Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6356

2026-07-13 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 26/2276
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-13
Publicatiedatum
2026-07-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 26/2276
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

8:54; NTB; Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de brieven 30 maart 2026 en 31 maart 2026 is kennelijk ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.822 tekens)
BRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 26/2276


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] , uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding


1. Belanghebbende heeft met dagtekening 19 december 2025 en 30 december 2025 bezwaar gemaakt tegen brieven van de inspecteur over het intrekken van het omzetbelastingnummer.



1.1.
Op 19 maart 2026, ontvangen door de inspecteur op 23 maart 2026, heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van uitspraken op bezwaar.



1.2.
De inspecteur heeft bij brief van 30 maart 2026 gereageerd op de ingebrekestelling en de beslissingen waartegen belanghebbende bezwaar wilde maken. Er is volgens de inspecteur geen sprake van een voor bezwaar vatbare beschikking, waardoor de bezwaren niet in behandeling kunnen worden genomen.



1.3.
De inspecteur heeft bij brief van 31 maart 2026 gereageerd op het verzoek om een dwangsom. De inspecteur komt niet toe aan het beoordelen van het recht op een dwangsom, omdat de ingebrekestelling niet ziet op een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



1.4.
Op 20 april 2026 dient belanghebbende beroep in wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften en verzoekt om het toepassen van de dwangsomregeling.



1.5.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk.




Beoordeling door de rechtbank



Is er sprake van een beroep niet tijdig beslissen?

2. Belanghebbende heeft beroep ingesteld, omdat zij van mening is dat er nog steeds niet op haar bezwaren is beslist. De rechtbank constateert dat de inspecteur zich in de brieven van 30 maart 2026 en 31 maart 2026 op het standpunt heeft gesteld dat niet wordt toegekomen aan de beoordeling van de bezwaren en het recht op een dwangsom, omdat geen sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking en ook geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 Awb.



2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 30 maart 2026 een schriftelijke weigering om te beslissen op de ingediende bezwaarschriften inhoudt. Deze weigering wordt op grond van de wet gelijkgesteld met een besluit waartegen beroep openstaat. Er is dan ook geen sprake van een beroep niet tijdig beslissen. Het beroep niet tijdig beslissen is dus niet-ontvankelijk. De rechtbank vat het beroepschrift (mede) op als gericht tegen de brieven van 30 maart 2026 en 31 maart 2026.



Is het beroep tegen de brieven van 30 maart 2026 en 31 maart 2026 ontvankelijk en gegrond?

3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het beroepschrift is gericht tegen de brieven van 30 maart 2026 en 31 maart 2026. De rechtbank heeft het beroepschrift op 17 april 2026 ontvangen. Het beroepschrift is tijdig ingediend en daarom ontvankelijk.




3.1.
De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht heeft besloten de bezwaren niet in behandeling te nemen. Alhoewel de rechtbank van oordeel is dat de inspecteur terecht de bezwaren niet inhoudelijk heeft behandeld, vindt de rechtbank dat hij wel uitspraak op bezwaar had moeten doen. De bezwaren van belanghebbende zien op het intrekken van het omzetbelastingnummer. Een dergelijke brief is wel op de belastingwet gebaseerd, maar betreft geen voor bezwaar vatbare beschikking. Uit de stukken blijkt evenmin dat door belanghebbende bezwaar is aangetekend tegen een voor bezwaar vatbare beschikking waarop het bestuursorgaan had moeten beslissen. Binnen het belastingrecht staat dan niet de mogelijkheid van bezwaar open. Als toch bezwaar wordt gemaakt, dan wordt deze niet inhoudelijk beoordeeld. Het bezwaar is dan niet-ontvankelijk. De inspecteur had de bezwaren niet-ontvankelijk moeten verklaren en het verzoek om een dwangsom af moeten wijzen.



3.2.
Hoewel de beslissing van de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank niet juist is, heeft belanghebbende geen belang bij de wijziging van de beslissing. Een niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren zou immers tot dezelfde feitelijke uitkomst leiden, te weten dat de bezwaren (om dezelfde reden) niet inhoudelijk worden beoordeeld. Ook behandeling van het verzoek om een dwangsom had slechts tot het afwijzen van het verzoek kunnen leiden omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Het beroep is ongegrond.




Conclusie en gevolgen


4. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de brieven 30 maart 2026 en 31 maart 2026 is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:


 verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
 verklaart het beroep tegen de brieven van 30 maart 2026 en 31 maart 2026 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.







griffier rechter




De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.


Artikel 6:2 van de Awb.


Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.


Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.


Vgl. Hoge Raad 18 juli 2026, ECLI:NL:HR:2022:1033 en Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1283.