Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3999
2026-09-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
AWB_LEE 25/134 en LEE 25/135
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet WOZ – artikel 17, tweede lid. WOZ-waardes belastingjaren 2023 en 2024 niet in geschil, alleen de door heffingsambtenaar gebruikte codering voor waardecorrectie damwand. Geen sprake van schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Beroep ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2017:2656 Hoge Raad 20-10-2017
- ECLI:NL:HR:2020:467 Hoge Raad 20-03-2020
- ECLI:NL:GHARL:2025:3555 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4106 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6776 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-10-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.576 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/134 en LEE 25/135
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Dantumadiel, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: [naam] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 20 november 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de woning) als volgt vastgesteld (de WOZ-beschikkingen 2023/2024):
Zaaknummer
Belastingjaar
Waardepeildatum
WOZ-waarde
LEE 25/134
2023
1 januari 2022
€ 348.000
LEE 25/135
2024
1 januari 2023
€ 372.000
1.2.
Met deze waardevaststelling zijn aan belanghebbende ook de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Dantumadiel voor de jaren 2023 en 2024 (de aanslagen 2023/2024) opgelegd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de WOZ-beschikkingen 2023/2024 en de aanslagen 2023/2024 bij de uitspraken op bezwaar (beide met dagtekening 20 november 2024) ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning voor zowel het belastingjaar 2023 als 2024 gehandhaafd.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Belanghebbende heeft meerdere nadere stukken overgelegd.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [taxateur] (taxateur).
1.7.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk 30 september 2026 uitspraak te doen.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning.
2.1.
De woning betreft een perceel grond van 947 m2 met daarop een vrijstaande woning gebouwd in 1990 met een woonoppervlakte van 130 m2, een zolder van 28 m2 en een aangebouwde garage van 29 m2.
2.2.
Op 20 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar een taxatieverslag aan belanghebbende toegezonden ter onderbouwing van de waarde van de woning voor de belastingjaren 2023 en 2024. In de begeleidende brief bij dit taxatieverslag is een toelichting op diverse objectonderdelen gegeven, waaronder: “Onderdeel, overige waardecorrectie, dit is de correctie voor de damwand. Deze correctie is 50% op de grootte van 280m2 grond”.
2.3.
In beide uitspraken op bezwaar is vermeld: “U stelt dat u graag een apart deelobject terugziet van de damwandcorrectie. [..] De gemeente heeft ervoor gekozen om dit te omschrijven als achterstallig onderhoud op het taxatieverslag, hierbij is intern wel een opmerking ‘damwandcorrectie’ geplaatst, zodat er bij de herwaardering voldoende rekening mee wordt gehouden.”
2.4.
Deze uitspraken op bezwaar vermelden daarnaast dat tijdens het hoorgesprek van 7 oktober 2027, aan belanghebbende is aangegeven “dat de opmerkingen die tijdens het overleg zijn genoemd, worden besproken met de waarderingskamer, onder andere over de gehanteerde codes voor de deelobjecten genoemd op het taxatieverslag. Op 18 december 2024 komt de Waarderingskamer op het gemeentehuis in Dokkum. Tijdens dit gesprek zal bovenstaande worden meegenomen.”
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de WOZ-beschikkingen en de uitspraken op bezwaar voldoende heeft gemotiveerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Tegen de aanslagen 2023/2024 zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het oordeel over de aanslagen 2023/2024 volgt daarom het oordeel over de waarde van de woning voor de belastingjaren 2023 en 2024.
