Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:1033
2022-07-08
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/04695
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:1033 → ECLI:NL:GHAMS:2021:3640
Inhoudsindicatie
Art. 8:113 Awb, taak appelrechter, onjuist dictum Rechtbank, belang bij vernietiging in hoger beroep?
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3640 Gerechtshof Amsterdam 02-11-2021
Geciteerd door (123)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6862 Rechtbank Gelderland 04-09-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7519 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6356 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4001 Rechtbank Midden-Nederland 07-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1711 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1721 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-07-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:751 Centrale Raad van Beroep 02-06-2026
- ECLI:NL:OGEAC:2026:54 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 08-04-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:3804 Rechtbank Noord-Holland 03-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1832 Gerechtshof Den Haag 19-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1518 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-03-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1771 Gerechtshof Amsterdam 03-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1887 Gerechtshof Den Haag 18-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:226 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3468 Gerechtshof Amsterdam 18-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1358 Parket bij de Hoge Raad 12-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1359 Parket bij de Hoge Raad 12-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1360 Parket bij de Hoge Raad 12-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2876 Gerechtshof Den Haag 26-11-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3294 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2403 Gerechtshof Den Haag 29-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6238 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6566 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5901 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5902 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5464 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-08-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:10800 Rechtbank Rotterdam 02-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:732 Parket bij de Hoge Raad 27-06-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1673 Gerechtshof Amsterdam 24-06-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2053 Gerechtshof Amsterdam 13-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2802 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2621 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1167 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:757 Gerechtshof Den Haag 10-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:757 Gerechtshof Den Haag 10-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:385 Parket bij de Hoge Raad 28-03-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:3310 Rechtbank Noord-Holland 13-03-2025
- ECLI:NL:HR:2025:358 Hoge Raad 07-03-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:749 Rechtbank Noord-Nederland 04-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1056 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:245 Gerechtshof Den Haag 19-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:279 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:131 Gerechtshof Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:152 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:45 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-01-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1397 Parket bij de Hoge Raad 20-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2602 Gerechtshof Den Haag 12-12-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:7519 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-12-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:7353 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7887 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4613 Raad van State 13-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7835 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-11-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3437 Gerechtshof Amsterdam 29-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7235 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7233 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2365 Gerechtshof Den Haag 23-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2109 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2109 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2108 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2108 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.259 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/04695
Datum 8 juli 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 november 2021, nr. 20/00595, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/1072), betreffende een ten aanzien van belanghebbende genomen beslissing van de Ontvanger inzake het verrekenen van een uit te betalen teruggave.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende een geschrift met bijlagen ingediend. De Hoge Raad slaat op die stukken geen acht.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Bij de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2018 is aan belanghebbende meegedeeld dat een terug te ontvangen bedrag zal worden verrekend met een openstaande belastingschuld.
2.2
Belanghebbende heeft tegen die verrekening bezwaar gemaakt. De Ontvanger heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.3
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Ontvanger beroep ingesteld. De Rechtbank heeft overwogen dat een op artikel 24, aanhef en lid 1, van de Invorderingswet 1990 gegrond besluit tot verrekening niet wordt genomen in de vorm van een voor bezwaar vatbare beschikking, dat uit artikel 26, lid 1, AWR volgt dat beroep bij de belastingrechter niet mogelijk is, en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
2.4
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft uit de toepasselijke bepalingen in de AWR en de Awb afgeleid dat de bestuursrechter (belastingrechter) ter zake van een krachtens artikel 24 van de Invorderingswet 1990 genomen besluit niet bevoegd is. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de Rechtbank onbevoegd verklaard.
3. Beoordeling van de uitspraak van het Hof naar aanleiding van de klachten en ambtshalve
3.1
Bij de beoordeling van de tegen het hiervoor in 2.4 weergegeven oordeel van het Hof gerichte klachten stelt de Hoge Raad voorop dat vernietiging van een door de voorgaande rechter gedane uitspraak wegens een (vermeende) misslag in het dictum slechts aangewezen is indien de belangen van de appellant daarmee kunnen worden gediend. Dat zal in het algemeen niet het geval zijn indien de rechtbank het beroep naar het oordeel van de appelrechter niet ongegrond maar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Ook indien een beroep ongegrond is verklaard terwijl de rechtbank zich naar het oordeel van de appelrechter onbevoegd had behoren te verklaren, valt niet zonder meer in te zien hoe corrigeren van het dictum enig belang van de appellant kan dienen.
