Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:5727
2026-03-18
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/15/362608 / HA ZA 25-111
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Koopovereenkomst tot verkoop Bentley. Koopovereenkomst ontbonden. Ontbindingsvergoeding. Eén van de gedaagde partijen is failliet verklaard en de procedure tegen haar is geschorst. Bestuurdersaansprakelijkheid.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2014:2627 Hoge Raad 05-09-2014
- ECLI:NL:HR:1989:AB9521 Hoge Raad 06-10-1989
- ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 Hoge Raad 08-12-2006
- ECLI:NL:HR:2016:70 Hoge Raad 15-01-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.966 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/362608 / HA ZA 25-111
Vonnis van 18 maart 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PON LUXURY CARS B.V.,
te Leusden,
eisende partij,
hierna te noemen: Pon,
advocaat: mr. M. Heijsteeg,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
D'ORANGERIE B.V. (sinds 3 februari 2026 in staat van faillissement),
te Alkmaar,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: D’Orangerie en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: onttrokken.
De zaak in het kort
Pon heeft een koopovereenkomst gesloten met D’Orangerie tot verkoop van een Bentley. D’Orangerie heeft de koopprijs niet betaald en de auto niet afgenomen. Pon heeft daarom de koopovereenkomst ontbonden. Pon maakt aanspraak op een ontbindingsvergoeding. D’Orangerie heeft die vergoeding niet betaald. D’Orangerie is inmiddels failliet verklaard. De procedure tegen de D’Orangerie is daarom geschorst.[gedaagde sub 2] is bestuurder van D’Orangerie. Pon stelt (ook) [gedaagde sub 2] aansprakelijk voor het handelen van D’Orangerie. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het niet nakomen van de koopovereenkomst met Pon, omdat hij wist of behoorde te weten dat D’Orangerie de koopovereenkomst met Pon niet zou kunnen nakomen. [gedaagde sub 2] is daarom aansprakelijk voor de door Pon geleden schade. De rechtbank stelt de schade vast op een (iets) lager bedrag dan door Pon gevorderd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 februari 2025, met producties 1-12;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;
- het tussenvonnis van 14 mei 2025;
- het B-formulier van 23 januari 2026, waarbij de advocaat van D’Orangerie en [gedaagde sub 2] zich heeft onttrokken;
- de akte overlegging producties namens Pon, met producties 12-15;
- het bericht van de rechtbank van 11 februari 2026 aan partijen en de curator van D’Orangerie, waarin is meegedeeld dat de procedure tegen D’Orangerie op grond van artikel 29 van de Faillissementswet van rechtswege is geschorst;
- het bericht van mr. Heijsteeg van 11 februari 2026, waarin Pon mededeelt de procedure tegen [gedaagde sub 2] voort te willen zetten;
- de mondelinge behandeling van 16 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Heijsteeg heeft daarbij het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. [gedaagde sub 2] is niet ter zitting verschenen.
1.2.
Ten slotte is in de procedure tegen [gedaagde sub 2] vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
D’Orangerie is een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. [gedaagde sub 2] is enig bestuurder van D’Orangerie.
2.2.
Pon en D’Orangerie hebben op 14 november 2023 twee koopovereenkomsten gesloten, waarbij D’Orangerie een Bentley Continental GTC Speed voor een bedrag van € 525.577,- en een Lamborghini Urus voor een bedrag van € 447.580,- heeft besteld bij Pon.
2.3.
Pon heeft de bestelling van de Lamborghini op enig moment geannuleerd, omdat D’Orangerie de aanbetaling niet had voldaan.
2.4.
Toen de Bentley gereed was voor aflevering, heeft D’Orangerie deze niet afgehaald of afgenomen. De koopsom heeft D’Orangerie ook niet betaald.
2.5.
Op 6 juni 2024 heeft Pon - voor zover van belang - ten aanzien van de Bentley het volgende aan D’Orangerie medegedeeld:
“Helaas hebben we tot op heden niets van je vernomen en worden we gedwongen tot de volgende stappen. Zonder bevestiging van afname en betaling zullen we de koopovereenkomst als annulering van jouw kant beschouwen en handelen we volgens de algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden van het koopcontract.
Dit betekent dat we in de eerdere communicatie genoemde annuleringskosten in rekening moeten brengen. (…)”
2.6.
Pon heeft D’Orangerie vervolgens op 6 juni 2024 een annuleringsfactuur gestuurd voor een bedrag van € 80.112,15. Dit bedrag is gebaseerd op artikel XV lid 3 van de algemene voorwaarden van Pon.
2.7.
D’Orangerie is op 3 februari 2026 failliet verklaard.
3Het geschil
3.1.
