Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:1832

2026-03-19 Bestuursrecht; Belastingrecht BK-25/139
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-19
Publicatiedatum
2026-06-02
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
BK-25/139
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Art. 17 Wet WOZ. Waarde object. Geen procesbelang voor huurder.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.978 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG


Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/139


uitspraak van 19 maart 2026


in het geding tussen:



[X] te [Z] , belanghebbende,


en


de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )


op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 maart 2025, nummer SGR 24/4292.





Procesverloop


1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de als woning gekwalificeerde onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (het object), voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 660.000 (de beschikking).



1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de waarde verlaagd tot € 540.000.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2. Belanghebbende is huurder van het object. Het object is geen sociale huurwoning. De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een op zijn naam gestelde beschikking uitgereikt.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:


“1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende is huurder van de woning en bepleit een waarde van € 111.475.


2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

3. In geschil is of belanghebbende een belang heeft bij het instellen van beroep inzake de beschikking, en zo ja of de heffingsambtenaar de waarde van de woning op de waardepeildatum niet te hoog heeft vastgesteld.

4. Het ligt op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat dit belang bestaat. De rechtbank acht niet aannemelijk dat belanghebbende in het onderhavige geval een materieel procesbelang heeft. De WOZ-waarde is namelijk niet gebruikt als heffingsmaatstraf voor de heffing van lokale belastingen. Op het aanslagbiljet staat de WOZ-waarde vermeld maar de daarbij vermelde aanslag(en) zijn niet gebaseerd op deze WOZ-waarde.

5. Ter zitting is komen vast te staan dat er geen sprake is van een woning waarop het Besluit huurprijzen woonruimte van toepassing is (niet-geliberaliseerde woonruimte). Evenmin is gebleken dat belanghebbende als huurder van de woning een direct financieel gevolg ondervindt bij een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde. Ook anderszins is niet gebleken van een financieel belang. De stelling van de heffingsambtenaar dat een Verlaging van de WOZ-waarde niet van invloed kan zijn op de huurprijs van de woning, is niet door belanghebbende betwist. Met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 8 maart 2024[1] heeft dit tot gevolg dat het bezwaar door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk in plaats van ongegrond had moeten worden verklaard.

6. Omdat vernietiging van een door de heffingsambtenaar gedane uitspraak, wegens een (vermeende) misslag in het dictum daarvan, belanghebbende niet in een betere positie kan brengen zal de rechtbank volstaan met een ongegrondverklaring van het beroep.

7. De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van de WOZ-waarde dan wel andere aangevoerde (formele) gronden.

8. Belanghebbende verzoekt tenslotte de rechtbank de heffingsambtenaar op te dragen de woning te registeren als poldermolen. De rechtbank stelt vast dat dit verzoek buiten de bevoegdheid van de rechtbank in het voorliggende geschil valt, reden waarom de rechtbank daaraan voorbij gaat.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.


(...)



[1] ECLI:NL:HR:2024:238.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen




4.1.
In geschil is of belanghebbende een procesbelang heeft en zo ja, of de WOZ-waarde van het object niet te hoog is vastgesteld.



4.2.
Belanghebbende die stelt een procesbelang te hebben concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en tot wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van het object nader wordt vastgesteld op basis van een taxatie als niet-woning.



4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het geschil


5.1
De eerste vraag die in hoger beroep moet worden beantwoord, is of belanghebbende een procesbelang heeft. Alleen indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, dient vervolgens de tweede vraag, of de WOZ-waarde van het object niet te hoog is vastgesteld, te worden beoordeeld.



5.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:467, r.o. 2.4.3, voor zover van belang, het volgende geoordeeld:


“Zoals de Hoge Raad eerder heeft geoordeeld dient te worden aangenomen dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking bekend is gemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft.[2]



(…)



[2] HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2656.”



Op basis van dit arrest moet worden geconcludeerd dat het uitgangspunt is dat belanghebbende, aan wie een WOZ-beschikking op zijn naam is bekendgemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde WOZ-waarde een belang heeft.




5.3.
In 2024 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238, echter een uitzondering op voormelde hoofdregel geformuleerd en geoordeeld:


“4.1.2 Bij de beoordeling van het middel is uitgangspunt dat op grond van het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020 moet worden aangenomen dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking is bekendgemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft. Dat belang omvat de juiste toepassing van artikel 17 Wet WOZ, welke bepaling strekt tot bescherming van de belangen van al degenen ten aanzien van wie een beschikking is genomen zoals genoemd in Hoofdstuk IV Wet WOZ. De bestreden uitspraak, waarin is aangenomen dat artikel 8:69a Awb in dit geval van toepassing is omdat de rechtsregel van artikel 17 Wet WOZ niet strekt tot bescherming van het belang van een gebruiker als belanghebbende, berust in zoverre op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel is daarom terecht voorgedragen. Het kan echter niet tot cassatie leiden gelet op het volgende.



