Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2021:887

2021-06-29 Strafrecht 19/05248
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2021-06-29
Publicatiedatum
2021-09-28
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
19/05248
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Rijden onder invloed, art. 8.2.a WVW 1994. Geen afschrift van dagvaarding in hoger beroep verzonden aan raadsvrouw van verdachte, art. 48 Sv. Aan schriftuur gehechte brief van advocaat aan strafgriffie hof, welke per fax verzonden brief blijkens aan schriftuur gehecht verzendcontrolerapport daar is binnengekomen, houdt in dat zij verdachte in h.b. als raadsvrouw bijstaat. Noch uit mededelingen gesteld op dubbel van dagvaarding in h.b. noch uit enig ander stuk dat aan HR is gezonden, kan blijken dat afschrift van die dagvaarding aan raadsvrouw is gezonden. Volgens p-v van tz. in h.b. is daar noch verdachte noch diens raadsvrouw verschenen. Uit wat hiervoor is vermeld vloeit ernstig vermoeden voort dat t.a.v. dagvaarding in h.b. voorschrift van tweede volzin van art. 48 Sv niet is nageleefd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.394 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN




Nummer 19/05248

Zitting 29 juni 2021





CONCLUSIE


D.J.C. Aben




In de zaak




[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.


1. De verdachte is bij vonnis van 9 mei 2018 door de rechtbank te Rotterdam wegens “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 8 november 2019 met toepassing van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. N.F.M. van Osta, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat artikel 51 Sv [bedoeld is: artikel 48 Sv, D.A.] in hoger beroep niet is nageleefd aangezien is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsvrouw van de verdachte te zenden.

4. Bij de op de voet van artikel 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een brief van 24 december 2018 van mr. N.F.M. Osta, gericht aan de strafgriffie van het gerechtshof Den Haag, waarin zij bericht op te treden als raadsvrouw voor de verdachte in de zaak met het parketnummer 96/079971-17. Bij de stukken bevindt zich tevens een verzendcontrolerapport waaruit kan worden afgeleid dat de stelbrief op 24 december 2018 om 13:23 uur per fax is verzonden naar het faxnummer van de strafgriffie van het gerechtshof Den Haag.

5. Voorts bevindt zich bij de stukken van het geding de dagvaarding in hoger beroep. Noch uit mededelingen daarop gesteld, noch uit enig ander aan de Hoge Raad toegezonden stuk kan blijken dat een afschrift van de dagvaarding aan mr. Osta is gezonden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch de verdachte noch diens raadsvrouw verschenen.

6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van artikel 48 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsvrouw in de weg te staan.

7. Het middel slaagt.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.


De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden




AG



Vgl. o.m. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3225; HR 5 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:172; HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1052.