Pon vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan Pon te betalen € 87.845,73, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 80.112,15, met ingang van 1 februari 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
II. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
III. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Pon legt aan haar vorderingen, voor zover gericht tegen [gedaagde sub 2] , ten grondslag dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie persoonlijk aansprakelijk is voor de tekortkoming van D’Orangerie in de nakoming van de koopovereenkomst met Pon. Pon heeft de koopovereenkomst met D’Orangerie ontbonden. Pon vordert van [gedaagde sub 2] vergoeding van haar schade doordat D’Orangerie de overeengekomen ontbindingsvergoeding niet heeft betaald. Volgens Pon heeft [gedaagde sub 2] als bestuurder de koopovereenkomst gesloten terwijl hij wist of behoorde te weten dat D’Orangerie haar verplichtingen jegens Pon niet kon gaan nakomen. Van deze handelwijze treft [gedaagde sub 2] als bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt en [gedaagde sub 2] handelt hierdoor onrechtmatig jegens Pon.
3.3.
[gedaagde sub 2] voert verweer en concludeert dat de rechtbank Pon niet-ontvankelijk verklaart, of de vorderingen van Pon afwijst, met veroordeling van Pon in de proceskosten. [gedaagde sub 2] concludeert verder de beslagen die Pon heeft gelegd, op te heffen. [gedaagde sub 2] heeft geen eis in reconventie ingesteld, zodat de rechtbank geen vordering tot opheffing van de beslagen kan beoordelen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Juridisch kader bestuurdersaansprakelijkheid
4.1.
Pon baseert haar vordering tegen [gedaagde sub 2] op bestuurdersaansprakelijkheid. Zij stelt zich op het standpunt dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie persoonlijk aansprakelijk is voor het door D’Orangerie niet nakomen van de koopovereenkomst van de Bentley en het niet betalen van de ontbindingsvergoeding. Zij vordert daarom vergoeding van de schade die zij als gevolg daarvan heeft geleden schade, ter hoogte van de ontbindingsvergoeding.
4.2.
Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is daarnaast ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of aan de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Als de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4.3.
De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is daarom of [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie een ernstig verwijt kan worden gemaakt doordat hij de koopovereenkomst voor de Bentley met Pon heeft gesloten terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat D’Orangerie de verplichtingen uit de koopovereenkomst tegenover Pon niet zou kunnen nakomen en D’Orangerie geen verhaal zou bieden.
D’Orangerie is de ontbindingsvergoeding verschuldigd
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat D’Orangerie tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst met Pon, door de koopprijs van de Bentley niet te betalen en de auto niet af te nemen. [gedaagde sub 2] heeft wel betwist dat D’Orangerie om die reden de ontbindingsvergoeding die Pon vordert, verschuldigd is. Om vast te kunnen stellen of [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie aansprakelijk is voor het onbetaald blijven van de ontbindingsvergoeding, moet daarom eerst de vraag worden beantwoord of D’Orangerie de door Pon gevorderde ontbindingsvergoeding verschuldigd is.
4.5.
Pon stelt zich op het standpunt dat zij op grond van artikel XV lid 3 van haar algemene voorwaarden recht heeft op de ontbindingsvergoeding, omdat zij de koop heeft geannuleerd omdat [gedaagde sub 2] de koopovereenkomst niet is nagekomen.
4.6.
Artikel XV lid 3 van de algemene voorwaarden van Pon luidt - voor zover van belang - als volgt:
“XV Ontbinding
3. Wij kunnen, (…), de koopovereenkomst met koper te allen tijde zonder nadere ingebrekestelling en rechtelijke tussenkomst en zonder schadeplichtigheid jegens koper door middel van een schriftelijke mededeling aan de koper opschorten en/of ontbinden, indien (i) koper een of meer van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst niet, niet (…). In het geval wij de overeenkomst ontbinden is de koper aan verkoper een vooraf vastgestelde schadevergoeding van 15% van de catalogusprijs inclusief btw en BPM, exclusief eventueel inruil als schade vergoeding verschuldigd.”
4.7.
[gedaagde sub 2] stelt zich primair op het standpunt dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn op de koopovereenkomst omdat Pon die niet aan hem heeft verstrekt.
4.8.
De rechtbank verwerpt het verweer van [gedaagde sub 2] en is van oordeel dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de koopovereenkomst, omdat voldoende vast staat dat D’Orangerie bekend was met de algemene voorwaarden van Pon. [gedaagde sub 2] heeft namens D’Orangerie er immers voor getekend dat hij kennis heeft genomen van de algemene voorwaarden van Pon. Bovendien heeft [gedaagde sub 2] gesteld dat D’Orangerie in de loop der jaren tientallen auto’s van Pon heeft gekocht. Ook op basis daarvan kan worden aangenomen dat D’Orangerie bekend was met de inhoud van de algemene voorwaarden van Pon. Verder heeft Pon onweersproken gesteld dat haar algemene voorwaarden op de achterzijde (van het briefpapier) van iedere koopovereenkomst vermeld staan.
4.9.
