Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:70
2016-01-15
Civiel recht
14/06070
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2016:70 → ECLI:NL:GHDHA:2014:2863 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:70 → ECLI:NL:PHR:2015:2495 gevolgd
Inhoudsindicatie
Contractenrecht. Schadevergoeding wegens ontbinding handelstransactie. Wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW)? Overige klachten art. 81 lid 1 RO (art. 74 Weens Koopverdrag; dekkingskoop?) .
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2013:40 Hoge Raad 28-06-2013
Geciteerd door (64)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2144 Rechtbank Midden-Nederland 22-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2279 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-04-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:5727 Rechtbank Noord-Holland 18-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2025:12310 Rechtbank Noord-Holland 22-10-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:6878 Rechtbank Amsterdam 08-08-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4874 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-08-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:7687 Rechtbank Rotterdam 04-07-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:3067 Rechtbank Midden-Nederland 28-05-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:2152 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-04-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2024:6887 Rechtbank Midden-Nederland 18-12-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:7835 Rechtbank Amsterdam 18-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:12710 Rechtbank Noord-Holland 04-12-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5439 Rechtbank Midden-Nederland 11-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16811 Rechtbank Den Haag 04-09-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:3519 Rechtbank Noord-Nederland 03-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3582 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-05-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:5020 Rechtbank Rotterdam 22-05-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1703 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2569 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2233 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3079 Rechtbank Noord-Holland 06-03-2024
- ECLI:NL:HR:2024:241 Hoge Raad 16-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:911 Parket bij de Hoge Raad 13-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:910 Parket bij de Hoge Raad 13-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:617 Parket bij de Hoge Raad 23-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:617 Parket bij de Hoge Raad 23-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:617 Parket bij de Hoge Raad 23-06-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:4601 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2218 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-03-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:750 Gerechtshof Amsterdam 28-03-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2100 Gerechtshof Den Haag 04-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4551 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-08-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:4505 Rechtbank Rotterdam 08-06-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:351 Rechtbank Noord-Nederland 09-02-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2021:7341 Rechtbank Gelderland 17-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1069 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1069 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:5208 Rechtbank Rotterdam 09-06-2021
- ECLI:NL:RBROT:2020:10136 Rechtbank Rotterdam 04-11-2020
- ECLI:NL:RBLIM:2020:6058 Rechtbank Limburg 12-08-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:608 Parket bij de Hoge Raad 19-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:608 Parket bij de Hoge Raad 19-06-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1540 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:389 Parket bij de Hoge Raad 17-04-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4386 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-12-2019
- ECLI:NL:RBNNE:2019:4743 Rechtbank Noord-Nederland 06-11-2019
- ECLI:NL:HR:2019:1575 Hoge Raad 11-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:330 Parket bij de Hoge Raad 08-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:330 Parket bij de Hoge Raad 08-03-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:490 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-01-2019
- ECLI:NL:RBROT:2018:9230 Rechtbank Rotterdam 17-10-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:513 Parket bij de Hoge Raad 18-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:513 Parket bij de Hoge Raad 18-05-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:1169 Rechtbank Den Haag 31-01-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2017:14696 Rechtbank Den Haag 13-12-2017
- ECLI:NL:HR:2017:3106 Hoge Raad 08-12-2017
- ECLI:NL:HR:2017:2549 Hoge Raad 06-10-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:888 Parket bij de Hoge Raad 14-07-2017
- ECLI:NL:GHARL:2016:8572 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-10-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:860 Parket bij de Hoge Raad 12-08-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.276 tekens)
15 januari 2016
Eerste Kamer
14/06070
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
de vennootschap naar vreemd recht INTEGRATED LOGISTICS CO.,gevestigd te Dasman, Koeweit,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,
t e g e n
[verweerster],gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. M.E. Gelpke.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als ILC en [verweerster].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 369964/HA ZA 11-58 van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2011 en 16 mei 2012;
b. de arresten in de zaak 200.107.832/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2013 en 26 augustus 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 26 augustus 2014 heeft ILC beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
ILC heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, [verweerster] heeft geconcludeerd tot referte ten aanzien van onderdeel 7 van het principaal beroep en voor het overige tot verwerping.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor ILC mede door mr. J.W.M.K. Meijer.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot:
vernietiging van het bestreden arrest, doch slechts in zoverre als in het dictum van ’s Hofs arrest ILC wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke handelsrente. In plaats daarvan ware te bepalen dat ILC de wettelijke rente verschuldigd is;
verwerping van het principale beroep voor het overige.
3Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2-1.15. Kort samengevat en voor zover in cassatie nog van belang gaat het om het volgende.
(i) Op 3 februari 2007 heeft [verweerster] een nog te produceren rupskraan (hierna: de kraan) van de fabrikant Demag te Zweibrücken (Duitsland) gekocht voor een bedrag van € 6.062.500,--. De koopprijs moest in zijn geheel een week voor de levering worden betaald.
(ii) Bij overeenkomst van augustus 2007 (hierna: de koopovereenkomst)heeft [verweerster] de kraan verkocht aan ILC voor een bedrag van € 6.850.000,--. Daarbij werd mede overeengekomen dat een gebruikte kraan (de ruilkraan) voor een bedrag van € 3.100.000,-- tot (deel)betaling van de koopprijs voor de kraan zou dienen. Op 23 maart 2009 zijn partijen in een amendement onder meer overeengekomen de inruilwaarde van de ruilkraan te verlagen tot € 2.750.000,--.
(iii) ILC heeft een aanbetaling van € 250.000,-- aan [verweerster] gedaan. ILC heeft de restant-koopsom uitsluitend willen voldoen door middel van een letter of credit. [verweerster] is daarmee niet akkoord gegaan.
(iv) [verweerster] heeft bij e-mail van 27 april 2009 de koopovereenkomst en het amendement ontbonden verklaard op grond van een tekortkoming van ILC, daarin omschreven als “mainly your non compliance with the payment terms as agreed between parties”.
(v) De rechtsverhouding tussen partijen wordt ingevolge art. 9 van de koopovereenkomst beheerst door het Weens Koopverdrag en, aanvullend, door nationaal Nederlands recht.
3.2.1
In dit geding heeft [verweerster] (in reconventie) schadevergoeding gevorderd ten belope van € 537.500,-- (haar gemiste winst van € 787.500,-- minus de aanbetaling van € 250.000,--), vermeerderd met wettelijke handelsrente en kosten, op grond van een toerekenbare tekortkoming van ILC, ten gevolge waarvan [verweerster] winst heeft gederfd.
3.2.2
De rechtbank heeft de vordering afgewezen op de grond dat weliswaar sprake is van een toerekenbare tekortkoming van ILC, op grond waarvan [verweerster] de koopovereenkomst en het amendement mocht ontbinden, maar dat [verweerster] daardoor geen schade heeft geleden nu zij de kraan voor een hogere prijs dan met ILC overeengekomen heeft kunnen doorverkopen.
3.2.3
In hoger beroep heeft [verweerster] haar eis gewijzigd en vordert zij (onder meer) veroordeling van ILC tot betaling van € 787.500,--, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Het hof heeft de vordering toegewezen.
3.3.1
In onderdeel 7 klaagt ILC dat het hof heeft miskend dat de verplichting tot vergoeding van wettelijke handelsrente ingevolge art. 6:119a BW geldt indien betaling van het op grond van de desbetreffende handelsovereenkomst verschuldigde bedrag niet tijdig plaatsvindt, maar niet in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een verplichting tot schadevergoeding in verband met ontbinding van een handelsovereenkomst.
3.3.2
Art. 6:119a BW is ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2000/35/EG van het Europees parlement en de Raad van 29 juni 2000 (thans Richtlijn 2011/7/EU) betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties. Ingevolge art. 3 van eerstgenoemde richtlijn is de in lid 1 onder d van die bepaling bedoelde (handels)rente verschuldigd ingeval van niet tijdige betaling van een geldsom voortvloeiende uit een handelsovereenkomst. In de considerans is onder 13 (en in Richtlijn 2011/7/EU onder 8) vermeld:
“Deze richtlijn heeft enkel betrekking op betalingen tot vergoeding van handelstransacties en strekt niet tot regulering van (...) betalingen bij wijze van schadeloosstelling (...).”