4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de WOZ-beschikkingen en de uitspraken op bezwaar voldoende heeft gemotiveerd. Het beroep van belanghebbende is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
5. De rechtbank overweegt allereerst dat de waarde van de woning tussen partijen niet in geschil is. Dat betekent dat belanghebbende in ieder geval geen direct financieel belang heeft bij deze procedure. De rechtbank overweegt echter dat het (overige) belang van belanghebbende als eigenaar van de woning met zich meebrengt dat niet-ontvankelijkheid vanwege het ontbreken van een procesbelang achterwege moet blijven. Het belang van een eigenaar van een woning die een WOZ-beschikking krijgt, kan namelijk ook erin gelegen zijn dat de WOZ-waarde van een onroerende zaak op de juiste manier wordt bepaald. Dit volgt uit de vaste rechtspraak van de Hoge Raad waaruit volgt dat ‘eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking bekend is gemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft’. Bovendien ziet de eigen appelinstantie, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, in zijn rechtspraak in onder meer WOZ-zaken geen beletsel om een rechtsmiddel ontvankelijk te achten in het geval partijen het eens zijn over de waarde en enkel formele beroepsgronden in geschil zijn. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank daarom in dit geval niet concluderen tot niet-ontvankelijkheid vanwege het ontbreken van een procesbelang, zoals de heffingsambtenaar bepleit.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
6. Belanghebbende komt op tegen de wijze waarop de vastgestelde WOZwaarden voor 2023 en 2024 door de heffingsambtenaar zijn onderbouwd. Volgens belanghebbende zijn de WOZ-waarden onvoldoende duidelijk, niet herleidbaar en veranderlijk, omdat bij de vaststelling van de WOZ-waarden geen gebruik is gemaakt van een aparte objectcode voor een damwand. Belanghebbende heeft op de zitting toegelicht dat het niet gebruiken van een aparte objectcode leidt tot rechtsongelijkheid in de WOZ-waardering. Op het verzoek van belanghebbende is er namelijk wel rekening gehouden met de aanwezigheid van een damwand bij de WOZ-waardering ten aanzien van zijn woning, maar is dat mogelijk niet altijd het geval bij zijn buren (of anderen) bij wie een damwand van invloed kan zijn op de waarde van een woning. Belanghebbende voert verder aan dat de heffingsambtenaar bij het doen van de uitspraken op bezwaar het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Volgens belanghebbende was de beslissing van de heffingsambtenaar, die eruit bestaat dat zijn bezwaren ongegrond zijn, al genomen terwijl er nog geen resultaat van het overleg met de Waarderingskamer (dat plaats zou vinden op 18 december 2024) bekend was ten tijde van het nemen van de beslissing. Bovendien stelt belanghebbende dat hij het verslag van het overleg met de Waarderingskamer op 18 december 2024 nooit heeft gekregen. Daarnaast stelt belanghebbende geen reactie van de heffingsambtenaar te hebben ontvangen op het door belanghebbende opgestelde verslag van het hoorgesprek van 7 oktober 2024.
7. De inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd weersproken.
8. De rechtbank beoordeelt of het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel motiveringsbeginsel geschonden is. De rechtbank stelt vast dat op 20 juni 2024 een taxatieverslag aan belanghebbende is toegezonden ter onderbouwing van de vastgestelde WOZ-waarden voor de belastingjaren 2023 en 2024. Dit taxatieverslag bevat onder andere de taxatieopbouw, objectkenmerken, onderbouwende marktgegevens en de toegepaste correcties. In de begeleidende brief bij dit taxatieverslag is daarbij een toelichting op diverse objectonderdelen gegeven, waaronder dat en op welke wijze er rekening is gehouden met de invloed van de damwand op de waarden ten aanzien van de woning van belanghebbende voor de belastingjaren 2023 en 2024 (zie 2.2). Een dergelijke toelichting is ook te vinden in de uitspraken op bezwaar van 20 november 2024 (zie 2.3). Hieruit blijkt dat de heffingsambtenaar (uiterlijk) bij de uitspraak op bezwaar rekening heeft gehouden met de invloed van een damwand op de waarde van de woning van belanghebbende, hetgeen belanghebbende ook heeft bevestigd op de zitting. Dat blijkt ook wel uit het feit dat de vastgestelde WOZ-waarden voor de belastingjaren 2023 en 2024 volgens belanghebbende niet in geschil zijn. Verder heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk (cijfermatig) toegelicht hoe hij met de invloed van een damwand op de waarde van de woning van belanghebbende rekening heeft gehouden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel het motiveringsbeginsel niet is geschonden. Het uitblijven van een reactie van de heffingsambtenaar op het door belanghebbende opgestelde verslag van het hoorgesprek van 7 oktober 2024 is in dat kader niet van belang. Dit verslag van belanghebbende noemt namelijk geen andere punten dan die waar de heffingsambtenaar bij de uitspraken op bezwaar al op is ingegaan.
