Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:467
2020-03-20
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/03552
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
artikelen 22 en 24, lid 3, Wet WOZ, artikel 1:2 Awb, heeft huurder die een op zijn naam gestelde WOZ-beschikking heeft ontvangen een (proces)belang? ECLI:NL:HR:2017:2656.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:2656 Hoge Raad 20-10-2017
Geciteerd door (91)
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3999 Rechtbank Noord-Nederland 10-09-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2802 Gerechtshof Den Haag 01-09-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:1810 Rechtbank Oost-Brabant 20-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1832 Gerechtshof Den Haag 19-03-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1771 Gerechtshof Amsterdam 03-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2876 Gerechtshof Den Haag 26-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5901 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-09-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2118 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-07-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2001 Gerechtshof Amsterdam 24-06-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2053 Gerechtshof Amsterdam 13-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:757 Gerechtshof Den Haag 10-04-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:266 Rechtbank Oost-Brabant 24-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:131 Gerechtshof Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:13086 Rechtbank Noord-Holland 16-12-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:7519 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2108 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2108 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2109 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2109 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2109 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:3610 Rechtbank Oost-Brabant 08-08-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:585 Parket bij de Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:1341 Rechtbank Noord-Nederland 11-04-2024
- ECLI:NL:HR:2024:238 Hoge Raad 08-03-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:1085 Rechtbank Noord-Holland 09-02-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:2075 Rechtbank Noord-Holland 06-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:463 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8899 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:13118 Rechtbank Noord-Holland 14-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8433 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-12-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:9940 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1042 Parket bij de Hoge Raad 17-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1042 Parket bij de Hoge Raad 17-11-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10098 Rechtbank Rotterdam 30-10-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:8613 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:831 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:832 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:873 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:873 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:873 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:873 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1769 Gerechtshof Den Haag 30-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16821 Rechtbank Den Haag 22-08-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:12440 Rechtbank Noord-Holland 28-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5282 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-07-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:3649 Rechtbank Midden-Nederland 13-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4579 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-07-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:3076 Rechtbank Midden-Nederland 29-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3826 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-06-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1893 Rechtbank Midden-Nederland 12-04-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1199 Rechtbank Midden-Nederland 14-03-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:1708 Rechtbank Rotterdam 27-02-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:7407 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-12-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:10110 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:9076 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-10-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:9078 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-10-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:5848 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-07-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1781 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:127 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:6477 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2021
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.485 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/03552
Datum 20 maart 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER VAN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 juni 2019, nr. SGR 18/6871 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 4 februari 2019 betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2018 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] . De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende is bewoner van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning). De woning wordt gehuurd door een besloten vennootschap waarin belanghebbende alle aandelen houdt en wordt aan belanghebbende ter beschikking gesteld.
2.1.2
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een op zijn naam gestelde beschikking uitgereikt als bedoeld in artikel 22 Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) waarin de waarde van de woning voor het jaar 2018 is vastgesteld op € 665.000.
2.1.3
Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.
2.2
Bij de Rechtbank was in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
2.3.1
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de WOZ-waarde voor belanghebbende geen basis vormt voor een aan hem opgelegde gemeentelijke heffing, en dat de op de WOZ-waarde gebaseerde bijtelling bij het inkomen voor de inkomstenbelasting niet is gebaseerd op enige wettelijke bepaling. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus de Rechtbank.
2.3.2
Het eerste middel betoogt dat de enkele ontvangst van een op naam gestelde WOZ-beschikking impliceert dat de ontvanger van die beschikking een procesbelang heeft.
2.4.1
Belanghebbende bij een beschikking is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2 Awb). Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1:2 Awb volgt dat daarbij in de eerste plaats moet worden gedacht aan de geadresseerde van het besluit, dat wil zeggen degene tot wie het besluit is gericht.