Uit de parlementaire geschiedenis van (onder meer) art. 6:119a BW blijkt dat de wetgever geen ruimer toepassingsbereik heeft beoogd dan uit de richtlijn voortvloeit (Kamerstukken II 2001-2002, 28 239, nr.3, p. 10).
3.3.3
Nu het in dit geval gaat om toewijzing van een vordering tot schadevergoeding in verband met ontbinding van een handelsovereenkomst, mist art. 6:119a BW, gelet op het voorgaande, toepassing (zie HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:40, NJ 2013/368). Uit het Weens Koopverdrag vloeit niet het tegendeel voort. Art. 78 van het verdrag bepaalt slechts dat ingeval van vertraging in de voldoening van een geldsom rente verschuldigd is, zonder de hoogte daarvan te specificeren. Het onderdeel slaagt dan ook.
3.4
De in de onderdelen 1-6 geformuleerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.5
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu [verweerster] wettelijke handelsrente heeft gevorderd, dient te worden aangenomen dat zij tevens aanspraak maakt op het mindere, te weten de wettelijke rente. Deze komt op de voet van art. 6:119 BW voor vergoeding in aanmerking.
3.6
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat de onderdelen 1-6 van het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leiden, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
3.7
Hoewel [verweerster] zich in cassatie ten aanzien van onderdeel 7 heeft gerefereerd, heeft zij, door ook in hoger beroep de wettelijke handelsrente te vorderen, de beslissing van het hof ter zake uitgelokt. Zij zal dan ook in de kosten worden veroordeeld.
4Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 augustus 2014 voor zover daarbij de wettelijke handelsrente is toegewezen;
in zoverre opnieuw recht doende: veroordeelt ILC om aan [verweerster] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, over € 537.500,-- met ingang van 23 februari 2011 en over € 250.000,-- met ingang van 3 juli 2013, tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ILC begroot op € 6.554,70 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 15 januari 2016.
Eerste Kamer
14/06070
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
de vennootschap naar vreemd recht INTEGRATED LOGISTICS CO.,gevestigd te Dasman, Koeweit,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,
t e g e n
[verweerster],gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. M.E. Gelpke.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als ILC en [verweerster].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 369964/HA ZA 11-58 van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2011 en 16 mei 2012;
b. de arresten in de zaak 200.107.832/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2013 en 26 augustus 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 26 augustus 2014 heeft ILC beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
ILC heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, [verweerster] heeft geconcludeerd tot referte ten aanzien van onderdeel 7 van het principaal beroep en voor het overige tot verwerping.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor ILC mede door mr. J.W.M.K. Meijer.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot:
vernietiging van het bestreden arrest, doch slechts in zoverre als in het dictum van ’s Hofs arrest ILC wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke handelsrente. In plaats daarvan ware te bepalen dat ILC de wettelijke rente verschuldigd is;
verwerping van het principale beroep voor het overige.
3Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2-1.15. Kort samengevat en voor zover in cassatie nog van belang gaat het om het volgende.
(i) Op 3 februari 2007 heeft [verweerster] een nog te produceren rupskraan (hierna: de kraan) van de fabrikant Demag te Zweibrücken (Duitsland) gekocht voor een bedrag van € 6.062.500,--. De koopprijs moest in zijn geheel een week voor de levering worden betaald.
(ii) Bij overeenkomst van augustus 2007 (hierna: de koopovereenkomst)heeft [verweerster] de kraan verkocht aan ILC voor een bedrag van € 6.850.000,--. Daarbij werd mede overeengekomen dat een gebruikte kraan (de ruilkraan) voor een bedrag van € 3.100.000,-- tot (deel)betaling van de koopprijs voor de kraan zou dienen. Op 23 maart 2009 zijn partijen in een amendement onder meer overeengekomen de inruilwaarde van de ruilkraan te verlagen tot € 2.750.000,--.
(iii) ILC heeft een aanbetaling van € 250.000,-- aan [verweerster] gedaan. ILC heeft de restant-koopsom uitsluitend willen voldoen door middel van een letter of credit. [verweerster] is daarmee niet akkoord gegaan.
(iv) [verweerster] heeft bij e-mail van 27 april 2009 de koopovereenkomst en het amendement ontbonden verklaard op grond van een tekortkoming van ILC, daarin omschreven als “mainly your non compliance with the payment terms as agreed between parties”.