Verder gaat het beroep van [gedaagde sub 2] op artikel II lid 3 van de algemene voorwaarden en zijn standpunt dat hij de annulering van de koopovereenkomst niet schriftelijk heeft bevestigd, niet op. In artikel II lid 3 is bepaald dat annuleringen van gesloten overeenkomsten slechts gelden als zij door beide partijen schriftelijk zijn vastgelegd. In dit geval heeft Pon de koopovereenkomst niet geannuleerd met een beroep op artikel II lid 3 van de algemene voorwaarden, maar heeft Pon zich beroepen op artikel XV lid 3. Op grond van die bepaling kon Pon de koopovereenkomst (eenzijdig) ontbinden, omdat D’Orangerie tekort is gekomen in de nakoming van de koopovereenkomst.
[gedaagde sub 2] is als bestuurder aansprakelijk
4.10.
In het voorgaande is vast komen te staan dat D’Orangerie de ontbindingsvergoeding verschuldigd is aan Pon. Vervolgens is het de vraag of [gedaagde sub 2] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor het feit dat D’Orangerie de ontbindingsvergoeding niet aan Pon heeft betaald. Voor de beantwoording van die vraag is van belang of [gedaagde sub 2] als bestuurder bij het sluiten van de overeenkomst wist of behoorde te weten dat D’Orangerie de koopovereenkomst voor de Bentley niet zou kunnen nakomen, waardoor D’Orangerie de ontbindingsvergoeding verschuldigd is geworden.
4.11.
Pon stelt dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst met Pon op 14 november 2023 op de hoogte was van een juridisch conflict tussen D’Orangerie en twee andere partijen. Uit het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2024 blijkt dat D’Orangerie in elk geval vanaf mei 2023 wist dat een bedrag van in totaal € 330.260,18 (exclusief btw) van haar werd gevorderd door een van deze partijen, omdat toen conservatoir beslag is gelegd ten laste van D’Orangerie. Bij uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 januari 2025 is D’Orangerie veroordeeld tot betaling van € 334.526,18 (exclusief btw) aan deze partij. Verder heeft ook een andere partij op 1 december 2023 beslag gelegd ten laste van D’Orangerie, voor een bedrag van € 149.500. [gedaagde sub 2] - als bestuurder van D’Orangerie - wist daarom ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met Pon of hij had behoren te weten dat D’Orangerie in financiële problemen verkeerde en wist of behoorde te weten dat D’Orangerie haar verplichtingen jegens Pon daardoor niet kon nakomen.
4.12.
[gedaagde sub 2] heeft niet betwist dat D’Orangerie ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met Pon in financiële moeilijkheden verkeerde en de koop van de Bentley niet uit eigen middelen kon voldoen. Volgens [gedaagde sub 2] zou hij de koop van de Bentley financieren uit een doorverkoop (met winst) van de auto aan een derde. Volgens [gedaagde sub 2] heeft hij via Pon in de loop van jaren teintallen auto’s van Pon verkocht en verhandeld. Dat blijkt ook uit het feit dat hij tegelijk met de Bentley een Lamborghini kocht, die hij ook zou doorverkopen. Omdat de koper van D’Orangerie afhaakte, was het volgens [gedaagde sub 2] voor D’Orangerie lastig geworden om Pon te kunnen betalen. Maar dat was voor hem ten tijde van de koop niet voorzienbaar, aldus [gedaagde sub 2] .
4.13.
[gedaagde sub 2] heeft zijn stelling dat D’Orangerie de Bentley heeft doorverkocht aan een derde en dat die koper is afgehaakt, op geen enkele manier onderbouwd. De rechtbank kan daar daarom niet van uitgaan. Daarbij komt dat [gedaagde sub 2] Pon niet heeft ingelicht dat D’Orangerie de koop van de Bentley zou financieren uit een doorverkoop aan een derde. Pon heeft gesteld dat zij de koopovereenkomst nooit met D’Orangerie zou hebben gesloten, als zij wist dat D’Orangerie de auto zou doorverkopen aan een derde. Omdat [gedaagde sub 2] niet heeft weersproken dat D’Orangerie de Bentley niet kon betalen uit eigen middelen, moet er gelet op de eigen stellingen van [gedaagde sub 2] van worden uitgegaan dat D’Orangerie de Bentley alleen kon financieren uit de middelen van een doorverkoop. Omdat [gedaagde sub 2] ook niet heeft weersproken dat D’Orangerie geen verhaal bood als de koopprijs niet zou worden betaald, heeft [gedaagde sub 2] een onaanvaardbaar risico genomen dat Pon schade zou lijden als gevolg van het niet nakomen van de koopovereenkomst door D’Orangerie. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Schade
4.14.
[gedaagde sub 2] is als bestuurder van D’Orangerie persoonlijk aansprakelijk voor de schade die Pon heeft geleden als gevolg van de wanprestatie van D’Orangerie en de ontbinding van de koopovereenkomst. Pon stelt dat haar schade bestaat uit de ontbindingsvergoeding op grond van artikel XV lid 3 algemene voorwaarden, die D’Orangerie niet heeft betaald. Volgens Pon bestaat die vergoeding uit 15% van het factuurbedrag voor de Bentley van € 525.577, inclusief btw en BPM, te vermeerderen met de verleende korting van € 7.022,-. Daarmee komt Pon tot een bedrag van € 80.112,15.