9. Dat de heffingsambtenaar uitspraken op bezwaar heeft gedaan zonder te wachten op het overleg met de Waarderingskamer van 18 december 2024, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben op de zitting toegelicht dat het overleg bij de Waarderingskamer van 18 december 2024 tot doel had om te onderzoeken of de Waarderingskamer - in reactie op het beklag van belanghebbende - er heil in ziet om een aparte objectcode voor een damwand aan te maken in algemene zin (dus niet specifiek voor het geval van belanghebbende). De uitkomst en het verslag van dit overleg is dus naar het oordeel van de rechtbank niet van invloed op de al vastgestelde waarden voor de woning van belanghebbende. Dat bij de WOZ-waardering in het geval van belanghebbende geen gebruik is gemaakt van een aparte objectcode voor een damwand, doet er gewoonweg niet toe. Enkel relevant is, of de heffingsambtenaar bij de WOZ-waardering rekening heeft gehouden met de invloed van een damwand ten aanzien van de waarde van de woning van belanghebbende, hetgeen het geval is (zie 8.).
10. Ondanks dat belanghebbende er al meerdere keren door de heffingsambtenaar op is gewezen dat een aparte objectcode voor een damwand niet nodig is om tot een juiste WOZ-waardering te komen, blijft belanghebbende volharden dat dit wel nodig is voor hemzelf dan wel voor anderen die in een onroerende zaak met of nabij een damwand wonen. De rechtbank hoopt dat het belanghebbende na het lezen van deze uitspraak duidelijk zal zijn dat hij geen aparte objectcode voor een damwand via een gerechtelijke procedure kan afdwingen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de volgende WOZ-waarden van de woning gehandhaafd blijven:
voor het belastingjaar 2023: € 348.000 (waardepeildatum 1 januari 2022); en,
voor het belastingjaar 2024: € 372.000 (waardepeildatum 1 januari 2023).
De aanslagen 2023 en 2024 blijven dus ook in stand. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.A.M. Geersheuvels, rechter, in aanwezigheid van D.A. van der Beek, griffier.
de griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
rechter
Uitgesproken op 10 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken.
HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2656 en HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:467.
Zie bijvoorbeeld gerechtshof Arnhem Leeuwarden, 10 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3555, gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4106 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6776.
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/134 en LEE 25/135
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Dantumadiel, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: [naam] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 20 november 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de woning) als volgt vastgesteld (de WOZ-beschikkingen 2023/2024):
Zaaknummer
Belastingjaar
Waardepeildatum
WOZ-waarde
LEE 25/134
2023
1 januari 2022
€ 348.000
LEE 25/135
2024
1 januari 2023
€ 372.000
1.2.
Met deze waardevaststelling zijn aan belanghebbende ook de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Dantumadiel voor de jaren 2023 en 2024 (de aanslagen 2023/2024) opgelegd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de WOZ-beschikkingen 2023/2024 en de aanslagen 2023/2024 bij de uitspraken op bezwaar (beide met dagtekening 20 november 2024) ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning voor zowel het belastingjaar 2023 als 2024 gehandhaafd.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Belanghebbende heeft meerdere nadere stukken overgelegd.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [taxateur] (taxateur).
1.7.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk 30 september 2026 uitspraak te doen.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning.
2.1.
De woning betreft een perceel grond van 947 m2 met daarop een vrijstaande woning gebouwd in 1990 met een woonoppervlakte van 130 m2, een zolder van 28 m2 en een aangebouwde garage van 29 m2.
2.2.
Op 20 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar een taxatieverslag aan belanghebbende toegezonden ter onderbouwing van de waarde van de woning voor de belastingjaren 2023 en 2024. In de begeleidende brief bij dit taxatieverslag is een toelichting op diverse objectonderdelen gegeven, waaronder: “Onderdeel, overige waardecorrectie, dit is de correctie voor de damwand. Deze correctie is 50% op de grootte van 280m2 grond”.
2.3.