(v) De rechtsverhouding tussen partijen wordt ingevolge art. 9 van de koopovereenkomst beheerst door het Weens Koopverdrag en, aanvullend, door nationaal Nederlands recht.
3.2.1
In dit geding heeft [verweerster] (in reconventie) schadevergoeding gevorderd ten belope van € 537.500,-- (haar gemiste winst van € 787.500,-- minus de aanbetaling van € 250.000,--), vermeerderd met wettelijke handelsrente en kosten, op grond van een toerekenbare tekortkoming van ILC, ten gevolge waarvan [verweerster] winst heeft gederfd.
3.2.2
De rechtbank heeft de vordering afgewezen op de grond dat weliswaar sprake is van een toerekenbare tekortkoming van ILC, op grond waarvan [verweerster] de koopovereenkomst en het amendement mocht ontbinden, maar dat [verweerster] daardoor geen schade heeft geleden nu zij de kraan voor een hogere prijs dan met ILC overeengekomen heeft kunnen doorverkopen.
3.2.3
In hoger beroep heeft [verweerster] haar eis gewijzigd en vordert zij (onder meer) veroordeling van ILC tot betaling van € 787.500,--, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Het hof heeft de vordering toegewezen.
3.3.1
In onderdeel 7 klaagt ILC dat het hof heeft miskend dat de verplichting tot vergoeding van wettelijke handelsrente ingevolge art. 6:119a BW geldt indien betaling van het op grond van de desbetreffende handelsovereenkomst verschuldigde bedrag niet tijdig plaatsvindt, maar niet in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een verplichting tot schadevergoeding in verband met ontbinding van een handelsovereenkomst.
3.3.2
Art. 6:119a BW is ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2000/35/EG van het Europees parlement en de Raad van 29 juni 2000 (thans Richtlijn 2011/7/EU) betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties. Ingevolge art. 3 van eerstgenoemde richtlijn is de in lid 1 onder d van die bepaling bedoelde (handels)rente verschuldigd ingeval van niet tijdige betaling van een geldsom voortvloeiende uit een handelsovereenkomst. In de considerans is onder 13 (en in Richtlijn 2011/7/EU onder 8) vermeld:
“Deze richtlijn heeft enkel betrekking op betalingen tot vergoeding van handelstransacties en strekt niet tot regulering van (...) betalingen bij wijze van schadeloosstelling (...).”
Uit de parlementaire geschiedenis van (onder meer) art. 6:119a BW blijkt dat de wetgever geen ruimer toepassingsbereik heeft beoogd dan uit de richtlijn voortvloeit (Kamerstukken II 2001-2002, 28 239, nr.3, p. 10).
3.3.3
Nu het in dit geval gaat om toewijzing van een vordering tot schadevergoeding in verband met ontbinding van een handelsovereenkomst, mist art. 6:119a BW, gelet op het voorgaande, toepassing (zie HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:40, NJ 2013/368). Uit het Weens Koopverdrag vloeit niet het tegendeel voort. Art. 78 van het verdrag bepaalt slechts dat ingeval van vertraging in de voldoening van een geldsom rente verschuldigd is, zonder de hoogte daarvan te specificeren. Het onderdeel slaagt dan ook.
3.4
De in de onderdelen 1-6 geformuleerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.5
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu [verweerster] wettelijke handelsrente heeft gevorderd, dient te worden aangenomen dat zij tevens aanspraak maakt op het mindere, te weten de wettelijke rente. Deze komt op de voet van art. 6:119 BW voor vergoeding in aanmerking.
3.6
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat de onderdelen 1-6 van het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leiden, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
3.7
Hoewel [verweerster] zich in cassatie ten aanzien van onderdeel 7 heeft gerefereerd, heeft zij, door ook in hoger beroep de wettelijke handelsrente te vorderen, de beslissing van het hof ter zake uitgelokt. Zij zal dan ook in de kosten worden veroordeeld.
4Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 augustus 2014 voor zover daarbij de wettelijke handelsrente is toegewezen;
in zoverre opnieuw recht doende: veroordeelt ILC om aan [verweerster] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, over € 537.500,-- met ingang van 23 februari 2011 en over € 250.000,-- met ingang van 3 juli 2013, tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ILC begroot op € 6.554,70 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 15 januari 2016.