4.15.
[gedaagde sub 2] stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel XV lid 3 van de algemene voorwaarden 15% verschuldigd zou zijn op basis van de catalogusprijs van € 318.405,- plus btw en BPM.
4.16.
De rechtbank volgt [gedaagde sub 2] niet in zijn stelling dat de catalogusprijs € 318.405,- bedraagt. Blijkens de aankoopfactuur is dat de basisprijs. Daarbij heeft D’Orangerie nog een aantal accessoires (‘opties af fabriek’) bijbesteld, voor een totaalbedrag van € 30.805,-. Dat brengt de catalogusprijs op een bedrag van (€ 318.405,- + € 30.805,- =) € 349.210,-. De korting die Pon heeft verleend kan daarbij buiten beschouwing blijven, omdat die niet afdoet aan de catalogusprijs. Volgens artikel XV lid 3 kunnen ook de btw en BPM in aanmerking worden genomen. Daarmee komt de totale catalogusprijs op (€ 349.210,- + € 73.688,- (btw) + € 100.946,- (BPM) =) € 523.844,-. De rechtbank zal daarom niet uitgaan van het totale factuurbedrag, zoals Pon heeft gedaan, omdat de accessoires na kentekenuitgifte en overige kosten, zoals rijklaarmaakkosten en transportkosten, buiten de catalogusprijs vallen.
4.17.
De rechtbank komt op basis van het voorgaande uit op het volgende schadebedrag:
15% van € 523.844,- is € 78.576,60.
4.18.
[gedaagde sub 2] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van de schade ook rekening moet worden gehouden met het voordeel dat Pon heeft gehad. Volgens [gedaagde sub 2] moet de koopovereenkomst voor de Bentley in samenhang worden gezien met de koopovereenkomst voor de Lamborghini, van diezelfde dag. Volgens [gedaagde sub 2] heeft Pon gezegd dat zij de productieplek voor de Lamborghini aan een ander zou gunnen. Volgens [gedaagde sub 2] wordt voor het vergeven van deze productieplekken in de handel tenminste een bedrag van € 50.000,- betaald.
4.19.
Pon betwist dat zij een voordeel heeft uit het annuleren van de koop van de Lamborghini. De fabriek heeft de auto niet in productie genomen, omdat D’Orangerie de aanbetaling niet had voldaan. Volgens Pon is deze auto niet schaars of moeilijk verkrijgbaar, dus van verhandelbare productieplekken is geen sprake. Zodra een aanbetaling wordt gedaan, wordt de auto in productie genomen.
4.20.
Gelet op het gemotiveerde verweer van Pon, heeft [gedaagde sub 2] onvoldoende onderbouwd dat Pon een voordeel heeft gehad omdat hij de productieplek voor de Lamborghini heeft kunnen verkopen. Al daarom is er geen grond om bij de schade die Pon heeft geleden door de ontbinding van de koop van de Bentley rekening te houden met enig voordeel dat Pon ook zou hebben gehad.
4.21.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank [gedaagde sub 2] zal veroordelen om de schade van Pon ter hoogte van € 78.576,60 te vergoeden. De rechtbank zal dit bedrag vermeerderen met de wettelijke rente, zoals gevorderd met ingang van de vervaldatum van de annuleringsfactuur, zijnde 14 juni 2024. De rechtbank zal niet de gevorderde wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW toewijzen, maar de handelsrente op grond van artikel 6:119 BW, omdat het gaat om toewijzing van een vordering tot schadevergoeding.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.22.
Pon vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Pon heeft niet gesteld dat en welke kosten zij heeft gemaakt. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
Beslag- en proceskosten
4.23.
Pon vordert [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De rechtbank zal [gedaagde sub 2] veroordelen in de kosten van zowel de beslagen die te laste van hem zijn gelegd als de beslagen die ten laste van D’Orangerie zijn gelegd. De beslagkosten die Pon ten aanzien van D’Orangerie heeft gemaakt, zijn immers (mede) het gevolg van de omstandigheid dat [gedaagde sub 2] als bestuurder namens D’Orangerie niet heeft voldaan aan de verplichting om de ontbindingsvergoeding aan Pon te voldoen. De beslagkosten worden vastgesteld op € 2.670,13 voor kosten deurwaardersexploten, € 714,- voor griffierecht en € 1.290,- voor salaris advocaat (1 punt × € 1.290,-), totaal € 4.674,13.
4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.25.
[gedaagde sub 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Pon worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
123,35
- griffierecht
€
1.567,00
(het griffierecht voor het beslagrekest is hierop in mindering gebracht)
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.459,35
4.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
in de procedure tegen [gedaagde sub 2]
5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan Pon te betalen een bedrag van € 78.576,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 2] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 4.674,13, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 4.459,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de procedure tegen D’Orangerie:
5.7.
laat de procedure geschorst vanwege het faillissement van D’Orangerie.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
AFS/JvdK
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627.
HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel) en HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/ [naam] ).
Artikel 6:100 Burgerlijk Wetboek (BW).
HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:70.
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/362608 / HA ZA 25-111
Vonnis van 18 maart 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PON LUXURY CARS B.V.,
te Leusden,
eisende partij,
hierna te noemen: Pon,
advocaat: mr. M. Heijsteeg,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
D'ORANGERIE B.V. (sinds 3 februari 2026 in staat van faillissement),
te Alkmaar,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: D’Orangerie en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: onttrokken.
De zaak in het kort
Pon heeft een koopovereenkomst gesloten met D’Orangerie tot verkoop van een Bentley. D’Orangerie heeft de koopprijs niet betaald en de auto niet afgenomen. Pon heeft daarom de koopovereenkomst ontbonden. Pon maakt aanspraak op een ontbindingsvergoeding. D’Orangerie heeft die vergoeding niet betaald. D’Orangerie is inmiddels failliet verklaard. De procedure tegen de D’Orangerie is daarom geschorst.[gedaagde sub 2] is bestuurder van D’Orangerie. Pon stelt (ook) [gedaagde sub 2] aansprakelijk voor het handelen van D’Orangerie. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het niet nakomen van de koopovereenkomst met Pon, omdat hij wist of behoorde te weten dat D’Orangerie de koopovereenkomst met Pon niet zou kunnen nakomen. [gedaagde sub 2] is daarom aansprakelijk voor de door Pon geleden schade. De rechtbank stelt de schade vast op een (iets) lager bedrag dan door Pon gevorderd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 februari 2025, met producties 1-12;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;
- het tussenvonnis van 14 mei 2025;
- het B-formulier van 23 januari 2026, waarbij de advocaat van D’Orangerie en [gedaagde sub 2] zich heeft onttrokken;
- de akte overlegging producties namens Pon, met producties 12-15;
- het bericht van de rechtbank van 11 februari 2026 aan partijen en de curator van D’Orangerie, waarin is meegedeeld dat de procedure tegen D’Orangerie op grond van artikel 29 van de Faillissementswet van rechtswege is geschorst;
- het bericht van mr. Heijsteeg van 11 februari 2026, waarin Pon mededeelt de procedure tegen [gedaagde sub 2] voort te willen zetten;
- de mondelinge behandeling van 16 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Heijsteeg heeft daarbij het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. [gedaagde sub 2] is niet ter zitting verschenen.
1.2.
Ten slotte is in de procedure tegen [gedaagde sub 2] vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
D’Orangerie is een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. [gedaagde sub 2] is enig bestuurder van D’Orangerie.
2.2.
Pon en D’Orangerie hebben op 14 november 2023 twee koopovereenkomsten gesloten, waarbij D’Orangerie een Bentley Continental GTC Speed voor een bedrag van € 525.577,- en een Lamborghini Urus voor een bedrag van € 447.580,- heeft besteld bij Pon.
2.3.
Pon heeft de bestelling van de Lamborghini op enig moment geannuleerd, omdat D’Orangerie de aanbetaling niet had voldaan.
2.4.
Toen de Bentley gereed was voor aflevering, heeft D’Orangerie deze niet afgehaald of afgenomen. De koopsom heeft D’Orangerie ook niet betaald.
2.5.
Op 6 juni 2024 heeft Pon - voor zover van belang - ten aanzien van de Bentley het volgende aan D’Orangerie medegedeeld:
“Helaas hebben we tot op heden niets van je vernomen en worden we gedwongen tot de volgende stappen. Zonder bevestiging van afname en betaling zullen we de koopovereenkomst als annulering van jouw kant beschouwen en handelen we volgens de algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden van het koopcontract.
Dit betekent dat we in de eerdere communicatie genoemde annuleringskosten in rekening moeten brengen. (…)”
2.6.
Pon heeft D’Orangerie vervolgens op 6 juni 2024 een annuleringsfactuur gestuurd voor een bedrag van € 80.112,15. Dit bedrag is gebaseerd op artikel XV lid 3 van de algemene voorwaarden van Pon.
2.7.
D’Orangerie is op 3 februari 2026 failliet verklaard.
3Het geschil
3.1.
Pon vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan Pon te betalen € 87.845,73, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 80.112,15, met ingang van 1 februari 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
II. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
III. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Pon legt aan haar vorderingen, voor zover gericht tegen [gedaagde sub 2] , ten grondslag dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie persoonlijk aansprakelijk is voor de tekortkoming van D’Orangerie in de nakoming van de koopovereenkomst met Pon. Pon heeft de koopovereenkomst met D’Orangerie ontbonden. Pon vordert van [gedaagde sub 2] vergoeding van haar schade doordat D’Orangerie de overeengekomen ontbindingsvergoeding niet heeft betaald. Volgens Pon heeft [gedaagde sub 2] als bestuurder de koopovereenkomst gesloten terwijl hij wist of behoorde te weten dat D’Orangerie haar verplichtingen jegens Pon niet kon gaan nakomen. Van deze handelwijze treft [gedaagde sub 2] als bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt en [gedaagde sub 2] handelt hierdoor onrechtmatig jegens Pon.