In beide uitspraken op bezwaar is vermeld: “U stelt dat u graag een apart deelobject terugziet van de damwandcorrectie. [..] De gemeente heeft ervoor gekozen om dit te omschrijven als achterstallig onderhoud op het taxatieverslag, hierbij is intern wel een opmerking ‘damwandcorrectie’ geplaatst, zodat er bij de herwaardering voldoende rekening mee wordt gehouden.”
2.4.
Deze uitspraken op bezwaar vermelden daarnaast dat tijdens het hoorgesprek van 7 oktober 2027, aan belanghebbende is aangegeven “dat de opmerkingen die tijdens het overleg zijn genoemd, worden besproken met de waarderingskamer, onder andere over de gehanteerde codes voor de deelobjecten genoemd op het taxatieverslag. Op 18 december 2024 komt de Waarderingskamer op het gemeentehuis in Dokkum. Tijdens dit gesprek zal bovenstaande worden meegenomen.”
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de WOZ-beschikkingen en de uitspraken op bezwaar voldoende heeft gemotiveerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Tegen de aanslagen 2023/2024 zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het oordeel over de aanslagen 2023/2024 volgt daarom het oordeel over de waarde van de woning voor de belastingjaren 2023 en 2024.
4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de WOZ-beschikkingen en de uitspraken op bezwaar voldoende heeft gemotiveerd. Het beroep van belanghebbende is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
5. De rechtbank overweegt allereerst dat de waarde van de woning tussen partijen niet in geschil is. Dat betekent dat belanghebbende in ieder geval geen direct financieel belang heeft bij deze procedure. De rechtbank overweegt echter dat het (overige) belang van belanghebbende als eigenaar van de woning met zich meebrengt dat niet-ontvankelijkheid vanwege het ontbreken van een procesbelang achterwege moet blijven. Het belang van een eigenaar van een woning die een WOZ-beschikking krijgt, kan namelijk ook erin gelegen zijn dat de WOZ-waarde van een onroerende zaak op de juiste manier wordt bepaald. Dit volgt uit de vaste rechtspraak van de Hoge Raad waaruit volgt dat ‘eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking bekend is gemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft’. Bovendien ziet de eigen appelinstantie, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, in zijn rechtspraak in onder meer WOZ-zaken geen beletsel om een rechtsmiddel ontvankelijk te achten in het geval partijen het eens zijn over de waarde en enkel formele beroepsgronden in geschil zijn. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank daarom in dit geval niet concluderen tot niet-ontvankelijkheid vanwege het ontbreken van een procesbelang, zoals de heffingsambtenaar bepleit.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
6. Belanghebbende komt op tegen de wijze waarop de vastgestelde WOZwaarden voor 2023 en 2024 door de heffingsambtenaar zijn onderbouwd. Volgens belanghebbende zijn de WOZ-waarden onvoldoende duidelijk, niet herleidbaar en veranderlijk, omdat bij de vaststelling van de WOZ-waarden geen gebruik is gemaakt van een aparte objectcode voor een damwand. Belanghebbende heeft op de zitting toegelicht dat het niet gebruiken van een aparte objectcode leidt tot rechtsongelijkheid in de WOZ-waardering. Op het verzoek van belanghebbende is er namelijk wel rekening gehouden met de aanwezigheid van een damwand bij de WOZ-waardering ten aanzien van zijn woning, maar is dat mogelijk niet altijd het geval bij zijn buren (of anderen) bij wie een damwand van invloed kan zijn op de waarde van een woning. Belanghebbende voert verder aan dat de heffingsambtenaar bij het doen van de uitspraken op bezwaar het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Volgens belanghebbende was de beslissing van de heffingsambtenaar, die eruit bestaat dat zijn bezwaren ongegrond zijn, al genomen terwijl er nog geen resultaat van het overleg met de Waarderingskamer (dat plaats zou vinden op 18 december 2024) bekend was ten tijde van het nemen van de beslissing. Bovendien stelt belanghebbende dat hij het verslag van het overleg met de Waarderingskamer op 18 december 2024 nooit heeft gekregen. Daarnaast stelt belanghebbende geen reactie van de heffingsambtenaar te hebben ontvangen op het door belanghebbende opgestelde verslag van het hoorgesprek van 7 oktober 2024.