3.2
Blijkens de stukken van het geding heeft belanghebbende beroep en vervolgens hoger beroep ingesteld met het oog op vergoeding van schade die naar zijn inzicht aan het optreden van de Belastingdienst is toe te rekenen. Zowel ongegrondverklaring van het beroep als onbevoegdverklaring van de Rechtbank stonden in de weg aan een oordeel over vergoeding van die door belanghebbende aangevoerde schade. Met de door het Hof gekozen vernietiging van de uitspraak op het beroep was dus geen redelijk belang gediend.
3.3
Het hiervoor overwogene kan echter niet tot cassatie leiden. Na cassatie zou het hoger beroep slechts ongegrond kunnen worden verklaard. Daarmee zou de uitspraak van de Rechtbank, inhoudende dat het beroep ongegrond is, moeten worden bevestigd. Niet valt in te zien hoe deze correctie enig belang van belanghebbende zou kunnen dienen.
3.4
De klachten kunnen voor het overige niet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de klachten is het in zoverre namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2022.
ECLI:NL:GHAMS:2021:3640.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/04695
Datum 8 juli 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 november 2021, nr. 20/00595, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/1072), betreffende een ten aanzien van belanghebbende genomen beslissing van de Ontvanger inzake het verrekenen van een uit te betalen teruggave.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende een geschrift met bijlagen ingediend. De Hoge Raad slaat op die stukken geen acht.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Bij de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2018 is aan belanghebbende meegedeeld dat een terug te ontvangen bedrag zal worden verrekend met een openstaande belastingschuld.
2.2
Belanghebbende heeft tegen die verrekening bezwaar gemaakt. De Ontvanger heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.3
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Ontvanger beroep ingesteld. De Rechtbank heeft overwogen dat een op artikel 24, aanhef en lid 1, van de Invorderingswet 1990 gegrond besluit tot verrekening niet wordt genomen in de vorm van een voor bezwaar vatbare beschikking, dat uit artikel 26, lid 1, AWR volgt dat beroep bij de belastingrechter niet mogelijk is, en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
2.4
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft uit de toepasselijke bepalingen in de AWR en de Awb afgeleid dat de bestuursrechter (belastingrechter) ter zake van een krachtens artikel 24 van de Invorderingswet 1990 genomen besluit niet bevoegd is. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de Rechtbank onbevoegd verklaard.
3. Beoordeling van de uitspraak van het Hof naar aanleiding van de klachten en ambtshalve
3.1
Bij de beoordeling van de tegen het hiervoor in 2.4 weergegeven oordeel van het Hof gerichte klachten stelt de Hoge Raad voorop dat vernietiging van een door de voorgaande rechter gedane uitspraak wegens een (vermeende) misslag in het dictum slechts aangewezen is indien de belangen van de appellant daarmee kunnen worden gediend. Dat zal in het algemeen niet het geval zijn indien de rechtbank het beroep naar het oordeel van de appelrechter niet ongegrond maar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Ook indien een beroep ongegrond is verklaard terwijl de rechtbank zich naar het oordeel van de appelrechter onbevoegd had behoren te verklaren, valt niet zonder meer in te zien hoe corrigeren van het dictum enig belang van de appellant kan dienen.
3.2
Blijkens de stukken van het geding heeft belanghebbende beroep en vervolgens hoger beroep ingesteld met het oog op vergoeding van schade die naar zijn inzicht aan het optreden van de Belastingdienst is toe te rekenen. Zowel ongegrondverklaring van het beroep als onbevoegdverklaring van de Rechtbank stonden in de weg aan een oordeel over vergoeding van die door belanghebbende aangevoerde schade. Met de door het Hof gekozen vernietiging van de uitspraak op het beroep was dus geen redelijk belang gediend.
3.3
Het hiervoor overwogene kan echter niet tot cassatie leiden. Na cassatie zou het hoger beroep slechts ongegrond kunnen worden verklaard. Daarmee zou de uitspraak van de Rechtbank, inhoudende dat het beroep ongegrond is, moeten worden bevestigd. Niet valt in te zien hoe deze correctie enig belang van belanghebbende zou kunnen dienen.
3.4
De klachten kunnen voor het overige niet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de klachten is het in zoverre namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2022.
ECLI:NL:GHAMS:2021:3640.