3.3.
[gedaagde sub 2] voert verweer en concludeert dat de rechtbank Pon niet-ontvankelijk verklaart, of de vorderingen van Pon afwijst, met veroordeling van Pon in de proceskosten. [gedaagde sub 2] concludeert verder de beslagen die Pon heeft gelegd, op te heffen. [gedaagde sub 2] heeft geen eis in reconventie ingesteld, zodat de rechtbank geen vordering tot opheffing van de beslagen kan beoordelen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Juridisch kader bestuurdersaansprakelijkheid
4.1.
Pon baseert haar vordering tegen [gedaagde sub 2] op bestuurdersaansprakelijkheid. Zij stelt zich op het standpunt dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie persoonlijk aansprakelijk is voor het door D’Orangerie niet nakomen van de koopovereenkomst van de Bentley en het niet betalen van de ontbindingsvergoeding. Zij vordert daarom vergoeding van de schade die zij als gevolg daarvan heeft geleden schade, ter hoogte van de ontbindingsvergoeding.
4.2.
Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is daarnaast ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of aan de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Als de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4.3.
De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is daarom of [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie een ernstig verwijt kan worden gemaakt doordat hij de koopovereenkomst voor de Bentley met Pon heeft gesloten terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat D’Orangerie de verplichtingen uit de koopovereenkomst tegenover Pon niet zou kunnen nakomen en D’Orangerie geen verhaal zou bieden.
D’Orangerie is de ontbindingsvergoeding verschuldigd
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat D’Orangerie tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst met Pon, door de koopprijs van de Bentley niet te betalen en de auto niet af te nemen. [gedaagde sub 2] heeft wel betwist dat D’Orangerie om die reden de ontbindingsvergoeding die Pon vordert, verschuldigd is. Om vast te kunnen stellen of [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie aansprakelijk is voor het onbetaald blijven van de ontbindingsvergoeding, moet daarom eerst de vraag worden beantwoord of D’Orangerie de door Pon gevorderde ontbindingsvergoeding verschuldigd is.
4.5.
Pon stelt zich op het standpunt dat zij op grond van artikel XV lid 3 van haar algemene voorwaarden recht heeft op de ontbindingsvergoeding, omdat zij de koop heeft geannuleerd omdat [gedaagde sub 2] de koopovereenkomst niet is nagekomen.
4.6.
Artikel XV lid 3 van de algemene voorwaarden van Pon luidt - voor zover van belang - als volgt:
“XV Ontbinding
3. Wij kunnen, (…), de koopovereenkomst met koper te allen tijde zonder nadere ingebrekestelling en rechtelijke tussenkomst en zonder schadeplichtigheid jegens koper door middel van een schriftelijke mededeling aan de koper opschorten en/of ontbinden, indien (i) koper een of meer van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst niet, niet (…). In het geval wij de overeenkomst ontbinden is de koper aan verkoper een vooraf vastgestelde schadevergoeding van 15% van de catalogusprijs inclusief btw en BPM, exclusief eventueel inruil als schade vergoeding verschuldigd.”
4.7.
[gedaagde sub 2] stelt zich primair op het standpunt dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn op de koopovereenkomst omdat Pon die niet aan hem heeft verstrekt.
4.8.
De rechtbank verwerpt het verweer van [gedaagde sub 2] en is van oordeel dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de koopovereenkomst, omdat voldoende vast staat dat D’Orangerie bekend was met de algemene voorwaarden van Pon. [gedaagde sub 2] heeft namens D’Orangerie er immers voor getekend dat hij kennis heeft genomen van de algemene voorwaarden van Pon. Bovendien heeft [gedaagde sub 2] gesteld dat D’Orangerie in de loop der jaren tientallen auto’s van Pon heeft gekocht. Ook op basis daarvan kan worden aangenomen dat D’Orangerie bekend was met de inhoud van de algemene voorwaarden van Pon. Verder heeft Pon onweersproken gesteld dat haar algemene voorwaarden op de achterzijde (van het briefpapier) van iedere koopovereenkomst vermeld staan.
4.9.
Verder gaat het beroep van [gedaagde sub 2] op artikel II lid 3 van de algemene voorwaarden en zijn standpunt dat hij de annulering van de koopovereenkomst niet schriftelijk heeft bevestigd, niet op. In artikel II lid 3 is bepaald dat annuleringen van gesloten overeenkomsten slechts gelden als zij door beide partijen schriftelijk zijn vastgelegd. In dit geval heeft Pon de koopovereenkomst niet geannuleerd met een beroep op artikel II lid 3 van de algemene voorwaarden, maar heeft Pon zich beroepen op artikel XV lid 3. Op grond van die bepaling kon Pon de koopovereenkomst (eenzijdig) ontbinden, omdat D’Orangerie tekort is gekomen in de nakoming van de koopovereenkomst.
