gehouden was tot een nadere motivering van het gebruik van de aangifte voor het bewijs dan waarin door het hof is voorzien. Daarbij neem ik in aanmerking dat de door het hof overgenomen bewijsoverweging van de rechtbank een uitgebreide gemotiveerde verwerping inhoudt van het verweer dat niet moet worden uitgegaan van de verklaringen van de aangeefster (en de verdachte) bij de politie.
3.7
Als middel van cassatie kan evenmin worden aangemerkt de klacht dat de verdediging werd beperkt in de mogelijkheden om vragen te stellen tijdens het getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris, dat hiermee de kans op een eerlijk proces voor de verdachte teniet is gedaan en dat er daarmee geen sprake is van een rechtvaardig oordeel en sprake is van verzuim van vormen dan wel schending van het recht.
3.8
Deze klacht voldoet evenmin aan de vereisten van art. 437 lid 2 Sv, omdat onduidelijk is welke rechtsregel is geschonden, waarin die schending zou bestaan en/of welk toepasselijk vormvoorschrift is verzuimd door het hof en waarin dat verzuim dan zou bestaan.
3.9
Ten overvloede merk ik op dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2025 blijkt dat de raadsman, nadat de voorzitter de verdachte de inhoud van de verklaring van de aangeefster bij de raadsheer-commissaris heeft voorgehouden, over een mogelijk gebrekkige gang van zaken tijdens het getuigenverhoor niets heeft aangevoerd.
3.10
Gelet op het voorgaande is van een middel van cassatie geen sprake en dienen de klachten derhalve onbesproken te blijven.
3.11
De Hoge Raad kan de verdachte niet-ontvankelijk verklaren op grond van art. 80a RO.
4Afronding
4.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Uit de stukken die in cassatie zijn toegezonden blijkt dat de raadsman van de verdachte op 26 februari 2026 een document heeft ingediend met de naam “Schriftelijke toelichting in cass.”. Dit betreft een brief van de aangeefster aan de raadsman d.d. 24 februari 2026. Op dit stuk kan in cassatie geen acht worden geslagen. A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 72, 232-234, 235-236.
Zie bijv. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:41, r.o. 2.1 en nog recenter HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:824.
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 270.
Zie o.a. HR 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1840, r.o. 2.3.
HR 8 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1675, NJ 2006/82 m.nt. Reijntjes, r.o. 3.3, HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1431, r.o. 2.3 en HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1897, NJ 2023/35, r.o. 2.3.
Uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2025 blijkt dat de voorzitter het volgende heeft medegedeeld: “Tijdens haar slachtofferverklaring ter terechtzitting in hoger beroep op 9 december 2024 verklaarde [slachtoffer] dat zij wel nog maar 15 jaar was toen de relatie begon en er seksuele handelingen plaatsvonden. Naar aanleiding daarvan is de zaak aangehouden en is [slachtoffer] gehoord door de raadsheer-commissaris. Ook daar verklaarde zij dat zij 15 jaar was toen haar relatie met u begon. Kort samengevat gaf zij aan dat zij had gelogen over het moment waarop de relatie begon. Deze zou echt zijn begonnen in november 2021 in plaats van in juli 2022. Ze zou eerder hebben gelogen omdat zij u niet in de problemen wilde brengen. Ook verklaarde [slachtoffer] dat er één a twee keer per week seksueel contact was en dat het initiatief daartoe van u uit zou zijn gegaan. Tot slot verklaarde [slachtoffer] dat zij de relatie op 3 november 2024 heeft beëindigd wegens het vele geweld. Er zit nog een aanvullende mail en andere bijlagen bij het proces-verbaal van het verhoor bij de raadsheer-commissaris.”