7. De inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd weersproken.
8. De rechtbank beoordeelt of het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel motiveringsbeginsel geschonden is. De rechtbank stelt vast dat op 20 juni 2024 een taxatieverslag aan belanghebbende is toegezonden ter onderbouwing van de vastgestelde WOZ-waarden voor de belastingjaren 2023 en 2024. Dit taxatieverslag bevat onder andere de taxatieopbouw, objectkenmerken, onderbouwende marktgegevens en de toegepaste correcties. In de begeleidende brief bij dit taxatieverslag is daarbij een toelichting op diverse objectonderdelen gegeven, waaronder dat en op welke wijze er rekening is gehouden met de invloed van de damwand op de waarden ten aanzien van de woning van belanghebbende voor de belastingjaren 2023 en 2024 (zie 2.2). Een dergelijke toelichting is ook te vinden in de uitspraken op bezwaar van 20 november 2024 (zie 2.3). Hieruit blijkt dat de heffingsambtenaar (uiterlijk) bij de uitspraak op bezwaar rekening heeft gehouden met de invloed van een damwand op de waarde van de woning van belanghebbende, hetgeen belanghebbende ook heeft bevestigd op de zitting. Dat blijkt ook wel uit het feit dat de vastgestelde WOZ-waarden voor de belastingjaren 2023 en 2024 volgens belanghebbende niet in geschil zijn. Verder heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk (cijfermatig) toegelicht hoe hij met de invloed van een damwand op de waarde van de woning van belanghebbende rekening heeft gehouden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel het motiveringsbeginsel niet is geschonden. Het uitblijven van een reactie van de heffingsambtenaar op het door belanghebbende opgestelde verslag van het hoorgesprek van 7 oktober 2024 is in dat kader niet van belang. Dit verslag van belanghebbende noemt namelijk geen andere punten dan die waar de heffingsambtenaar bij de uitspraken op bezwaar al op is ingegaan.
9. Dat de heffingsambtenaar uitspraken op bezwaar heeft gedaan zonder te wachten op het overleg met de Waarderingskamer van 18 december 2024, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben op de zitting toegelicht dat het overleg bij de Waarderingskamer van 18 december 2024 tot doel had om te onderzoeken of de Waarderingskamer - in reactie op het beklag van belanghebbende - er heil in ziet om een aparte objectcode voor een damwand aan te maken in algemene zin (dus niet specifiek voor het geval van belanghebbende). De uitkomst en het verslag van dit overleg is dus naar het oordeel van de rechtbank niet van invloed op de al vastgestelde waarden voor de woning van belanghebbende. Dat bij de WOZ-waardering in het geval van belanghebbende geen gebruik is gemaakt van een aparte objectcode voor een damwand, doet er gewoonweg niet toe. Enkel relevant is, of de heffingsambtenaar bij de WOZ-waardering rekening heeft gehouden met de invloed van een damwand ten aanzien van de waarde van de woning van belanghebbende, hetgeen het geval is (zie 8.).
10. Ondanks dat belanghebbende er al meerdere keren door de heffingsambtenaar op is gewezen dat een aparte objectcode voor een damwand niet nodig is om tot een juiste WOZ-waardering te komen, blijft belanghebbende volharden dat dit wel nodig is voor hemzelf dan wel voor anderen die in een onroerende zaak met of nabij een damwand wonen. De rechtbank hoopt dat het belanghebbende na het lezen van deze uitspraak duidelijk zal zijn dat hij geen aparte objectcode voor een damwand via een gerechtelijke procedure kan afdwingen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de volgende WOZ-waarden van de woning gehandhaafd blijven:
voor het belastingjaar 2023: € 348.000 (waardepeildatum 1 januari 2022); en,
voor het belastingjaar 2024: € 372.000 (waardepeildatum 1 januari 2023).
De aanslagen 2023 en 2024 blijven dus ook in stand. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.A.M. Geersheuvels, rechter, in aanwezigheid van D.A. van der Beek, griffier.
de griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
rechter
Uitgesproken op 10 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken.
HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2656 en HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:467.
Zie bijvoorbeeld gerechtshof Arnhem Leeuwarden, 10 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3555, gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4106 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6776.