2.4.2
Artikel 24, lid 3, Wet WOZ bepaalt dat een beschikking als bedoeld in artikel 22 Wet WOZ wordt bekendgemaakt aan zowel degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht (artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ) als aan degene die aan het begin van het kalenderjaar de onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt (artikel 24, lid 3, letter b, Wet WOZ). Opmerking verdient dat deze bepaling de heffingsambtenaar niet verplicht om een beschikking als bedoeld in artikel 22, lid 1, Wet WOZ te nemen te aanzien van een gebruiker als bedoeld in artikel 24, lid 3, letter b, Wet WOZ indien die gebruiker geen belang heeft bij die beschikking. De heffingsambtenaar kan volstaan met het toezenden van een afschrift van de beschikking die is genomen ten aanzien van de gerechtigde als bedoeld in artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ.
2.4.3
Zoals de Hoge Raad eerder heeft geoordeeld dient te worden aangenomen dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking bekend is gemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft. De heffingsambtenaar had het bezwaar van belanghebbende tegen de te zijnen aanzien genomen beschikking dus niet niet-ontvankelijk mogen verklaren wegens het ontbreken van belang. De uitspraak op verzet kan niet in stand blijven.
2.4.4
Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak op verzet,
- verklaart het verzet tegen uitspraak van de Rechtbank van 4 februari 2019 gegrond,
- verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek voortzet in de stand waarin het zich bevond,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.100 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2020.
Kamerstukken II, 1988/89, 21221, nr. 3, blz. 32.
HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2656.
BELASTINGKAMER
Nummer 19/03552
Datum 20 maart 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER VAN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 juni 2019, nr. SGR 18/6871 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 4 februari 2019 betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2018 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] . De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende is bewoner van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning). De woning wordt gehuurd door een besloten vennootschap waarin belanghebbende alle aandelen houdt en wordt aan belanghebbende ter beschikking gesteld.
2.1.2
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een op zijn naam gestelde beschikking uitgereikt als bedoeld in artikel 22 Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) waarin de waarde van de woning voor het jaar 2018 is vastgesteld op € 665.000.
2.1.3
Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.
2.2
Bij de Rechtbank was in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
2.3.1
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de WOZ-waarde voor belanghebbende geen basis vormt voor een aan hem opgelegde gemeentelijke heffing, en dat de op de WOZ-waarde gebaseerde bijtelling bij het inkomen voor de inkomstenbelasting niet is gebaseerd op enige wettelijke bepaling. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus de Rechtbank.
2.3.2
Het eerste middel betoogt dat de enkele ontvangst van een op naam gestelde WOZ-beschikking impliceert dat de ontvanger van die beschikking een procesbelang heeft.
2.4.1
Belanghebbende bij een beschikking is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2 Awb). Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1:2 Awb volgt dat daarbij in de eerste plaats moet worden gedacht aan de geadresseerde van het besluit, dat wil zeggen degene tot wie het besluit is gericht.
2.4.2
Artikel 24, lid 3, Wet WOZ bepaalt dat een beschikking als bedoeld in artikel 22 Wet WOZ wordt bekendgemaakt aan zowel degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht (artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ) als aan degene die aan het begin van het kalenderjaar de onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt (artikel 24, lid 3, letter b, Wet WOZ). Opmerking verdient dat deze bepaling de heffingsambtenaar niet verplicht om een beschikking als bedoeld in artikel 22, lid 1, Wet WOZ te nemen te aanzien van een gebruiker als bedoeld in artikel 24, lid 3, letter b, Wet WOZ indien die gebruiker geen belang heeft bij die beschikking. De heffingsambtenaar kan volstaan met het toezenden van een afschrift van de beschikking die is genomen ten aanzien van de gerechtigde als bedoeld in artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ.
2.4.3
Zoals de Hoge Raad eerder heeft geoordeeld dient te worden aangenomen dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking bekend is gemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft. De heffingsambtenaar had het bezwaar van belanghebbende tegen de te zijnen aanzien genomen beschikking dus niet niet-ontvankelijk mogen verklaren wegens het ontbreken van belang. De uitspraak op verzet kan niet in stand blijven.
2.4.4
Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak op verzet,
- verklaart het verzet tegen uitspraak van de Rechtbank van 4 februari 2019 gegrond,
- verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek voortzet in de stand waarin het zich bevond,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.100 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2020.
Kamerstukken II, 1988/89, 21221, nr. 3, blz. 32.
HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2656.