4.1.3
In het arrest van 20 maart 2020 is de Hoge Raad ervan uitgegaan dat het hiervoor in 4.1.2 genoemde uitgangspunt in alle gevallen zou kunnen worden toegepast, en dat daarmee een praktisch goed uitvoerbare regeling zou ontstaan.[4] De Hoge Raad is daarbij ervan uitgegaan dat de heffingsambtenaar procedures waarbij de gebruiker geen belang heeft bij een eigen WOZ-beschikking, kan vermijden door ten aanzien van die gebruiker te volstaan met het toezenden van een afschrift van de beschikking die is genomen ten aanzien van de gerechtigde als bedoeld in artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ. Die handelwijze blijkt echter op problemen te stuiten.[5] De Hoge Raad vindt daarin aanleiding om ter vermijding van procedures waarbij de gebruiker geen belang heeft, een uitzondering op het hiervoor in 4.1.2 genoemde uitgangspunt te aanvaarden in gevallen waarin uit de vaststaande feiten voortvloeit dat de gebruiker door een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde niet in een gunstiger positie kan komen. In die gevallen dient, in afwijking van het hiervoor in 4.1.2 genoemde uitgangspunt, te worden aangenomen dat een rechtsmiddel (bezwaar, beroep of hoger beroep) niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener daarbij geen belang heeft, in die zin dat het aanwenden van dat rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht.[6]


(…)



[4] Vgl. HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2656, rechtsoverweging 2.3.4.
[5] Vgl. onderdeel 6.7 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal.
[6] Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, rechtsoverweging 3.4.2.”



Op basis van dit arrest moet worden geconcludeerd dat een uitzondering op de hoofdregel, dat eenieder aan wie een WOZ-beschikking op zijn naam is bekendgemaakt bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft, geldt wanneer uit de vaststaande feiten voortvloeit dat belanghebbende door een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde niet in een gunstiger positie kan komen. In de onderhavige zaak is dit het geval; belanghebbende heeft geen belang bij een wijziging van de WOZ-waarde noch op basis van een taxatie als woning, noch op basis van een taxatie als niet-woning, en dus geen procesbelang. Dit betekent dat niet meer wordt toegekomen aan de vraag of de WOZ-waarde niet te hoog te hoog is vastgesteld. Het Hof legt dat hierna uit.





5.4.
Uit het procesdossier blijkt niet van een financieel belang van belanghebbende bij een wijziging van de WOZ-waarde van het object. Er zijn geen belastingaanslagen opgelegd aan belanghebbende waarbij de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf is gebruikt. Belanghebbende heeft ook anderszins geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan geoordeeld kan worden dat hij als huurder een financieel belang heeft bij wijziging van de vastgestelde waarde van het object voor het jaar 2023. Eventuele toekomstige ontwikkelingen, zoals een herinvoering van een gebruikersbelasting voor huurders of een verhoging van de huur, leiden evenmin tot een financieel belang bij een wijziging van de WOZ-waarde van het object voor het onderhavige belastingjaar. Overigens, en ten overvloede, is de waardering als woning gegeven het feitelijk gebruik door belanghebbende van het object als woning, naar het oordeel van het Hof juist.



5.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Tot gegrondverklaring van het hoger beroep kan dit niet leiden, omdat ook een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in de weg staat aan een oordeel over de door belanghebbende bepleite taxatie als niet-woning, zodat met het hoger beroep op deze grond geen redelijk belang zou zijn gediend (vgl. HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033, BNB 2022/120 en HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:325, BNB 2024/105).



5.6.
Gelet op het voorgaande is de slotsom dat de rechtbank op goede gronden tot een juiste beslissing is gekomen. Het hoger beroep is ongegrond.





Proceskosten


6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.





Beslissing


Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.



Deze uitspraak is vastgesteld door P. C. van den Brink, T.A. de Hek en W. de Wit in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes.




De griffier, de voorzitter,












D.W. Renes P.C. van den Brink





De beslissing is op 19 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl
).





Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;


b. de dagtekening;


c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. de gronden van het beroep in cassatie.




Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.