[gedaagde sub 2] is als bestuurder aansprakelijk
4.10.
In het voorgaande is vast komen te staan dat D’Orangerie de ontbindingsvergoeding verschuldigd is aan Pon. Vervolgens is het de vraag of [gedaagde sub 2] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor het feit dat D’Orangerie de ontbindingsvergoeding niet aan Pon heeft betaald. Voor de beantwoording van die vraag is van belang of [gedaagde sub 2] als bestuurder bij het sluiten van de overeenkomst wist of behoorde te weten dat D’Orangerie de koopovereenkomst voor de Bentley niet zou kunnen nakomen, waardoor D’Orangerie de ontbindingsvergoeding verschuldigd is geworden.
4.11.
Pon stelt dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst met Pon op 14 november 2023 op de hoogte was van een juridisch conflict tussen D’Orangerie en twee andere partijen. Uit het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2024 blijkt dat D’Orangerie in elk geval vanaf mei 2023 wist dat een bedrag van in totaal € 330.260,18 (exclusief btw) van haar werd gevorderd door een van deze partijen, omdat toen conservatoir beslag is gelegd ten laste van D’Orangerie. Bij uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 januari 2025 is D’Orangerie veroordeeld tot betaling van € 334.526,18 (exclusief btw) aan deze partij. Verder heeft ook een andere partij op 1 december 2023 beslag gelegd ten laste van D’Orangerie, voor een bedrag van € 149.500. [gedaagde sub 2] - als bestuurder van D’Orangerie - wist daarom ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met Pon of hij had behoren te weten dat D’Orangerie in financiële problemen verkeerde en wist of behoorde te weten dat D’Orangerie haar verplichtingen jegens Pon daardoor niet kon nakomen.
4.12.
[gedaagde sub 2] heeft niet betwist dat D’Orangerie ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met Pon in financiële moeilijkheden verkeerde en de koop van de Bentley niet uit eigen middelen kon voldoen. Volgens [gedaagde sub 2] zou hij de koop van de Bentley financieren uit een doorverkoop (met winst) van de auto aan een derde. Volgens [gedaagde sub 2] heeft hij via Pon in de loop van jaren teintallen auto’s van Pon verkocht en verhandeld. Dat blijkt ook uit het feit dat hij tegelijk met de Bentley een Lamborghini kocht, die hij ook zou doorverkopen. Omdat de koper van D’Orangerie afhaakte, was het volgens [gedaagde sub 2] voor D’Orangerie lastig geworden om Pon te kunnen betalen. Maar dat was voor hem ten tijde van de koop niet voorzienbaar, aldus [gedaagde sub 2] .
4.13.
[gedaagde sub 2] heeft zijn stelling dat D’Orangerie de Bentley heeft doorverkocht aan een derde en dat die koper is afgehaakt, op geen enkele manier onderbouwd. De rechtbank kan daar daarom niet van uitgaan. Daarbij komt dat [gedaagde sub 2] Pon niet heeft ingelicht dat D’Orangerie de koop van de Bentley zou financieren uit een doorverkoop aan een derde. Pon heeft gesteld dat zij de koopovereenkomst nooit met D’Orangerie zou hebben gesloten, als zij wist dat D’Orangerie de auto zou doorverkopen aan een derde. Omdat [gedaagde sub 2] niet heeft weersproken dat D’Orangerie de Bentley niet kon betalen uit eigen middelen, moet er gelet op de eigen stellingen van [gedaagde sub 2] van worden uitgegaan dat D’Orangerie de Bentley alleen kon financieren uit de middelen van een doorverkoop. Omdat [gedaagde sub 2] ook niet heeft weersproken dat D’Orangerie geen verhaal bood als de koopprijs niet zou worden betaald, heeft [gedaagde sub 2] een onaanvaardbaar risico genomen dat Pon schade zou lijden als gevolg van het niet nakomen van de koopovereenkomst door D’Orangerie. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van D’Orangerie daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Schade
4.14.
[gedaagde sub 2] is als bestuurder van D’Orangerie persoonlijk aansprakelijk voor de schade die Pon heeft geleden als gevolg van de wanprestatie van D’Orangerie en de ontbinding van de koopovereenkomst. Pon stelt dat haar schade bestaat uit de ontbindingsvergoeding op grond van artikel XV lid 3 algemene voorwaarden, die D’Orangerie niet heeft betaald. Volgens Pon bestaat die vergoeding uit 15% van het factuurbedrag voor de Bentley van € 525.577, inclusief btw en BPM, te vermeerderen met de verleende korting van € 7.022,-. Daarmee komt Pon tot een bedrag van € 80.112,15.
4.15.
[gedaagde sub 2] stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel XV lid 3 van de algemene voorwaarden 15% verschuldigd zou zijn op basis van de catalogusprijs van € 318.405,- plus btw en BPM.
4.16.
De rechtbank volgt [gedaagde sub 2] niet in zijn stelling dat de catalogusprijs € 318.405,- bedraagt. Blijkens de aankoopfactuur is dat de basisprijs. Daarbij heeft D’Orangerie nog een aantal accessoires (‘opties af fabriek’) bijbesteld, voor een totaalbedrag van € 30.805,-. Dat brengt de catalogusprijs op een bedrag van (€ 318.405,- + € 30.805,- =) € 349.210,-. De korting die Pon heeft verleend kan daarbij buiten beschouwing blijven, omdat die niet afdoet aan de catalogusprijs. Volgens artikel XV lid 3 kunnen ook de btw en BPM in aanmerking worden genomen. Daarmee komt de totale catalogusprijs op (€ 349.210,- + € 73.688,- (btw) + € 100.946,- (BPM) =) € 523.844,-. De rechtbank zal daarom niet uitgaan van het totale factuurbedrag, zoals Pon heeft gedaan, omdat de accessoires na kentekenuitgifte en overige kosten, zoals rijklaarmaakkosten en transportkosten, buiten de catalogusprijs vallen.
4.17.
De rechtbank komt op basis van het voorgaande uit op het volgende schadebedrag:
15% van € 523.844,- is € 78.576,60.
4.18.
[gedaagde sub 2] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van de schade ook rekening moet worden gehouden met het voordeel dat Pon heeft gehad. Volgens [gedaagde sub 2] moet de koopovereenkomst voor de Bentley in samenhang worden gezien met de koopovereenkomst voor de Lamborghini, van diezelfde dag. Volgens [gedaagde sub 2] heeft Pon gezegd dat zij de productieplek voor de Lamborghini aan een ander zou gunnen. Volgens [gedaagde sub 2] wordt voor het vergeven van deze productieplekken in de handel tenminste een bedrag van € 50.000,- betaald.
4.19.
Pon betwist dat zij een voordeel heeft uit het annuleren van de koop van de Lamborghini. De fabriek heeft de auto niet in productie genomen, omdat D’Orangerie de aanbetaling niet had voldaan. Volgens Pon is deze auto niet schaars of moeilijk verkrijgbaar, dus van verhandelbare productieplekken is geen sprake. Zodra een aanbetaling wordt gedaan, wordt de auto in productie genomen.
4.20.
Gelet op het gemotiveerde verweer van Pon, heeft [gedaagde sub 2] onvoldoende onderbouwd dat Pon een voordeel heeft gehad omdat hij de productieplek voor de Lamborghini heeft kunnen verkopen. Al daarom is er geen grond om bij de schade die Pon heeft geleden door de ontbinding van de koop van de Bentley rekening te houden met enig voordeel dat Pon ook zou hebben gehad.
4.21.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank [gedaagde sub 2] zal veroordelen om de schade van Pon ter hoogte van € 78.576,60 te vergoeden. De rechtbank zal dit bedrag vermeerderen met de wettelijke rente, zoals gevorderd met ingang van de vervaldatum van de annuleringsfactuur, zijnde 14 juni 2024. De rechtbank zal niet de gevorderde wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW toewijzen, maar de handelsrente op grond van artikel 6:119 BW, omdat het gaat om toewijzing van een vordering tot schadevergoeding.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.22.
Pon vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Pon heeft niet gesteld dat en welke kosten zij heeft gemaakt. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
Beslag- en proceskosten
4.23.
Pon vordert [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De rechtbank zal [gedaagde sub 2] veroordelen in de kosten van zowel de beslagen die te laste van hem zijn gelegd als de beslagen die ten laste van D’Orangerie zijn gelegd. De beslagkosten die Pon ten aanzien van D’Orangerie heeft gemaakt, zijn immers (mede) het gevolg van de omstandigheid dat [gedaagde sub 2] als bestuurder namens D’Orangerie niet heeft voldaan aan de verplichting om de ontbindingsvergoeding aan Pon te voldoen. De beslagkosten worden vastgesteld op € 2.670,13 voor kosten deurwaardersexploten, € 714,- voor griffierecht en € 1.290,- voor salaris advocaat (1 punt × € 1.290,-), totaal € 4.674,13.
4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.25.
[gedaagde sub 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Pon worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
123,35
- griffierecht
€
1.567,00
(het griffierecht voor het beslagrekest is hierop in mindering gebracht)
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.459,35
4.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
in de procedure tegen [gedaagde sub 2]
5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan Pon te betalen een bedrag van € 78.576,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 2] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 4.674,13, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 4.459,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de procedure tegen D’Orangerie:
5.7.
laat de procedure geschorst vanwege het faillissement van D’Orangerie.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
AFS/JvdK
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627.
HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel) en HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/ [naam] ).
Artikel 6:100 Burgerlijk Wetboek (BW).
HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:70.